Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag ECOFIN Raad 12-07-1999

Datum nieuwsfeit: 12-07-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2196. Council - ECOFIN

Brussels (12-07-1999) -Nr. 9667/99 (Presse 212)


Voorzitter :

de heer Sauli NIINISTÖ

Minister van Financiën van de Republiek Finland

Voor meer informatie: tel. 285.84.15 of 285.68.06

PROGRAMMA VAN HET FINSE VOORZITTERSCHAP - OPENBAAR DEBAT

De Raad hield zijn gebruikelijke openbare debat over het programma van het nieuwe voorzitterschap op ECOFIN-gebied voor de komende zes maanden en hoorde een presentatie door de voorzitter, de heer Sauli NIINISTÖ, Fins Minister van Financiën, waarin de prioriteiten werden aangegeven voor vier grote gebieden, namelijk een efficiëntere coördinatie van het economisch beleid, belastingen, financiële diensten, en economische en financiële vraagstukken met betrekking tot Kosovo/de Westelijke Balkan.

Inzake de versterking van de coördinatie van het economisch beleid benadrukte de voorzitter dat de doeltreffendheid ervan verder moet worden verbeterd. Het voorzitterschap zal een voortgangsverslag opstellen voor de Europese Raad te Helsinki. In deze context memoreerde hij de rol van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid als belangrijkste instrument voor beleidscoördinatie. Hij onderstreepte ook dat het tijd is om structurele hervormingen door te voeren op de goederen-, kapitaal- en arbeidsmarkten.

Wat de belastingen betreft, beklemtoonde de voorzitter dat er een overeenkomst moet worden bereikt over alle onderdelen van het belastingpakket, namelijk de belastingregeling voor ondernemingen, belasting op rente van spaargelden en belasting op interest en royalty's. Hij deelde ook mee dat er een kader voor de energiebelasting moet komen met het oog op zowel de interne markt als milieu-eisen.

Met betrekking tot de financiële diensten wees de voorzitter op het belang van het actieplan van de Commissie en riep hij de lidstaten op hun voorbehouden bij richtlijnen waarover reeds wordt onderhandeld, in te trekken.

Inzake de wederopbouw in Kosovo/de Westelijke Balkan onderstreepte de voorzitter dat de steun doeltreffend moet zijn en dat er derhalve duidelijke criteria voor de economische evaluatie van de wederopbouwinspanning moeten worden vastgesteld. Hij benadrukte de belangrijke rol die in deze context voor de EU is weggelegd, maar wees er ook op dat de EU deze inspanning niet alleen kan leveren.

Commissievoorzitter Santer steunde ten volle de prioriteiten van het Finse voorzitterschap en gaf een overzicht van de door zijn Instelling ondernomen en geplande acties op de vier bovengenoemde gebieden.

In hun toespraken toonden de ministers zich verheugd over het werkprogramma van het Finse voorzitterschap, dat voor de Europese Unie op een belangrijk ogenblik komt, in het bijzonder omdat het voorzitterschap zal samenwerken met het pas verkozen Europees Parlement en met de nieuwe Commissie.

De ministers waren het erover eens dat de coördinatie van het economisch beleid voor de EU in haar geheel moet worden verbeterd en dat het structureel beleid efficiënter moet worden uitgevoerd teneinde groei en meer werkgelegenheid te bewerkstelligen.

In verband met belastingen verbonden de ministers zich ertoe constructief aan de op stapel staande richtlijnen te werken, teneinde vóór het einde van dit jaar overeenstemming te bereiken. Met betrekking tot de financiële diensten verzekerden de ministers het voorzitterschap van hun volledige medewerking bij de uitvoering van het actieplan van de Commissie.

Wat de situatie in Kosovo/de Westelijke Balkan betreft, spraken verscheidene ministers hun tevredenheid uit over het voornemen om tijdens de zitting van de Raad Begroting op 16 juli een reserve van 500 miljoen euro op te nemen in de ontwerp-begroting voor 2000 en waren zij van oordeel dat de beschikbare middelen in het kader van de nieuwe Financiële Vooruitzichten (2000-2006) het mogelijk moeten maken de huidige wederopbouwinspanningen te financieren.

OEKRAÏNE - ELEMENTEN VOOR EEN GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE VAN DE UNIE

De Raad nam nota van een presentatie door de voorzitter van het Economisch en Financieel Comité over de besprekingen betreffende een ECOFIN-bijdrage voor de gemeenschappelijke strategie voor Oekraïne, waarmee de Unie momenteel bezig is. De Raad keurde het resultaat van deze besprekingen goed; er zal rekening mee worden gehouden bij de toekomstige besprekingen over de gemeenschappelijke strategie.

Het voorzitterschap deelde mee ervoor te zullen zorgen dat het Economisch en Financieel Comité op de hoogte wordt gehouden van de vooruitgang bij de besprekingen, teneinde ECOFIN in staat te stellen deel te nemen aan de verdere voorbereiding van de gemeenschappelijke strategie.

KOSOVO/WESTELIJKE BALKAN - ASPECTEN VAN DE ECONOMISCHE EN FINANCIËLE SITUATIE

Na een nuttige discussie over de Balkan kwam de Raad overeen dat de voorzitter van de Raad de volgende punten zou kunnen presenteren tijdens de vergadering van de Stuurgroep op hoog niveau op 13 juli 1999.

* De verbetering van de economische situatie in de Westelijke Balkan, met inbegrip van met name Kosovo, is zeer belangrijk om humanitaire redenen en met het oog op politieke stabiliteit. Dus moet de financiële steun politiek verantwoord zijn. Voorts is het voor de verbetering van de economische situatie van wezenlijk belang dat de financiële steun op gezonde economische overwegingen gebaseerd is.

Om doeltreffend te zijn, moet de financiële steun ter bevordering van deze verbetering gebaseerd zijn op de volgende zes beginselen:


1. Duidelijke prioriteiten, beginnend met de onmiddellijke behoeften (gezondheid, voedsel, wederopbouw, met inbegrip van huisvesting en openbare voorzieningen)

2. Systematische beoordeling van behoeften en opnemingsvermogen
3. Voorwaarde van economische steun en voorkoming van misbruik van middelen

4. Billijke verdeling van de lasten over de internationale actoren
5. Transparantie en doeltreffende coördinatie van de activiteiten en verantwoordelijkheden van de betrokken actoren
6. De grote geldschieters moeten aan de vergaderingen van de Stuurgroep (Kosovo/Westelijke Balkan) kunnen deelnemen.


* Met betrekking tot de Balkan moet een langetermijnvisie worden gehanteerd. Het zal tijd vergen voor er in de regio weer voorspoed en stabiliteit is. Bij de inspanningen van de Europese Unie om de Balkan te helpen, moeten de bovenstaande zes beginselen van bij het begin worden gevolgd, teneinde duurzame publieke steun voor de bijstand te garanderen: de belastingbetalers moeten er zeker van zijn dat het geld goed wordt gebruikt.


* De ECOFIN-ministers zullen de internationale bijstandsinspanningen in de Balkan en de toepassing van de bovenstaande beginselen in de praktijk op de voet volgen.

EIB-LENINGEN: VERLENGING VAN DE GARANTIE VAN DE GEMEENSCHAP VOOR PROJECTEN IN DERDE LANDEN

De Raad bereikte overeenstemming over de vier hoofdelementen van het voorstel voor een besluit tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (Midden- en Oost-Europa en Westelijke Balkan, Middellandse-Zeegebied, Latijns-Amerika en Azië en de Republiek Zuid-Afrika), in afwachting van de bespreking van het komende advies van het Europees Parlement. De bestaande garantie verstrijkt op 31 januari 2000.

De onderstaande hoofdelementen werden door alle delegaties aanvaard:
* een globale garantie door de Gemeenschap van 65% (deze bedraagt thans 70%);

* totaal gegarandeerd bedrag op basis van een jaarlijks bedrag van 2630 miljoen euro (waarbij dus in vergelijking met het vorige mandaat een werkelijke stabilisatie wordt gegarandeerd, overeenkomstig een strikte begrotingsdiscipline);
* een zevenjarengarantie met een evaluatie bij de eerste toetreding of uiterlijk na 4,5 jaar, indien die datum vroeger is;
* een verklaring van de Raad waarbij "de Raad zich bereid verklaart om bij de evaluatie halverwege na te gaan of de huidige garantieregelingen in de toekomst kunnen worden uitgebreid tot Rusland, Oekraïne en Moldavië, zodra in die landen aan de voorwaarden voldaan is, in het bijzonder die van een stabiel werkende markteconomie, waardoor EIB-kredietverleningen in deze landen onder de gebruikelijke gezonde economische en financiële voorwaarden van de EIB haalbaar zijn.

De Raad is bereid zijn huidige besluit vóór de tussentijdse evaluatie opnieuw te bezien indien de bovengenoemde voorwaarden op een vroegere datum vervuld zijn."

Er zij op gewezen dat het basiskader voor externe, door de Gemeenschap gegarandeerde kredietverlening is opgenomen in Verordening nr. 1149/99, die op 25 mei is aangenomen ingevolge de conclusies van de Europese Raad te Berlijn over Agenda 2000. Bij die verordening is het streefbedrag van het Garantiefonds van 10% tot 9%, en het voorzieningspercentage van 14% tot 9% verlaagd. Voorts is in rubriek 6 van de nieuwe financiële vooruitzichten een bedrag van 200 miljoen euro (prijzen van 1999) opgenomen voor de reserve voor garanties.

BTW: VERLAAGD TARIEF VOOR ZEER ARBEIDSINTENSIEVE DIENSTEN

De Raad nam nota van de stand van de werkzaamheden met betrekking tot het Commissievoorstel van 15 maart 1999 voor een richtlijn waarbij aan de lidstaten de mogelijkheid wordt geboden om bij wijze van experiment het BTW-tarief op zeer arbeidsintensieve diensten te verlagen. De belangrijkste kwestie die door de ministers werd bestudeerd, was de manier waarop moet worden bepaald welke zeer arbeidsintensieve diensten in aanmerking komen voor het verlaagd BTW-tarief (toepassen van algemene criteria of - daarnaast - opstellen van een lijst van in aanmerking komende diensten).

Ter afsluiting verzocht de Raad het Comité van Permanente Vertegenwoordigers hem, indien mogelijk voor eind juli, een basis voor een algemene overeenkomst voor te leggen, met inbegrip van een lijst van diensten waarop een verlaagd BTW-tarief kan worden toegepast, teneinde deze richtlijn zo spoedig mogelijk te kunnen aannemen.

Er zij op gewezen dat, volgens het Commissievoorstel van 17 februari 1999, de lidstaten eventuele verzoeken om toepassing van een verlaagd BTW-tarief op zeer arbeidsintensieve diensten (zoals thuiszorg of renovatie van gebouwen) die rechtstreeks voor de eindverbruikers worden verricht, hoofdzakelijk lokaal zijn en geen concurrentiedistorsie in de hand werken en bovendien de goede werking van de interne markt niet in gevaar brengen, bij de Commissie moeten indienen. De Commissie zal dan een specifiek voorstel bij de Raad indienen, die de lidstaten met eenparigheid van stemmen toestemming zal verlenen om tussen 1 januari 2000 en 31 december 2002 een verlaagd tarief toe te passen.

Aan de basis van het initiatief voor dit voorstel ligt de Europese Werkgelegenheidsraad van Luxemburg van november 1997, die concludeerde dat, teneinde het belastingstelsel werkgelegenheidsvriendelijker te maken, elke lidstaat zonder verplichting zou moeten onderzoeken of het opportuun is om het BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten die niet aan grensoverschrijdende concurrentie zijn blootgesteld, te verlagen. Deze conclusie werd bevestigd door de Europese Raden van Wenen en Keulen.

EIGEN MIDDELEN

Commissielid LIIKANEN presenteerde de Raad een voorstel voor een nieuw besluit betreffende eigen middelen, dat door zijn Instelling op 8 juli is aangenomen ingevolge de conclusies van de Europese Raad van Berlijn en dat begin 2002 van kracht zal worden.

Het voorgestelde besluit strekt er niet toe de structuur van de eigen middelen te wijzigen, aangezien er geen nieuwe eigen middelen worden opgenomen en de bestaande (traditionele eigen middelen, BTW en BNP) zullen blijven. Ingevolge de hervormingen van de Europese Raad van Berlijn echter zal de omvang van alle middelen van de financiering van de EU-begroting naar verwachting veranderen.

Er zullen met name hervormingen komen in de financieringszijde van de begroting, namelijk een stijging van het percentage van de traditionele eigen middelen die de lidstaten inhouden voor het dekken van de inningskosten en aanverwante kosten, van 10% tot 25%, met ingang van begin 2001; en de verlaging van het BTW-maximumtarief van 1% nu tot 0,75% in 2002 en 2003 en tot 0,50% vanaf 2004. Verdere hervormingen zullen betrekking hebben op de voorschriften voor de korting van het Verenigd Koninkrijk en de financiering daarvan.

IMPLEMENTATIE VAN OLAF

Tijdens het Duitse voorzitterschap heeft de Raad een pakket besluiten aangenomen voor de oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Onder het Finse voorzitterschap moet ervoor worden gezorgd dat het OLAF volledig operationeel wordt en dat alle daarvoor noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen getroffen worden. Het voorzitterschap benadrukte in dit verband, onder verwijzing naar de conclusies van de Groep op Hoog Niveau van 25 mei 1999, onderstaande punten, die door de Raad zijn onderschreven:


1. Finse voorzitterschap zal in overeenstemming met zijn werkprogramma in het bijzonder aandacht besteden aan de follow-up van de uitvoering van de communautaire besluiten betreffende de oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en zal de nodige bijstand verlenen om een doeltreffende uitvoering te garanderen zodat het OLAF zo spoedig mogelijk volledig operationeel wordt.

2. OLAF moet op doeltreffende wijze en in volledige overeenstemming met het mandaat van de communautaire wetgever, zoals dat in de conclusies van de Europese Raad van Keulen is bevestigd, aan de werkzaamheden kunnen beginnen.
3. Voor de benoeming van de directeur van het OLAF moet het advies van het Comité van toezicht van het OLAF worden ingewonnen. Het stemt de Raad daarom tevreden dat het Europees Parlement naar aanleiding van de besluiten van de Raad en de Commissie van eind mei de namen van de leden van het Comité van toezicht heeft goedgekeurd (1), en hij neemt er met voldoening nota van dat dit comité op 12 juli 1999 zijn oprichtingsvergadering houdt. Het Comité van toezicht kan ook advies uitbrengen over de ontwerp-personeelsformatie.

4. Met het oog op een snelle benoeming van de directeur van het OLAF pleit de Raad ervoor de in artikel 12 van de OLAF-verordening bedoelde procedure onmiddellijk te starten. De Raad acht het passend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een oproep tot gegadigden te plaatsen.

5. De Raad verwijst naar de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 volgens welke de Commissie heeft toegezegd om een voorontwerp in te dienen voor en overleg te starten over de wijziging van het statuut met betrekking tot de rechten en plichten van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen bij de onderzoeken van het OLAF; hij verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te treffen om de verschillende bepalingen in het statuut op te nemen.
6. Om tot een doeltreffend en operationeel OLAF te komen is vereist dat alle instellingen en organen van de Unie de nodige besluiten en andere concrete maatregelen nemen om het OLAF in staat te stellen om binnen die instellingen en organen zijn taak, met name de interne onderzoeken, volledig en doeltreffend uit te voeren. Door die maatregelen moet het OLAF regelmatig en loyaal met die instellingen en organen kunnen samenwerken. Terwijl bijna alle instellingen en organen de in artikel 4, lid 1, van de verordening bedoelde passende besluiten reeds hebben genomen of zich daartoe bereid verklaard hebben, in overeenstemming met het interinstitutioneel akkoord bij de verordeningen, moeten bij de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en de Rekenkamer vorm en inhoud van de corresponderende bepalingen nog worden vastgesteld. De Raad herhaalt hierbij zijn verzoek aan die instellingen. Het Finse voorzitterschap is, net als zijn voorganger, bereid tot het in de laatste zin van lid 1 van artikel 4 bedoelde overleg.

7. De Raad onderstreept dat het OLAF bevoegd moet zijn om onderzoeken te verrichten voor de bescherming van de belangen van de Gemeenschap bij het Kosovo-Bureau en bij de begunstigden en tussenpersonen van de subsidies van het Bureau. Voorts memoreert de Raad dat het OLAF onderzoeken moet kunnen verrichten bij alle toekomstige organen, instanties en andere organisaties van de Gemeenschappen.

8. Een algemeen verslag over de stand van de uitvoering, met inbegrip van de personeels-formatie zal op 8 oktober 1999 aan de Raad ECOFIN worden voorgelegd, die dan de nodige conclusies zal trekken. De Raad hoopt dan de effectieve start van de werkzaamheden van het OLAF en de definitieve uitvoeringsmaatregelen te kunnen begroeten.
9. Het Finse voorzitterschap heeft ook voorgesteld om na te gaan of en, zo ja, hoe het OLAF, in het kader van de pretoetredingsstrategie, de autoriteiten in de kandidaat-lidstaten zou kunnen bijstaan in de fraudebestrijding.


***

De Raad stemde in met het ontwerp-besluit betreffende de benoeming van de leden van het Comité van toezicht van het OLAF (zie boven). Dit ontwerp-besluit zal binnenkort worden ondertekend door de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

De voorzitter deelde de Raad mee dat tijdens de triloogbijeenkomst (van Europees Parlement, Commissie en Raad) van 2 juli is overeengekomen dat het OLAF volledig operationeel moet worden op 1 november 1999.

EXTERNE VERTEGENWOORDIGING VAN DE EUROZONE

Wat betreft de informele externe vertegenwoordiging van de Gemeenschap in de G7 op ministerieel niveau met betrekking tot EMU-kwesties, spraken de ministers unaniem hun voldoening uit over de overeenkomst die met de niet-Europese leden van de G7 is bereikt.

Volgens deze overeenkomst zullen de president van de Europese Centrale Bank (die de gouverneurs van de nationale centrale banken van de eurozone vervangt) en de voorzitter van de Euro-11-Groep deelnemen aan de bijeenkomsten van de ministers van Financiën van de G7, wanneer de situatie van de wereldeconomie, het multilateraal toezicht en de wisselkoersen worden besproken.

De Commissie zal hierbij worden betrokken in zoverre zulks nodig is om haar in staat te stellen de rol te vervullen die haar uit hoofde van het Verdrag is toegewezen, en zij zal de bijeenkomsten in verband met specifieke, door de ministers vast te stellen kwesties bijwonen.


***

Tijdens de lunch gaf het voorzitterschap de ministers een korte uiteenzetting over de besprekingen die de Euro-11-Groep 's ochtends had gehouden over de economische, financiële en budgettaire situatie in de eurozone en over de externe vertegenwoordiging.

De ministers namen ook nota van een presentatie door Commissielid DE SILGUY over het millenniumprobleem.

Voorts bespraken de ministers de kwestie van de benoeming van de volgende president van de Europese Investeringsbank.

STATISTISCHE VEREISTEN IN DE EMU

De Raad nam nota van en hechtte zijn goedkeuring aan het voortgangsverslag (zie hierna) van het Economisch en Financieel Comité over de uitvoering van het verslag betreffende statistische vereisten dat tijdens zijn zitting van 18 januari 1999 werd goedgekeurd. De Raad zal in het voorjaar van 2000 op deze punten terugkomen aan de hand van een nieuw voortgangsverslag.

Information requirements in EMU

The Ecofin Council endorsed a report by the Monetary Committee on information requirements in Economic and Monetary Union in its meeting on 18 January 1999. The report underlined that for the proper functioning of EMU and the Single Market, effective surveillance and co-ordination of economic policies are of major importance and that this requires a comprehensive information system providing policy makers with the necessary data on which to base their decisions. It stressed that while it will be important to have such information available for the European Union as a whole, it will be even more important to have such information for the euro-area and the Member States participating therein. The report concluded that, while the statistical work programmes seem generally adequate and faithfully reflect the relevant decisions, it is important that progress be made more quickly in a number of priority areas. To this effect, the report made specific recommendations and, to follow-up their implementation, called for a review of progress in the autumn of 1999.

This report responds to this mandate by presenting the recommendations followed by an assessment. The appendix to this report provides a summary overview of current and prospective timeliness of selected key euro area statistics.

Overview of progress on the implementation of the recommendations.


1. Quick progress is needed on establishing quarterly national accounts, as well as quarterly statistics covering public finance and the labour market. If possible, these statistics should be integrated into the quarterly national accounts framework.

In accordance with the Council Regulation (EC) No 2223/96, Member States are currently changing over to the ESA-95 national accounts system, which includes specific requirements on the production of quarterly national accounts covering the main aggregates. Member States have provided their first data complying with the new ESA-95 requirements in the Spring with about half of them doing so, as required, in April.

Some Member States (Greece, Ireland, Luxembourg and Austria) have agreed not to make full use of their derogations under the Regulation. Furthermore, to speed up progress on establishing quarterly national accounts relative to what is foreseen in the Regulation, Member States have agreed to reduce the time lag with which these accounts become available. In addition, most Member States have agreed to providing longer time series of back data than required in the ESA Regulation. For the time being, results for the euro-area as a whole will commence only in 1991 due to lack of data for unified Germany in previous years which is a considerable drawback for the longer term analysis of euro area developments.

First quarterly national accounts covering the main aggregates for the Euro area and EU 15 for the first quarter of 1999 were published after 70 days. As a consequence of the delayed release of ESA 95 data in several Member States, this data had to be on a mixed ESA 79/ESA 95 basis and could only be provided for a small sub-set of the full quarterly data set required under ESA 95. These are transitional problems and the situation is expected to improve markedly.

In future data on an ESA 95 basis are expected to be available 70 days after the period concerned. A second estimate based on more countries and detail in current prices will be published after 100 days and the intention is to reduce this to 90 days. The possibility of producing, by mid 2000, flash estimates after 45 days is being considered by Eurostat.

Implementation of ESA 95 will inevitably complicate interpretation of national accounts data for some time. At each stage of the implementation it will be necessary to identify, as far as possible, the statistical effects due to the new methodology.


2. A high priority should be given to statistics on the public finances. The objective is the production of quarterly national and financial account data for general government. This requires substantial changes and results will only be available in 2001 at the earliest. Such a move should be supported by a number of regulatory changes, among others to ensure that the necessary quarterly information is collected from all levels of government, including social security institutions, and that it is promptly transmitted to the national statistical offices. To bridge the gap, efforts must be made to produce quickly, on a quarterly basis and in an appropriate format, information on a selected set of key public finance variables that is already - or can quickly be made - available at national level. First results should be available early in 2000.

Progress is on track to ensure that the first indicators on some of the major items will be available from the start of 2000. On the basis of the discussions on the draft Commission regulation so far, some harmonised quarterly national accounts data for general government receipts are now expected to become available in June 2000. Most Member States agree to provide data on all general government receipts by 2002. Efforts will have to be pursued, especially as regards expenditure items, to cover all relevant statistics in 2001.

A draft work programme on quarterly financial statistics for general government has recently been established. Considerable efforts have to be made by all parties involved to comply with the recommended timetable.


3. To permit a better view of labour market developments, Member States should accelerate the implementation of a continuous Labour Force Survey providing quarterly results on employment and unemployment at the latest by the year 2000.

In accordance with Council Regulation (EC) No 577/98, a continuous Labour Force Survey is actually implemented in 10 Member States; preliminary studies are being undertaken in France and Italy (pilot surveys) and in Luxembourg; there is no real progress so far in Germany and Austria. As a result, reliable data for the euro area on a quarterly basis cannot be compiled; so far, they are only available on an annual basis.

Furthermore, the compilation of a European level labour cost index for both EU-11 and EU-15 using existing data should be speeded up as a temporary solution for early 1999.

In response to this recommendation, Member States have undertaken to produce quarterly labour cost indices. Most of them are already providing the data to Eurostat and Greece and the United Kingdom are expected to do so by July 1999. On the basis of the available data, Eurostat published first estimates for European totals for the last quarter of 1998 in April 1999 and intends to publish data on the first quarter of 1999 in July 1999. Over time, data are expected to become available more quickly.

But further efforts should be directed towards the development of more comprehensive and comparable indicators and accounts for labour at both national and European level by the year 2000. A specific work programme should be defined in 1999, for implementation starting in 2001.

Eurostat is discussing with the relevant national statistical offices the establishment or, where appropriate, the improvement in estimates on labour (number of employed persons, hours worked, compensation of employees) on an annual and quarterly national accounts basis. National estimates should make use of the results of the continuous Labour Force Survey, as well as of relevant business statistics and administrative sources. As a result, the consistency, timeliness and comparability of these labour statistics should improve. Eurostat expects to reach full agreement with ten Member States in the Autumn. Furthermore, discussions have continued with key users on the need to develop a European Labour Price Index.


4. The Council Regulation of 19 May 1998 concerning short-term statistics should be quickly and fully implemented by the year 2001 for manufacturing, construction, and retail trade.

On the basis of current progress, it appears that most Member States are on track to meet the recommendation that the short-term statistics regulation be fully implemented by the year 2001 for manufacturing, construction and retail trade. However, for data on new orders received by industry judging on the basis of the progress achieved so far and current plans, Greece, Spain, France, Ireland and Portugal may not be able to achieve that objective. This implies that euro area data will not be available for these indicators by 2001. Moreover, many statistical offices are not yet providing data as promptly as required by the Regulation, nor are they providing the legally required proxies when full data is not available. As concerns the timeliness of euro area results, urgent progress is needed in particular for retail trade for which the current delay is unacceptably long.

Also, for the cyclically sensitive service industries faster progress than currently envisaged is required.

Efforts have been stepped up in most Member States to accelerate progress in producing short-term statistics relating to cyclically-sensitive service industries. It is not yet known when concrete results can be expected. There is clear need for more rapid progress in Germany, Spain and Italy. The absence of such statistics remains a major obstacle to analysis of the conjunctural situation.

To this end, relevant derogations should be reviewed.

Eurostat is examining with the Member States concerned how relevant derogations should be reviewed to remedy the identified shortcomings and is expected to reach agreements with them by October 1999.

Qualitative surveys on business and consumer confidence should be further developed to give better coverage of services that are particularly sensitive to variations in economic activity. Concrete results should be obtained by the year 2000.

Some progress in further developing qualitative business surveys in the service sector has been made. A harmonised scheme for covering the major branches has been agreed with Member States. However, the timely collection of data in some Member States and, in the Commission, its evaluation and utilisation, have not been advancing sufficiently to obtain results by the year 2000.


5. Concerning the balance-of-payments and trade, the provision of data on cross-border flows within the euro area should be considered in the light of the new circumstances of Monetary Union. For this purpose, the present intrastat system should be simplified and other methods should be explored to arrive at a suitable output, while reducing costs. If the intrastat data collection system is modified along these lines, it would require amendment to Council Regulation (EC) No 3330/91.

With a view to simplifying the Intrastat system, the Commission (Eurostat) had submitted several proposals to the Council in 1997 and 1998. While some results have been achieved, a proposal on the simplified use of the nomenclature is still under discussion between the Council and the European Parliament. In the immediate future, the study of asymmetries and the reconciliation process should continue and so should the efforts to respond in particular to ECB's and the Commission's requirements for early available results in terms of reconciled data. Looking further ahead, Eurostat will present a strategy for the compilation of trade statistics on goods. The Commission (Eurostat) intends to present a report by the end of this year on 1) the results of studies on simplification measures, 2) the possibility to produce monthly macroeconomic aggregates of higher quality and 3) the possibility to produce less detailed information, limiting the response burden while still responding to the essential needs of core users. Progress will depend on the support by the Council and the European Parliament for proposals aimed at simplification in the Intrastat system.

The CMFB is embarking on a broad review of balance-of-payments statistics in the new circumstances of EMU, taking account also of the wider economic and financial background and the need to improve quality. This exercise is welcome, and the CMFB, in its further work, should also incorporate the issues raised in this report and conclude its review by mid-1999. This review should contain concrete proposals for regulatory reform and the time frame for implementation.

The CMFB is conducting its broad review of balance of payments statistics in the new circumstances of EMU. Beyond changes in Intrastat legislation (see above), and any ECB plans for data legislation, CMFB is unlikely to propose further regulatory reforms.

The quality of the new balance-of-payments data for the euro area is still clearly insufficient as indicated, for example, by the large errors and omissions in the euro area in first quarter (and monthly) balance-of-payments accounts published by the ECB. There are inconsistencies within and between national and euro area balance-of-payments statistics and between the euro area balance of payments and euro area national accounts compiled by aggregating national data. These inconsistencies, which limit the usefulness of the data, are receiving urgent attention in the CMFB, and efforts are being stepped up to minimise them.


6. Publication of statistical data should be timely at pre-determined release dates at all levels (national and European), and the main suppliers should guarantee electronic access and distribution to all users.

Regarding the publication of statistical data, some progress has been made in reducing the delays of transmission, in improving the timeliness and quality of major short-term indicators as well as in setting up a release calendar. A first step has been made with the publication by Eurostat of Euro-Indicators on the internet, but further developments are needed. To ensure a better service to short-term analysts a special Intranet site (Euro-SICS) will be set up and become operational by September 1999. Its main objective will be to provide a comprehensive system of short-term economic indicators for the euro zone, the EU and its individual Member States. It will be accessible to Member States' statistical offices, finance and economics ministries and central banks, and to the ECB and the Commission. Another positive development in enhancing the accessibility of statistics is the publication by the ECB of comprehensive statistics on the euro area in the statistical section of their monthly bulletin. This bulletin, published since January this year, and the euro area statistics are freely available on the ECB's web-site. At present, euro area results are made available with some delay after the publication of national data. It is essential to reduce these delays, which arise partly from delays in transmitting data to Eurostat.


7. To respond to these priorities, adequate resources should be available to those involved in the collection, production, and dissemination of data.

In Member States where progress can be considered insufficient, the lack of adequate resources devoted to the priorities identified in the recommendations has generally been advanced as a major explanation. This applies particularly to areas such as the Labour Force Survey, short-term statistics, notably on new orders received by industry, and qualitative surveys.

In addition, it must be ensured that national statistical offices have adequate legal means to collect the necessary information, in line with the possibilities that national central banks already have in this regard.

There have been no major changes in the national statistical offices' possibilities, including, where appropriate, legal ones, to collect the necessary information. The quality of balance-of-payments statistics could, in some cases, be improved relatively quickly by making it legally possible that the relevant micro-data are exchanged between the national central bank and the national statistical office, under the condition that the confidentiality regime of the sender of the data is safeguarded.

Appendix: Current timetable (t+x days after the reference period) for publishing the euro indicators and prospective timetable (mid 2000)

Current situation

Mid 2000

Indicators

1st est.

2nd est.

3rd est.

1st est

Freq.

Unit

Measure

National accounts (1)

Gross domestic product

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

A/B

Real

Private final consumption expenditure

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

A/B

Real

Government final consumption expenditure

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

A/B

Real

Gross fixed capital formation

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

A/B

Real

Changes in inventories

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

% of GDP

Real

External balance

T+70

T+100

T+120

T+60

Q

% of GDP

Real

Gross national disposable income

T+100

T+120

T+90

Q

A/B

Nominal

Compensation of employees

T+100

T+120

T+90

Q

A/B

Nominal

Gross wages and salaries

T+100

T+120

T+90

Q

A/B

Nominal

Gross disposable income of households

T+100

T+120

T+90

Q

A/B

Nominal

Gross saving

T+100

T+120

T+90

Q

A/B

Nominal

GDP deflator

T+100

T+120

T+90

Q

Deflator

Deflator

External trade

Exports of goods

T+70

T+100

T+40

M

B

Nominal

Imports of goods

T+70

T+100

T+40

M

B

Nominal

Balance of trade

T+70

T+100

T+40

M

Mrd EUR

Nominal

Unit value index of export

T+70

T+100

T+40

M

B

Unit value

Unit value index of import

T+70

T+100

T+40

M

B

Unit value

Balance of payment

Current account balance

T+60

T+60

M/Q

Mrd EUR

Nominal

Trade in services balance

T+60

T+60

M/Q

Mrd EUR

Nominal

Current account balance

T+60

T+60

M/Q

% of GDP

Nominal

Prices

Harmonized index of consumer prices

T+30

T+20

M

A/B

Prices

Producer price index - domestic market

T+40

M

A/B

Prices

Labor cost index

T+90

T+75

Q

A/B

Prices

Conventional earnings indices

T+90

Q

A/B

Prices

Industry

Industrial production index (2)

T+60

M

B/C

Real

Industrial turnover

T+60

M

B/C

Nominal

Service

Retail sales turnover (3)

T+90

M

B/C

Nominal

Labour market (4)

Employment in whole economy

T+75

T+60

Q

B

Persons employed in industry

T+90

M/Q

B/C

Unemployed ILO definition (SA)

T+30

M

A/B

Monetary and financial indicators

Money supply (5)

T+30

M

A/B

Nominal

3-Month interest rates (6)

T+60

M

MA

Nominal

Long term government bond yield (6)

T+30

M

MA

Nominal

Euro yield curve

T+2

M

MA

Nominal

Stock market capitalisation

T+30

M

Mrd EUR

Nominal

Government deficit

T+70

A

Mrd EUR/% of GDP

Nominal

Government debt

T+70

A

Mrd EUR/% of GDP

Nominal

Legend
:

The frequency is indicated by Q (Quarterly), M (Monthly), and A (Annually).

The unit is indicated by:

A = Percentage change on previous period

B = Percentage change on corresponding period of previous year

C = Trend cycle

MA = Monthly average

Timeliness is expressed in t+x days after the reference period, (National Accounts have 3 estimates per period and External Trade 2)

Footnotes

1. Legally required deadline for transmission of national data to Eurostat is t + 120. Eurostat plans a flash estimate at t + 45 from mid-2000. The planned shortenings of the timetable will be dependent on sufficient coverage.

2. At present, data are missing on several Member States amounting to 60% of the total euro area weight. Thus, the first estimates for the euro area are based upon estimates for these Member States and are subject to substantial revision.

3. Legally required deadline for transmission to Eurostat is 60 days. Present timeliness could probably be improved.
4. Quarterly Labour Force Survey results (due 2001) offer prospect of better quality though not timeliness (deadline in Regulation is t
+ 90). But likely absence of data for Germany, Italy, Austria makes reliable quarterly results for euro area unachievable from this source.

5. Monetary aggregates for euro area are first published by the ECB, normally on the 19th working day of the following month.
6. Market rates continuously available. The ECB publishes monthly averages in its Monthly Bulletin around the middle of the following month.

In addition, important statistics not at present available are expected to become available during 2000. On the basis of a draft Commission Regulation currently under discussion with the Member States, these statistics would include quarterly data for taxes, actual social contributions and social benefits (other than social transfers in kind) on an ESA 95 basis. Member States would transmit these data to Eurostat within three months of the relevant quarter.

Indicator(s)

Legally required deadline for transmission of national data to Eurostat

Comments

1. Financial accounts - annual financial transactions and balance sheets
9 months
First release in Sept. 2000.
Government statistics -

a. non financial accounts

Timetable acceptable but coverage will have to be widened. First release in June 2000. Back data by 2002.

* receipt (taxes and social contributions)

3 months*


* expenditure (social benefits)

3 months*

(b) financial accounts


- general government debt** (qtrly)

The transmission programme is under discussion between the ECB, Eurostat and the Member States; the same timetable as for non-financial accounts should apply.

Industrial new orders (excl. construction)

The transmission programme is under discussion between Eurostat and the Member States.


* A legal decision is expected by October 1999.


** As defined in Article 1 (5) of Council Regulation (EC) No 3605/93 of 22 November 1993 on the application of the Protocol on the excessive deficit procedure annexed to the Treaty establishing the European Community (Official Journal L 332, 31/12/1993 p. 0007 - 0009).

BIJLAGE

Lijst van de openbare ministeriële debatten die onder het Finse voorzitterschap

(tweede helft van 1999) door de Raad van de EU zullen worden gehouden

19 juli ALGEMENE ZAKEN

Externe betrekkingen van de EU na Kosovo
(Programma van het voorzitterschap)

12 oktober MILIEU

Luxemburg
Thema zal later worden meegdeeld

28 oktober INTERNE MARKT

Luxemburg
Actieplan voor de interne markt en toekomstige maatregelen

29 oktober JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Luxemburg
Een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

8 november CONSUMENTENZAKEN

Consumentenbescherming en diensten van algemeen belang

18 november GEZONDHEID

Integratie van de gezondheidsbescherming in het communautair beleid

26 november ONDERWIJS

Onderwijs in het volgende millennium

30 november TELECOMMUNICATIE

Naar een echte informatiemaatschappij


ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

(Besluiten waarover verklaringen voor de notulen van de Raad voor het publiek beschikbaar zijn gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.)

ECOFIN

Globale richtsnoeren voor het economisch beleid

De Raad heeft zijn aanbeveling betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap aangenomen.

Deze aanneming vond plaats overeenkomstig artikel 99, lid 2, van het Verdrag en na

* goedkeuring door de Raad (ECOFIN) op 25 mei 1999, op aanbeveling van de Commissie, van een ontwerp voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de Gemeenschap en van de lidstaten,


* goedkeuring door de Europese Raad van 3 en 4 juni 1999 van de in het verslag van de Raad vervatte globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

EXTERNE BETREKKINGEN

Rwanda - gemeenschappelijk standpunt

Ingevolge het op 30 maart 1998 vastgestelde gemeenschappelijk standpunt inzake Rwanda heeft de Raad een nieuw gemeenschappelijk standpunt aangenomen ter vervanging van het vorige, waarin de beginselen zijn opgenomen waarop de EU in de toekomst haar betrekkingen met Rwanda zal baseren.

Het gemeenschappelijk standpunt bepaalt met name het volgende:

"De doelstellingen en prioriteiten van de Europese Unie in haar betrekkingen met Rwanda zijn het aanmoedigen, stimuleren en ondersteunen van het door de regering van Rwanda op gang gebrachte proces van

- herstel van de genocide en bevordering van nationale verzoening;
- wederopbouw en ontwikkeling;

- bescherming en bevordering van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

- overgang naar de democratie.

Regionale instabiliteit kan de verwezenlijking van deze doelstellingen in gevaar brengen. De Europese Unie zal daarom de inspanningen van de regering van Rwanda aanmoedigen om haar buitenlands en veiligheidsbeleid te richten op de totstandbrenging van regionale stabiliteit, zoals de Unie doet met alle andere partijen bij conflicten in de regio.

De Europese Unie bevestigt dat het bereiken van vooruitgang op deze terreinen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de regering van Rwanda. Om de inspanningen van de regering van Rwanda op deze gebieden te ondersteunen en aan te moedigen zal de Europese Unie, mede door toedoen van haar speciale gezant voor het gebied van de Grote Meren in Afrika, een constructieve en kritische dialoog met de regering van Rwanda voeren op basis van de onderstaande bepalingen.

Met betrekking tot het buitenlands en veiligheidsbeleid van de regering van Rwanda zal de Europese Unie:

- zoals zij doet met alle andere bij het conflict in de Democratische Republiek Congo betrokken partijen, de regering van Rwanda aanmoedigen op een constructieve wijze deel te nemen aan de regionale en internationale inspanningen om te onderhandelen over een vreedzame oplossing. Deze oplossing moet zo spoedig mogelijk leiden tot een staakt-het-vuren, gevolgd door terugtrekking van alle buitenlandse troepen uit de Democratische Republiek Congo. De regering van Rwanda moet rekening houden met de veiligheidsbehoeften en andere gewettigde belangen van alle betrokken partijen, en de beginselen van de territoriale integriteit en de nationale soevereiniteit te eerbiedigen;
- zoals zij met alle partijen bij het conflict doet, de regering van Rwanda aanmoedigen zich te houden aan haar verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht.

Met betrekking tot de situatie in Rwanda, zullen de inspanningen van de Europese Unie gebaseerd zijn op de volgende beginselen: a) wat betreft verzoening en machtsdeling zal de Europese Unie de inspanningen van de regering van Rwanda aanmoedigen en ondersteunen om te komen tot verzoening tussen alle Rwandezen, binnen en buiten Rwanda, mede door een dialoog met alle groepen die geweld en genocide verwerpen, met speciale aandacht voor machtsdeling en de bescherming van minderheden. De onafhankelijkheid, de doeltreffendheid en de brede samenstelling van de Nationale Commissie voor verzoening en nationale eenheid wordt door de Europese Unie in dit verband van groot belang geacht;
b) wat betreft democratisering zal de Europese Unie:


- de regering van Rwanda aanmoedigen zo spoedig mogelijk bevoegdheden en macht over te dragen aan de nieuwgekozen plaatselijke overheden, teneinde te zorgen voor deelneming van de plaatselijke bevolking aan het politieke proces aan de basis; daartoe is de Europese Unie bereid in beginsel te overwegen de opleiding van nieuwgekozen plaatselijke bestuurders te ondersteunen om dat proces te vergemakkelijken;

- het plan van de regering van Rwanda aanmoedigen om over twee jaar verkiezingen op gemeentelijk en gewestelijk niveau te houden en voor deze verkiezingen een passende procedure, een passend tijdschema en een passende toezichtregeling uit te werken. Met deze regeling moet, rekening houdend met het probleem van analfabetisme, een stemprocedure worden ingevoerd die borg staat voor vrije en eerlijke verkiezingen met gelijke rechten voor alle groepen, de deelneming van de burgermaatschappij, een publiek debat, het recht op vrije meningsuiting, doorzichtigheid ten aanzien van het hele verkiezingsproces en de verkiezingswetgeving, de benoeming van een onafhankelijke instantie om het hele verkiezingsproces voor te bereiden en te controleren en een gelegenheid voor alle sectoren van de samenleving hun mening kenbaar te maken. De Europese Unie zal nagaan hoe zij de uitwerking van zo'n verkiezingsregeling kan steunen;
- de regering van Rwanda aanmoedigen om vooruitgang te blijven maken met het democratiseringsproces en in de nabije toekomst verkiezingen op nationaal niveau te houden;

c) wat betreft het rechtssysteem en de instelling van traditionele rechtspleging (Gacaca), zal de Europese Unie, die vreest dat het gacaca-systeem wellicht niet strookt met de internationale mensenrechtennormen en tot verdere onenigheid kan leiden:


- de regering van Rwanda aanmoedigen om als algemeen werkbeginsel van de gacaca clementie te betrachten, het recht van civiele verdediging veilig te stellen en de bevolking in het algemeen en de overlevenden van de genocide in het bijzonder voor te lichten over de noodzaak daarvan, teneinde zowel het probleem van de straffeloosheid aan te pakken als een pragmatische oplossing te vinden voor het alarmerende probleem van een grote gevangenisbevolking die op berechting wacht onder precaire detentieomstandigheden;

- de regering van Rwanda aanmoedigen om haar inspanningen tot vermindering van de gevangenisbevolking en haar voorlichtingscampagne voort te zetten, mede door uitvoering van haar in 1998 aangekondigde besluit om gevangenen vrij te laten voor wie geen, of onvolledige, dossiers zijn opgesteld, als een belangrijke stap om de overvolle gevangenissen te ontlasten;
- de werkzaamheden van het internationaal tribunaal te Arusha steunen, mede door opnieuw te trachten alle staten ertoe te bewegen om alle personen die zijn aangeklaagd wegens genocide en andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht aan het tribunaal over te dragen, en door de aanhoudende verbetering van de administratieve doeltreffendheid van het tribunaal na te streven;

- de regering van Rwanda aanmoedigen de grootste terughoudendheid te betrachten met betrekking tot het opleggen en uitvoeren van de doodstraf, met het oog op de volledige afschaffing daarvan, zich volledig te houden aan haar verplichtingen krachtens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en andere internationale waarborgen betreffende de doodstraf te honoreren;

d) wat betreft het dorpsontwikkelingsbeleid zal de Europese Unie de regering van Rwanda aanmoedigen hiertoe pas over te gaan na zorgvuldige planning, voorafgaande effectbeoordelingen, modelprojecten en voorlichtingscampagnes voor de bevolking, en daarbij te zorgen voor een eerlijke herverdeling en een eerlijk beheer van het land, om te voorkomen dat een door veiligheidsoverwegingen ingegeven overhaaste hervestiging leidt tot schendingen van mensenrechten, tot resultaten die in strijd zijn met het gewenste effect en tot oorzaken voor verdere onenigheid;

e) wat betreft de mensenrechten zal de Europese Unie de inspanningen van de regering van Rwanda aanmoedigen en ondersteunen om de mensenrechten van alle Rwandezen te beschermen en te bevorderen, mede door het garanderen van het onafhankelijk en doeltreffend functioneren van de nationale mensenrechtencommissie en door de voortzetting van de samenwerking met de speciale vertegenwoordiger en de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten;

f) wat betreft de economische ontwikkeling en samenwerking zal de Europese Unie de inspanningen van de regering van Rwanda blijven steunen om een alomvattende economische ontwikkeling te bevorderen en de op macro-economisch gebied geboekte vooruitgang bij wijze van instrument voor vrede en stabiliteit uit te breiden, mede door het aanmoedigen van extra inspanningen met betrekking tot behoorlijk beheer;

g) wat betreft herintegratie zal de Europese Unie de inspanningen van de regering van Rwanda aanmoedigen en steunen om de overlevenden van de genocide, gedemobiliseerde militairen en alle andere ontheemden in de Rwandese maatschappij te laten terugkeren, mede door nauw samen te werken met de internationale organisaties op dit terrein.

De Raad neemt er nota van dat de Commissie voornemens is zich bij haar optreden te laten leiden door de doelstellingen en de prioriteiten van dit gemeenschappelijk standpunt, en hiertoe waar nodig communautaire maatregelen te nemen.

Bij de uitvoering van dit gemeenschappelijk standpunt zal de Europese Unie nauw samenwerken met de VN, de OAE en andere betrokken organisaties.

De uitvoering van dit gemeenschappelijk standpunt wordt regelmatig beoordeeld. Het wordt binnen 12 maanden opnieuw bezien.

Dit gemeenschappelijk standpunt komt in de plaats van Gemeenschappelijk Standpunt 98/252/GBVB. Het treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad."

Uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik

De Raad heeft besloten - ter informatie van de exporteurs uit de EU - in het Publicatieblad een bijgewerkte versie te publiceren van de lijst van goederen waarvoor bij uitvoer een vergunning vereist is uit hoofde van de communautaire regeling voor de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik. Deze goederen zijn opgenomen in een bijlage I bij het meermaals gewijzigde besluit van 1994 waarbij de communautaire regeling voor de uitvoercontrole is ingesteld.

Betrekkingen met Slovenië

De Raad heeft een verordening aangenomen tot vaststelling van procedures voor de toepassing van de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Slovenië, anderzijds.

Er zij op gewezen dat deze overeenkomst op 1 februari 1999 in werking is getreden.

Deze verordening heeft betrekking op het beheer van de contingenten en de tariefplafonds zoals vervat in de overeenkomst, alsmede op de voorwaarden voor eventuele vrijwarings- en
handelsbeschermingsmaatregelen. Vergelijkbare Raadsverordeningen zijn vastgesteld toen de Europa-overeenkomsten met de andere geassocieerde landen in Midden- en Oost-Europa van kracht werden.

Oekraïne - samenwerkingsovereenkomsten op nucleair gebied

De Raad heeft het besluit aangenomen houdende goedkeuring van de sluiting door de Commissie van twee samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Republiek Oekraïne op de gebieden nucleaire veiligheid en beheerste kernfusie; deze samenwerking heeft vreedzame doeleinden en vindt plaats op basis van een evenwicht dat gefundeerd is op wederzijds voordeel.

De samenwerking in het kader van de eerste overeenkomst draagt bij aan en bevordert de verbetering van de nucleaire veiligheid, met inbegrip van de vaststelling en toepassing van wetenschappelijk verantwoorde en internationaal aanvaarde voorschriften inzake nucleaire veiligheid.

De samenwerking wordt zo breed mogelijk opgezet en heeft betrekking op de volgende gebieden:

* onderzoek naar kernreactorveiligheid

* stralingsbescherming

* beheer van kernafval

* stillegging, ontsmetting en ontmanteling van nucleaire installaties

* onderzoek en ontwikkeling betreffende de veiligheidscontrole op kernmateriaal

* preventie van illegale handel in kernmateriaal.

Overeenkomstig de voor elke partij geldende procedures kan de samenwerking worden uitgebreid tot andere terreinen.

De samenwerking wordt met name uitgevoerd in de volgende vormen:
* uitwisseling van technische informatie door middel van rapporten, bezoeken, seminars, technische vergaderingen, enz.;
* uitwisseling, mede voor opleidingsdoeleinden, van personeel tussen de deelnemende laboratoria en/of instanties van beide partijen;
* uitwisseling van monsters, materialen, instrumenten en apparatuur voor experimentele doeleinden;

* evenwichtige deelname aan gezamenlijke studies en werkzaamheden.

Het doel van de tweede overeenkomst is het onderhouden en intensiveren van de samenwerking tussen de partijen op de door hun respectieve fusieprogramma's bestreken terreinen met het oog op de ontwikkeling van het wetenschappelijk inzicht en de technologische capaciteit waarop een systeem voor fusie-energie gebaseerd is.

De samenwerking kan plaatsvinden op de volgende terreinen :
- experimenteel en theoretisch onderzoek naar plasma-opsluiting, transport, verhitting en stroomsturing (o.a. ontwikkeling verwante RF-systemen) en diagnose, in toroïdale magnetische apparatuur;
- onderzoek naar plasmatheorie, met name de fysische eigenschappen van snelle ionen en alfa-deeltjes in toroïdale magnetische apparatuur, en onderzoek van turbulent plasma en van niet-lineaire plasmagolfinteractie;

- fusietechnologie;

- toegepaste plasmafysica;

- beleid inzake programma's en plannen.

Overeenkomstig de voor elke partij geldende procedures kan de samenwerking worden uitgebreid tot andere terreinen.

De samenwerking wordt met name uitgevoerd door:
- uitwisseling van technische informatie door middel van rapporten, bezoeken, seminars, technische bijeenkomsten en dergelijke;
- uitwisseling, mede voor opleidingsdoeleinden, van personeel tussen de deelnemende laboratoria en instanties van beide partijen;

- uitwisseling van monsters, materialen, instrumenten en apparatuur voor experimentele doeleinden;

- evenwichtige deelname aan gezamenlijke studies en werkzaamheden.

Opening van overleg met de Comoren krachtens artikel 366 bis van de Overeenkomst van Lomé

Nadat de Europese Unie op 7 mei 1999 haar veroordeling had uitgesproken over het feit dat het Comorese leger de wettige regering van de Comoren had omvergeworpen, heeft de Raad besloten tot de opening van overleg met de ACS-partij krachtens artikel 366 bis van de Overeenkomst van Lomé met de bedoeling de situatie op de Comoren nader te bezien en zo nodig recht te zetten. Daartoe heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan de brieven die aan de autoriteiten van de Comoren en aan het voorzitterschap van de Groep ACS zullen worden gezonden.

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Textielovereenkomsten met de nieuwe onafhankelijke staten

De Raad heeft een besluit aangenomen tot machtiging van de Commissie onderhandelingen te openen over de verlenging van de bilaterale overeenkomsten inzake de handel in textielproducten met Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Kazachstan, Moldavië, Oekraïne, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Wit-Rusland.

Volksrepubliek Laos - handel in textielproducten

De Raad heeft het besluit aangenomen inzake de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Laos betreffende de handel in textielproducten.

De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Laos betreffende de handel in textielproducten is op 16 juni 1998 geparafeerd; de overeenkomst is vanaf 1 december 1998, in afwachting van de formele sluiting, voorlopig toegepast (Besluit (EG) nr. 678/98 van de Raad van 9 november 1998).

Cambodja - handel in textielproducten

De Raad heeft het besluit aangenomen betreffende de voorlopige toepassing van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja betreffende de handel in textielproducten.

De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Cambodja is op 3 februari 1999 geparafeerd. De overeenkomst heeft een tweeledig doel: ten eerste, de totstandbrenging van een doeltreffende en werkbare administratieve samenwerking ter voorkoming van het verleggen van de textielhandel van quotalanden via Cambodja, en ten tweede, ervoor zorgen dat de Cambodjaanse textielhandel met de EU zich kan ontwikkelen zonder dat de EU hindernissen opwerpt, mits Cambodja de volledige verantwoordelijkheid voor de werkelijke oorsprong van de producten neemt.

Taiwan - invoer van bepaalde textielproducten

De Raad heeft een wijziging aangenomen van haar Verordening (EG) nr. 47/98 van 22 december 1998 betreffende een regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten van oorsprong uit Taiwan.

Hoofddoel van deze wijziging is ervoor te zorgen dat Taiwan voor de aanvullende hoeveelheden van categorie 28 (korte broeken van brei- of haakwerk, zogenaamde Amerikaanse overalls) een marktaandeel in de Gemeenschap handhaaft dat niet lager ligt dan de in 1998 uitgevoerde hoeveelheden. Daarom worden de uit hoofde van aanhangsel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 47/98 van de Raad gestelde maxima voor de aanvullende hoeveelheden van categorie 28 gewijzigd voor de jaren 1999, 2000 en 2001.

Antidumping-/Antisubsidiemaatregelen met betrekking tot roestvrij staaldraad uit India en de Republiek Korea

De Raad heeft drie verordeningen aangenomen tot instelling van respectievelijk compenserende rechten en antidumpingrechten en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van roestvrij staaldraad uit India en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer van roestvrij staaldraad uit de Republiek Korea:
*

* antisubsidie: compenserende rechten voor producten met een diameter van 1 mm of meer

Deze rechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs franco-grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Producent

Recht (%)

Aanvullende
Taric-code


- Bhansali Bright Bars Pvt Ltd., C-8/3, T.T.C. Industrial Area, Village - Pawne Opposite P.I.L., Thane - Belapur Road, Navi Mumbai 400 705, India.

18,5

A009


- Devidayal Industries Ltd, Gupta Mills Estate, Reay Road, Mumbai 400 010, India.

18,4

A010


- Indore Wire Company Ltd., Near Fort, Indore 452 006 (M.P.), India.

19,3

A004


- Isinox Steels Ltd., Indiasteel Complex, Railway Gate No 4, Antop Hill, Wadala, Mumbai 400 037, India.

13,2

A002


- Isibars Ltd., Indiasteel Complex, Railway Gate No 4, Antop Hill, Wadala, Mumbai 400 037, India.

13,2

A011


- Mukand Ltd., L.B.S. Marg, Kurla, Mumbai 400 070, India.

13,2

A003


- Raajratna Metal Industries Ltd., 909, Sakar - III, Nr Income Tax, Ahmedabad 380 014, Gujarat, India.

28,6

A005


- Venus Wire Industries Ltd., Block No 19, Raghuvanshi Mill Compound, Senapati Bapat Marg, Lower Parel, Mumbai 400 013, India.

35,4

A006


- Macro Bars and Wires Pvt. Ltd., 702 Bombay Market Building, Tardeo Road, Mumbai 400 032, India.

25,4

A008


- Kei Industries Ltd., D-90, Okhla Industrial Area Phase-1, New Delhi, India.

0

A020


- Triveni Shinton International Ltd., Kanti Mansion, 6 Murai Mohalla, Indore 452 001 (M.P.), India.

0

A012


- Alle andere ondernemingen

48,8

A999


*

* antidumping: antidumpingrechten voor dezelfde producten met een diameter van 1 mm of meer

Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de netto-prijs franco grens-Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt:

Producent

Recht (%)

Aanvullende
Taric-code


- Bhansali Bright Bars Pvt Ltd., C-8/3, T.T.C. Industrial Area, Village - Pawne Opposite P.I.L., Thane - Belapur Road, Navi Mumbai 400 705, India.

0

A009


- Devidayal Industries Ltd, Gupta Mills Estate, Reay Road, Mumbai 400 010, India.

2,4

A010


- Indore Wire Company Ltd., Near Fort, Indore 452 006 (M.P.), India.

16,5

A004


- Isinox Steels Ltd., Indiasteel Complex, Railway Gate No 4, Antop Hill, Wadala, Mumbai 400 037, India.

0

A002


- Isibars Ltd., Indiasteel Complex, Railway Gate No 4, Antop Hill, Wadala, Mumbai 400 037, India.

0

A011


- Mukand Ltd., L.B.S. Marg, Kurla, Mumbai 400 070, India.

10,1

A003


- Raajratna Metal Industries Ltd., 909, Sakar - III, Nr Income Tax, Ahmedabad 380 014, Gujarat, India.

0

A005


- Venus Wire Industries Ltd., Block No 19, Raghuvanshi Mill Compound, Senapati Bapat Marg, Lower Parel, Mumbai 400 013, India.

0

A006


- Macro Bars and Wires Pvt. Ltd., 702 Bombay Market Building, Tardeo Road, Mumbai 400 032, India.

0

A008


- Kei Industries Ltd., D-90, Okhla Industrial Area Phase-1, New Delhi, India.

32,6

A020


- Triveni Shinton International Ltd., Kanti Mansion, 6 Murai Mohalla, Indore 452 001 (M.P.), India.

55,6

A012


- Alle andere Indiase ondernemingen

55,6

A999


*

* antisubsidie: compenserende rechten voor producten met een diameter van minder dan 1 mm

Deze rechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs franco-grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Producent

Recht (%)

Aanvullende Taric-code


- Drawmet Wires Pvt Ltd, B-482, Industrial Area, Bhiwadi, India.

8,5

A001


- Indore Wire Company Ltd., Near Fort, Indore 452 006 (M.P.), India.

19,3

A004


- Isinox Steels Ltd., Indiasteel Complex, Railway Gate No 4, Antop Hill, Wadala, Mumbai 400 037, India.

10,1

A002


- Mukand Ltd., L.B.S. Marg, Kurla, Mumbai 400 070, India.

13,2

A003


- Raajratna Metal Industries Ltd., 909, Sakar - III, Nr Income Tax, Ahmedabad 380 014, Gujarat, India.

42,9

A005


- Venus Wire Industries Ltd., Block No 19, Raghuvanshi Mill Compound, Senapati Bapat Marg, Lower Parel, Mumbai 400 013, India.

35,4

A006


- Macro Bars and Wires Pvt. Ltd., 702 Bombay Market Building, Tardeo Road, Mumbai 400 032, India.

25,4

A008


- Kei Industries Ltd., D-90, Okhla Industrial Area Phase-1, New Delhi, India.

0

A020


- Alle andere Indiase ondernemingen

44,4

A999

INTERNE MARKT

Technische harmonisatie van motorvoertuigen

De Raad heeft een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld betreffende het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 70/221/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

Doel van dit voorstel is om in Richtlijn 70/221/EEG van de Raad nieuwe bepalingen op te nemen voor brandstofreservoirs van kunststofmateriaal voor voertuigen van categorie M1, om de titel van Richtlijn 70/221/EEG te wijzigen en het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot brandstofreservoirs voor andere dan vloeibare brandstoffen (namelijk gasvormige brandstoffen). Voorts worden de huidige bepalingen inzake de aanpassing aan de technische vooruitgang van de bijlagen zodanig gewijzigd dat in de toekomst technische bepalingen betreffende reservoirs die bestemd zijn voor alle soorten brandstof volgens de comitéprocedure opgenomen en gewijzigd kunnen worden.

VISSERIJ

TAC's voor blauwe wijting, sprot, Noorse garnaal en doornhaai *

De Raad heeft de verordening betreffende de toekenning van totaal toegestane vangsten (TAC's) voor blauwe wijting, sprot, Noorse garnaal en doornhaai aangenomen. De quota zijn gepubliceerd in Mededeling aan de Pers nr. 8877/99 (Presse 186-G) van 10 juni 1999.

VOLKSGEZONDHEID

Beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden *

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen - de Italiaanse delegatie stemde tegen - de aanbeveling betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden 0 Hz-300 GHz aangenomen.

Deze aanbeveling strekt ertoe te voorzien in een gemeenschappelijk overeengekomen kader met het oog op een hoog niveau van bescherming tegen acute effecten van elektromagnetische velden (EMV's) in het frequentiegebied van 0 Hz-300 GHz. Tot de bronnen van EMV's behoren bronnen van statische elektrische en magnetische velden, hoogspanningsleidingen en elektrische apparaten, geëlektrificeerde spoorwegnetten, radiozenders, cellulaire radio, basisstations voor mobiele telefonie en radar.

ONDERWIJS

Opneming van Turkije in de programma's SOCRATES en JEUGD VOOR EUROPA

De Raad heeft twee gemeenschappelijke standpunten vastgesteld met het oog op de aanneming van besluiten van het Europees Parlement en de Raad

* tot wijziging van het basisbesluit betreffende het programma SOCRATES met het oog op de opneming van Turkije in de lijst van de in aanmerking komende landen;


* tot wijziging van het basisbesluit betreffende de derde fase van het programma Jeugd voor Europa met het oog op de opneming van Turkije in de lijst van in aanmerking komende landen.

ARBEID EN SOCIALE ZAKEN

Organisatie van de arbeidstijd

Ingevolge het politiek akkoord dat tijdens de zitting van de Raad (Arbeid en Sociale Zaken) van 25 mei werd bereikt, heeft de Raad formeel zijn gemeenschappelijke standpunten vastgesteld betreffende
- het voorstel voor een horizontale richtlijn tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken;
- het voorstel voor een richtlijn betreffende de handhaving van de werktijden van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen.

De beide gemeenschappelijke standpunten zullen aan het Europees Parlement worden toegezonden overeenkomstig de
medebeslissingsprocedure, die nu ook voor de sociale wetgeving in de EU van toepassing is.

Zie Mededeling aan de Pers nr. 8439/99 (Presse 164) van 25 mei 1999 voor nadere informatie.

BENOEMING

Economisch en Sociaal Comité

De Raad heeft een besluit aangenomen houdende benoeming van de heer Jean-Jacques CARMENTRAN tot lid van het Economisch en Sociaal Comité, ter vervanging van de heer Jacques PE, voor de verdere duur van diens ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2002.


***

VIA DE SCHRIFTELIJKE PROCEDURE AANGENOMEN BESLUIT

Steun van de EU aan de Palestijnse Autoriteit bij de bestrijding van terrorisme

De Raad heeft op 6 juli 1999 via de schriftelijke procedure een besluit aangenomen betreffende de verlenging tot 31 mei 2002 van het gemeenschappelijk optreden van 29 april 1997 tot vaststelling van een bijstandsprogramma van de Europese Unie om de Palestijnse Autoriteit te steunen in haar inspanningen ter bestrijding van de terroristische activiteiten die van de onder haar controle staande gebieden uitgaan.

Dit besluit is genomen ingevolge de positieve conclusies van de evaluatie halverwege van het gemeenschappelijk standpunt; er is rekening in gehouden met de vertraging die bij het begin van de uitvoering van het bijstandsprogramma is opgetreden.

Het bepaalt met name dat de adviseur van de Europese Unie die in 1997 is benoemd om op de uitvoering van het programma toe te zien en de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het vredesproces in het Midden-Oosten - wiens mandaat in oktober 1998 uitgebreid is met veiligheidsaangelegenheden - hun optreden op het gebied van de veiligheidssamenwerking zullen coördineren om te zorgen voor samenhang van het optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van het vredesproces.

Het gemeenschappelijk optreden wordt uiterlijk op 30 juni 2000 opnieuw bezien met het oog op de eventuele aanneming van een meerjarenprogramma en de vaststelling van een indicatief financieel bedrag voor de resterende periode, bovenop de 3,6 miljoen euro waarin oorspronkelijk was voorzien voor de periode 1997-2000.

Er zij aan herinnerd dat het EU-programma tot doel heeft de capaciteit van de Palestijnse Autoriteit om het terrorisme te bestrijden, te ondersteunen en het vredesproces te helpen bevorderen, en de betrokken veiligheids- en politiediensten een ruim begrip bij te brengen van de beginselen van de mensenrechten in de uitvoering van hun activiteiten in de onder de controle van de Palestijnse Autoriteit staande gebieden. Het omvat elementen als opleiding in surveillance-, opsporings- en ondervraagtechnieken; het opzetten van een technisch onderzoeksbureau met gerechtelijke capaciteit; opleiding van het leidinggevend personeel van de betrokken veiligheids- en politie-instanties om samenwerking en een effectieve reactie op daden van terrorisme mogelijk te maken; bijstand aan de directie van de verschillende diensten met het oog op een effectieve administratie.



/newsroom/press/c/09667.NL9.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie