Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Afspraken vier ministers voor ontwikkelingssamenwerking

Datum nieuwsfeit: 30-07-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE BZ/OS

www.os.minbuza.nl

MINOS: Vier ministers voor ontwikkelingssamen...

Op 25 en 26 juni 1999 kwamen in Noorwegen vier ministers voor ontwikkelingssamenwerking bijeen om te komen tot afspraken over een gezamenlijke koers voor de toekomst. De vier ministers zijn afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Noorwegen. De bijeenkomst leverde een agenda voor toekomstige samenwerking en een lijst van prioritaire aandachtspunten. Afgesproken werd om in het jaar 2000 in Nederland een tweede bijeenkomst van de vier ministers te organiseren. Hieronder volgt de vertaling van de persverklaring die aan het eind van de eerste bijeenkomst werd uitgegeven.

Persverklaring - Utstein Abbey, Noorwegen 26 juli 1999


- Donorlanden moeten beter coördineren, meer middelen beschikbaar stellen voor ontwikkelingssamenwerking en het multilaterale systeem versterken ten einde ontwikkelingslanden te helpen de armoede uit te bannen en een mondiale duurzame ontwikkeling te ondersteunen. Aldus de vier ministers van Ontwikkelingssamenwerking Clare Short (Verenigd Koninkrijk), Eveline Herfkens (Nederland), Heidemarie Wieczorek-Zeul (Duitsland) en Hilde F. Johnson (Noorwegen) tijdens hun ontmoeting in de abdij op het Noorse eiland Utstein. Op 25 en 26 juli kwamen zij bijeen om toekomstige strategieën te bespreken voor samenwerking op een aantal punten van het ontwikkelingsbeleid.

Dit netwerk van vier ministers wil zich inzetten voor een andere aanpak van ontwikkelingssamenwerking. Zij formuleerden elf hoofdpunten die samen

met andere landen en internationale organisaties moeten worden aangepakt.

Met name op vier belangrijke gebieden moeten donorlanden orde op zaken stellen:

. Een betere coördinatie: Alle donorlanden moeten bereid zijn tot aanpassing van hun programma's om te komen tot een betere coördinatie en daarmee tot doelmatiger hulp. Het ontvangende land moet zelf richting kunnen geven. Een uitstekende basis hiervoor vormen het door de Wereldbank voorgestelde Comprehensive Development Framework en het UN-Development Assistance Framework (UNDAF), waaraan uitvoering zou moeten worden gegeven.

. Geen 'gebonden' hulp: Het verder terugdringen van 'gebonden' ontwikkelingshulp brengt verhoogde doelmatigheid, een betere kwaliteit en meer ontwikkeling voor elke euro met zich mee. Leden van de OESO moeten streven naar het zo spoedig mogelijk 'ontbinden' van de financiële en investeringshulp en van de voedselhulp aan de Minst Ontwikkelde Landen.

. De institutionele en financiële kloof: Het overbruggen van de institutionele en financiële kloof tussen humanitaire hulp en lange termijn- ontwikkelingssamenwerking is van vitaal belang. Al te vaak leidt het veronachtzamen van ontwikkelingsbehoeften tot nieuwe conflicten en humanitaire rampen.

. Meer samenhang in al het op ontwikkelingslanden gerichte beleid: Een betere praktische aanpak van de hulp is niet genoeg. Donorlanden moeten zich evenzeer inspannen om een coherent beleid tot stand te brengen op gebieden zoals handel, investeringen en milieu die een duurzame ontwikkeling ondersteunen.
Wij moeten ijveren voor de beschikbaarstelling van meer middelen en het aangeven van nieuwe prioriteiten:

. Het schuldeninitiatief: Door de uitvoering van maatregelen voor schuldverlichting, zoals voorgesteld op de recente Top van Keulen, zullen arme debiteurlanden meer geld kunnen uittrekken voor armoedevermindering. Wij moedigen alle crediteurlanden aan, bij te dragen aan de door de Club van Parijs voorgestelde oplossingen die een uitweg uit de schulden bieden. Een voor de hand liggende en belangrijke bijdrage zou zijn de resterende ODA-schuld van de armste landen die naar een doeltreffend beleid streven, te schrappen. Andere mogelijkheden zijn onder meer het kwijtschelden van handelskredieten naast multilaterale overeenkomsten of het geven van aanvullende bijdragen aan het HIPC-trust fund dat schuldverlichting door multilaterale instellingen ondersteunt. Het financieren van multilaterale schuldverlichting vereist trekking op een gering deel van de goudreserve van het IMF. Voorts zouden de benodigde multilaterale bijdragen niet ten koste mogen gaan van het vermogen van deze instellingen om hun klanten, de ontwikkelingslanden, van dienst te zijn. Ook bilaterale bijdragen zijn nodig, gebaseerd op een doorzichtige en billijke lastenverdeling. Tenslotte hangt het slagen van het Initiatief van de Top van Keulen af van het vermogen de schuldverlichting om te zetten in daadwerkelijke armoedevermindering en duurzame ontwikkeling. Het versterken van de sociale dimensie van de Enhanced Structural Adjustment Facility (ESAF) van het IMF zou een essentiële bijdrage vormen.

. Het multilaterale systeem: Het steunen van de Verenigde Naties en de ontwikkelingsbanken door het nakomen van de financiële verplichtingen, door inspanningen tot internationale coördinatie en door het stellen van beleidsprioriteiten. Het versterken van het multilaterale systeem is van vitaal belang. Het is essentieel dat de VN worden gesteund bij het vervullen van hun rol in de vergeten conflicten en crises in de wereld.

. Financiële ontwikkeling: De strijd tegen de mondiale armoededreiging vereist vindingrijkheid in denken en in optreden om de financiering van ontwikkelingshulp nieuw leven in te blazen. Een krachtiger inspanning is nodig om privé- kapitaal te trekken naar de meest behoeftige landen. Het potentieel voor partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector moet doelmatiger worden aangesproken. De officiële ontwikkelingshulp (ODA, Official Development Assistance) van de gezamenlijke OESO-landen blijft ver achter bij de internationaal aanvaarde doelstelling van 0,7 procent van het BNP. Wij zetten ons gezamenlijk in om het verminderen van de ODA tegen te gaan. Wij roepen alle betrokken partners op zich opnieuw te committeren aan internationale ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder het in de periode tot 2015 terugbrengen tot de helft, van het aantal mensen dat in absolute armoede leeft. Donorlanden kunnen hun betrokkenheid op duidelijke wijze tonen door meer hulp toe te wijzen aan landen waarin het de goede kant op gaat met het economisch beleid en goed bestuur, waaronder het streven naar grotere sociale gelijkheid, zodat onze burgers duidelijk kunnen zien dat hulp doeltreffend is voor de duurzame vermindering van armoede.

De ontwikkelingslanden moeten orde op zaken stellen op de volgende punten:

. Het bestrijden van corruptie: Corruptie is stelen van de armen en vormt een belangrijke hinderpaal op de weg naar ontwikkeling. Niet alleen dwarsboomt corruptie de economische ontwikkeling, maar zij ondermijnt ook de democratie en doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de regering. Door middel van controlemechanismen, reorganisatie van de publieke sector en bestraffing van de schuldigen moet corruptie worden aangepakt.

. Het versterken van democratie en goed bestuur: Democratie en kundige en krachtige overheidsinstellingen vormen de beste garanties voor een duurzame ontwikkeling. Gebrek aan democratische participatie en zwakke overheidsorganen zijn belangrijke hordes die zowel door ontwikkelingslanden als door donorlanden moeten worden genomen.

. Het voorkomen van conflicten: Vrede is een fundamenteel vereiste voor ontwikkeling. Dit is de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Conflicten waarin een vreedzame regeling is bereikt kunnen weer de kop opsteken tenzij de onderliggende oorzaken worden weggenomen. Ontwikkelingsinspanningen moeten strategisch worden ingezet, niet alleen om conflicten te voorkomen en te beslechten, maar ook om na het bijleggen van een geschil de vrede te consolideren.

. Het uitvoeren van beleid gericht op armoedevermindering: De ontwikkelingslanden moeten zelf een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor het stimuleren van investeringen van de private sector, het waarborgen van een billijke verdeling en het doelmatiger en doorzichtiger maken van de
overheidsuitgaven.

De bijeenkomst in Utstein is nog maar het begin

De vier ministers zullen hun samenwerking op deze elf hoofdpunten van het ontwikkelingsbeleid voortzetten. Eveline Herfkens, de Nederlandse minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, treedt als gastvrouw op bij de volgende bijeenkomst in de zomer van 2000. Tot die tijd zullen de vier ministers zich gezamenlijk maar ook individueel inzetten voor de voortgang van de agenda die in Utstein is afgesproken.

30 jul 99 16:14

MINISTERIE BZ/OS

www.os.minbuza.nl

MINOS: Vier ministers voor ontwikkelingssamen...

Dit is een origineel persbericht.
Niet het ANP, maar de afzender van dit bericht is verantwoordelijk voor de inhoud.

Op 25 en 26 juni 1999 kwamen in Noorwegen vier ministers voor ontwikkelingssamenwerking bijeen om te komen tot afspraken over een gezamenlijke koers voor de toekomst. De vier ministers zijn afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Noorwegen. De bijeenkomst leverde een agenda voor toekomstige samenwerking en een lijst van prioritaire aandachtspunten. Afgesproken werd om in het jaar 2000 in Nederland een tweede bijeenkomst van de vier ministers te organiseren. Hieronder volgt de vertaling van de persverklaring die aan het eind van de eerste bijeenkomst werd uitgegeven.

Persverklaring - Utstein Abbey, Noorwegen 26 juli 1999


- Donorlanden moeten beter coördineren, meer middelen beschikbaar stellen voor ontwikkelingssamenwerking en het multilaterale systeem versterken ten einde ontwikkelingslanden te helpen de armoede uit te bannen en een mondiale duurzame ontwikkeling te ondersteunen. Aldus de vier ministers van Ontwikkelingssamenwerking Clare Short (Verenigd Koninkrijk), Eveline Herfkens (Nederland), Heidemarie Wieczorek-Zeul (Duitsland) en Hilde F. Johnson (Noorwegen) tijdens hun ontmoeting in de abdij op het Noorse eiland Utstein. Op 25 en 26 juli kwamen zij bijeen om toekomstige strategieën te bespreken voor samenwerking op een aantal punten van het ontwikkelingsbeleid.

Dit netwerk van vier ministers wil zich inzetten voor een andere aanpak van ontwikkelingssamenwerking. Zij formuleerden elf hoofdpunten die samen

met andere landen en internationale organisaties moeten worden aangepakt.

Met name op vier belangrijke gebieden moeten donorlanden orde op zaken stellen:

. Een betere coördinatie: Alle donorlanden moeten bereid zijn tot aanpassing van hun programma's om te komen tot een betere coördinatie en daarmee tot doelmatiger hulp. Het ontvangende land moet zelf richting kunnen geven. Een uitstekende basis hiervoor vormen het door de Wereldbank voorgestelde Comprehensive Development Framework en het UN-Development Assistance Framework (UNDAF), waaraan uitvoering zou moeten worden gegeven.

. Geen 'gebonden' hulp: Het verder terugdringen van 'gebonden' ontwikkelingshulp brengt verhoogde doelmatigheid, een betere kwaliteit en meer ontwikkeling voor elke euro met zich mee. Leden van de OESO moeten streven naar het zo spoedig mogelijk 'ontbinden' van de financiële en investeringshulp en van de voedselhulp aan de Minst Ontwikkelde Landen.

. De institutionele en financiële kloof: Het overbruggen van de institutionele en financiële kloof tussen humanitaire hulp en lange termijn- ontwikkelingssamenwerking is van vitaal belang. Al te vaak leidt het veronachtzamen van ontwikkelingsbehoeften tot nieuwe conflicten en humanitaire rampen.

. Meer samenhang in al het op ontwikkelingslanden gerichte beleid: Een betere praktische aanpak van de hulp is niet genoeg. Donorlanden moeten zich evenzeer inspannen om een coherent beleid tot stand te brengen op gebieden zoals handel, investeringen en milieu die een duurzame ontwikkeling ondersteunen.
Wij moeten ijveren voor de beschikbaarstelling van meer middelen en het aangeven van nieuwe prioriteiten:

. Het schuldeninitiatief: Door de uitvoering van maatregelen voor schuldverlichting, zoals voorgesteld op de recente Top van Keulen, zullen arme debiteurlanden meer geld kunnen uittrekken voor armoedevermindering. Wij moedigen alle crediteurlanden aan, bij te dragen aan de door de Club van Parijs voorgestelde oplossingen die een uitweg uit de schulden bieden. Een voor de hand liggende en belangrijke bijdrage zou zijn de resterende ODA-schuld van de armste landen die naar een doeltreffend beleid streven, te schrappen. Andere mogelijkheden zijn onder meer het kwijtschelden van handelskredieten naast multilaterale overeenkomsten of het geven van aanvullende bijdragen aan het HIPC-trust fund dat schuldverlichting door multilaterale instellingen ondersteunt. Het financieren van multilaterale schuldverlichting vereist trekking op een gering deel van de goudreserve van het IMF. Voorts zouden de benodigde multilaterale bijdragen niet ten koste mogen gaan van het vermogen van deze instellingen om hun klanten, de ontwikkelingslanden, van dienst te zijn. Ook bilaterale bijdragen zijn nodig, gebaseerd op een doorzichtige en billijke lastenverdeling. Tenslotte hangt het slagen van het Initiatief van de Top van Keulen af van het vermogen de schuldverlichting om te zetten in daadwerkelijke armoedevermindering en duurzame ontwikkeling. Het versterken van de sociale dimensie van de Enhanced Structural Adjustment Facility (ESAF) van het IMF zou een essentiële bijdrage vormen.

. Het multilaterale systeem: Het steunen van de Verenigde Naties en de ontwikkelingsbanken door het nakomen van de financiële verplichtingen, door inspanningen tot internationale coördinatie en door het stellen van beleidsprioriteiten. Het versterken van het multilaterale systeem is van vitaal belang. Het is essentieel dat de VN worden gesteund bij het vervullen van hun rol in de vergeten conflicten en crises in de wereld.

. Financiële ontwikkeling: De strijd tegen de mondiale armoededreiging vereist vindingrijkheid in denken en in optreden om de financiering van ontwikkelingshulp nieuw leven in te blazen. Een krachtiger inspanning is nodig om privé- kapitaal te trekken naar de meest behoeftige landen. Het potentieel voor partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector moet doelmatiger worden aangesproken. De officiële ontwikkelingshulp (ODA, Official Development Assistance) van de gezamenlijke OESO-landen blijft ver achter bij de internationaal aanvaarde doelstelling van 0,7 procent van het BNP. Wij zetten ons gezamenlijk in om het verminderen van de ODA tegen te gaan. Wij roepen alle betrokken partners op zich opnieuw te committeren aan internationale ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder het in de periode tot 2015 terugbrengen tot de helft, van het aantal mensen dat in absolute armoede leeft. Donorlanden kunnen hun betrokkenheid op duidelijke wijze tonen door meer hulp toe te wijzen aan landen waarin het de goede kant op gaat met het economisch beleid en goed bestuur, waaronder het streven naar grotere sociale gelijkheid, zodat onze burgers duidelijk kunnen zien dat hulp doeltreffend is voor de duurzame vermindering van armoede.

De ontwikkelingslanden moeten orde op zaken stellen op de volgende punten:

. Het bestrijden van corruptie: Corruptie is stelen van de armen en vormt een belangrijke hinderpaal op de weg naar ontwikkeling. Niet alleen dwarsboomt corruptie de economische ontwikkeling, maar zij ondermijnt ook de democratie en doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de regering. Door middel van controlemechanismen, reorganisatie van de publieke sector en bestraffing van de schuldigen moet corruptie worden aangepakt.

. Het versterken van democratie en goed bestuur: Democratie en kundige en krachtige overheidsinstellingen vormen de beste garanties voor een duurzame ontwikkeling. Gebrek aan democratische participatie en zwakke overheidsorganen zijn belangrijke hordes die zowel door ontwikkelingslanden als door donorlanden moeten worden genomen.

. Het voorkomen van conflicten: Vrede is een fundamenteel vereiste voor ontwikkeling. Dit is de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Conflicten waarin een vreedzame regeling is bereikt kunnen weer de kop opsteken tenzij de onderliggende oorzaken worden weggenomen. Ontwikkelingsinspanningen moeten strategisch worden ingezet, niet alleen om conflicten te voorkomen en te beslechten, maar ook om na het bijleggen van een geschil de vrede te consolideren.

. Het uitvoeren van beleid gericht op armoedevermindering: De ontwikkelingslanden moeten zelf een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor het stimuleren van investeringen van de private sector, het waarborgen van een billijke verdeling en het doelmatiger en doorzichtiger maken van de
overheidsuitgaven.

De bijeenkomst in Utstein is nog maar het begin

De vier ministers zullen hun samenwerking op deze elf hoofdpunten van het ontwikkelingsbeleid voortzetten. Eveline Herfkens, de Nederlandse minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, treedt als gastvrouw op bij de volgende bijeenkomst in de zomer van 2000. Tot die tijd zullen de vier ministers zich gezamenlijk maar ook individueel inzetten voor de voortgang van de agenda die in Utstein is afgesproken.

ANP Pers Support, het ANP is niet verantwoordelijk voor de inhoud van bovenstaand bericht.

Dit is een origineel persbericht.
Niet het ANP, maar de afzender van dit bericht is verantwoordelijk voor de inhoud.

Op 25 en 26 juni 1999 kwamen in Noorwegen vier ministers voor ontwikkelingssamenwerking bijeen om te komen tot afspraken over een gezamenlijke koers voor de toekomst. De vier ministers zijn afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Noorwegen. De bijeenkomst leverde een agenda voor toekomstige samenwerking en een lijst van prioritaire aandachtspunten. Afgesproken werd om in het jaar 2000 in Nederland een tweede bijeenkomst van de vier ministers te organiseren. Hieronder volgt de vertaling van de persverklaring die aan het eind van de eerste bijeenkomst werd uitgegeven.

Persverklaring - Utstein Abbey, Noorwegen 26 juli 1999


- Donorlanden moeten beter coördineren, meer middelen beschikbaar stellen voor ontwikkelingssamenwerking en het multilaterale systeem versterken ten einde ontwikkelingslanden te helpen de armoede uit te bannen en een mondiale duurzame ontwikkeling te ondersteunen. Aldus de vier ministers van Ontwikkelingssamenwerking Clare Short (Verenigd Koninkrijk), Eveline Herfkens (Nederland), Heidemarie Wieczorek-Zeul (Duitsland) en Hilde F. Johnson (Noorwegen) tijdens hun ontmoeting in de abdij op het Noorse eiland Utstein. Op 25 en 26 juli kwamen zij bijeen om toekomstige strategieën te bespreken voor samenwerking op een aantal punten van het ontwikkelingsbeleid.

Dit netwerk van vier ministers wil zich inzetten voor een andere aanpak van ontwikkelingssamenwerking. Zij formuleerden elf hoofdpunten die samen

met andere landen en internationale organisaties moeten worden aangepakt.

Met name op vier belangrijke gebieden moeten donorlanden orde op zaken stellen:

. Een betere coördinatie: Alle donorlanden moeten bereid zijn tot aanpassing van hun programma's om te komen tot een betere coördinatie en daarmee tot doelmatiger hulp. Het ontvangende land moet zelf richting kunnen geven. Een uitstekende basis hiervoor vormen het door de Wereldbank voorgestelde Comprehensive Development Framework en het UN-Development Assistance Framework (UNDAF), waaraan uitvoering zou moeten worden gegeven.

. Geen 'gebonden' hulp: Het verder terugdringen van 'gebonden' ontwikkelingshulp brengt verhoogde doelmatigheid, een betere kwaliteit en meer ontwikkeling voor elke euro met zich mee. Leden van de OESO moeten streven naar het zo spoedig mogelijk 'ontbinden' van de financiële en investeringshulp en van de voedselhulp aan de Minst Ontwikkelde Landen.

. De institutionele en financiële kloof: Het overbruggen van de institutionele en financiële kloof tussen humanitaire hulp en lange termijn- ontwikkelingssamenwerking is van vitaal belang. Al te vaak leidt het veronachtzamen van ontwikkelingsbehoeften tot nieuwe conflicten en humanitaire rampen.

. Meer samenhang in al het op ontwikkelingslanden gerichte beleid: Een betere praktische aanpak van de hulp is niet genoeg. Donorlanden moeten zich evenzeer inspannen om een coherent beleid tot stand te brengen op gebieden zoals handel, investeringen en milieu die een duurzame ontwikkeling ondersteunen.
Wij moeten ijveren voor de beschikbaarstelling van meer middelen en het aangeven van nieuwe prioriteiten:

. Het schuldeninitiatief: Door de uitvoering van maatregelen voor schuldverlichting, zoals voorgesteld op de recente Top van Keulen, zullen arme debiteurlanden meer geld kunnen uittrekken voor armoedevermindering. Wij moedigen alle crediteurlanden aan, bij te dragen aan de door de Club van Parijs voorgestelde oplossingen die een uitweg uit de schulden bieden. Een voor de hand liggende en belangrijke bijdrage zou zijn de resterende ODA-schuld van de armste landen die naar een doeltreffend beleid streven, te schrappen. Andere mogelijkheden zijn onder meer het kwijtschelden van handelskredieten naast multilaterale overeenkomsten of het geven van aanvullende bijdragen aan het HIPC-trust fund dat schuldverlichting door multilaterale instellingen ondersteunt. Het financieren van multilaterale schuldverlichting vereist trekking op een gering deel van de goudreserve van het IMF. Voorts zouden de benodigde multilaterale bijdragen niet ten koste mogen gaan van het vermogen van deze instellingen om hun klanten, de ontwikkelingslanden, van dienst te zijn. Ook bilaterale bijdragen zijn nodig, gebaseerd op een doorzichtige en billijke lastenverdeling. Tenslotte hangt het slagen van het Initiatief van de Top van Keulen af van het vermogen de schuldverlichting om te zetten in daadwerkelijke armoedevermindering en duurzame ontwikkeling. Het versterken van de sociale dimensie van de Enhanced Structural Adjustment Facility (ESAF) van het IMF zou een essentiële bijdrage vormen.

. Het multilaterale systeem: Het steunen van de Verenigde Naties en de ontwikkelingsbanken door het nakomen van de financiële verplichtingen, door inspanningen tot internationale coördinatie en door het stellen van beleidsprioriteiten. Het versterken van het multilaterale systeem is van vitaal belang. Het is essentieel dat de VN worden gesteund bij het vervullen van hun rol in de vergeten conflicten en crises in de wereld.

. Financiële ontwikkeling: De strijd tegen de mondiale armoededreiging vereist vindingrijkheid in denken en in optreden om de financiering van ontwikkelingshulp nieuw leven in te blazen. Een krachtiger inspanning is nodig om privé- kapitaal te trekken naar de meest behoeftige landen. Het potentieel voor partnerschappen tussen de overheid en de particuliere sector moet doelmatiger worden aangesproken. De officiële ontwikkelingshulp (ODA, Official Development Assistance) van de gezamenlijke OESO-landen blijft ver achter bij de internationaal aanvaarde doelstelling van 0,7 procent van het BNP. Wij zetten ons gezamenlijk in om het verminderen van de ODA tegen te gaan. Wij roepen alle betrokken partners op zich opnieuw te committeren aan internationale ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder het in de periode tot 2015 terugbrengen tot de helft, van het aantal mensen dat in absolute armoede leeft. Donorlanden kunnen hun betrokkenheid op duidelijke wijze tonen door meer hulp toe te wijzen aan landen waarin het de goede kant op gaat met het economisch beleid en goed bestuur, waaronder het streven naar grotere sociale gelijkheid, zodat onze burgers duidelijk kunnen zien dat hulp doeltreffend is voor de duurzame vermindering van armoede.

De ontwikkelingslanden moeten orde op zaken stellen op de volgende punten:

. Het bestrijden van corruptie: Corruptie is stelen van de armen en vormt een belangrijke hinderpaal op de weg naar ontwikkeling. Niet alleen dwarsboomt corruptie de economische ontwikkeling, maar zij ondermijnt ook de democratie en doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de regering. Door middel van controlemechanismen, reorganisatie van de publieke sector en bestraffing van de schuldigen moet corruptie worden aangepakt.

. Het versterken van democratie en goed bestuur: Democratie en kundige en krachtige overheidsinstellingen vormen de beste garanties voor een duurzame ontwikkeling. Gebrek aan democratische participatie en zwakke overheidsorganen zijn belangrijke hordes die zowel door ontwikkelingslanden als door donorlanden moeten worden genomen.

. Het voorkomen van conflicten: Vrede is een fundamenteel vereiste voor ontwikkeling. Dit is de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Conflicten waarin een vreedzame regeling is bereikt kunnen weer de kop opsteken tenzij de onderliggende oorzaken worden weggenomen. Ontwikkelingsinspanningen moeten strategisch worden ingezet, niet alleen om conflicten te voorkomen en te beslechten, maar ook om na het bijleggen van een geschil de vrede te consolideren.

. Het uitvoeren van beleid gericht op armoedevermindering: De ontwikkelingslanden moeten zelf een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor het stimuleren van investeringen van de private sector, het waarborgen van een billijke verdeling en het doelmatiger en doorzichtiger maken van de
overheidsuitgaven.

De bijeenkomst in Utstein is nog maar het begin

De vier ministers zullen hun samenwerking op deze elf hoofdpunten van het ontwikkelingsbeleid voortzetten. Eveline Herfkens, de Nederlandse minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, treedt als gastvrouw op bij de volgende bijeenkomst in de zomer van 2000. Tot die tijd zullen de vier ministers zich gezamenlijk maar ook individueel inzetten voor de voortgang van de agenda die in Utstein is afgesproken.

ANP Pers Support, het ANP is niet verantwoordelijk voor de inhoud van bovenstaand bericht.

30 jul 99 16:14

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie