Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng CDA nota-overleg Kunstvakonderwijs

Datum nieuwsfeit: 06-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Nota-overleg Kunstvakonderwijs (060999)

Nota-overleg Kunstvakonderwijs (060999)

Den Haag, 6 september 1999

Voorzitter,

Onderwijs, ook het kunstvak, is er in de visie van het CDA om mensen de gelegenheid te geven zich optimaal te ontplooien, zodat zij zelfstandig en verantwoordelijk een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Naast algemene kennis en vaardigheden, betreft dat hetgeen nodig is om specifieke beroepen te kunnen uitoefenen: kennis verwerven en leren doen. Bovendien neemt het onderwijs een belangrijke plaats in bij de zogenaamde cultuuroverdracht, ofwel de verschillende waarden en normen.

Het onderwijsaanbod behoort volgens ons echter niet eenzijdig op kennisverwerving en de ontwikkeling van de intellectuele vermogens gericht te zijn. Ook het gevoels-leven, de karaktervorming, de notie lid te zijn van een samenleving en de sociale dimensie dienen een plaats te krijgen. Een school wordt niet voor niets wel eens gekenschetst als de samenleving in het klein. Een van bovenaf opgelegde algehele schaalvergroting bijvoorbeeld kan daarin veel schade veroorzaken, doordat de student opgaat in de anonieme massa. Ook kan het meer overleggen, het meer vergaderen, het meer coördineren ten koste gaan van de eigenlijke taken.

Niet voor niets vinden wij dat verantwoordelijkheden daar moeten liggen waar ze het best genomen kunnen worden en kiezen wij voor een proces van onderop in plaats van een overheid die wel eens eventjes zal zeggen hoe het moet.

Samenwerking biedt zekerheid nu en kansen voor later. De overheid dient toe te zien dat ieder recht wordt gedaan en dat bij samenwerking ieder tot zijn recht kan komen.

Voorzitter,

Vanuit deze basishouding heeft de CDA-fractie met belangstelling kennis genomen van de voorliggende nota Zicht op kwaliteit.

De uitkomst van dit debat kan een mijlpaal zijn die de aanvang markeert van werkelijke vernieuwing in deze sector van het onderwijs. Een onderwijssector die zoals gezegd, naar de mening van mijn fractie in grote mate kan bijdragen aan de kwaliteit van het leven van afzonderlijke individuen en daarmee aan de kwaliteit van de samenleving.
Een compliment is allereerst op zijn plaats aan de Projectorganisatie Kunstvak-onderwijs die een goed rapport heeft uitgebracht onder niet gemakkelijke omstandigheden. Regelmatig werd het werk van de commissie onder vuur genomen terwijl men nog midden in het proces zat. Het is bepaald niet stimulerend, lijkt mij, om in de krant te lezen dat het eindwerkstuk in de prullenbak zal belanden wanneer het niet aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Het product, het rapport Beroep Kunstenaar, geeft een integrale benadering van de problematiek en het is duidelijk dat het totstandgekomen is in nauwe samenwerking met de sector zelf, hetgeen wij als christen-democraten van groot belang vinden. Belangrijk is ook dat studenten hebben meegedacht in het voortraject, tenslotte zijn zij de afnemers van het product kunstvakonderwijs.
Helaas, de staatssecretaris kiest er vervolgens niet voor het eindrapport beroep kunstenaar van afzonderlijk commentaar te voorzien. Hij komt met een reactie in de vorm van de nota Zicht op kwaliteit. Daarin hanteert hij ook zijn eigen indeling van het vraagstuk. Naar de mening van mijn fractie doet de staatssecretaris geen recht aan het vele werk van de Projectorganisatie en de sector, en gaat ook het totaalbeeld, de integraliteit, verloren.

Onduidelijk is daardoor nu wat de status is van het rapport van de projectorganisatie.

Kan de staatssecretaris aangeven of hij van plan is dit als basisstuk te gebruiken, of staat zijn eigen nota voorop en verdwijnt het rapport van de projectorganisatie in de la; bij al die rapporten van andere deskundigen die sinds 1979 het kunstvak-onderwijs hebben getracht te herstructureren? Mijn fractie gaat er van uit dat het rapport van de projectorganisatie als basisstuk wordt gebruikt.

Voorzitter,

Vandaag staat de nota van de staatssecretaris Zicht op kwaliteit centraal. Als CDA willen wij er voor waken teveel in te gaan op de onderwijskundige details van startkwalificaties, sector- en beroepsprofielen. Voor mijn fractie ligt de nadruk op de organisatorische en bestuurlijke onderdelen, zoals de structuur, de spreiding over de regio, de bekostiging, en de politieke consequenties.

Leidende vraag zal zijn: Zullen de door de staatssecretaris in de voorliggende nota voorgestelde veranderingen inderdaad de gewenste verbeteringen opleveren voor de kwaliteit, de kwantiteit, de doelmatigheid en de transparantie van het kunstvak-onderwijs?

Daarnaast speelt de belangrijke vraag: Is de herstructurering zoals nu voorgesteld in het gedrang gekomen door de opgelegde bezuinigingen? Ik heb het dan over de motie Visser-van Doorn (no.54).

Voorzitter,

Ik wil een aantal voor mijn fractie belangrijke punten langs lopen.

DE BEROEPSPRAKTIJK

Bij een timmerman wordt vanzelfsprekend een goede beroepsopleiding gevraagd, vooral gericht op het ontwikkelen van de ambachtelijkheid. Maar is het kunstenaarschap daarmee te vergelijken? Is het een vergelijkbaar eenvoudig te vangen beroep?
Als CDA vinden wij van niet. Een kunstenaar is iemand die anderen een spiegel voorhoudt, weet te prikkelen, even op het andere been zet. De toeschouwer wordt als het ware door de kunstenaar gedwongen de gebaande paden te verlaten, de vanzelfsprekende zekerheden te bevragen, juist omdat het filter waardoor die kunstenaar waarneemt voor ons niet vanzelfsprekend is. Door dat eigen kader kan het vóórkomen dat het werk van die kunstenaar niet begrepen wordt en onvoldoende opbrengst heeft.

Bij zo'n beschrijving zal de gemiddelde ondernemer afzien van het risico, maar de staatssecretaris spreekt evenwel van de culturele ondernemer en in het verlengde daarvan van het belang van de beroepsgerichtheid in de opleiding. Afgestudeerden geven zelf ook aan dat er in hun opleiding te weinig aandacht is besteed aan wat er zoal komt kijken bij het voorzien in het eigen onderhoud.

In eerdere overleggen heb ik aangegeven dat er in de opleidingen dus meer aandacht besteed moet worden aan aansluiting bij de latere beroepspraktijk.
Echter, het voorop zetten daarvan wat wij bij de staatssecretaris signaleren gaat ons te ver. 'Geld verdienen' als doel op zich, het marktdenken, gaat dan ten koste van zaken als de gerichtheid op individuele vormgeving en kwaliteit.

Het CDA heeft het eerder gezegd, zal het blijven zeggen en ik zeg het ook nu: Het werk van de kunstenaar heeft een eigen intrinsieke waarde''. Het vormt mensen ook tot bewust observerende wezens, leert vragen te stellen bij dat wat eerder vanzelfsprekend leek en een bijdrage te leveren aan de doorgaande ontwikkelingsstroom in de cultuur.

Primaire taak van het kunstvakonderwijs is het ontwikkelen van artistieke talenten en daarnaast het opleiden van ondernemende, jonge kunstenaars.

Minder te spreken is het CDA ook over het niet overnemen van het plan van de projectcommissie dat voorziet in een structurele relatie tussen de opleiding en de praktijk. De medeverantwoordelijkheid van de beroepspraktijk voor het kunstvak-onderwijs kan de onderlinge afstemming vergroten. Dat betekent voor de student dat naast optimale kansen tot ontwikkeling van zijn talenten, zijn kansen om in eigen onderhoud te kunnen voorzien, toenemen. Ook de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad zijn van mening dat het onderhouden van het kwalificatiestelsel een gezamenlijke taak is van de opleidingen en de beroepssector.

Secretaris het uitgangspunt dat de instellingen zelf verder moeten gaan zonder vanuit Zoetermeer te worden gedirigeerd, getuigt wel van een toonzetting die ons beter bevalt dan de dirigistische toonzetting van de nota Confrontatie van diezelfde staatssecretaris. Wat dat betreft zijn wij blij dat de staatssecretaris het licht heeft gezien door vast te stellen dat de instellingen zelf al veel in gang hebben gezet en dat hij wenst aan te sluiten bij de positieve ontwikkelingen.

Dat laat onverlet de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om wel de kaders aan te geven, de randvoorwaarden van de kant van de overheid. Vanuit het veld zelf wordt dat ook nadrukkelijk gevraagd. Het proces moet door hem worden gestimuleerd en aan de gang gehouden en er moet nadrukkelijk gewaakt worden voor vrijblijvendheid.

SAMENWERKING

Het idee van samenwerking is door het veld omarmd. Echter, niet samenwerking waarbij het land in regios wordt verdeeld. Ook mijn fractie vindt dat samenwerking op inhoudelijke gronden een grote kans van slagen heeft. Temeer daar veel instellingen daarmee al ver gevorderd zijn. De staatssecretaris doet daarover helaas geen duidelijke uitspraken in zijn nota en die zou ik zodadelijk toch wel graag van hem willen horen. Voor de CDA-fractie is het van cruciaal belang dat het aanbod aan kunstvakonderwijs ook in de regio optimaal is. De initiatieven van de instellingen in de regio dienen extra aandacht en stimulering te krijgen in het structurerings-proces.

Bij samenwerking past ook het aansluiten bij andere ontwikkelingen in onderwijsland zoals bijvoorbeeld de informatie- en communicatietechnologie; zeker in het kunstvak-onderwijs zeer toepasbaar. Vooruitziend beleid, middelen en durf zijn nodig om studenten op de uitdagingen van het kennis- en informatietijdperk te wijzen. Op die manier wordt overigens ook de kans vergroot dat dit later dubbel en dwars wordt terugverdiend.

Al die eisen aan hetgeen men leert, heeft wellicht ook z'n consequenties voor de opleidingsduur. Mocht dat inderdaad aan het eind van het proces van herstructurering blijken, dan moeten we daar goed met elkaar over van gedachten wisselen. Onze fractie wil daar echter niet op vooruitlopen door nu al te gaan praten over meer dan 4 jaar. Die periode staat allereerst voorop, en mocht dat later onmogelijk blijken dan moeten we dat pas dan bezien. Bovendien komt er ook nog een discussie over bachelors/ masters bij het HOOP, waar nu ook al de meningen over verdeeld zijn. Discussies in het luchtledige acht ik dus weinig zinvol.

Sprekend over de beroepsopleiding zou ik de staatssecretaris in mijn tweede termijn graag willen prijzen voor zijn initiatieven ten aanzien van de Rockacademie. Hij heeft zich over dit initiatief met groot enthousiasme uitgesproken; het sluit naadloos aan bij zijn nota Confrontatie, en toch start deze week die opleiding als een elitaire opleiding in de zin van: alleen voor jonge rockers met financiële armslag.
De opleiding valt buiten het CROHO, de studenten krijgen geen studiefinanciering en geen OV-jaarkaart. Een lastig perspectief voor de toekomst. Na al het Ploegse enthousiasme verwachten wij dat in het reces de zaken geregeld zijn. Graag horen wij dat dadelijk van de staatssecretaris.

DE OMGEVING

Scholen vervullen een belangrijke sociale functie in dorpen en stadswijken, in hun eigen regio. Ze zijn ingebed in een heel netwerk van mensen, organisaties en instellingen. De aanwezigheid van kunstopleidingen heeft grote waarde voor de culturele infrastructuur in de regio. De continue uitstroom van kunstenaars en de kunstenaars in opleiding vormen een motor voor het lokale en regionale cultuuraanbod. De kunstopleidingen dragen ook in grote mate bij aan de bloei van de amateurkunst waarin veel mensen ontplooiing en voldoening vinden. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan die talloze muziek- en toneelverenigingen van Surhuisterveen tot Valkenburg, en van Hengelo tot Goes. Het idee van de staatssecretaris dat de kunstopleidingen meer faciliteiten zouden moeten verlenen aan de gevorderde amateurkunst is ons uit het hart gegrepen.

De internationale context dient ook niet vergeten te worden. Wij vinden het kwalijk dat die in de nota ontbreekt. Het feit dat vele afgestudeerden terechtkomen in een internationale beroepspraktijk en het feit dat vele buitenlandse studenten in ons land het kunstvakonderwijs volgen, lijkt de staatssecretaris niet van belang te vinden.

In een éénwordend Europa is het van belang dat opleidingen optimaal toegankelijk zijn voor studenten uit het buitenland. Mijn fractie is van mening dat naar samen-werking moet worden gestreefd om ook in internationaal verband samenhang te kunnen aanbrengen. Dat vraagt, zoals de Raad voor Cultuur terecht stelt, dat visitatiecommissies ook internationale deskundigheid in huis hebben. Graag de mening van de staatssecretaris hierover.

DE LERAAR

De invoering van het vak cultuur en kunstzinnige vorming (CKV) heeft grote consequenties voor de lerarenopleiding in de kunst.

Van een docent mag verwacht worden dat hij op de hoogte is, niet alleen van vakinhoudelijke, maar ook van maatschappelijke ontwikkelingen. Tevens dat hij, of zij natuurlijk, ook zijn eigen ontwikkeling laat voortgaan, zodat hij zijn beroep op een betrokken manier en met plezier uitoefent. Wanneer in Nederland wordt gesproken over leraren, gaat het veelal over tekorten, salarissen en werkdruk. Zelden wordt er gesproken over de uitdagingen en de beroepstrots. Wij vinden dat het leraarberoep weer de moeite waard moet worden. Een beroep met een exclusieve en professionele uitstraling.

Dat betekent onder andere:

variatie in het werk;

voldoende carrièreperspectieven;

goede opleidingen;

mogelijkheden voor bijscholing en opfrisverlof;

optimaal gebruik van ICT.

De noodzaak van levenslang leren heeft ook een andere kant: het scheppen van goede randvoorwaarden door de overheid.

Voor de docent kunstvakopleiding vinden wij daarom het volgende van belang:

de opleiding tot CKV-docent mag niet de vluchtstrook zijn voor de niet-toegelaten kunstenaar;

een onderscheid in eerste- en tweedegraadsopleidingen is gewenst;

Ons is nog onvoldoende duidelijk waarom dat losgelaten zou moeten worden en gekozen voor ongedeeld en ongegradeerd onderwijs.

Van belang is het ook om bij de selectie tot de initiële opleiding al op te letten of er aspirant-studenten bij zijn die wellicht tot docent kunnen worden opgeleid. Wie heeft de aanleg tot overdracht van kennis en vaardigheden al in zich?

DE FINANCIËN

De kamerbrede motie (no.54) sprak uit, het veld te betrekken bij de inhoudelijke herstructurering. Wij zijn verheugd dat de staatssecretaris daar naar heeft geluisterd. Ook gaf hij, zij het na enig aandringen, aan dat wat hem betreft de projectorganisatie niet zorg hoefde te dragen voor de invulling van de nog liggende bezuinigingen.

Als Kamer gaven wij in de volle breedte ook aan dat de inhoudelijke herstructurering los moest staan van de invulling van die taakstelling.

Wij zijn dan ook met stomheid geslagen dat uit de nota van de staatssecretaris weer het beeld oprijst van het tegendeel:

Hij wil de frictiemiddelen, bedoeld voor het begeleiden van de invulling van de taakstelling, betrekken bij de herstructurering, en zo blijkbaar twee vliegen in één klap slaan. Het veld stelt met nadruk vast dat die financiële druk het proces op een omvangrijke manier nadelig beïnvloed. Het lijkt erop dat de staatssecretaris tijdens het reces is vergeten dat de Kamer voor de zomer nog nadrukkelijk heeft gesteld dat hij die twee zaken uit elkaar diende te houden. Het toch betrekken van de frictiegelden staat daar loodrecht tegenover.

Afsluitend voorzitter,

Mijn fractie is van mening dat we op een cruciaal moment voor het kunstvakonderwijs zijn beland. Het is nu of nooit, bij wijze van spreken. Er is grote wil tot samenwerking en er zijn al belangrijke ontwikkelingen in gang gezet vanuit de sector zelf. Dat dient optimaal benut te worden.

Motie 54 is met kamerbrede steun aangenomen en blijkt dus nog steeds actueel.
Het zal duidelijk zijn dat een omvangrijke inhoudelijke herstructurering niet kan worden gerealiseerd als alle betrokkenen zich op overlevingsstrategieën moeten richten. De bezuiniging die nog steeds als donderwolk boven de sector hangt is onderwerp van een motie die ik namens mijn fractie zal indienen.

Kamerlid: Marry Visser-van Doorn

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie