Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Binair onderwijs: Bestaansrecht universiteit en hogeschool

Datum nieuwsfeit: 06-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Katholieke Universiteit Nijmegen

Bron: Dienst Communicatie, tel. (024) 361 22 30

Aanmaakdatum: 6 september 1999

Dienst Communicatiezaken

PERS & VOORLICHTING Persbericht

Wetenschapsvoorlichting
Interne communicatie
PR-producten
KUNCIS-redactie
UPB/Uitgeverij KUN
Pedel/congres

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en KU Nijmegen openen gezamenlijk hun academisch jaar

BINAIR ONDERWIJS: BESTAANSRECHT VAN UNIVERSITEITEN EN HOGESCHOLEN


Moet ons unieke, door velen verguisde systeem van hoger onderwijs op de helling of handhaaft Nederland zijn binaire stelsel, waarin universiteiten doctorandi opleiden met een titel die in het buitenland verwarring schept, en gediplomeerden van hogescholen zich in het buitenland mogen tooien met de titel 'bachelor'? De Nijmeegse Rector Magnificus prof. dr. T.J.M. van Els vindt dat er wel degelijk een onderscheid is tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs en dat beide opleidingstypen naast elkaar moeten blijven bestaan. Hij nuanceert deze stellingname bij de opening van het academisch jaar 1999-2000 aan de KU Nijmegen, maandag 6 september.
Van Els vindt die middag twee opponenten tegenover zich: rechtenstudent Michiel Vosveld en prof. dr. F. Leijnse, voorzitter van de HBO-raad. Beiden pleiten voor een heroriëntatie van de verdeling van opleidingen, waarbij prof. Leijnse het verst gaat in zijn streven naar de start van een geïntegreerd stelsel van hoger onderwijs en onderzoek per 2004.

Centrale vraag die middag is of beide onderwijstypen hun eigen missie hebben, of dat ze - mede door de steeds toenemende maatschappelijke vraag naar onderwijs, her- en bijscholing - dichter naar elkaar toe groeien. De openingsbijeenkomst staat in het teken van de groeiende samenwerking tussen de KU Nijmegen en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Beide instellingen sloten dit voorjaar een convenant, met als inzet krachtenbundeling op de terreinen onderwijs, studentenvoorzieningen, personeelsbeleid, dienstverlening en huisvesting. Samenbrenging van de WO-eerstegraads en de HBO-tweedegraads lerarenopleidingen in een gezamenlijk instituut is een zeer vergaande vorm van samenwerking tussen de beide instellingen.

In het verlengde van het convenant besloten de KUN en de HAN tot een gezamenlijke thematiek bij opening van hun academisch jaar: de groeiende samenwerking tussen de twee instellingen. Om dat thema extra accent te geven, sprak de voorzitter van de VSNU, prof. drs. M.H. Meijerink, op woensdag 1 september bij de opening van het studiejaar
1999-2000 aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Uitgangspunt voor beide inleidingen vormt een speciaal voor deze gelegenheid uitgevoerd onderzoek van het Instituut voor Onderwijskundige Dienstverlening (IOWO) naar de mogelijke meerwaarde van het op elkaar afstemmen van de kernactiviteiten van KUN en HAN. De resultaten zijn gepubliceerd in het 6 september te verschijnen rapport: 'Samen wijzer: kennisproductie en kennisbenutting in het hoger onderwijs'.

Een korte aankondiging van de opening van het academisch jaar verscheen eerder in persbericht pb99-81a.


REDES OPENING ACADEMISCH JAAR KU Nijmegen


Rechtenstudent Michiel Vosveld:
Tijd voor heroriëntatie verdeling van opleidingen

Rechtenstudent Michiel Vosveld vindt het onderscheid tussen WO en HBO steeds minder duidelijk: "Waar steeds meer opleidingen in het WO opleiden tot een beroep, heerst binnen het HBO een zekere academic drift". Het theoretische niveau van het HBO is de laatste jaren sterk gestegen en de verdeling tussen de opleiding tot wetenschapper en die tot beroepsbeoefenaar kan ook niet meer worden instandgehouden, meent Vosveld. Binnen de universitaire opleidingen is slechts een klein deel van het curriculum ingericht voor wetenschappelijk onderzoek door de studenten zelf. Academische vorming doet de student in de regel op in activiteiten buiten het onderwijsprogramma.

Vosveld vindt het hoog tijd voor een landelijke heroriëntatie op de verdeling van opleidingen. Koppeling tussen universitair onderwijs en fundamenteel onderzoek moet de leidraad vormen in de verdeling. Universiteiten leiden studenten op tot wetenschapper en hun docenten zijn onderzoekers. Deze gedreven onderzoekers-docenten leiden volgens Vosveld op hun beurt ook weer betere onderzoekers op. Het HBO verzorgt de beroepsopleidingen. Docenten kunnen zich daar volledig toeleggen op het onderwijs. Herschikking leidt tot een toename van opleidingen. Sommige opleidingen moeten namelijk gesplitst worden in een opleiding tot wetenschapper en een pendante beroepsopleiding. Voor zijn eigen opleiding Nederlands recht zou dat betekenen dat het merendeel van de studenten verhuist naar een nieuwe beroepsopleiding binnen het HBO, en een klein deel dat de universitaire opleiding tot juridisch wetenschapper zal volgen.


Gastspreker prof. dr. F. Leijnse:
Concurrentie of samenwerking

Gastspreker prof. dr. F. Leijnse, voorzitter van de HBO-raad, constateert dat de universiteit in het verleden, maar ook vandaag nog, voor het merendeel van haar studenten een beroepsopleiding verzorgt. Hij wijst op de massificatie van het universitair onderwijs, dat in samenhang met studieduurverkorting en grotere druk vanuit de arbeidsmarkt, heeft geleid tot een verschuiving in de inhoud van de meeste opleidingen. De brede academische vorming - in veel studies in zijn ogen toch al niet zeer prominent - is verder naar de achtergrond verschoven. Tweede verandering is volgens Leijnse de veranderende plaats van wetenschap en wetenschapsbeoefening: "In de meeste opleidingen is de vorming tot wetenschapper of onderzoek voor studenten geen verplicht onderdeel meer, waarmee het oude Von Humboldtse ideaal van een opleiding die direct gevoed wordt door wetenschapsbeoefening al min of meer is verlaten".

Leijnse vindt dat het binaire stelstel tot veel verspilling en verwarring leidt en daarom beter kan verdwijnen. Vorm en inhoud van het hoger beroepsonderwijs zijn de laatste tien jaar sterk veranderd, waarbij het accent is verschoven van beroepsopleiding in traditionele zin, naar de opleiding van brede professionals die naast basiskennis en -vaardigheden vooral ook beschikken over het vermogen samen te werken met andere disciplines en zich verder te ontwikkelen. Het HBO is daamee op grond van de vraag uit de arbeidsmarkt, in meer wetenschappelijke richting opgeschoven. En door de ontwikkeling van bachelor's- en master's-opleidingen, kwaliteitsverbetering door accreditering, professionalisering van docenten en uitbouw van onderzoek, komen de hogescholen steeds meer in open en gelijkwaardige concurrentie met de universiteiten. En hoewel hogescholen die concurrentie ook zeker gaan zoeken, zoeken ze ook naar samenwerking en integratie van activiteiten, omdat daaruit een meerwaarde kan worden geput voor studenten en de samenleving als geheel.

Juist door de convergentie van de systemen ontstaat er behoefte aan een heroriëntatie gebaseerd op de werkelijk relevante verschillen tussen opleidingen en andere activiteiten van de universiteit en hogeschool, meent Leijnse. "Echt toponderzoek en echte academische diepgang hebben er belang bij dat de universitaire basis wordt verbreed met het vele dat de hogescholen op een stuk van professionele oriëntatie en toepassingsgerichtheid hebben te bieden. In zo'n vruchtbare hoogvlakte komen de toppen immers beter tot hun recht".


Rector Magnificus Van Els
Kritiek op 'Bologna-verklaring'

De Nijmeegse Rector Magnificus Van Els plaatst kanttekeningen bij de consequenties van de deze zomer door de Europese ministers van Onderwijs getekende 'Bologna-verklaring'. Een van de doelstellingen in deze verklaring, die belemmeringen voor studentenmobiliteit wil wegnemen, is de invoering van het bachelor's/master's gradenstelsel. Kort gezegd houdt dat in dat alle landen in hun hoger onderwijs een systeem invoeren dat gebaseerd is op twee cycli: een driejarige 'undergraduate' en een 'graduate'. De tweede cyclus leidt tot de graad van master en/of doctor. Afsluiting van de eerste cyclus kent ook een graad, maar die wordt niet nader benoemd. De Nijmeegse rector suggereert dat een aantal van de bepalingen uit de Bologna-verklaring bewust vaag is gehouden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de diplomering van de eerste cyclus. In discussies gaat men ervan uit dat die wordt afgesloten met een bachelor's diploma, maar dat leest men niet uit de verklaring.

Twee soorten bachelor's en master's

Waarom zouden we bachelor's en master's graden moeten invoeren, vraagt de rector. Vaak wordt als argument gebruikt dat de Nederlandse doctorandus-titel in het buitenland tot verwarring leidt. Hoewel dit geen exclusief Nederlands probleem is, is het inderdaad wenselijk op dit punt aansluiting te zoeken bij wat internationaal gangbaar is. Maar met een terminologische aanpassing alleen is dat probleem niet opgelost.

Van Els heeft geen principiële bezwaren tegen invoering van deze graden, maar wijst er wel op dat dat alleen mogelijk met een ingrijpende wijziging van het universitaire onderwijs. Zeker als men in alle universitaire opleidingen dan een eerste cyclus moeten gaan invoeren met een afsluitend examen en diploma. Dat vergt een totale heroriëntatie. Dan moeten we ons realiseren, vervolgt de rector, dat met de invoering van een universitaire bachelor's-diploma in het Nederlandse bestel een tweede type bachelor's-diploma komt: universitaire bachelor's met academisch werk- en denkniveau als centrale doelstelling en de meer beroepsgeoriënteerde HBO- afgestudeerden. De huidige HBO-diploma's zijn immers in het buitenland gelijkgesteld aan bachelor's diploma's. De in de 'Bologna-Verklaring' nagestreefde 'transparantie' in het internationaal onderwijs, wordt overigens niet alleen bereikt met deze uniformering van het gradenstelsel.

Ook introductie van resp. een afsluitende bachelor's-fase in het WO of van master's afsluitingen in het HBO hoeft niet op principiële bezwaren te stuiten. Voorwaarde is dat een brede waaier van kwalitatief verschillende opleidingen die nu door het hoger onderwijs als geheel worden aangeboden, in stand wordt gehouden.  

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie