Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Redes uitgesproken bij opening Academisch Jaar Utrecht

Datum nieuwsfeit: 02-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Universiteit van Utrecht


2 september 1999

Redes, uitgesproken tijdens de opening van het Academisch Jaar Universiteit Utrecht, 30 augustus 1999

Rede W. Kok Rede prof. dr L. Soete Rede drs. J. Veldhuis

Rede uitgesproken door Drs. J.G.F. Veldhuis, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, bij de opening van het Academisch jaar op maandag 30 augustus 1999.

Dames en heren, u allen hartelijk welkom.

Een bijzonder woord van welkom


-voor alle studenten: vooral voor hen openen we een nieuw academisch jaar;


-voor alle hoogleraren en docenten, en overig personeel: vooral van u zullen de studenten het moeten hebben.

Ook in het afgelopen jaar verloor onze universiteit dierbare personeelsleden en studenten door de dood. Zij ontvielen ons dikwijls, terwijl ze zich midden in hun werk of studie bevonden. Ik verzoek u hen in dankbaarheid te gedenken met een minuut stilte.

Dames en heren, een bijzonder woord van welkom ook


- voor alle vertegenwoordigers van overheidsinstanties en overige maatschappelijke organisaties, zeer in het bijzonder voor onze minister-president, de heer Kok, èn voor de nieuwe burgemeester van Utrecht, mevrouw Brouwer-Korf;


- voor de vertegenwoordigers van ons universitair Medisch Centrum Utrecht,


- en voor de vertegenwoordigers van de diverse Hogescholen in Utrecht, onze collegae in het hoger onderwijs in de regio


- en vanzelfsprekend voor prof. Soete, de laatste spreker van vanmiddag.

Dames en heren!

Begint de waardering van de overheid voor het hoger onderwijs in het algemeen en voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in het bijzonder te kenteren? Komt er een eind aan de langdurende en onrustbarende daling van de investeringen in dit onderdeel van de productiefactor kennis? Een daling, die voor het wetenschappelijk onderwijs in 1974 begon en voor het onderzoek in de jaren '80, en die sindsdien onafgebroken doorging?

Het tweede kabinet Kok lijkt een eind aan deze daling te maken: na een terechte extra impuls voor het primair onderwijs, nu geen nieuwe bezuinigingen in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, en zelfs een kleine extra investering. Bravo. Dit geldt ook voor de ICES-KIS-investeringen

Maar ik zeg `lijkt'! Dit kabinet zit immers pas een jaar. Als het een trendbreuk is, mag dit kabinet wat ons betreft een volle vier jaar blijven zitten. Ik zeg ook `lijkt', omdat de economische omstandigheden niet ongunstig zijn, op zijn zachtst gezegd.

Belangrijk is ook de niet-materiële waardering. Eindelijk geeft onze overheid blijk van een reële waardering voor ons wetenschappelijk bedrijf. Het onlangs verschenen wetenschapsbudget 2000 met het motto `Wie oogsten wil, moet zaaien' bevat:

o een goede aanduiding van de uitstekende prestaties en van het hoge internationale aanzien van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek;

o een openhartige becijfering van de daling van de investeringen in Research and Development in Nederland, zowel publiek als privaat;

o een ferme bevestiging van de verantwoordelijkheid van de overheid voor het

wetenschappelijk onderzoek, in het bijzonder voor het fundamentele onderzoek (dat uit zijn aard grote risico's inhoudt en van lange termijn is);

o de heldere constatering van de noodzaak van de herwaardering van de positie van de

wetenschappelijke onderzoeker.

Opnieuw: Prima!

Maar ook hier een `maar': laten we beseffen dat de uitstekende prestaties en de hoge internationale positie van dit moment te danken zijn aan de investeringen van meer dan 15 jaar geleden... Wie in de komende jaren wil oogsten, moet in de afgelopen periode gezaaid hebben....! En wie over 10 à 15 jaar oogsten wil, moet nu zaaien.

Ook ons wetenschappelijk onderwijs is over een breed terrein van goed, en op de meeste terreinen van hoog niveau. Wellicht wordt hierover ook duidelijke taal gesproken in het HOOP, dat in september a.s. verschijnt.

Er zijn derhalve redenen voor tevredenheid en erkentelijkheid jegens de overheid en minder reden voor kritische woorden, zo gebruikelijk bij opening van het academisch jaar.

Zeker, voorzichtig en voorlopig, maar toch.

De trendbreuk is terecht als waardering voor de prestaties van onze wetenschappers, en ook omdat ons land dit nodig heeft. Het is in vele toonaarden betoogd: kennis is de belangrijkste productiefactor voor onze welvaart en ons welzijn. We hebben kennis meer dan ooit nodig, nu en zeker in het derde millennium met zijn wereldomspannende economie: we hebben nog meer hoogopgeleiden nodig; grensverleggend onderzoek is de sleutel voor verdergaande innovatie. En deze kennis en de dragers ervan dienen van hoge kwaliteit te zijn, omwille van de kwaliteit van onze samenleving. Vele deskundigen van uiteenlopende pluimage hebben het beargumenteerd.

En, dames en heren, wat is nu mooier dan dat onze eigen minister-president dit zelf nog eens komt toelichten? Bij de laatste opening van een academisch jaar vòòr 2000! Wij zijn hem dankbaar dat hij vandaag hier is. Hier, aan de universiteit, die bij de laatste Elsevier-enquête door de hoogleraren als de beste universiteit van Nederland werd aangewezen.

Hij zal ook zijn voorwaarden stellen. ... we zijn benieuwd.

Dames en heren, vandaag kondigen wij ook de nieuwe opleiding Economie in Utrecht aan. Met ingang van 1 september 2000 start hier een volledige opleiding Economie. Formeel genaamd: Domeingerichte Economie. Gaarne kort uw aandacht voor aanleiding, voorbereiding en opzet.

Er is een duidelijk verband met het thema van de minister-president. Als er één wetenschap is, die de laatste 50 jaar onze welvaart en ons welzijn, en daarmee de kwaliteit van onze samenleving heeft beïnvloed, is het de wetenschap der economie wel.

Hoewel nog betwist zijn er veel aanwijzingen dat de ongekend langdurige en krachtige economische groei in de wereld - zonder diepgaande crises nu reeds ruim 50 jaar durend - sterk door de economische wetenschap is bevorderd en beheerst. De economie is als wetenschap dan ook terecht opgenomen in het spectrum der erkende wetenschappelijke disciplines. In 1969 is een Nobelprijs voor Economie in het leven geroepen. Één van de twee eerste winnaars was een Nederlander: Jan Tinbergen, als fysicus opgeleid en door de Grote Depressie van de jaren dertig (Plan van de Arbeid) gebracht tot het toepassen van wiskundige en natuurwetenschappelijke modellen in de economie. Hij legde voortdurend het verband tussen economische theorie-vorming en maatschappelijke ontwikkelingen, omdat hij de opvatting had dat economen daarbij een taak hebben.

Economen en economisch geschoolden rukken dan ook al decennia lang op in bedrijfsleven en in openbaar bestuur: zij bevolken niet alleen banken en verzekeringsmaatschappijen, maar ook klassieke industriële ondernemingen en de bestuursapparaten van nationale staten en van de Europese Unie. En ze gaan deze in toenemende mate ook leiden. Bij de universiteiten nog wat minder, maar of dit juist is..? Economische studierichtingen genieten al vele jaren grote belangstelling van a.s. studenten. Er is - door sommigen - wel eens beweerd dat dit een hype, een voorbijgaand verschijnsel zou zijn. Maar het duurt al bijna twintig jaar.

Het besturen, het huishouden van een staat en van een maatschappij, van een bedrijf en van een organisatie is ook te belangrijk om dit niet op een beproefd wetenschappelijke manier te laten verrichten. Economisch geschoolden oefenen hier niet alleen specialistische functies uit, maar nemen in toenemende mate ook de bestuurlijke en algemene beleidsfuncties over, die in Nederland traditioneel - samenhangend met de standenstaat en het karakter van de juridische opleiding - bijna overwegend door algemene juristen werden vervuld.

Terecht is onlangs ook in het voortgezet onderwijs economie een nog belangrijker vak geworden, met zelfs een specifiek profiel: `Economie en Maatschappij'. Alleen dit al zal voortgezette belangstelling van studenten bevorderen.

Ook in vele andere wetenschappelijke disciplines is kennis van economie onmisbaar geworden:
- in de overige maatschappijwetenschappen: sociologie, antropologie, sociale en fysische geografie, planologie;
- in de rechtsgeleerdheid: reeds in de vorige eeuw onderkend, maar inmiddels niet meer beperkt tot de staathuishoudkunde; en inmiddels meer dan actueel en

relevant (EU, maar ook Oost-Europa en Z.O. Azië);


- in diverse geesteswetenschappen: geschiedenis, kunstgeschiedenis, en zelfs soms letteren in strikte zin;
- en inmiddels ook voor de natuur- en technologische wetenschappen, alsmede de levenswetenschappen.

Utrecht heeft - als een klassieke, algemene universiteit - bijna al deze wetenschappen in huis.

Een algemene universiteit kan anno 2000 niet meer zonder een stevige afdeling economie, omwille van de beoefening van de economie zelf, en omwille van de beïnvloeding van hieruit van de overige disciplines. Daarom: beter laat dan nooit.

Dames en heren, waarom heeft het zo lang geduurd alvorens Utrecht een volledige economie-opleiding kreeg? Voor het opzetten en ontwikkelen van een economie-opleiding in Utrecht was en is een blik in het verleden nuttig en leerzaam.2)

`In times of rapid changes it becomes important to have a vision of the future but only those with some knowledge of the past can have a vision of the future, stond dit voorjaar in de European Review' 3)

Economie: OIKOS en NOMOS, de wet, de regels van het huis, van het huishouden; van het huis van de staat: staathuishoudkunde, of van het bedrijf: bedrijfshuishoudkunde.

Economie als onderwijsvak en onderzoeksrichting kwam laat tot ontwikkeling, in de moderne wereld in het algemeen en in Nederland in het bijzonder.

Er zijn twee hoofdsporen van deze ontwikkeling:
* de staathuishoudkunde (en statistiek) binnen de faculteiten Rechtsgeleerdheid vooral sinds het begin van de 19e eeuw, en
* de handelswetenschappen, die een veel langzamere ontwikkeling doormaakten.

Voor deze vertraging waren vooral weer twee factoren van belang:


1- handel en industrie werden niet als objecten van `echte wetenschap' gezien;

2- handel en industrie waren ook geen passende bezigheid voor `de geleerde stand',
laat staan voor adel en patriciaat; het huishouden van de staat was dit uiteraard wel.

Over deze factoren in het kort het volgende.

Aan de meeste universiteiten, en zeker in Nederland, werden tot het midden van de 19e eeuw in de traditionele wetenschappelijke disciplines onderwijs gegeven: de theologie, de rechten en de geneeskunde. Ook in onze universiteit: de eerste drie banen in onze vlag. Zij werden gesteund door de moeder der wetenschappen, de wijsbegeerte. Het onderwijs in de drie eerstgenoemde vakgebieden diende als opleiding tot de geleerde beroepen: dominee, jurist, arts. Het waren alle geesteswetenschappen, ook de geneeskunde, die nog nauwelijks een natuurwetenschappelijke inhoud hadden. Pas vanaf ca.
1850 kwamen de natuurwetenschappen, met name fysica en scheikunde - de vierde baan in onze vlag - en de toepassing ervan voor landbouw, industrie en gezondheid, binnen de universiteit tot ontwikkeling. Hierna emancipeerden zich de letteren (en de wijsbegeerte): de vijfde baan. De sociale wetenschappen moesten wachten tot na het midden van deze eeuw: de zevende baan. En de zesde? Hebt u even geduld.

De tweede vertragende factor vloeide voort uit het standsdenken in de
18e en 19e eeuw: de elite (adel, patriciaat èn geleerde stand), de burgerij (soms nog weer onderscheiden in de hogere en de talrijke burgerij) en het volk (de grote meerderheid van lagere ambachtslieden en arbeiders in de stad, en de boerenbevolking). Hoger onderwijs was alleen nodig voor de elite, die hiertoe de Latijnse school en/of vanaf
1838 het gymnasium volgde. Dit werd tot het hoger onderwijs gerekend. Alle andere vormen van onderwijs behoorden tot het lager onderwijs, ook de typen die we nu toe tot het voortgezet of middelbaar onderwijs zouden rekenen. Dit waren er overigens slechts enkele. Ze hadden dan het karakter van voortgezet lager onderwijs: ter betere voorbereiding op beroepen in nijverheid en handel. De beroepsopleiding zelf diende in de praktijk plaats te vinden.

Opmerkelijke uitzonderingen waren de in 1842 in Delft opgericht `Koninklijke Akademie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs', de eerste polytechnische school in Nederland, en de door de Amsterdamse arts S. Sarphati opgerichte `Inrichting voor Onderwijs in Koophandel en Nijverheid'. De eerste werd door de overheid bekostigd en werd een succes, de tweede bleef particulier en leidde een moeizaam bestaan.

Middelbaar onderwijs in de moderne zin werd pas in 1863 geregeld, door Thorbecke. Deze op diverse punten zo vooruitstrevende staatsman was hier echter nog steeds de verdediger van de standenstaat. Het gymnasium werd niet in de wet op het Middelbaar Onderwijs opgenomen, maar bleef onderdeel van het hoger onderwijs. Het bleef de enige toegangsweg tot de universiteit, ter vorming van de elite, die de (geestelijke) leiding in de maatschappij moest geven. Voor de "talrijke burgerij die voorbereid moest worden om te werken in de `nijvere' maatschappij" werden drie schoolsoorten in het leven geroepen:

1. de tweejarige burgerschool, bestemd voor de toekomstige ambachtsman en (kleine) landbouwer;

2. de drie- en vijfjarige hogere burgerschool, HBS en
3. als voortzetting van de Akademie in Delft, de Polytechnische School aldaar, aansluitend op de vijfjarige HBS en bestemd voor toekomstige industriëlen en ingenieurs.

Dankzij ingrijpen van de Kamer werd bovendien de Middelbare School voor meisjes (MMS) gecreëerd, een opleiding van meisjes `uit de meer gegoede en burgerklasse'.

Voor de ontwikkeling van de hogere vormen van voortgezet onderwijs en van het hoger onderwijs zijn de drie laatste schoolvormen van belang. Ik beperk me in deze toespraak tot de vijfjarige HBS, omdat deze relevant is voor het onderwerp van vandaag.

Thorbecke's bedoeling was de HBS eindonderwijs te laten zijn: `een algemene voorbereiding tot een grote verscheidenheid van maatschappelijke betrekkingen - in handel, koopvaardij, bankwezen, industrie e.d.', `niet een voorbereiding op het hoger onderwijs'. Maar deze bedoeling werd niet gerealiseerd. Steeds meer werd de vijfjarige HBS een vooropleiding voor hoger onderwijs, niet alleen, zoals geïndiceerd, voor de Polytechnische School Delft (die overigens tot
1905 in een middelbare onderwijsvorm bleef), maar langzaam, maar zeker ook voor de universiteit, en wel voor de faculteiten geneeskunde en de sterk groeiende faculteiten wis- en natuurkunde. Aanvankelijk via aanvullende examens in de klassieke talen en later meer en meer via vrijstellingen, totdat in 1917 via wetswijziging directe toelating mogelijk werd. Deze HBS heeft een enorme bijdrage aan de emancipatie van de burgerij geleverd èn aan de ontwikkeling van de natuur- en menswetenschappen. Met de groeiende soepelheid van de toelating van HBS-gediplomeerden konden steeds meer getalenteerde `homines novi' worden toegelaten. De grote meerderheid van de veertien Nederlandse Nobelprijswinnaars hadden een HBS-opleiding, waaronder de met Utrecht verbonden Van 't Hoff (1901), Enthoven (1924), Eijkman (1929) en Debije (1936). Bloembergen (1971) en Koopmans (1975) doorliepen het gymnasium. De designate Nobelprijswinnaar Rudolph Magnus (1927) was in Duitsland opgeleid.

Hand in hand hiermee werden industrie en landbouw bevorderd, onder meer tot uitdrukking komend in de oprichting van aparte hogescholen voor techniek, landbouw en handel - naast de klassieke universiteiten
- voor de (hogere) burgerij als vervolgopleiding voor de HBS: de Technische Hogeschool in Delft (1905) als voortzetting van de Polytechnische School, de Landbouwhogeschool in Wageningen (1918) en de Veeartsenijkundige Hogeschool in Utrecht. Dat deze laatste hogeschool in 1925 in een klassieke universiteit werd opgenomen - in Utrecht als zesde faculteit: de zesde, paarse baan in onze vlag - , mag een klein wonder worden genoemd, Het ging ook niet zonder slag of stoot, maar het heeft de universiteit en de faculteit Diergeneeskunde tot voordeel gestrekt.

De handel en de handelswetenschappen bleven in deze ontwikkelingen aanvankelijk het meest achter. Hoewel in de laatste twee jaren van de vijfjarige HBS handelsrekenen, boekhouden en handelscorrespondentie expliciet als vakken werden opgenomen, betekende dit nog weinig: niet meer dan ca. 5 % van de lestijd. Er waren ook geen vakdocenten, en opleidingen voor hen werden niet gecreëerd. Er werd veel geklaagd over het ontbreken van handelsonderwijs door het invloedrijke kamerlid D. Bos en de Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Er werd getwist over de aard van het handelsonderwijs: algemeen vormend of beroepsonderwijs? De sociale herkomst van de belangstellenden voor het handelsonderwijs (lagere burgerstand) leidde tot een voorkeur voor avondonderwijs, waardoor dagonderwijs moeilijk van de grond kwam.

In 1899 werd de Nationale Vereniging voor Handelsonderwijs opgericht. Zij stimuleerde de oprichting van diverse handelsdagscholen, verspreid over het gehele land. Zij stond ook aan de wieg van de Nederlandse Handelshogeschool in Rotterdam (1913), een particulier initiatief. Een bijzondere stimulans voor de handelswetenschappen was de komst in 1923 van de vijfjarige HBS-A, die veel economische vakken in haar pakket had. Toen de HBS-A in de jaren dertig bovendien studierechten voor universiteit en hogeschool verwierf, betekende dit enerzijds de nekslag voor de handelsdagscholen, maar anderzijds de emancipatie van de handelswetenschappen. De NHH in Rotterdam groeide, en ook de in
1927 in Tilburg opgerichte R.K. Handelshogeschool.

Ook op het terrein van de handel dus aparte hogescholen, voor de hogere burgerij. Ter uitoefening van beroepen in techniek, landbouw en ook handel. Dit apart houden van de hogescholen heeft een scheiding in ons universitaire stelsel bewerkstelligd die in vele opzichten grote nadelen met zich mee heeft gebracht, en nog brengt (bèta-problematiek).

De klassieke universiteiten waren inmiddels echter alert geworden, zeker op het terrein van de handelswetenschappen. Althans sommige. Amsterdam verstond de tekenen van de tijd het beste. In 1876 was het gemeentelijk Atheneum tot Gemeentelijke Universiteit bevorderd. Deze GUA richtte in 1922 de faculteit der Handelswetenschappen op, deels als een universitair wetenschappelijk afzetten tegen de vakgerichte hogeschool in Rotterdam. In 1935 werd deze faculteit herdoopt tot faculteit der Economische Wetenschappen.

Het nuchtere Noorden volgde onmiddellijk na de tweede Wereldoorlog. In
1948 de Rijksuniversiteit Groningen: een faculteit der Economische Wetenschappen. Tegelijkertijd ook aan de VU een faculteit der Economische en Sociale Wetenschappen.

Waarom niet in Leiden en Utrecht? Waarom niet na de Eerste Wereldoorlog zoals in Amsterdam? En waarom niet na de Tweede Wereldoorlog, tegelijk met Groningen en de VU? Vragen waarop we nog onvoldoende het antwoord weten. Het ontbreken van Utrecht in deze rij zal daarom speciale aandacht krijgen in het project `Geschiedenis van de Universiteit Utrecht', een project waartoe onlangs is besloten, en dat in de lustrumjaren 2001 en 2006 (en 2011) resultaten zal opleveren.

Een hypothese is dat Utrecht en Leiden te deftig waren, te conservatief. Te gebonden aan adel, patriciaat en geleerde stand? En hadden ze de opleiding, en de erbij behorende instroom ook minder nodig?

In de eerste helft van de jaren '60, het begin van de groei der studentenaantallen, zijn zowel in Leiden als in Utrecht nog wel pogingen gedaan, maar deze hebben tot niets geleid. Ook gaat het verhaal dat in de jaren '70 in Utrecht opnieuw druk is uitgeoefend om tot een economie-opleiding te komen, maar de toenmalige rector Groenman zou tegen zijn geweest omdat hij teveel concurrentie voor de Sociale Wetenschappen zou vrezen. Tot nu toe is er geen bewijs te vinden voor de juistheid van het verhaal. Interessant is ook de positie van Rechtsgeleerdheid, die waarschijnlijk ook concurrentie had te duchten.

In Utrecht dook het idee weer op aan het einde van de jaren tachtig, toen hand in hand met het project `Bestuurlijke Vernieuwing' (1987-1991) het strategisch plan `RUU 2001' werd opgesteld. Dit voorzag onder meer in een projectteam Economie o.l.v. prof.dr. A. Koers. Op basis van de voorstellen van dit team werden vier opleidingen gecreëerd op het grensvlak van economie en vier andere wetenschappen:

* recht en economie in bedrijf en maatschappij,
* internationale economie en economische geografie,
* sociale en institutionele economie, en

* economische en historische studies.

Deze bi-disciplinaire opleidingen, die grotendeels bovenbouwstudies waren, werden in 1993/1994 in het CROHO opgenomen in de sector Economie, en hadden een gevarieerd succes.

Een interne evaluatie na enkele jaren leidde tot de aanbeveling deze opleidingen te voorzien van één propedeuse Economie, en tot de aanbeveling een volledige, 'mono-disciplinaire' economie-opleiding in het leven te roepen met behoud van de bestaande bi-disciplinaire opleidingen. In 1997 hebben dekanen en college aan een nieuw opleidingsbestuur de opdracht gegeven hiervoor voorstellen te ontwikkelen.

Tegelijkertijd werd er op nationaal niveau gewerkt aan een herordening van het totale opleidingenaanbod van de universiteiten. Ingevolge een afspraak tussen de minister en de universiteiten in het HOOP-96 zou het aanbod overzichtelijker en transparanter gemaakt worden met als centrale opgave een reductie van het aantal opleidingen. Dit om meer duidelijkheid te scheppen voor de aankomende studenten en hun ouders, en voor de werkgevers. Na veel studie en overleg viel in 1998 de beslissing. Het aantal opleidingen werd meer dan gehalveerd, en teruggebracht van 272 naar 131. In Utrecht werden onder meer de vier genoemde opleidingen met economie samengevoegd tot één opleiding in de sector Economie: `Domeingerichte Economie'. Een volledige opleiding in de economie. Hierin past nu de specifieke Utrechtse economie-opleiding. De basis- en kernvakken zijn - naast de onmisbare steunvakken als wiskunde en statistiek - alle economische vakken. Utrecht streeft er echter niet naar alle specialisaties en superspecialisaties in de economische wetenschap in huis te halen, maar wil economen scholen, die in brede en belangrijke probleemgebieden in de maatschappij inzetbaar zijn: economisch- juridisch institutionalisering, de ruimtelijke ordening, sociale ordening, en historisch-economische processen. Na de propedeuse `Economie en Maatschappij' kan daarom een keuze gemaakt worden uit vier doctoraal specialisaties. De 'hoofdvakken' zijn steeds economisch van aard - men wordt drs. in de economie -, maar ze worden interdisciplinair gecombineerd met 'bijvakken' in


- Recht


- Geografie


- Sociale Wetenschappen


- Geschiedenis

De opzet en inrichting van deze opleiding worden geïnspireerd door de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Er is een groeiende vraag naar personen, die zijn opgeleid in méér dan een vakgebied. Dit geldt zeker voor brede terreinen in de maatschappij waar economische kennis en inzicht van belang zijn, maar tevens kennis en inzicht op verwante terreinen. Dit sluit aan bij nieuwe economische opvattingen. Ik doel hierbij vooral op de moderne economische opvatting dat voor het economisch proces instituties, tijd en ruimte - kortom: het maatschappelijk kader - veel belangrijker zijn dan tot voor kort werd aangenomen. Het gaat hierbij vooral om de institutionele inkadering van economische processen, de werking van markten, de betekenis van efficiente organisaties en de invloed van de technologie voor de productiviteit, en dit steeds in qua tijd en ruimte verschillende situaties. Geleerden van naam gaven de stoot tot deze nieuwe `institutionele economie'. Krugman: de invloed van geografie; Williamson en North: de invloed van juridische en sociale instituties; en David: de invloed van de tijd 5). Een sterke internationale context is bij deze opleiding vanzelfsprekend onontbeerlijk.

Nog diverse ander factoren en ontwikkelingen zijn van invloed. Een deskundige bij uitstek, prof.dr. Luc Soete uit Maastricht, zal hierover een korte uiteenzetting geven.

Een bijzondere omstandigheid bij de opzet van deze opleiding economie is dat de inmiddels in Utrecht opgezette waaiers in de natuur-, levens-, maatschappij- en geesteswetenschappen maken dat we ook `klaar' zijn om opleidingen in deze clusters te combineren met economie. Deze waaiers zijn een andere, recente innovatie aan onze universiteit, waarvoor we tot ons genoegen veel steun van EZ en OCW hebben gekregen, en die in het afgelopen voorjaar via het bèta-convenant, dat tussen de minister en de universiteiten is gesloten, door de overheid zijn goedgekeurd. Deze waaiers kennen drie profielen. Eén is gericht op een vervolgcarrière als specialist in het wetenschappelijk onderzoek (P-profiel), een tweede op carrières in educatie en communicatie (C + E-profiel), en een derde is het M-profiel, een Maatschappij- georiënteerd profiel, waarin de gekozen basisdiscipline - of het nu natuurkunde, biologie, sociologie, antropologie of algemene letteren is - wordt gecombineerd met maatschappijvakken als economie!

Dames en heren, er moet nog veel inspanning worden verricht - eerst in het onderwijs en vervolgens in het onderzoek - om de opleiding tot een volledig succes te maken. Maar de voorwaarden hiervoor zijn aanwezig. De voorbereidingen o.l.v. prof. dr. Jan Lambooy zijn nu zo ver gevorderd dat we over een jaar kunnen starten met een volledige propedeuse. En de voorbereidingen voor de doctoraal opleiding erna zijn reeds nu in volle gang.

Velen verdienen lof voor hun inspanningen: de decanen en de betrokken hoogleraren en stafleden van de deelnemende faculteiten, alsmede de ondersteunende staf, op facultair en centraal niveau. Ook de studenten, sinds 1992 verenigd in de zeer actieve vereniging ECU '92, verdienen lof en dank voor hun creatieve stimulering. Dankzij hen allen kan per 1 september 2000 in Utrecht een volledige opleiding Economie beginnen.

Dames en heren, einde inleiding. Volgaarne geef ik het woord aan onze minister-president, en vervolgens, na de muziek, aan prof. dr. Luc Soete.

Ik dank u voor uw aandacht.

top.gif (361 bytes)

Rede uitgesproken door Minister-President Wim Kok, bij de opening van het academisch jaar van de Universiteit Utrecht op maandag 30 augustus
1999.

Dames en heren,

Inleiding

Het is mij een voorrecht en een genoegen tegelijk om tijdens deze openingszitting van het academisch jaar 1999-2000 van de Universiteit Utrecht het woord tot u te mogen richten.

Naar internationale maatstaven is Nederland een welvarend land. Een land waarin de werkloosheid de afgelopen jaren opvallend sterk is teruggelopen en waarin steeds meer mensen erin slagen op de arbeidsmarkt een plaats te vinden.

Deze constatering vormt geen reden voor zelfgenoegzaamheid. Eerder is bescheidenheid gepast.

Immers, het is mede de vrucht van de ambities en inspanningen van eerdere generaties.

Op de drempel van het nieuwe millennium dienen wij ons rekenschap te geven van de ambities die wij nu moeten koesteren om de kwaliteit en de vitaliteit van onze samenleving in de toekomst verder te verbeteren. Verschuivingen in het politieke en economische wereldbestel, technologische vernieuwingen en demografische bewegingen ook, stellen ons voor nieuwe vragen waarop nieuwe antwoorden moeten worden gegeven.

Wij hebben die antwoorden nodig om waarden, die in onze samenleving van oudsher grote betekenis hebben, te kunnen veiligstellen. Ik denk aan sociale samenhang en maatschappelijke stabiliteit en aan het verzekeren van perspectief voor alle burgers.

Wij hebben die antwoorden evenzeer nodig om aan nieuwe uitdagingen
- ik noem de noodzaak van een duurzamer economie, de inpassing van de mobiliteit, de toenemende ruimtedruk en het herstel van de sociaal-economische spankracht van onze grote steden - beter het hoofd te kunnen bieden.

Nederland moet, kortom, voor alle burgers die van onze samenleving deel uitmaken een aantrekkelijk land zijn en blijven om in te wonen en te leven, een uitdagend land ook om in te werken en te studeren.

De combinatie van uitdagingen en ambities vergt inspanningen op tal van fronten. Het staat voor mij vast dat bij het vinden van nieuwe antwoorden op nieuwe vragen onze universiteiten en overige wetenschappelijke instellingen een grote rol kunnen en moeten spelen. Het gaat daarbij om het verwerven van nieuwe fundamentele inzichten, om het toepassingsgericht maken van kennis, om het vinden van de 'nieuwe combinaties' waarover de bekende Oostenrijks-Amerikaanse econoom Schumpeter in de eerste helft van deze eeuw al sprak.

In economisch-technologisch opzicht is het interessant eens een vergelijking te trekken met de jaren vijftig en zestig. In die periode kwamen veel nieuwe basistechnologieën beschikbaar.

Dat is ook nu het geval. Ik denk aan de informatie- en communicatietechnologie, waarvan we overigens nog lang niet het volledige potentieel zien, maar ook aan ontwikkelingen in bijvoorbeeld de biotechnologie.

Om nieuwe basistechnologieën toe te passen, werd in de jaren vijftig en zestig veel geïnvesteerd, met een snelle productie- en werkgelegenheidsgroei als gevolg. In de huidige periode staan we opnieuw voor de noodzaak van forse investeringen.

Springend verschil is echter dat het nu allang niet meer gaat om alleen investeringen in materiële activa, in fysiek kapitaal, maar meer en meer ook om immateriële investeringen, in kennis en kennisdragers. Naast kennis op het gebied van de zogenoemde 'harde' technologieën heeft onze samenleving bovendien een toenemende behoefte aan kennis van cultuur, van communicatie, van maatschappelijke en sociale processen, kennis over wat mensen beweegt.

Dit alles vraagt om breed en kwalitatief hoogwaardig onderzoek en onderwijs. Op beide terreinen spelen de universiteiten een rol van grote betekenis. Een ambitieuze samenleving vraagt om ambitieuze universiteiten.

Graag wil ik vandaag op zowel het onderzoek als het onderwijs in Nederland wat nader ingaan.

Niet alleen voor zover het uw aandeel als universiteiten daarin betreft, maar ook bezien in het bredere kader van de Nederlandse kennisinfrastructuur.

Onderzoek

Nederland beschikt internationaal bezien over een kwalitatief hoogstaand netwerk van publiek onderzoek. Daar mogen we gerust een beetje trots op zijn. Ons onderzoeksbestel kenmerkt zich door een sterke internationale gerichtheid, een intensieve samenwerking met de particuliere sector en een vrij grote maatschappelijke oriëntatie.

De resultaten van het onderzoek dat in ons land wordt verricht kunnen zich in menig opzicht goed meten met de prestaties in andere landen. In verschillende disciplines - ik noem geo-wetenschappen, fysica en chemie, diergeneeskunde, landbouwtechnologie - mag Nederland zich zelfs rekenen tot de wereldtop.

Afgaand op het aantal malen dat wetenschappelijke artikelen door binnen- en buitenlandse wetenschappers worden geciteerd, behoren enkele Nederlandse universiteiten tot de beste tien van Europa. Uw eigen universiteit is daar één van.

In de afgelopen tien tot vijftien jaar zijn de onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen van zowel de publieke onderzoeksinstellingen als van het bedrijfsleven onmiskenbaar van inhoud en karakter veranderd. Zo hadden RenD-afdelingen van grote ondernemingen lange tijd een ruime mate van autonomie bij de inrichting van hun onderzoek, waardoor zij ook aan fundamenteel onderzoek konden doen dat niet onmiddellijk bedrijfseconomische resultaten behoefde af te werpen.

Tegenwoordig daarentegen staan de private onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen vanaf het begin veel meer in functie van de productie- en marketingactiviteiten. Zodoende is het accent relatief meer komen te liggen op de ontwikkelingskant en minder op het langere termijn onderzoek.

Binnen het publieke onderzoeksbestel heeft zich een vergelijkbare ontwikkeling voorgedaan.

Buiten de universiteiten - en de daarmee veelal nauw verbonden instituten van KNAW en NWO - wordt tegenwoordig nog maar nauwelijks fundamenteel onderzoek verricht. Voor die belangrijke taak zijn we nu dus overwegend op de universitaire wereld aangewezen.

Een belangrijke taak zei ik, want vernieuwend, grensverleggend onderzoek vormt vaak de noodzakelijke basis voor toepassingsgerichte innovaties. En bovendien creëert dit type onderzoek een klimaat van gezonde wetenschappelijke wedijver en creativiteit. Het trekt veelbelovende jonge wetenschappers en studenten aan.

Natuurlijk zijn er aan fundamenteel onderzoek per definitie grotere onzekerheden verbonden en natuurlijk kan het soms wel eens wat langer duren voordat nieuwe wetenschappelijke inzichten tot praktische toepassingen leiden. Inderdaad, fundamenteel onderzoek heeft alle kenmerken van een investering voor de lange, soms zelfs zeer lange termijn. Een investering in kennis èn in mensen.

Zoals bij iedere lange termijn investering moeten wij ook bij het fundamenteel onderzoek niet de vergissing maken de betekenis ervan te onderschatten. Wij hebben nu eenmaal de neiging het laaghangende fruit snel te willen plukken en de zorg voor de vruchtdragende boom ietwat van ons af te zetten. Het gebeurt in de marktsector, en het komt ook in de publieke sfeer wel voor, dat de klemmende eisen van alledag de zorg voor morgen en overmorgen in de schaduw plaatsen.

Het zou echter zeer ongewenst zijn wanneer het wetenschappelijk klimaat in Nederland als het ware zou verdorren door een gebrek aan aandacht voor de betekenis van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.

Vanuit deze overweging is in het recente Wetenschapsbudget 2000 de zogeheten vernieuwingsimpuls aangekondigd. Een impuls die voortbouwt op een initiatief van de voorzitters van KNAW, NWO en VSNU, eerder dit jaar genomen. Een goede illustratie van de publieke verantwoordelijkheid waarvan de universitaire wereld zich zozeer bewust is.

Ten behoeve van de kwaliteit van onze samenleving is er behoefte aan gericht onderzoek voor de oplossing van klemmende vraagstukken voor de middellange en lange termijn. Dat is de achtergrond van de zogenoemde investeringsimpuls voor de kennisinfrastructuur, waarvoor tot het jaar
2002 in het overheidsbudget een bedrag van 465 miljoen gulden beschikbaar zal komen. De hoofdthema's van deze investeringsimpuls sluiten aan bij de belangrijke beleidsambities van dit moment.

Ik noem duurzame productie- en werkgelegenheidsgroei, betere bereikbaarheid, meer ruimtelijke kwaliteit en een grotere vitaliteit van onze steden. Verschillende veelbelovende projecten hebben al het groene licht gekregen. Stuk voor stuk gaat het hier om projecten waarbij de overheid, publieke kennisinstellingen en het bedrijfsleven de handen ineenslaan om samen te zoeken naar oplossingen voor strategische vraagstukken op de langere termijn.

Onderwijs

Dames en heren,

De moderne economie en onze samenleving in haar geheel stellen niet alleen hoge eisen aan onze inspanningen op het gebied van onderzoek, maar ook aan die op het brede onderwijsterrein.

Gelukkig kunnen we in Nederland beschikken over een uitgebreid en kwalitatief hoogwaardig onderwijsbestel.

In internationale kwaliteitsvergelijkingen scoren we in de regel goed tot zeer goed. Het feit dat de Nederlandse onderwijsuitgaven in relatie tot ons nationaal inkomen in internationaal perspectief niet op ieder onderdeel tot de allerhoogste behoren, illustreert - gerelateerd aan de hoge kwaliteit waarover ik sprak - dat de beschikbare middelen doeltreffend worden ingezet en besteed.

Onze samenleving heeft daar baat bij en recht op.

De noodzaak om een goed gebruik te maken van de beschikbare middelen betreft niet alleen geldmiddelen. Binnen het onderwijsbestel staan we ook - en vooral - voor de opgave om het in onze samenleving aanwezige potentieel aan kennis, vaardigheden en creativiteit optimaal te benutten.

Onze onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijke taak er naar beste kunnen toe bij te dragen dat de aanwezige talenten tot volle bloei komen. Wat dat betreft moet de lat niet liggen bij kwalitatief goed onderwijs, maar bij naar internationale maatstaven uitstekend onderwijs. Onderwijs dat bovendien qua richting en inhoud optimaal aansluit bij veranderende behoeften op de arbeidsmarkt en in onze maatschappij.

Het feit dat het op delen van de arbeidsmarkt steeds moeilijker wordt om aan geschikt personeel te komen - ook in de rijksdienst is dit merkbaar -, hangt niet uitsluitend samen met de gunstige werkgelegenheidsontwikkeling van de afgelopen jaren. Het probleem ligt dieper.

Het is in hoge mate ook een kennisprobleem. De kennisintensiteit van ondernemingen en van publieke organisaties neemt nu eenmaal snel toe, waardoor private en publieke werkgevers er simpelweg niet aan ontkomen om aan nieuw èn zittend personeel steeds hogere eisen te stellen.

Werknemers moeten heden ten dage niet alleen beschikken over de meest recente kennis, maar bovendien over vaardigheden om zich nieuwe kennis snel eigen te maken.

Mensen met deze kwaliteiten zijn op dit moment binnen sommige segmenten van de arbeidsmarkt niet gemakkelijk te vinden. Zo dreigt er bijvoorbeeld heel concreet een ernstig tekort te ontstaan aan ICT-specialisten. Schattingen laten zien dat de behoefte aan informatici de komende jaren zo groot zal zijn, dat de opleidingen hierin voor minder dan de helft zullen kunnen voorzien.

Deze problematiek - die zich overigens niet alleen op het niveau van het hoger onderwijs voordoet, maar ook in het middelbaar beroepsonderwijs - is mede daarom zo zorgwekkend, omdat de informatie- en communicatietechnologie bij uitstek een sectoroverstijgend karakter heeft. Tekorten op dit vlak kunnen hun weerslag hebben op vrijwel alle economische en maatschappelijke sectoren.

Voor ICT geldt daarom bij uitstek dat we onze maatschappelijke reserves beter zullen moeten aanboren. Verbetering van het imago van ICT-opleidingen en werving van studenten uit groepen die men tot op heden nog weinig in ICT-beroepen aantreft, zoals vrouwen, verdienen daarom onze bijzondere aandacht.

Ook onderwijskundige aanpassingen kunnen een bijdrage leveren, zoals het opnemen van ICT-componenten in andere opleidingen en het verruimen van mogelijkheden om werk en opleiding te combineren.

Een dergelijke brede aanpak vereist de inbreng van meerdere partijen. Om deze bij elkaar te brengen, heeft het kabinet de 'task force ICT-tekorten' ingesteld. Deze task force wordt breed en met enthousiasme gedragen, met deelnemers uit zowel het bedrijfsleven als het onderwijs, waaronder de universiteiten.

Het is voor mens en samenleving van wezenlijk belang dat leerlingen al op jeugdige leeftijd - dat wil zeggen vanaf het basisonderwijs - de mogelijkheid krijgen om met moderne informatie- en communicatiemiddelen te leren omgaan.

Ook - en juist - die leerlingen waarvoor dit in de thuissituatie geen vanzelfsprekendheid is.

Voor ICT in het onderwijs is in het regeerakkoord van vorig jaar veel extra geld uitgetrokken: een investeringsbedrag van 670 miljoen gulden en een jaarlijks exploitatiebudget dat oploopt tot een kwart miljard gulden.

Tekorten en aansluitingsproblemen op de arbeidsmarkt - alsook een ondervertegenwoordiging van vrouwen en minderheden - doen zich trouwens voor bij technische beroepen in het algemeen.

Dit betreft niet alleen hooggeschoolde technici, maar evengoed mensen met een technische beroepsopleiding op een ander niveau. Ook hier zullen we er dus zo snel mogelijk in moeten slagen het onbenutte maatschappelijk potentieel beter te gaan inzetten.

Om het technisch beroepsonderwijs beter te laten aansluiten bij de behoeften op de arbeidsmarkt, zal de samenwerking met het bedrijfsleven verder moeten worden versterkt. Bundeling van voorzieningen in de zogenoemde Technocentra kan daarbij behulpzaam zijn. Voor deze Technocentra is een bedrag van 40 miljoen gulden uitgetrokken. Het betreft hier een stimuleringsregeling, gericht op ondersteuning van initiatieven vanuit de regio's.

Dames en heren,

Ook in kwantitatief opzicht kunnen we nog beter dan nu van het maatschappelijk potentieel gebruik maken. Het nog steeds veel te grote aantal mensen dat gedwongen langs de kant staat wijst hierop.

Een nog steeds te groot aantal, ondanks de voorspoedige werkgelegenheidsontwikkeling van de afgelopen jaren en in weerwil van de vele openstaande vacatures, waaronder ook vacatures waarvoor slechts een bescheiden opleidingsniveau is vereist. Activering van deze zo genoemde stille reserves zou een belangrijke investering in de kwaliteit van de samenleving vertegenwoordigen.

Niet alleen omdat het hebben van betaald werk voor de mensen zelf vaak de beste manier is om voluit deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk leven. Maar ook omdat we alleen bij een actieve arbeidsdeelname van zoveel mogelijk mensen voldoende draagvlak kunnen behouden en creëren voor de voorzieningen die we als samenleving willen bieden aan hen van wie arbeidsdeelname niet - of niet meer - kan worden verlangd. De vergrijzing van onze samenleving, die juist in de eerste decennia van de komende eeuw een hoge vlucht zal gaan nemen, maakt deze noodzaak alleen maar groter.

Activering van de stille reserves op de arbeidsmarkt vereist in het bijzonder dat we het probleem van de voortijdige schooluitval met kracht te lijf gaan. Jongeren die het onderwijs verlaten zonder diploma zijn op de arbeidsmarkt bij voorbaat vrijwel kansloos, met alle gevolgen van dien. De vroegtijdige schoolverlaters van nu zijn niet zelden de maatschappelijke drop-outs van morgen. Dat verlies van menselijk en maatschappelijk kapitaal mogen we zo niet laten voortduren.

Een eerste opgave is daarom te voorkomen dat kinderen al op jonge leeftijd een achterstand oplopen, die veelal niet meer valt in te halen. Gerichte activiteiten in de voorschoolse periode kunnen hierbij van grote waarde zijn. Hetzelfde geldt voor de reeds in gang gezette klassenverkleining in de onderbouw van de basisscholen, die het mogelijk maakt meer aandacht te geven aan individuele leerlingen en beter rekening te houden met ieders mogelijkheden en beperkingen.

Dames en heren,

Het kabinet is vastbesloten om met het voortijdig schoolverlaten de strijd aan te binden. Dat gebeurt door een scherpe handhaving van de leerplicht, door een wettelijke meldingsplicht van voortijdig schoolverlaten en door een verscherping van de controle. Bovendien zal het kabinet tot nieuwe actie overgaan bij knelpunten op achterstandsprojecten in de grootste risicowijken van ons land. Daarvoor wordt volgend jaar extra geld uitgetrokken.

Wederom geldt dat we hier te maken hebben met een maatschappelijk probleem waarvan de oplossing de gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen vereist. Bij uitstek ook van de grote steden, waar dit probleem zich het sterkst manifesteert. Met de grote steden willen wij over dit onderwerp afspraken maken in de vorm van een convenant.

De noodzaak tot investeren in ons menselijk kapitaal loopt niet ten einde op het moment dat leerlingen - en dan bedoel ik: met hun diploma op zak - de schooldeuren achter zich dicht slaan. De snelle technologische en maatschappelijke veranderingen die we overal om ons heen zien, kunnen ertoe leiden dat mensen die op het ene moment nog goed opgeleid zijn, op het andere moment plots niet meer over de juiste kennis en vaardigheden blijken te beschikken. In onze samenleving is een leven lang leren noodzaak geworden. Dat geldt op alle niveaus.

Met name de jongeren van nu moeten erop worden voorbereid dat zij zich hun hele werkzame leven lang - steeds opnieuw - nieuwe kennis en vaardigheden zullen moeten eigen maken. Zij moeten 'emplooibaar' zijn, om hiervoor eens een goed Nederlands woord te gebruiken.

Na de reguliere onderwijsperiode is het up-to-date houden van kennis en vaardigheden primair een verantwoordelijkheid van de betrokkenen
- werkgevers en werknemers - zelf, onder meer via stelselmatige bijscholing en training-on-the-job. Juist zij hebben er immers het meest direct belang bij te voorkomen dat hun menselijk kapitaal door achterstallig onderhoud teloor gaat.

Maar ook van ons onderwijs worden op dit terrein additionele inspanningen verwacht. Zo zal in het voortgezet onderwijs een nadere invulling moeten worden gegeven aan het studiehuis-concept, waarin het zogenoemde 'leren leren' een centrale positie inneemt. Op de universiteiten staat deze filosofie traditioneel al meer centraal, maar aandacht blijft ook van uw kant geboden, zeker gezien de grote aantallen studenten waarmee u tegenwoordig bij sommige studierichtingen te maken hebt.

Ook universitaire kennis veroudert nadat men de bul in ontvangst heeft genomen.

Slot

Dames en heren,

Investeren in de kwaliteit van de samenleving door te investeren in kennis en door het tot bloei brengen van nog onaangesproken potentieel en onbenut talent is een bijzonder breed thema.

Breder dan ik vandaag heb kunnen schetsen. Van vele partijen wordt gevraagd naar vermogen aan deze investeringen bij te dragen, op uiteenlopende wijze en vaak in onderlinge samenwerking.

De actieve medewerking van universiteiten kan daarbij niet worden gemist. Want nogmaals: een ambitieuze samenleving kan niet zonder ambitieuze universiteiten. Ambitieus niet alleen in de zin dat hoogstaand onderzoek en onderwijs wordt verzorgd, maar ook in de zin dat optimaal wordt aangesloten bij de behoeften die in de samenleving leven. De stevige inbedding van de universiteiten in onze samenleving en hun grote betrokkenheid bij maatschappelijke ontwikkelingen, zowel op regionaal als nationaal niveau, stemmen mij wat dat betreft hoopvol.

Het past binnen het bestuurlijk denkraam van het kabinet ten aanzien van het onderwijs- en onderzoeksbestel om aan de eigen betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de onderwijs- en onderzoeksinstellingen zoveel mogelijk de ruimte te geven. Dit vergt een heldere rolverdeling tussen de overheid en de instellingen. Waar de overheid nauwlettend toeziet op kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatige besteding van collectieve middelen, zijn het de instellingen die deze kwaliteit en toegankelijkheid in de dagelijkse praktijk waarmaken.

Dames en heren,

Als instelling voor universitair onderwijs en onderzoek zorgt u voor één van de belangrijkste grondstoffen die we nodig hebben om ons land draaiende te houden en om de kwaliteit van onze samenleving te verbeteren: kennis.

Ik wens u bij de vervulling van deze verantwoordelijke taak ook in het academisch jaar 1999-2000 veel creativiteit, energie en wijsheid toe.

Ik dank u voor uw aandacht.

top.gif (361 bytes)

Rede uitgesproken door prof. dr. Luc Soete, hoogleraar Internationale Economische Betrekkingen, Universiteit Maastricht, bij de opening van het academisch jaar van de Universiteit Utrecht op maandag 30 augustus
1999.

Inleiding

Langzaam maar zeker dringt door dat onze industriële economie in een nieuw economisch tijdperk is beland. Vooral in de Verenigde Staten, waar de industrie deze eeuw zo'n belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van het land tot economisch wereldleider, is deze kentering ongetwijfeld het meest voelbaar en onderwerp van debat tussen academische economen, bedrijfs- en beleidswereld. Zo schreef Paul Krugman in November 1997, in antwoord op de populaire stelling in de bedrijfs- en beleidswereld dat de Verenigde Staten in een `nieuw' economisch tijdperk beland zouden zijn, een opvallend stukje getiteld: `Requiem for the new economy' dat ik straks de nieuwe Utrechtse economie-studenten van harte aanbeveel voor een "post mortem" economische analyse. In dit science fiction stukje anno 2000 beschrijft Krugman hoe door het geloof in de nieuwe economie en het eruit voortvloeiende onzinnige beleid van met name Greenspan en de Clinton- administratie, de Amerikaanse economie in 1998 uiteindelijk in een diepe depressie terecht kwam, Wall Street crashte, Alan Greenspan omwille van onbekwaamheid ontslagen werd, en de democraten uiteindelijk de verkiezingen van 2000 door falend economisch beleid verloren. Ook Bob Solow, Nobelprijswinnaar economie, verwees in een vroeg stadium het fenomeen van de nieuwe economie naar het rijk der fabelen. Ondanks de tegenwind van deze en vele andere academische economen, bleef echter de meer populaire bedrijfspers het fenomeen van de `nieuwe' economie met hand en tand verdedigen. Zo wijdde Business Week vorig jaar in het midden van de Aziatische crisis en de vrees voor een mogelijke wereldrecessie, een volledig nummer aan de opkomst van deze 21ste eeuw economie. Nu, bijna een jaar later, geven ook Krugman en Solow toe dat zij de groeicapaciteit van de `nieuwe economie' onderschat hebben en dat de VS wel degelijk op een hoger, ander groeipad lijkt beland te zijn.

In deze korte uiteenzetting kan ik slechts kort ingaan op enkele van de meest karakteristieke aspecten van deze nieuwe economie. Als bij toeval moge blijken - en als gastspreker uit Maastricht hoop ik dat dit als een enigszins onafhankelijk beeld kan opgevat worden - dat veel van wat onder de hoofding `Domeingerichte Economie' straks aangeboden zal worden in de nieuwe Utrechtse economie-opleiding uitzonderlijk goed past binnen het fenomeen van de nieuwe economie.

Wat is dan de nieuwe economie? Vooral onder economen geldt dat elkeen zo zijn eigen definities heeft. Dit geldt nog meer voor een onderwerp dat zichzelf omschrijft als `nieuw'. Sinds een twintigtal jaren wemelt het trouwens binnen de economie van `nieuw' (`nieuwe' handelstheorie, `nieuwe' groeitheorie, `nieuwe' institutionele economie). In elk van deze gevallen handelt het in wezen niet zozeer om radicaal `nieuwe' inzichten, dan wel om de formalisering van wat vroeger situaties of fenomenen waren die zich eerder als uitzondering lieten beschrijven dan als regel. Veel van de ideeën omtrent de nieuwe economie kunnen dan ook terug gevonden worden bij zowel klassieke als neo-klassieke economen; van Adam Smith tot Alfred Marshall, en uiteraard ook Bob Solow en Paul Krugman. Wat uiteraard echt `nieuw' is, is de invloed van nieuwe informatie- en communicatietechnologie: het steeds goedkoper ter beschikking hebben van informatie; de steeds grotere mogelijkheden van het opslaan en bewerken van informatie en het codifiëren van technologische kennis; en tenslotte van het in reële tijd en wereldwijd communiceren en verhandelen van informatie en gecodifieerde kennis. Historisch gezien vormt ICT vanuit dit opzicht de eerste echt globale technologische ontwikkeling. Maar terug naar de economie.

In wezen beschrijft het fenomeen van de nieuwe economie de tendens in de richting van een economie die niet hoofdzakelijk gebaseerd is op schaarste van productiefactoren of op `rivaliteit' van consumptie waardoor, éénmaal verkocht, een product of dienst opnieuw geproduceerd moet worden. De `nieuwe' economie is in de eerste plaats gebaseerd op immateriële productie en consumptie, gekarakteriseerd in zekere zin door overvloed. Overvloed, bij voorbeeld, aan informatie waarbij het zoeken en selecteren van de juiste of relevante informatie het nieuwe `markt' probleem wordt. Waarbij het uiteindelijk niets uitmaakt in productiekosten of het product aan 100 of 1 miljoen klanten verkocht wordt en waarbij de koper veelal niet precies weet wat hij koopt: een kat in de zak of juist die informatie waar hij zat om te springen.

In de nieuwe economie geldt dus niet zozeer dat oude economische wetmatigheden niet langer zouden opgaan, dan wel dat wat vroeger beschreven werd als uitzondering, een speciaal geval op het basismodel, nu een veel dominantere rol speelt en soms de regel is geworden. Ik beperk mij hier tot vier gebieden van de economie: internationale handel die als het ware aan de wieg stond van de `nieuwe economie'; macro-economie en met name de relatie economische groei en inflatie; micro-economie en de functie van markten en tenslotte arbeidseconomie en de relatie tussen werkgelegenheid en loonvorming.


1. Internationale en lokale specialisatie

Men zou kunnen stellen dat de oorsprong van de `nieuwe economie' in zekere zin teruggebracht moet worden tot het ontstaan van een `nieuwe' handelstheorie in de jaren 80 door economen zoals o.m. Krugman. Deze `nieuwe' inzichten ontstonden in de eerste plaats uit onvrede met bestaande verklaringen voor internationale handelsspecialisatie en hun empirisch falen. Met name de erkenning van het belang van toenemende schaalvoordelen, productdifferentiatie en de mogelijke handelsspecialisatie die hieruit voortvloeit, bood de mogelijkheid een nieuw, veel dynamischer internationaal handelskader te scheppen waarin opnieuw economische geografie en meer dynamische fenomenen van agglomeratie-effecten en positieve spill-overs formeel binnen de (internationale) economie konden worden ondergebracht. Zo kon niet alleen aansluiting gevonden worden met de oude `industrial district' notie van Marshall en de locatietheorie van Weber, maar ook met de vele studies uit de economische geografie die vrij vroeg de regionale en lokale agglomeratievoordelen van clusters van bedrijvigheden rond kenniscentra en universiteiten beklemtoonden.

Het belang dat binnen de nieuwe economie gehecht wordt aan kenniscreatie en -accumulatie en informatie-uitwisseling past uiteraard binnen de erkenning van het belang van toenemende meeropbrengsten en met name dan van zogenaamde `positieve spill-over effecten' in de economische geografie. Wat de nieuwe economie echter scherp naar voren brengt is het cruciale onderscheid tussen kennis en informatie die enerzijds, zoals Marshall reeds aangaf, lokaal `in the air' is en gebaseerd is op de informele en formele contacten en anderzijds gecodifieerde kennis en informatie die zich niet laat inperken door geografische grenzen, maar in zekere zin wereldwijd `in the air' is en of commercieel aangeschaft kan worden of slechts begrepen en in stand gehouden door `communities'. Vanuit dit perspectief roept de nieuwe economie om een nieuw begrijpen van het fenomeen agglomeratie binnen een wereld die zoals Frances Cairncross het omschreef, geconfronteerd wordt met een `death of distance'. Want dat er ook binnen de nieuwe cyberwereld nog steeds locatie- en andere agglomeratievoordelen zijn, bewijst toch wel het blijvend succes van Wall Street of de City, waar tegenwoordig iedereen virtueel langs kan met hulp van zijn eigen PC waar ook ter wereld.

Het is vanuit de economische geografie dat uiteindelijk de nieuwe inzichten geleverd zullen moeten worden die ons kunnen aangeven waarom en hoe in de opkomende globale netwerkeconomie locatievoordelen al dan niet centrale noden kunnen worden of eerder gedoemd zijn te verdwijnen onder druk van het nieuwe, globale cyberspace.


2. Veranderende macro-economische wetmatigheden

Niet alleen de Verenigde Staten kennen momenteel de langstdurende groeiperiode in hun na-oorlogse geschiedenis, ook Nederland kent op dit ogenblik een groeifase die in zijn historische context - en éénmaal gecorrigeerd voor de uitzonderlijke periode van na-oorlogse `inhaalgroei' die gepaard ging met reconstructie - uitzonderlijk is. Ook Nederland kent een opmerkelijke werkgelegenheidsgroei en, ook al moet rekening gehouden worden met een veel lagere arbeidsparticipatie dan in de VS, en een werkloosheidsgraad vergelijkbaar met die in de jaren 60 toen de arbeidsparticipatie nog veel lager was. En ook Nederland kent uiteindelijk weinig inflatiedruk in consumptieprijzen. Zonder enigszins afbreuk te willen doen aan het belang van het gevoerde beleid met name daar waar het werkgelegenheid betreft, denk ik niettemin dat ook hier sprake is van invloed van een `nieuw' groeiproces dat niet tot de gebruikelijke macro-economische spanningen lijkt te leiden.

Eerst en vooral gaat de trend naar een meer kennisintensieve groei, gepaard met een betere benutting van inputs en zelfs met een zekere dematerialisering. Niet alleen zijn er de nieuwe mogelijkheden van steeds betere computers, maar ook de manier waarop nieuwe informatie- en communicatietechnologie toelaat de bestaande infrastructuur beter te benutten. Voegt men daarbij de intrinsieke mogelijkheden om in de immateriële economie zoveel meer te produceren met relatief weinig additionele input, soms zelfs geen, dan komt men al snel tot een vrij logische verklaring waarom zich in deze soort van typische netwerkeconomie minder traditionele prijsfricties voordoen. Denkt U b.v. nog aan de vrij zwartgallige voorspellingen begin dit jaar met betrekking tot toekomstige Nederlandse groei, inflatie en loonvorming. Ook hier werd de groeipotentie van de Nederlandse economie onderschat; ook hier werd gevreesd dat de traditionele prijsfricties de groei opnieuw zou afzwakken. Typische uitzondering hierop is uiteraard de onroerend goedsector, die samen met de beurs, in zekere zin de uitlaatklep wordt van de toenemende groei in inkomen in de nieuwe economie. Inflatie zelf, met uitzondering van deze sectoren waar echte schaarste heerst, wordt dan ook in toenemende mate gecorrigeerd door de steeds verder uitdijende invloed van steeds goedkopere en betere informatie- en communicatietechnologie. Een soort van omgekeerde olieschok die steeds meer koopkracht inhoudt. Officieel gemeten is de
100 gulden van 1960 vandaag misschien slechts 50 gulden waard, maar met de 100 gulden van 1960 kon men geen kleurentelevisie, fax, computer, GSM, of internet- aansluiting aanschaffen.

De groei van de nieuwe kenniseconomie wordt met andere woorden minder geremd door traditionele prijsfricties en `schaarste', dan wel door gebrekkige institutionele aanpassing met name op het gebied van kenniscreatie en -diffusie. Kennis belichaamd in nieuwe producten en productieprocessen; kennis belichaamd in kapitaal en mensen en kennis belichaamd in nieuwe vormen van organiseren en communiceren. Onderliggend aan deze trend in de richting van een steeds kennisintensievere maatschappij ligt uiteraard de technologische stroomversnelling in informatie- en communicatie-technologie. Deze ontwikkeling is wereldwijd gepaard gegaan met een sterke toename in materiële investeringen in informatie- en communicatie kapitaal, zeg maar `intelligent' kapitaal en in menselijk kapitaal. Vanuit deze optiek gaan de groei-impulsen van het huidige cluster van nieuwe informatie- en communicatietechnologie uiteindelijk gepaard met een nieuwe vorm van economische `groei complementariteit'. Ten tijde van het aanleggen van de spoorwegen vorige eeuw of de automobiel met zijn uitgebreid wegen- en fossiele brandstof distributienet deze eeuw, vertegenwoordigde de behoefte aan bijkomende investeringen in fysisch kapitaal in vele aan de nieuwe technologie gerelateerde sectoren een belangrijke bijkomende groei-impuls die de hele economie op een hoger groeipad kon duwen. Het is moeilijk om tegenwoordig te zien hoe de afgeleide vraag naar plastics in computers, modems of optical fibers of de oxide in halfgeleiders eenzelfde bijkomende groei-impuls aan onze Westerse economieën zou kunnen geven.

De cruciale nieuwe `complementary asset' van de huidige cluster informatie- en communicatietechnologie is in wezen 'menselijk' kapitaal. Het steeds goedkoper kunnen opslaan, manipuleren en verzenden van informatie heeft slechts waarde als deze technologische informatie- en communicatieverbeteringen ook daadwerklijk leiden tot kennisintensievere productie en consumptie. En zoals hierboven reeds geargumenteerd kent zo'n immateriële productie en consumptie geen fysieke grenzen, waardoor binnenlandse fricties op goederen of factormarkten meer en meer tot het verleden behoren. Deze mondialisering houdt met andere woorden heel wat anders in dan toenemende in- en uitvoer van materiële goederen; veeleer worden nu een reeks traditioneel niet-verhandelbare diensten het onderwerp van internationale arbeidsverdeling en handel, worden vrij gesloten institutionele overeenkomsten (denk ook aan `corporate governance') onder internationale druk opengebroken en wordt kapitaal effectief een internationale mobiele factor.

Opnieuw kan de vraag gesteld worden in hoeverre de beschrijving van het ontstaan van instituties en hun aanpassingen over de tijd heen niet het domeingebied bij uitstek vormen voor een gedetailleerde analyse van de behoefte tot institutionele aanpassing en hervorming in de `nieuwe' economie. Hieronder vallen uiteraard ook, gezien het belang van menselijk kapitaal in de nieuwe economie, instituties met betrekking tot hoger onderwijs, scholing en vorming.


3. Op zoek naar `nieuwe' marktwerking

De nieuwe kenniseconomie kenmerkt zich in wezen door een andere functie van markten. Traditioneel worden markten van materiële goederen gekenmerkt door drie cruciale voorwaarden die leiden tot een zekere optimaliteit van het vrije marktsysteem. Eerst en vooral moeten deze markten gekenmerkt worden door exclusiviteit: het aanbieden van een goed door een verkoper aan een koper houdt de exclusieve overdracht in van het goed. De verkoper heeft het goed niet meer, de koper is eigenaar geworden van het goed. Ten tweede moeten markten, willen ze tot optimale prijszetting komen, gekenmerkt worden door rivaliteit. Niet alleen rivaliteit in de zin dat verschillende potentiële kopers rivaliserend zijn ten opzichte van elkaar in de aanschaf van het goed, maar ook in de dynamische zin. Biedt de verkoper het goed aan ver boven de kostprijs, dan zullen andere rivaliserende verkopers op de markt verschijnen, aangetrokken door de hoge winsten die op deze markt gerealiseerd worden. De prijs die op een vrije, open markt tot stand komt `klaart' met andere woorden ook de markt omdat prijzen ook een dynamische functie hebben: ze trekken andere aanbieders aan in het geval van hoge winsten, of omgekeerd stoten juist aanbieders af in het geval van prijzen die amper boven de kostprijs liggen. Als dusdanig is er dus ook een duidelijk verband tussen prijs en kostprijs en is marktwerking optimaal. Tenslotte moeten markten ook transparant zijn. Koper en verkoper weten wat ge/verkocht wordt. Zij zien het product, kunnen het betasten, testen, proeven, etc.

De nieuwe markten waar immateriële goederen verhandeld worden, worden gekenmerkt door geen van deze essentiële voorwaarden voor het goed functioneren van markten. Informatie- en kennisgoederen of diensten zijn niet-exclusief: de verkoper heeft nog altijd de informatie of kennis; niet-rivaliserend, het feit dat een koper de informatie heeft is niet rivaliserend met een andere gegadigde met als gevolg dat de relatieve kostprijs louter functie is van de omvang van de markt -- slaag ik erin mijn informatie te verkopen aan miljoenen dan maak ik uitzonderlijke winst, verkoop ik ze slechts aan enkele duizenden uitzonderlijk verlies. Superwinst of superverlies zijn beide mogelijk, de markt heeft meer weg van een casino dan van een normale markt. En tenslotte worden markten voor informatiegoederen of diensten juist gekenmerkt door asymmetrische informatie: de verkoper weet wat hij/zij aan de man probeert te brengen, de koper weet veelal niet wat hij/zij koopt. Dit leidt er veelal toe dat andere soorten prijsbepalingen naar voor komen: gratis betaald door reclame-inkomsten, biedingsmarkten, captieve markten (eerste versie gratis, echter betalen voor de upgrade), attentiemarkten, etc.

Internet geeft wat dit betreft een mooie illustratie van de verschillende soorten marktproblemen die zich stellen bij het verhandelen van immateriële, zogenaamde on-line of digitale goederen. Wil je als aanbieder van digitale producten echt geld verdienen dan zul je ervoor moeten zorgen dat de gemiddelde surfer eerst en vooral bij jou op bezoek komt tussen de miljoenen aanbieders, dat je hem iets, maar niet alles, toont van wat je hem te bieden hebt en dat, als ie dan uiteindelijk besluit je `product' te kopen, hij netjes betaalt en geen kopieën stuurt naar vrienden en collega's of, erger, zelf zijn eigen business begint met jouw product. Anderzijds kan ik als surfer zoveel informatie opvragen dat ik mij wellicht zal beperken tot de beroemde nieuwssites, en de hype van het moment.

In elk van deze gevallen moet vastgesteld worden, dat de markten die ontstaan andere karakteristieken hebben, soms maar niet altijd uit zichzelf ontstaan, niet altijd optimaal zijn (monopoliewinsten, etc.) en dikwijls grote behoefte hebben aan een eigen juridisch kader en mogelijk nieuwe regelgeving. M.a.w. de optimaliteit van de onzichtbare hand van de markt, typisch voor schaarste in de materiële economie, lijkt niet noodzakelijk op te gaan in de overvloed van de immateriële economie. Wat traditioneel beschreven kon worden als `second order' problemen of marktimperfecties, zijn nu eerder `first order' marktkenmerken. Als gevolg wordt het juridisch kader waarbinnen deze nieuwe markten worden georganiseerd uitermate belangrijk. Dit geldt zowel met betrekking tot het creëren van exclusiviteit, zoals het vastleggen van intellectuele eigendom, het tegengaan van monopolievorming als het vastleggen van aansprakelijkheid, privacy en andere regels ter bescherming van de consument.


4. Nieuwe sociale en arbeidsmarkt-vragen

In de nieuwe economie stellen zich uiteraard ook heel wat nieuwe vragen rond de aard van en vorm van werk, de relatie tussen werkgever en werknemer en de functie van de arbeidsmarkt. Ook hier geldt dat oude wetmatigheden niet langer de regel lijken te vormen. Zoals de dramatische toename in werkgelegenheid en scherpe daling in werkloosheid over de afgelopen jaren in de VS goed aantoont, ver onder wat economen en beursanalisten toen beschouwden als de natuurlijke werkloosheidsgraad, lijken de gebruikelijke arbeidsmarktfricties, die dan weer leiden tot loonexplosies en inflatoire druk, niet echt meer op te gaan. Sommige economen, zoals Joe Stiglitz, hebben het over een fenomeen van omgekeerde hysterese. De kennisintensieve groei zuigt als het ware door de arbeidsmarkt heen mensen naar een hoger kwalificatieniveau, waarbij hun potentiële capaciteiten beter benut worden. Bestaande tekorten op de arbeidsmarkt signaleren vanuit dit perspectief de meest dringende behoeften aan bijkomende scholing. Het bestaande formele, hoge niveau van `overscholing' biedt de mogelijkheid om vrij snel met gerichte bijscholing die tekorten op te vullen (het millenniumprobleem met de roep tot herscholing tot IT expert is hiervan wellicht een goede illustratie). Als gevolg treedt een zuigkracht binnen de arbeidspiramide op, vergelijkbaar met die van een schoorsteen, die schril contrasteert met het `verdringingseffect' van de jaren 80, waarbij hoge werkloosheid veelal leidde tot het verdringen van lager gekwalificeerden door hogere opgeleiden en `overscholing' troef was. Dit fenomeen van `reverse hysteresis' is wellicht niet alleen typisch voor de Amerikaanse economie. Ik vermoed dat men ook in de Nederlandse economie, ondanks de veel lagere arbeidspartcipatie er ook heel wat tekenen van kan waarnemen.

Terwijl dus wel degelijk sprake kan zijn van loonexplosie voor enkele specifieke kwalificaties, inclusief topmanagers, met als onvermijdelijk gevolg een grotere spreiding in inkomen en loonvorming, lijkt dit in wezen geen rem te zijn op bijkomende groei. Het bijkomende inkomen wordt gewoon `verdiend' door toegenomen opwaartse mobiliteit. Vooral in Nederland met zijn relatief lage arbeidsparticipatie is er dus nog steeds potentie voor bijkomende groei zonder dat men tegen één of andere `natuurlijke' werkloosheidsgraad botst.

Maar de toekomst van arbeid en de steeds verder doorgedreven tendens tot individualisering, waarbij het onderscheid tussen werknemer en werkgever vervaagt en eerder dan arbeid, in toenemende mate taken uitbesteed worden, roept uiteraard veel meer vragen op rond ons sociale bestel en de manier waarop in de `nieuwe' economie sociale solidariteit vorm gegeven kan worden. Ongelijkheid gebaseerd op kennis; op efficiënter gebruik van informatie; op toegang tot een netwerk van gelijkaardige dragers van kennis, houdt met name het risico in van een nieuwe dualiteit in de samenleving van `info haves' en `info have nots' waarbij zoals in de oude agglomeratiemodellen, cumulatieve effecten optreden zodat deze nieuwe vorm van ongelijkheid een permanent karakter lijkt te krijgen. En toch hangt juist economisch efficiëntie en succes in een netwerkeconomie af van de manier waarop gebruik, informatie, kennis breed gespreid is door de hele bevolking heen.

Met andere woorden ook hier roept de nieuwe economie om nieuwe inzichten in de manier waarop sociale vraagstukken behandeld moeten worden.

Besluit

Ik hoop dat duidelijk zal zijn dat elk van de hier aangesneden gebieden van de `nieuwe' economie bijzonder goed aansluiten bij de vier domeingebieden waarmee de Utrechtse economie zich volgend jaar wil profileren. Dit geldt ongetwijfeld voor economische geografie en de vraag hoe lokale noden ontstaan in een steeds globalere netwerkeconomie; maar ook voor economische geschiedenis en de manier waarop institutionele aanpassing zogenaamde `lock-in' situaties kan voorkomen zodat de vele potenties van `nieuwe' groei zich sneller en beter kunnen ontwikkelen; voor rechten en de grote behoefte aan nieuwe juridische kaders waarbinnen nieuwe electronische markten kunnen ontstaan; en tenslotte ook voor de vele `nieuwe' sociale vraagstukken die de nieuwe economie vandaag de dag stelt.

Maastricht, 15 augustus 1999.

Laatst gewijzigd:
Communicatie Service Centrum
Heidelberglaan 8
3584 CS Utrecht
Telefoon (030) 2533550 / 2532572
Mediavragen per Email: (UUmedia@csc.usc.uu.nl)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie