Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Reactie Nationale Ombudsman op Eurotoprapport

Datum nieuwsfeit: 18-08-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Nieuwsoverzicht

Reactie op Eurotoprapport

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer dr. Peper
Postbus 20011
2500 EA 's-GRAVENHAGE

Den Haag, 18 augustus 1999

Ons nummer
97.03898 159
Uw brief
14 juli 1999
Uw kenmerk
EA99/U66312
Bijlagen

Behandelend medewerker
mr. S.J.P. Snijder
Onderwerp
reactie rapport Eurotop

Geachte heer Peper,

Gaarne dank ik u voor de brief van u en van de Minister en de Staatssecretaris van Justitie van 14 juli 1999, met uw gezamenlijke reactie op rapport 98/505 van 17 november 1998 (Eurotop).

Met instemming heb ik ervan kennis genomen dat het rapport ertoe heeft geleid dat de procedures bij het NCC zijn aangepast, zodat de IND steeds zal worden betrokken bij de voorbereiding van grootschalige evenementen waarbij zich ordeverstoringen kunnen voordoen door toedoen van personen uit het buitenland. Ik wijs overigens op het belang van betrokkenheid van de IND ook tijdens dergelijke evenementen, om aldus te waarborgen dat waar nodig voorgenomen besluiten adequaat worden getoetst aan het vreemdelingenrecht, en zo nodig kunnen worden voorgelegd aan de Staatssecretaris van Justitie. Verder heb ik met instemming gelezen dat bij de voorbereiding van het EK 2000 rekening zal worden gehouden met het feit dat bij eventuele uitzettingen steeds zal moeten gehandeld op grond van een individuele last, ook als het zou gaan om grotere aantallen buitenlanders. In uw brief laat u ook weten dat u voornemens bent een aantal wettelijke voorzieningen te treffen die van nut kunnen zijn bij het optreden bij grootschalige verstoringen van de openbare orde. Het is aan de Raad van State om een oordeel te geven over voornemens tot wetswijziging. Daarom neem ik uw brief op dit punt voor kennisgeving aan.

Uw gezamenlijke brief geeft mij echter op een tweetal punten wel aanleiding tot een reactie:


1. Uw zienswijze op het vreemdelingenrechtelijke deel van het Eurotop-rapport

In § 4 van uw brief stelt u zich op het standpunt dat de uitgezette EU-onderdanen niet waren aan te merken als gemeenschapsonderdanen zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Vreemdelingenwet (dat overigens pas per 1 juli 1998, dus na de Eurotop, een definitie van deze term bevat). Aldus bezien, konden zij naar uw oordeel op grond van artikel 8, eerste lid onder c Vw worden geweigerd, en wel zonder dat behoefde te worden voldaan aan het criterium van actuele bedreiging van de openbare orde en aan een aantal bijzondere procedurele voorwaarden. U meent dat ik een en ander heb miskend, en daarom de klachten op dit punt op onjuiste gronden gegrond heb verklaard.

Het spijt mij dat hetgeen u aanvoert mij geenszins kan overtuigen. Daartoe is het volgende van belang.

Uit het EG-verdrag vloeit rechtstreeks een verblijfsrecht voort voor, onder meer, verstrekkers en ontvangers van diensten. Dit begrip is zeer ruim te interpreteren, en omvat vrijwel iedere EU-onderdaan die zich verplaatst binnen het grondgebied van de EU, mits deze bij binnenkomst beschikt over een geldig identiteitsbewijs of paspoort. Ik wijs in dit verband meer in het bijzonder op Richtlijn 68/360, alsmede op de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (onder meer 186/87
- Cowan - alsmede, ten aanzien van Nederland, 68/89, en wat het verblijfsrecht van dienstont-vangers betreft, 357/89 - Raulin). In de feiten en omstandigheden van de Eurotop-zaak zie ik geen enkel argument waarom de betrokken vreemdelingen niet zouden moeten worden aangemerkt als onderdanen van de lidstaten van de EU die op grond van het EG-verdrag een verblijfsrecht in Nederland bezitten. Daarom ben ik van oordeel dat de EU-onderdanen die ten tijde van de Eurotop zijn uitgezet wel degelijk moeten worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen in de zin van artikel 1 Vw. Uw reactie gaat aan het voorgaande geheel voorbij. Alleen al daarom is uw zienswijze niet houdbaar.

Echter, uw standpunt verdraagt zich ook niet met de Nederlandse vreemdelingenwetgeving. Immers, artikel 46 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) geeft EU-onderdanen een vrije termijn van drie maanden (en niet van dertig dagen, zoals u in uw reactie stelt). Bovendien kan aan hen, ingevolge artikel 91 Vb, slechts de toegang en verdere toegang worden geweigerd indien sprake is van actuele bedreiging van de openbare orde. Vervolgens gelden dan de eisen die voortvloeien uit de artikelen 92, 100, 101 en 102 Vb. Ik verwijs ook naar de in het rapport opgenomen uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage, zitting houdend in Amsterdam, van 28 januari 1998 en 9 september 1998, terwijl daarnaast nog kan worden gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 10 juli 1998 (AWB 98/5017 VRWET). In dit verband merk ik verder nog op dat blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 91 Vb en uit de Nederlandse jurisprudentie terzake volgt dat onder het verschaffen van toegang mede moet worden begrepen het verblijf in de vrije termijn.

Gezien het voorgaande zie ik in uw reactie geen reden tot een andere beoordeling van de bewuste uitzettingen dan zoals ik die, met uitvoerige motivering, in het Eurotop-rapport heb gegeven. Uw reactie op dit punt heb ik met enige bezorgdheid gelezen. Immers, de vraag dringt zich nu nog te meer op of een juiste vreemdelingenrechtelijke beoordeling van dit soort aangelegenheden van de kant van het bevoegd gezag wel voldoende verzekerd is. Dat onderstreept alleen maar mijn aanbeveling in het Eurotop-rapport inzake het zich grondig rekenschap geven van de mogelijkheden en beperkingen van het vreemdelingenrecht, zeker ook wanneer het EU-onderdanen betreft.


2. De noodbevelbevoegdheid

In uw gezamenlijke reactie gaat u ook in op de vraag of er ruimte is voor het mandateren van de noodbevelbevoegdheid ex artikel 175, eerste lid van de Gemeentewet. U merkt op dat mijn beoordeling meer ruimte biedt voor mandaat dan wet en jurisprudentie toelaten. Graag preciseer ik, voorzover nodig, mijn opvatting op dit punt.

De noodbevelbevoegdheid is een zeer verstrekkende, en niet zonder reden opgedragen aan de burgemeester. Daarom ben ik, met u, van oordeel dat de burgemeester ook daadwerkelijk en onverkort de verantwoordelijkheid moet dragen voor het gebruik van deze bevoegdheid. Deze opvatting heeft mij gebracht tot het oordeel in het Eurotop-rapport dat de burgemeester in dit geval te veel beleidsvrijheid heeft gelaten aan het beleidscentrum/de politie, en ten onrechte uiteindelijk niet daadwerkelijk betrokken is geweest bij het besluit tot het geven van een noodbevel.

Dit neemt niet weg dat ik, meer in algemene zin bezien, in artikel 10:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht niet een blokkade op voorhand heb willen zien voor elke vorm van mandaat van de noodbevelbevoegdheid. Ik heb echter uitdrukkelijk aangegeven (blz. 203) dat een eventueel mandaat - overigens in de praktijk dan vermoedelijk een uitzonderlijk geval - zodanig geformuleerd zal moeten zijn dat het uiteindelijk geven van een noodbevel geen enkele beoordelingsvrijheid laat aan de politie. Door deze voorwaarde wordt naar mijn oordeel ten volle recht gedaan aan de eerder genoemde verantwoordelijkheid van de burgemeester zelf, zodat er dan geen strijd behoeft te zijn met artikel 10:3 Awb.

In de door u aangehaalde reactie van de burgemeester van Amsterdam wordt een onderscheid gemaakt tussen een uit te vaardigen mandaatbesluit en het noodbevel zelf, dat aan de burge-meester 'ter goedkeuring' wordt voorgelegd. Zoals u terecht aangeeft, impliceert die goedkeuring het geven van het noodbevel. Het lijkt mij dan ook verwarrend wanneer in die situatie ook een mandaatbesluit zou worden genomen, waar het in feite gaat om voorbereidingshandelingen voor het door de burgemeester te geven noodbevel. Het komt mij voor dat voor die voorbereidingshande-lingen geen mandaatbesluit nodig is.

Ik stel het op prijs om uw reactie te horen op het vreemdelingenrechtelijke punt in deze brief.

Deze brief stuur ik ook aan de beide andere ondertekenaars van de brief van 14 juli 1999, alsmede in afschrift aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en aan de burgemeester van Amsterdam.

Hoogachtend,
DE NATIONALE OMBUDSMAN,

mr. dr. M. Oosting

© 1999 De Nationale ombudsman

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie