Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Besluit artikel 29a Wet op de inkomstenbelasting

Datum nieuwsfeit: 09-07-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: artikel 29a wet IB

De plv. Directeur-generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Besluit van 9 juli 1999, nr. DB99/2340M


1. Inleiding

In het vijfde lid van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is bepaald dat het eerste lid van dit artikel geen toepassing vindt voor zover wordt aangetoond dat het op grond van het eerste lid in aanmerking te nemen voordeel meer beloopt dan het bedrag dat uit de in het voorafgaande jaar genoten opbrengsten van de bezittingen als voordeel ter beschikking had kunnen worden gesteld (de tegenbewijsregeling).


1.1 De tegenbewijsregeling

Op grond van artikel 29a, vijfde lid, derde volzin, van de Wet wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin met betrekking tot het kalenderjaar van oprichting en het daarop volgende kalenderjaar in plaats van het bedrag dat uit de in het voorafgaande kalenderjaar genoten opbrengsten van bezittingen als voordeel in het kalenderjaar ter beschikking had kunnen worden gesteld, in aanmerking genomen het bedrag dat uit de in het kalenderjaar zelf genoten opbrengsten van de bezittingen ter beschikking kan worden gesteld; de tweede volzin vindt daarbij overeenkomstige toepassing (de tegenbewijsregeling bij nieuw opgerichte fondsen).


1.2 De tegenbewijsregeling bij nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling

In artikel 29a, tiende lid, van de Wet is bepaald dat het vijfde lid met betrekking tot het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van oprichting van de vennootschap en de volgende kalenderjaren slechts toepassing vindt indien wordt aangetoond dat de toename van de gemiddelde omvang van de bezittingen over het kalenderjaar ten gevolge van stortingen minder bedraagt dan de gemiddelde omvang van de bezittingen over het voorafgaande kalenderjaar (de fondsverdubbeling). Daarbij kunnen, zo nodig onder te stellen voorwaarden, afwijkingen worden toegestaan van het bepaalde in de vorige volzin alsmede van het bepaalde in het vijfde lid, derde volzin.


1.3 De uitvoering van de tegenbewijsregeling en ontheffing bij nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling

De uitvoering van de tegenbewijsregeling is volgens het vijfde lid van artikel 29a van de Wet voorbehouden aan Onze Minister. De afwijking van de tegenbewijsregeling bij nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling is volgens het tiende lid van artikel 29a van de Wet eveneens voorbehouden aan Onze Minister.

Ik heb de Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam gemachtigd met ingang van 1 juni 1993 namens mij de tegenbewijsregeling uit te voeren.

De Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam wordt door mij met ingang van 9 juli 1999 gemachtigd namens mij de afwijking van de tegenbewijsregeling bij nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling uit te voeren.

De uitvoering van deze machtigingen gelden overeenkomstig de hieronder opgenomen voorschriften.

In dit verband omvat de taak van de Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam niet:


a. het beslissen op verzoeken met betrekking tot de toepassing van de bepalingen

van artikel 29a van de Wet voor zover deze geen verband houden met de tegenbewijsregeling en ontheffing voor nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling, en


b. het beslissen op verzoeken tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Verzoeken als bedoeld onder a. dienen te worden gedaan aan de ter zake bevoegde eenheid van de Belastingdienst; verzoeken als bedoeld onder
b. dienen te worden gedaan aan het Ministerie van Financiën, tenzij de Belastingdienst is gemachtigd namens mij het beleid ter zake uit te voeren. In het laatste geval dienen de verzoeken te worden gedaan aan de ter zake bevoegde eenheid van de Belastingdienst.


2. Beleid met betrekking tot de afwijking van de tegenbewijsregeling bij de nieuw opgerichte fondsen en bij fondsverdubbeling.

Met betrekking tot de in artikel 29a, tiende lid, van de Wet neergelegde ontheffingsbevoegdheden merk ik het volgende op. Op verzoek en zo nodig onder het stellen van voorwaarden wordt van de in deze bepaling neergelegde ontheffingsbevoegdheden gebruik gemaakt, indien is gebleken dat de opzet en de handelwijze van de desbetreffende (buitenlandse) beleggingsmaatschappij(en) niet gericht is (geweest) op het frustreren van de werking van artikel 29a van de Wet. Hierbij wordt een verschil gemaakt tussen nieuw opgerichte fondsen, geactiveerde "slapende" fondsen, en andere fondsen waarvan het fondsvermogen is verdubbeld.


2.1 Nieuw opgerichte fondsen

Het is niet goed mogelijk criteria te ontwikkelen aan de hand waarvan vóóraf exact zou kunnen worden vastgesteld onder welke omstandigheden verondersteld zou kunnen worden dat de opzet en handelwijze niet is gericht op het frustreren van de werking van artikel 29a van de Wet. In het algemeen zal hieromtrent vóóraf slechts een indicatie kunnen worden gegeven, waarbij (onder andere) als indicatoren hebben te gelden de aard en de looptijd van de beleggingen van de beleggingsmaatschappij(en).

De bepaling is opgekomen in het kader van reparatiewetgeving die er op is gericht een einde te maken aan de mogelijkheid om onder meer in te spelen op:

a) het ontbreken van fictief rendement in het kalenderjaar van oprichting; en

b) een relatief laag fictief rendement in het volgende jaar omdat voor dat jaar voor de tegenbewijsregeling wordt uitgegaan van de resultaten van het jaar van oprichting.

Tijdens de parlementaire behandeling is over artikel 29a, tiende lid, tweede volzin, van de Wet, opgemerkt dat de regeling buiten aanmerking blijft in gevallen waarin de beleggingspolitiek van het fonds zodanig is dat het fonds, bij honorering van het verzoek, aantrekkelijk wordt voor risicomijdende beleggers die slechts korte tijd zijn geïnteresseerd in het fonds (Kamerstuk 21.882, nr. 10, blz. 8 en 9).

Uit het vorenstaande volgt onder meer dat een zeker risico-element niet automatisch leidt tot ontheffing. De hiervóór onder a) en b) genoemde voordelen geven een extra nettorendement dat een risicomijdende belegger aanleiding kan geven een hoger risico te nemen. Daarnaast kan gelet op de motieven voor de wetswijziging slechts in zeer duidelijke situaties een ontheffing worden verleend.


2.1.1 In welke gevallen wordt geen ontheffing verleend

In beginsel wordt geen ontheffing ontleend voor beleggingsmaatschappijen die beleggen in rentegenererende opbrengsten zoals obligaties. Daarbij speelt ook het valutarisico ten aanzien van de beleggingen een rol. Ik stel mij daarbij op het standpunt dat indien wordt belegd in Euro-valuta of in US-dollars, dan wel een daaraan gerelateerde valuta, de valutarisico's onvoldoende zijn om de in artikel 29a, tiende lid, tweede volzin, van de Wet neergelegde ontheffingsbevoegdheden toe te passen. Indien wordt belegd in schuldvorderingen op debiteuren die in relatief hoge mate risicovol zijn, kan ontheffing worden verleend. De looptijd van de schuldvorderingen speelt daarbij een overwegende rol.


2.1.2 In welke gevallen wordt wel ontheffing verleend

Indien de beleggingsmaatschappij haar vermogen (on)middellijk belegt in onroerende zaken c.q. in industriële fondsen of andersoortige fondsen die materieel een onderneming drijven, kan in beginsel ontheffing worden verleend in de zin van artikel 29a, tiende lid, tweede volzin, van de Wet. Het ontmoet in die gevallen geen bezwaar indien ten behoeve van normaal aan- en verkoopbeleid het vermogen in enigszins belangrijke mate liquide wordt gehouden.

Indien het vermogen in eerste aanleg in meer dan de aangehouden grens van in enigszins belangrijke mate liquide is, geldt het volgende. In deze overschrijding kan worden berust, er van uitgaande dat nog sprake is van een aanloopfase van maximaal 12 maanden. Daaraan wordt wel de voorwaarde verbonden dat de overschrijding van de in enigszins belangrijke mate-grens niet structureel is. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond aan de hand van de jaarstukken.


2.1.3 Wel ontheffing mogelijk voor dividend-inkomens-fondsen

Op het uitgangspunt dat geen ontheffing wordt verleend bij fondsen die beleggen in rentegenerende opbrengsten geldt de volgende uitzondering. Artikel 29a van de Wet is een anti-misbruikbepaling die geldt indien de vennootschap niet of onvoldoende dividend uitkeert. In dat kader kan ook ontheffing worden verleend voor de zogenoemde dividend-inkomens-fondsen die hun inkomsten (al dan niet tevens via een interim-dividenduitkering) zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het boekjaar, volledig als dividend uitkeren.


2.2 Gevolgen van het verlenen van ontheffing voor nieuw opgerichte fondsen

Ontheffing betekent dat de derde volzin van het vijfde lid van artikel 29a van de Wet buiten toepassing blijft. In voorkomende gevallen zal een verzoek om ontheffing worden ingediend aan de hand van het (concept)prospectus. Het verzoek om ontheffing kan in wezen pas worden getoetst aan de hand van het feitelijk gevoerde beleggingsbeleid in, en de jaarstukken over, het jaar van oprichting en het daaropvolgende kalenderjaar. Indien een verzoek wordt ingediend aan de hand van het (concept)prospectus, en de jaarstukken over het kalenderjaar van oprichting en het daaropvolgende jaar nog niet voorhanden zijn, ontmoet het geen bezwaar aan de hand van de (concept)prospectus te beoordelen of het voorgenomen beleggingsbeleid voldoet aan de uitgangspunten voor ontheffing (ontheffing vóóraf). Hierbij geldt dat desgevraagd aanvullende gegevens moeten worden overgelegd indien het (concept)prospectus onvoldoende inzicht geeft in het beleggingsbeleid. Bij een ontheffing vóóraf moet achteraf worden getoetst. De ontheffing vóóraf wordt derhalve gegeven onder de voorwaarde dat in het kalenderjaar van oprichting en het daaropvolgende kalenderjaar is belegd conform het voorgenomen beleggingsbeleid op basis waarvan de goedkeuring vóóraf is gebaseerd.


2.3. Gevolgen voor het niet verlenen van ontheffing bij nieuw opgerichte fondsen

Indien geen ontheffing wordt verleend geldt artikel 29a, vijfde lid, derde volzin.


2.4 Fondsverdubbeling

Artikel 29a, tiende lid, van de Wet is opgenomen in het kader van reparatiewetgeving. De strekking is te voorkomen dat wordt overgestapt van het ene fonds naar een ander slapend fonds met het oog op continuering van de periode waarin geen fictief rendement kan worden geconstateerd. De wetsbepaling voorkomt dat het fictief rendement over het kalenderjaar zou worden bepaald aan de hand van de resultaten over het voorafgaande kalenderjaar. In de tweede volzin van artikel 29a, tiende lid, van de Wet is hiervoor een ontheffingsmogelijkheid gegeven.

Over een mogelijke verdubbeling van de waarde van de bezittingen door stortingen in het kalenderjaar geldt het volgende. Bij verdubbeling door autonome groei en bij ongewijzigd beleggingsbeleid van het betreffende subfonds wordt in beginsel voor dat subfonds ontheffing verleend. Het ontheffingsbeleid geldt derhalve niet voor geactiveerde slapende fondsen. Voor de geactiveerde slapende fondsen geldt het ontheffingsbeleid dat geldt voor nieuw opgerichte fondsen. Daarbij geldt uiteraard het voorbehoud van een toets achteraf.


2.4.1. Bij fondsverdubbeling geldt de kalenderjaartoets

Voor de beoordeling of sprake is van fondsverdubbeling is het volgende van belang. Artikel 29a, tiende lid, eerste volzin, van de Wet ziet op het kalenderjaar waarin het fictief rendement in aanmerking dient te worden genomen (de kalenderjaartoets). De regeling ziet derhalve niet op het voorafgaande kalenderjaar. Voor fondsen met een gebroken boekjaar ziet de regeling eveneens niet op het (voorafgaande) boekjaar. De kalenderjaartoets is bewust in de bepaling opgenomen. Hiermee worden mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik uitgesloten. Een boekjaartoets zou immers de mogelijkheid bieden voor oneigenlijk gebruik in het resterende tijdvak van het kalenderjaar. Indien de toets zou worden gelegd bij het voorafgaande kalenderjaar zijn er zelfs gedurende het gehele kalenderjaar mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik.


2.4.2. Uitwerking van de kalenderjaartoets

De kalenderjaartoets brengt met zich mee dat pas na afloop van het kalenderjaar zelf kan worden vastgesteld welke tegenbewijsberekening moet worden toegepast. Bij fondsverdubbeling wordt in beginsel uitgegaan van de resultaten van het lopende kalenderjaar. Zonder fondsverdubbeling gelden (vanaf het tweede kalenderjaar volgende op het jaar van oprichting) de resultaten over het voorafgaande kalenderjaar.

Voorbeeld:

Het fonds is opgericht op 1 januari 1995. Het fictief rendement voor de heffing van de inkomstenbelasting over 1999 van de particuliere aandeelhouders wordt bepaald door:

Bij fondsverdubbeling: Als uitgangspunt de resultaten over het kalenderjaar 1999.

Bij een geactiveerd slapend fonds gelden de resultaten over 1999, tenzij het ontheffingsbeleid kan worden toegepast dat geldt voor nieuw opgerichte fondsen. Bij ontheffing gelden de resultaten over het kalenderjaar 1998.

Voor andere fondsen waarvan het vermogen is verdubbeld door autonome groei bij ongewijzigd beleggingsbeleid gelden de resultaten over het kalenderjaar 1998.

Zonder fondsverdubbeling: de resultaten over het kalenderjaar 1998

In beginsel kan pas na afloop van het kalenderjaar worden vastgesteld of al dan niet sprake is van fondsverdubbeling. In de meeste gevallen zal geen sprake zijn van fondsverdubbeling dan wel wordt bij fondsverdubbeling ontheffing verleend omdat het vermogen is verdubbeld vanwege autonome groei bij ongewijzigd beleggingsbeleid. Vanuit praktisch oogpunt is het ongewenst verzoeken om vaststelling van het fictief rendement over het kalenderjaar aan te houden in afwachting van mogelijke fondsverdubbeling. Het ontmoet derhalve geen bezwaar dat de beleggingsmaatschappij voor een verzoek om vaststelling van het fictief rendement niet wacht tot het moment dat definitief kan worden vastgesteld dat er al dan niet een fondsverdubbeling heeft plaats gevonden.


2.5 Bij elk verzoek om toepassing van de tegenbewijsregeling moet worden verklaard of sprake is van fondsverdubbeling

Voor elk verzoek om toepassing van de tegenbewijsregeling geldt dat de beleggingsmaatschappij moet verklaren of wel of geen fondsverdubbeling heeft plaatsgevonden. Indien door het fonds op het moment dat het verzoek om tegenbewijs wordt ingediend, nog niet kan worden vastgesteld of fondsverdubbeling heeft plaatsgevonden, maakt het fonds daarvan melding in het verzoek. In dat geval wordt het fictief rendement vastgesteld onder de voorwaarde dat geen fondsverdubbeling plaatsvindt. Het fonds dient binnen één maand nadat de jaarstukken over het kalenderjaar zijn vastgesteld te verklaren dat wel of geen fondsverdubbeling heeft plaatsgevonden. Bij een gebroken boekjaar dient de verklaring te zijn gedaan binnen een maand nadat de jaarstukken zijn vastgesteld over het boekjaar dat is begonnen in het kalenderjaar. Indien wel fondsverdubbeling heeft plaatsgevonden, kan uiteraard een verzoek om ontheffing worden gedaan.


3. Over te leggen gegevens en bescheiden

Bij de indiening van een verzoek om toepassing van de tegenbewijsregeling dienen voldoende gegevens, bescheiden en berekeningen te worden overgelegd. Indien één of meer gegevens of bescheiden niet bij het desbetreffende verzoek is/zijn overgelegd, wordt de verzoeker onder verwijzing naar deze aanschrijving uitgenodigd het ontbrekende te verstrekken. In een dergelijk geval wordt de behandeling van het verzoek eerst hervat nadat de verzoeker de ontbrekende gegevens en bescheiden heeft verstrekt.

Bij een verzoek tot tegenbewijs dienen de navolgende gegevens en bescheiden te worden overgelegd:

1. De volledige jaarstukken van de desbetreffende beleggingsmaatschappij. Jaarstukken die onvoldoende toegankelijk zijn moeten worden verduidelijkt. Indien dit niet expliciet uit de jaarstukken blijkt, dient te worden aangegeven welk systeem van waardering van de bezittingen wordt gehanteerd alsmede de wijze waarop valutaresultaten worden verwerkt. Ik merk hierbij het volgende op. Voor de toepassing van het vijfde lid van artikel 29a van de Wet dient de buitenlandse beleggingsmaatschappij haar winst te berekenen met inachtneming van de regels van Nederlands belastingrecht en op een wijze die zoveel mogelijk overeenkomt met de berekeningsmethode voor Nederlandse Beleggingsinstellingen zoals die is neergelegd in het Besluit beleggingsinstellingen. Dit brengt onder meer mee dat bijvoorbeeld een in het land van vestiging gehanteerde (bijvoorbeeld fiscaal geforfaiteerde) afschrijving moet worden omgerekend. Bij de omrekening naar het Nederlandse systeem van winstberekening bij een daarvan afwijkende buitenlandse winstberekening, wordt vermeldt welke correcties hebben plaatsgevonden.

2. De waarde van de aandelen (beurskoers) op 1 januari van het kalenderjaar waarin het fictieve rendement in aanmerking moet worden genomen.

3. Een specificatie van de bezittingen, uitgaande van de historische kostprijs.

4. Een berekening van de (fictieve) herbeleggingsreserve. Indien met betrekking tot voorgaande jaren geen verzoek tot tegenbewijs is ingediend, dienen bescheiden te worden overgelegd op grond waarvan het beloop van de (fictieve) herbeleggingsreserve kan worden vastgesteld.

5. Een berekening van het uitdeelbare bedrag.
6. Indien de aandelen niet vrij verhandelbaar zijn, een opgave van de naam, het adres, de woonplaats en het sofi-nummer van de aandeelhouder(s), namens wie het verzoek wordt ingediend.


3.1 Gebruik van standaardformulieren

Belastingdienst/Grote Ondernemingen Amsterdam beschikt over formulieren met standaardmatige berekeningen. Het gebruik van een standaardformulier leidt tot een efficiëntere verwerking van het verzoek. Tevens kan worden voorkomen dat aanvullende informatie moet worden gevraagd.


4. Adressering

Een verzoek om toepassing van de tegenbewijsregeling en/of ontheffing bij nieuw opgerichte fondsen of fondsverdubbeling dient, vergezeld van de onder punt 3 hiervóór bedoelde gegevens en bescheiden, te worden gezonden aan:

Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam,

Bank- en effectengroep,

team 1.1,

Postbus 58988

1040 EK Amsterdam

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie