Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA: cultuurnota te veel gericht op Randstad

Datum nieuwsfeit: 19-07-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Cultuurnota gericht op Randstad(190799)

Cultuurnota gericht op Randstad(190799)

Den Haag, 19-7-1999

In de afgelopen week verschenen nota Cultuur als confrontatie over het cultuurbeleid 2001-2004 formuleert staatssecretaris Van der Ploeg een actieprogramma waarmee hij kunst en cultuur bij zoveel mogelijk mensen wil brengen. Zo wil hij bijvoorbeeld de programmering van schouwburgen, bibliotheken en kunsthallen verbeteren. Zijn nota lijkt echter met name Randstad-gericht, terwijl juist de regio daarvan zou kunnen profiteren. Ook daar hebben de bewoners recht op een gevarieerd cultuuraanbod, en voor het CDA zal dat een hoofdlijn zijn in de beoordeling van zijn plannen.

Zijn aanpak heeft verder een typische PvdA-insteek: de cultuursector regelen vanuit de overheid en de veronderstelde maakbaarheid van de samenleving. Voor het CDA staat de eigen verantwoordelijkheid van de kunst- en cultuursector voorop, dus niet alles van bovenaf opleggen. Het formuleren van criteria door Van de Ploeg over bijvoorbeeld aantallen multiculturele activiteiten past niet daar niet in. De overheid past een faciliterende rol, en dient pas sturend op te treden als het maatschappelijk middenveld daarin tekort schiet. In zijn recente notitie Culturele Diversiteit stelt de staatssecretaris echter dat de wettelijk voorgeschreven overwegingen voor de regering van kwaliteit en verscheidenheid een situatie hebben doen ontstaan waarin die verscheidenheid zich zou beperken tot veelal autochtone orkesten, gezelschappen, groepen en musea. Toen in 1993 de door Van der Ploeg bedoelde wet in werking trad heeft de Raad van Europa in Cultuurbeleid in Nederland geschreven: De Nederlandse overheid laat zich bij het stimuleren van de kunsten in principe leiden door de artistieke kwaliteit van het aanbod en geeft geen blijk van een politieke, zedelijke of godsdienstige voorkeur. Het Nederlands beleid is dus gebaseerd op overwegingen van artistieke kwaliteit en pluriformiteit, niet op maatschappelijke pluriformiteit.

Het is de taak van de overheid gunstige voorwaarden voor het artistieke scheppingsproces te creëren, om het gemeenschappelijk erfgoed van de kunsten te bewaren en de toegang tot kunsten voor zoveel mogelijk mensen - dus ook buiten de Randstedelijke bolwerken - te vergemakkelijken. Dat is iets anders dan het dwangmatig van bovenaf willen regelen van het cultuurbeleid waaraan Van der Ploeg zich lijkt te hebben overgegeven. Cultuur heeft een waarde in zich, en is niet een middel om bijvoorbeeld meer integratie van minderheden te bereiken. Dat is mooi meegenomen, maar niet de bedoeling van het cultuurbeleid van de overheid.

In de visie van de staatssecretaris neemt ook het cultureel ondernemerschap een belangrijke plaats in. Dat brengt het risico met zich mee dat de druk om succesvol te zijn zodanig wordt dat dit ten koste gaat van kwaliteit en ontwikkeling. Als Van Gogh bijvoorbeeld afgerekend was op zijn ondernemerschap dan zou hij slecht hebben gescoord. Hij heeft echter wel voor een enorme impuls gezorgd. Dat neemt niet weg dat het wel belangrijk is dat in de opleiding van een kunstenaar aandacht wordt besteed aan hoe ondernemerschap ingevuld kan worden. Dat een kunstenaar primair scheppend bezig is dient echter niet vergeten te worden. En geen cultuurbeleid zonder kunstenaars, die bovendien een belangrijke maatschappelijke functie hebben: het publiek confronteren. Dat is een hele andere benadering van cultuur als confrontatie dan Van der Ploeg heeft.

Ten aanzien van de amateurkunst zoals bijvoorbeeld toneel, jeugdorkesten, de harmonie en koren lijkt de focus van Van der Ploeg wel heel eenzijdig te liggen op de beperkte mate waarin de migranten onder de amateurkunstenaars gebruik maken van voorzieningen en subsidiegelden. Zonder dat nader te onderbouwen stelt hij dat deze bevolkingsgroepen meer inbreng zouden kunnen en willen hebben in het gesubsidieerde cultuuraanbod. Subsidiegebruik is hierin blijkbaar het grote sleutelwoord. Dat vele migranten zeer actief zijn als amateurkunstenaar lijkt minder belangrijk, terwijl zij samen met de honderdduizenden vrijwilligers die actief zijn in de amateurkunst zo wel een aanzienlijke bijdrage leveren aan de door de staatssecretaris zo gewenste diversiteit.

Over de rol van vrijwilligers in de programmering van accommodaties schrijft Van der Ploeg overigens dat deze in sommige gevallen geheel op vrijwilligers drijft, hetgeen een formule is die opmerkelijke publieksresultaten met waardevolle programmas niet in de weg hoeft te staan. Daar spreekt wel een erg laatdunkend toontje uit. Het CDA acht de rol van vrijwilligers juist van enorm belang, en bracht om die reden onlangs ook een eigen vrijwilligersnotitie uit.

De toon van de staatssecretaris doet bijna vergeten dat er zeker ook positieve punten zijn, zoals de link die gelegd wordt met cultuur en school via de cultuurkortingsbonnen voor jongeren, het zo breed mogelijk toegankelijk maken van cultuuruitingen, de samenstelling van adviesraden en het belang van betrokkenheid van jongeren en allochtonen. Punten die ook in het CDA-program samenleven doe je niet alleen terug te vinden zijn. Maar dan wel vanuit het besef dat een samenleving wordt gemaakt door de mensen die er in leven, en niet door een overheid die dat wel even gaat regelen. De econoom in Van der Ploeg lijkt de boventoon te voeren in het cultuurbeleid, en dat is een bijzonder zorgwekkende ontwikkeling.

Marry Visser-van Doorn & Anton Ederveen
(respectievelijk Tweede Kamerlid en beleidsmedewerker van het CDA)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie