Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Fundamentele bezorgdheden Vlaams Gemeenschapsonderwijs

Datum nieuwsfeit: 31-08-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
31-08-1999

Onderwijsbeleid: de fundamentele bezorgdheden van het Gemeenschapsonderwijs

1. Rust in het onderwijs

Ingevolge het regeerakkoord van 17 juni 1995 heeft het Vlaamse parlement talrijke ingrijpende hervormingen op diverse niveaus doorgevoerd .Het hechtte immers zijn goedkeuring aan de decreten basisonderwijs, secundair onderwijs, centrum leerlingenbegeleiding, volwassenenonderwijs en het bijzonder decreet Gemeenschapsonderwijs.

De veranderingsprocessen die met deze hervormingen werden nagestreefd, dient men in de komende jaren in alle rust te implementeren, te verfijnen en op elkaar af te afstemmen. Coherentie en eenvoud in de regelgeving zijn daarvoor sleutelwoorden.

2. Grotere autonomie en verantwoordelijkheid voor de scholen Een groter draagvlak voor een autonomer lokaal beleid werd gerealiseerd, doordat regionale samenwerkingsverbanden tot stand kwamen binnen het net of desgevallend netoverstijgend, (scholengemeenschappen secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding) en doordat in het Gemeenschapsonderwijs scholengroepen werden gecreëerd.

Een autonomer lokaal beleid veronderstelt dat alle daarbij betrokken geledingen op de verschillende domeinen de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen.

Dit kan echter niet zonder een aantal dringende maatregelen van de Vlaamse gemeenschap.

3. Pedagogisch beleid

1. Doelstelling: kwaliteitszorg

Kwaliteitszorg is in hoofdzaak een aangelegenheid van de inrichtende macht. De regelgevende overheid dient hiervoor echter de gunstigste voorwaarden te scheppen en de interne kwaliteitszorg in de scholen te stimuleren en te ondersteunen.

1. De eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen en/of basiscompetenties dienen te worden afgewerkt. Daarbij moet men niet alleen het belang van de waardenvorming en van de vakoverschrijdende doelstellingen onderstrepen, maar ook hun relatie met veranderende en nieuwe maatschappelijke vragen ten aanzien van onderwijs en vorming .

2.

De verwerking van deze doelstellingen in leerplannen en schoolwerkplannen moet worden begeleid. Dit kan onder meer door ondersteuning van de interne kwaliteitszorg die een kerntaak is van de pedagogische begeleidingsdienst. De ondersteuning van deze interne kwaliteitszorg vraagt prioritaire aandacht voor:

* een uitbreiding van het kader van de pedagogische begeleidingsdiensten, rekening houdend met een vast en variabel takenpakket naargelang van het aantal scholen en leerkrachten;

* een gestructureerd overleg tussen de gemeenschapsinspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten o.m. inzake analyse en follow-up van doorlichtingverslagen;

* de uitwerking van analyse- en evaluatiesystemen inzake kwaliteitszorg en nascholing voor de schoolteams dit als ondersteuning bij de implementatie.

De pedagogische begeleidingsdienst moet de mogelijkheid krijgen een dienst uit te bouwen die belast wordt met de ontwikkeling van bovenvermelde systemen.

1. Personeelsbeleid

1. Verhogen van de professionaliteit van het personeel Om de professionaliteit van het personeel te vergroten, kan de overheid in de eerste plaats denken aan de verbetering van de initiële lerarenopleiding. De manier waarop de leerkracht kansarme leerlingen en leerlingen met probleemgedrag zal begeleiden, moet onderdeel worden van zo een opleiding. In de opleiding van de geaggregeerden S.O. is het verplicht stellen van praktijkstages in BSO en DBSO dan ook aangewezen. Aan leerling- en ervaringsgerichte onderwijsmethodes moet duidelijk meer aandacht worden besteed. Daarnaast moet ook nascholing en in-servicetraining worden gestimuleerd . Dit kan onder andere door nascholing in het curriculum van het onderwijspersoneel in te bouwen. In dit verband bracht de VLOR een advies uit dat het Gemeenschapsonderwijs zonder aarzelen heeft onderschreven.

2. Herwaardering van het onderwijsambt Het onderwijsambt herwaarderen en de aantrekkelijkheid van een loopbaan in het onderwijs verhogen zijn nog steeds prioritair, naast een grotere betrokkenheid bij het schoolgebeuren, wat kan resulteren in een open en participatieve schoolcultuur. Men zou best de effecten onderzoeken van differentiële verloning en een loopbaanontwikkeling op basis van goed functionerende evaluatieprocedures. Daarnaast moet dringend werk worden gemaakt van de uitbouw van een pedagogisch middenkader.

3. Flexibeler personeelsbeleid

Een toenemende autonomie op pedagogisch vlak veronderstelt meer mogelijkheden en verantwoordelijkheden van de inrichtende macht inzake het personeelsbeleid. Daartoe moeten al te strakke statuten en procedures worden herzien. Zo onder meer:

* uitbreiding van de mogelijkheden tot gerichte werving, selectie en bevordering;

* soepeler mogelijkheden om het personeel in te zetten;

* herziening van de reglementering betreffende terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling.

Naast een flexibelere reglementering moet men streven naar een zo eenvormig mogelijk statuut over de onderwijsniveaus en netten heen. Dit houdt ook de verbetering in van het statuut van de tijdelijke personeelsleden in het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs in navolging van de bepalingen in het secundair en volwassenenonderwijs.

1. Financieel beleid

Het voorbije regeringsbeleid heeft het financieringsmechanisme van de werkingsmiddelen voor het Gemeenschapsonderwijs zwaar door elkaar geschud. Vooral in het basisonderwijs, door middel van elkaar opvolgende akkoorden, heeft een en ander ertoe geleid dat de werkingsmiddelen tijdens de komende legislatuur substantieel zullen dalen. Het is dus een negatieve trend met als doel de 100-76 %-verhouding met het vrij gesubsidieerd onderwijs te bereiken.

Deze trend, ongeacht de noden die zich ongetwijfeld ook in andere scholen en onderwijsnetten voordoen, moet de komende legislatuur worden omgebogen. Het moet scholen in staat stellen om op efficiënte en effectieve wijze te kunnen inspelen op nieuwe noden, technologische evoluties en de steeds stringenter wordende regelgeving inzake milieu, veiligheid en hygiëne. Men kan dit alles niet blijven realiseren binnen de bestaande enveloppe voor werking, die voor het Gemeenschapsonderwijs de komende jaren daarenboven nog zal verminderen.

Hierdoor zullen op termijn inplantingen van het Gemeenschapsonderwijs in gevaar komen, waardoor op een onvoldoende wijze invulling kan worden gegeven aan de grondwettelijke keuzevrijheid voor elke ouder en de verplichting van het Gemeenschapsonderwijs als openbare instelling overal in Vlaanderen en Brussel een voldoend gedifferentieerd onderwijsaanbod te realiseren.

Daarenboven staat het Gemeenschapsonderwijs met ingang van 1 januari 2000 voor een fundamentele hervorming naar decentralisatie van volledige pakketten aan bevoegdheden. Deze hervorming kan enkel optimaal worden geïmplementeerd bij een stabiel beleid inzake financiering en niet bij een reductie aan middelen of andere belangrijke decretale wijzigingen in de structurering van het onderwijslandschap.

Met deze problematiek van het kwantum aan werkingsmiddelen hangt de uitvoering samen van de studie rond de objectieve verschillen. Deze studie moet gebaseerd zijn op het onderzoek naar alle inkomsten- en uitgavenstromen. Ook moeilijker meetbare stromen moeten hiervan het voorwerp uitmaken. De finale inschatting van deze verschillen komt toe aan het Vlaams Parlement en niet aan een onderzoekbureau. Het zal ook aan het Vlaams Parlement zijn om de gevolgen van dit onderzoek om te zetten in een wetgevend initiatief, waarbij het waarborgen van de vrije keuze centraal moet staan.

2. Professionalisering van het beleid en het bestuur

Nascholing moet de bestuursorganen van het gemeenschapsonderwijs op het lokaal en meso-niveau professionaliseren met het oog op de toenemende autonomie, decentralisering, democratisering en de grotere betrokkenheid van alle onderwijsgeledingen in bestuur en beleid. In het kader van de verhoging van de nascholingskredieten moet men daartoe in de nodige middelen voorzien.

De bestuursorganen moeten bovendien kunnen rekenen op een professioneel middenkader dat de scholengroepen ondersteunt.

Tevens is een betere administratieve ondersteuning van groot belang. Het verbeteren van de administratieve omkadering van de directies is hier urgent en daarbij moet ook de mogelijkheid worden tot stand gebracht om het administratief en ondersteunend personeel, geaffecteerd aan scholen, ruimer in te zetten in de scholengroep (cf. het politiek akkoord van 18 juni 1998).

Ten slotte moet de algemeen directeur van de scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs schoolvrij worden gemaakt, gezien de omvang en de complexiteit van de hem toegewezen opdracht.

1. Democratisering van het onderwijs

Hoewel in de voorbije decennia belangrijke vooruitgang werd geboekt, is de gelijkheid van kansen in het onderwijs en in de samenleving niet verwezenlijkt. Het verminderen van het aantal zittenblijvers en de schoolverlaters zonder certificering blijft hierbij een belangrijke doelstelling.

1. Wegwerken van de financiële drempels

De scholen moeten over voldoende werkingsmiddelen beschikken om de kosteloosheid van het basisonderwijs te waarborgen. Dit impliceert dat alle kosten, gerelateerd aan het bereiken of het nastreven van eindtermen en ontwikkelingsdoelen, moeten worden verrekend op het werkingsbudget van de school en gesubsidieerd of gefinancierd door de overheid.

Wil men de kosteloze toegang tot het secundair onderwijs verwezenlijken, dan moet men de bijdrage van de ouders voor schoolbehoeften en extrascolaire activiteiten beperken, en dit dient dan ook gecontroleerd.

2. Soepele overgangen

Aan het probleem van het zittenblijven kan onder meer worden geremedieerd door soepeler overgangen te construeren tussen onderwijsvormen en niveaus en tussen het voltijds, het deeltijds en het volwassenenonderwijs.

Door de modularisering van de leerstof enerzijds en het uitreiken van deelattesten anderzijds kan men gedifferentieerde leerwegen aanbieden. Hierdoor komen minder schoolverlaters zonder kwalificatie op de arbeidsmarkt terecht.

Dit vergt echter zulk ingrijpende wijzigingen van de onderwijsorganisatie, dat men hiertoe slechts kan overgaan mits vooraf de nodige garanties zijn vastgelegd voor de leerlingen, het personeel en de scholen.

Het kan niet dat een leerling tijdens of na het schooljaar naar een andere school moet, omdat zijn school bepaalde modules van een voordien afgesproken aanbod niet organiseert. Dit houdt voorwaarden in, zowel naar de structuur van de modules als naar de omkadering (lesuren) van de scholen.

3. Betere participatie van de zwakste socio-economische groepen in onze samenleving.

Zorgverbreding verdient bijzondere aandacht. De aanwezigheid van risicoleerlingen moet via kansarmenindicatoren worden geobjectiveerd . Op basis hiervan moet de overheid de omkadering en de financiering verhogen en moet deze omkadering organiek worden gemaakt. De inspanningen die de scholen voor deze risicoleerlingen leveren, zullen door de inspectie worden gecontroleerd in het kader van de globale doorlichting.

In deze context moet ook artikel 12 van de non-discriminatieverklaring worden geoperationaliseerd, d.w.z. dat bewarende maatregelen kunnen worden genomen voor concentratiescholen die zich willen herprofileren. Het is voor hen absoluut noodzakelijk dat de overheid de huidige rationalisatienormen verlaagt, de omkaderingsnormen en de financiering daarentegen verhoogt. Evenzeer noodzakelijk is de wetenschappelijke ondersteuning gericht op een effectieve inhoudelijke invulling van de non-discriminatieverklaring en wetenschappelijke ondersteuning van processen gericht op de evolutie naar multiculturele scholen.

4. Bevorderen van de samenwerking tussen het buitengewoon en het gewoon onderwijs.

Enerzijds moet de orthopedagogische en de didactische expertise die in het buitengewoon onderwijs wordt ontwikkeld, ten dienste worden gesteld van het gewoon onderwijs. Anderzijds moet men initiatieven en projecten rond inclusief onderwijs grondig voorbereiden en begeleiden op basis van vrijwillige medewerking van scholen.

5. Probleemgedrag op school

De preventie en remediëring van probleemgedrag spijbelen, geweld, drugs en dergelijke kan niet uitsluitend aan de school zelf worden overgelaten. Dit moet kaderen in een Vlaams preventiebeleid, waar vertegenwoordigers van Gezin & Welzijn, Binnenlandse Zaken, Justitie en Onderwijs in onderling overleg naar gecoördineerde oplossingen zoeken.

Niet alleen op macro-, maar ook op schoolniveau moet men die samenwerking kunnen realiseren. Er moeten effectief ondersteunende maatregelen tot stand komen met het oog op de ontwikkeling van een leerlinggerichte schoolcultuur die leerlingen meer bij het schoolleven en schoolbeleid betrekt.

6. Relatie onderwijsarbeidsmarkt

Belangrijk voor de onderwijsvormen TSO / BSO is de relatie tussen het onderwijs en het bedrijfsleven.

Op dit vlak moet men extra aandacht besteden aan:

* het aanbieden van kwalitatieve stageplaatsen aan alle leerlingen, waarbij het bedrijf aan actieve begeleiding van de stagenemer doet;

* het mogelijk maken van leerkrachtenstages;

* een verbetering van het stelsel deeltijds lerendeeltijds werken, waarbij men akkoorden moet afsluiten met de werkgeversorganisaties over het zinvol en effectief tewerkstellen;

* de contacten tussen onderwijs en bedrijf, die essentieel zijn bij het tot stand komen van beroepsprofielen, beroepsopleidingprofielen,

1. Herwaardering TSO / BSO

Door de herwaardering van het TSO / BSO in het algemeen en het TSO in het bijzonder zullen er opnieuw technici komen die de vele vacante arbeidsplaatsen op de arbeidsmarkt kunnen innemen. Tegelijkertijd kan dit een aanzet zijn om het watervaleffect te doorbreken.

De krachtlijnen van de herwaardering van het TSO werden uitgetekend in de besluiten van de Staten-Generaal van het Technisch Onderwijs (20-03-1993). Hier bleef de integrale uitvoering uit.

De overheid moet dringend werk maken van de implementatie ervan.

Ook moet de doorstroming van het TSO naar het hoger onderwijs worden verbeterd. Dit kan onder andere door de hogescholen meer af te stemmen op de "eindtermen" van het technisch onderwijs.

Het is tevens aangewezen om voor alle leerlingen te voorzien in een introductie in de technologische cultuur vanaf het basisonderwijs.

1. Permanente vorming en volwassenenonderwijs De vakoverschrijdende eindtermen (leren leren) en de persoonlijkheids- en attitudevorming moeten bij jongeren een positieve instelling aankweken ten aanzien van de noodzaak om levenslang te leren.

Het aanbod moet toegankelijker worden gemaakt door in het afstandsonderwijs de informatietechnologie en de multimediale mogelijkheden te gebruiken. De regering kan hiervoor de nodige kredieten vrijmaken. De nodige aandacht moet ook gaan naar de taakbepaling, coördinatie en samenwerking tussen volwassenenonderwijs, VDAB, VIZO en andere onderwijsverstrekkers. De regering moet stimuli uitzenden om de pas (her)opgestarte besprekingen in de schoot van de Edufora te activeren en te begeleiden. Wel dienen de Edufora over een decretaal kader te beschikken waarbij een optimale taakbepaling, coördinatie en samenwerking tussen het volwassenenonderwijs, de VDAB en het VIZO wordt nagestreefd.

Waar bedrijven hoe langer hoe meer bepaalde taken outsourcen, kan het onderwijs ze van dienst zijn via het contractonderwijs, waaraan meer aandacht dient te worden besteed. Een mijlpaal was de invoering van het systeem van kapitaliseerbare eenheden in het volwassenenonderwijs. Het gevaar bestaat echter dat, door het uitblijven van reeds herhaaldelijk beloofde verruiming van de omkadering, de dynamiek van het modulair volwassenenonderwijs afgeremd wordt door een overvloed aan administratieve verplichtingen.

De bestrijding van de kansarmoede en het vermijden van dualisering van de maatschappij zijn ook voor het volwassenenonderwijs prioritaire taken. Vandaar dat ook in deze onderwijsvorm bijzondere aandacht moet gaan naar de scholingsbehoeften van laaggeschoolden en specifieke doelgroepen.

2. Gebouwen en uitrusting

1. Het Gemeenschapsonderwijs eist:

1. substantiële verhoging van de investeringsmiddelen voor gebouwen Het onderzoek naar de behoeften van de scholen van het Gemeenschapsonderwijs is gebaseerd op het doelmatigheidsonderzoek van 1996, waarvan de noden voor de infrastructuur en de verbandhoudende bedragen zijn aangepast aan de situatie 1998. Voor elke lokale raad met zijn scholen en vestigingsplaatsen geeft dit doelmatigheidsonderzoek aan wat de noden zijn inzake nieuwbouw, renovatie van bestaande infrastructuur en de vervanging van voorlopige paviljoenen.

Volgende resultaten zijn hierbij naar voren gekomen: voor nieuwbouw heeft het Gemeenschapsonderwijs een bedrag nodig van 6,2 miljard frank, voor renovatie van de bestaande infrastructuur 3 miljard, voor de vervanging van voorlopige paviljoenen 5,2 miljard en voor onderhoudswerken 5 miljard.

2. substantiële verhoging van de middelen voor eigenaaronderhoud

De dotatie voor eigenaaronderhoud dient onverwijld te worden gebracht op minimaal 1 % van de nieuwbouwwaarde van het patrimonium, zodat de infrastructuur voldoet om de leerlingen in de volgende eeuw op een degelijke wijze te kunnen huisvesten. Indien men rekening houdt met de gehanteerde normen, betekent dit een verhoging van ongeveer 1 miljard frank.

Technologische uitrusting

Het beleid van de Vlaamse regering heeft op het vlak van informatie- en communicatietechnologie terecht aandacht voor de uitrusting van de scholen. Slechts een bestendige en versterkte aandacht op alle onderwijsniveaus zal de scholen in staat stellen de ontwikkeling van deze snel evoluerende technologie te volgen.

In het TSO en BSO is de uitrusting permanent aan optimalisering en vernieuwing toe. Dit kan niet zonder aanvullende werkingsmiddelen.

Via overleg tussen overheid, onderwijsnetten en sociale partners moet hierover een akkoord worden bereikt voor een substantiële inbreng van het bedrijfsleven.

Convenants kunnen hier zorgen dat enerzijds alle netten aan bod komen, maar dat anderzijds de scholen hun noodzakelijke autonomie behouden inzake inhoudelijke taakinvulling en pedagogische organisatie ten aanzien van de bedrijven.

Netoverschrijdende samenwerking

De overheid moet de netoverschrijdende samenwerking stimuleren. Deze samenwerking kan onder meer gebeuren op het vlak van

* het onderwijsaanbod,

* de ondersteuning van scholen (gezamenlijk opstellen van leerplannen, nascholing, ),

* gebruik van infrastructuur en dure didactische uitrusting (b.v. hoogtechnologische apparatuur).


Opmerkingen of bedenkingen? Mail ze naar (webmaster@argo.be) Laatste wijziging: 06-10-1999


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie