Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Weekoverzicht Justitie en gerecht Europese Gemeenschappen

Datum nieuwsfeit: 06-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 6 tot 10 september 1999

nr. 21/99


I. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-216/97

J. Gregg en M. Gregg/Commissioners of Customs and Excise

Fiscale bepalingen

Zaak C-355/97

Landesgrundverkehrsreferent der Tiroler Landesregierung

en

Beck Liegenschaftsverwaltungsgesellschaft mbH,

Bergdorf Wohnbau GmbH, in vereffening

Toetreding van nieuwe staten

Zaak C-61/98

De Haan Beheer BV/Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Rotterdam

Vrij verkeer van goederen

Zaak C-257/98 P

A. Lucccioni/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

Zaak C-374/97

A. Feyrer/Landkreis Rottal-Inn

Landbouw

Zaak C-64/98 P

Odette Nicos Petrides Co. Inc./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

Zaak C-102/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Milieu en consumenten

Zaak C-108/98

RI.SAN. Srl/Comune di Ischia, Italia Lavoro SpA, voorheen GEPI SpA, Ischia Ambiente SpA

Vrij verrichten van diensten

Zaak C-217/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Milieu en consumenten

Zaak C-281/97

A. Krüger/Kreiskrankenhaus Ebersberg

Sociale politiek

Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-110/98

RJB Mining plc/Commissie van de Europese Gemeenschappen

EGKS

Zaak T-127/98

UPS Europe SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

II. CONCLUSIES

Zaak C-34/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-169/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Zaak C-198/98

G. Everson en T.J. Barrass/Secretary of State for Trade & Industry et Bell Lines Ltd (in vereffening)

Zaak C-8/98

Dansommer A/S/A. Götz

Zaak C-293/98

Entidad de Gestión de Derechos de los Productores Audiovisuales (Egeda)/Hostelería Asturiana SA (HOASA)

Zaak C-350/98

Henkel Hellas ABEE/Elleniko Dimosio (Helleense Staat)

III. EINDARRESTEN

IV. MEDEDELING

Mededeling over de citeerwijze van verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht

1. ARRESTEN

Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-216/97

J. Gregg en M. Gregg/Commissioners of Customs and Excise

Fiscale bepalingen

7 september 1999

Prejudiciële zaak

"BTW · Zesde richtlijn · Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang · Inrichting · Organisatie · Begrip · Diensten van associatie van twee natuurlijke personen (partnership)"

(Voltallig Hof)

Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft het VAT and Duties Tribunal, Belfast, twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 13 A, lid 1, sub b en g, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad (hierna: "Zesde richtlijn").

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de echtelieden Gregg en de Commissioners of Customs and Excise (hierna: "Commissioners"), betreffende de toepassing van een BTW-vrijstelling krachtens Schedule 9, Group 7, item 4, van de Value Added Tax Act 1994 (BTW-wet 1994; hierna: "VAT Act 1994") waarbij artikel 13 A, lid 1, sub b en g, van de Zesde richtlijn in nationaal recht is omgezet.

De echtelieden Gregg exploiteren in Noord-Ierland, in een "partnership" naar Noord-Iers recht, een verpleeghuis dat niet is erkend als een instelling van sociale aard in de zin van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk. Als "partners" beogen de echtelieden Gregg systematisch winst te maken. Naar Noord-Iers recht zijn "partnerships" geen rechtspersonen, zodat niet zij, maar de "partners" solidair aansprakelijk zijn voor alle schulden en verplichtingen, waaronder de BTW.

Toen zij een uitbreiding van hun onderneming overwogen, verzochten de echtelieden Gregg te worden geregistreerd als BTW-plichtigen krachtens Schedule 1 bij de bepalingen van de VAT Act 1994. De Commissioners weigerden evenwel hen in de BTW-registers in te schrijven, omdat voor hun in "partnership" uitgeoefende activiteit de BTW-vrijstelling van Schedule 9, Group 7, item 4, VAT Act 1994 geldt.

De nationale rechter wenst in wezen te vernemen, of artikel 13 A, lid 1, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de uitdrukkingen "andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard" en "andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend" sub b respectievelijk g van deze bepaling, natuurlijke personen die een onderneming exploiteren, van de vrijstelling uitsluiten.

De echtelieden Gregg wensen het recht op aftrek te genieten, en stellen, dat de bij de uitoefening van hun verzorgingsactiviteit verrichte handelingen belastbaar zijn.

Om te beginnen zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven over elke levering van goederen en elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.

Bovendien gelden deze vrijstellingen weliswaar voor activiteiten die op bepaalde doelstellingen zijn gericht, doch in de meeste bepalingen wordt ook aangegeven wie de vrijgestelde handelingen mogen verrichten, en worden deze dus niet aan de hand van zuiver materiële of functionele begrippen omschreven.

De termen "inrichtingen" of "organisaties" worden in sommige bepalingen van artikel 13 A, lid 1, van de Zesde richtlijn gebruikt, terwijl in andere bepalingen de betrokken activiteit wordt aangegeven door de vermelding van een beroep waarmee wordt gerefereerd aan een particulier, zoals de medische en paramedische beroepen (sub c), de tandtechnici (sub e), en de docenten die privé-lessen geven (sub j).

Uit de omstandigheid dat artikel 13 A, lid 1, van de Zesde richtlijn verschillende benamingen bevat van de erin genoemde economische subjecten, ken evenwel niet worden afgeleid, dat alleen rechtspersonen in aanmerking komen voor de vrijstellingen als bedoeld in deze bepaling, ingeval deze uitdrukkelijk verwijst naar een door een "inrichting" of "organisatie" verrichte handeling, terwijl anders ook natuurlijke personen voor vrijstelling in aanmerking zouden komen.

Aan deze uitlegging doet niet af, dat de specifieke voorwaarden betreffende de hoedanigheid of de identiteit van de ondernemer die vrijgestelde diensten verricht, strikt moeten worden uitgelegd.

In beginsel zijn de termen "inrichting" en "organisatie" namelijk ruim genoeg om ook de natuurlijke personen te omvatten. Overigens zij vastgesteld, dat geen enkele taalversie van artikel 13 A van de Zesde richtlijn in plaats van voormelde termen de term "rechtspersoon" bevat, die duidelijk en ondubbelzinnig zou zijn geweest. Deze omstandigheid wijst erop, dat de gemeenschapswetgever met het gebruik van die termen de toepasselijkheid van de in deze bepaling bedoelde vrijstellingen niet heeft willen beperken tot de handelingen van rechtspersonen, doch de werkingssfeer van deze vrijstellingen heeft willen uitbreiden tot de handelingen van particulieren.

Deze zienswijze, dat met de termen "inrichting" en "organisatie" niet alleen rechtspersonen worden bedoeld, strookt met name met het beginsel van de fiscale neutraliteit dat inherent is aan het gemeenschappelijk BTW-stelsel, en dient te gelden bij de toepassing van de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn.

Het beginsel van de fiscale neutraliteit verzet zich er namelijk meer in het bijzonder tegen, dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, verschillend worden behandeld bij de BTW-heffing. Aan dit beginsel zou dus afbreuk worden gedaan, wanneer de vrijstelling voor de handelingen van in artikel 13 A, lid 1, sub b en g, genoemde inrichtingen en organisaties zou afhangen van de rechtsvorm waarin de belastingplichtige zijn activiteit uitoefent.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 13 A, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting · Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat de sub b respectievelijk sub g gebruikte uitdrukkingen 'andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard` en 'andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend`, de natuurlijke personen die een onderneming exploiteren, niet van de vrijstelling uitsluiten."

Advocaat-generaal G. Cosmas heeft ter terechtzitting van het Hof van 17 november 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging enkel de eerste prejudiciële vraag te beantwoorden en te beslissen als volgt:

"Volgens de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht moet een eenheid die de nodige materiële basis en infrastructuur heeft om rechtstreeks en onafhankelijk een activiteit in de sector medische verzorging en ziekenhuisverpleging uit te oefenen en ook naar behoren volgens het nationale recht wordt erkend, worden beschouwd als een 'inrichting` die medische verzorging en ziekenhuisverpleging verstrekt 'onder sociale voorwaarden welke vergelijkbaar zijn` met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen in de zin van artikel 13 A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn (richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag), ook al heeft zij geen rechtspersoonlijkheid, maar functioneert zij als een partnership naar Noord-Iers recht; derhalve komt zij in aanmerking voor vrijstelling van de BTW, mits ook aan de andere in voornoemde bepalingen van de Zesde richtlijn geformuleerde voorwaarden is voldaan."


Zaak C-355/97

Landesgrundverkehrsreferent der Tiroler Landesregierung

en

Beck Liegenschaftsverwaltungsgesellschaft mbH,

Bergdorf Wohnbau GmbH, in vereffening

Toetreding van nieuwe staten

7 september 1999

Prejudiciële zaak

"Artikel 70 van Toetredingsakte Oostenrijk · Tweede woning · Procedure voor aankoop van onroerend goed in Tirol · Begrip bestaande wetgeving"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 28 augustus 1997 heeft het Oberste Gerichtshof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 70 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest.

Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Landesgrundverkehrsreferent der Tiroler Landesregierung (ambtenaar van het Land Tirol belast met het toezicht op de regelmatigheid van de koop en verkoop van onroerende goederen; hierna: "Landesgrundverkehrsreferent") enerzijds, en Beck Liegenschaftsverwaltungsgesellschaft mbH (hierna: "Beck") en Bergdorf Wohnbau GmbH (hierna: "Bergdorf") anderzijds, ter zake van de verkoop door Bergdorf aan Beck van een appartement te

Fieberbrunn, Tirol, bij akte van 14 oktober 1983, verleden voor notaris Hacker (hierna: "de litigieuze transactie").

De Landesgrundverkehrsreferent stelde op basis van de bepalingen van het Tiroler Grundverkehrsgesetz van 1983 (Tiroolse wet op de aankoop en verkoop van onroerend goed, hierna: "TGVG 1983"), zoals gewijzigd bij de wet van 1991, op 28 maart 1994 een beroep in bij het Landesgericht Innsbruck, tot vaststelling van de nietigheid van de litigieuze transactie.

Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het begrip "bestaande wetgeving" in de zin van artikel 70 van de Toetredingsakte bepalingen omvat zoals die van § 40, leden 2 en 5, TGVG 1996, die na de toetreding zijn vastgesteld en die voorschrijven, dat een wettelijke regeling die ten tijde van de toetreding reeds van toepassing was, maar die vervolgens ongrondwettig en op de lopende procedure ontoepasselijk is verklaard, en waarbij de administratie het recht wordt verleend om in rechte de nietigheid van onroerendgoedtransacties te doen vaststellen, van toepassing blijft op de transacties die plaatsvonden vóór de toetreding.

Geen van de argumenten van de Landesgrundverkehrsreferent, de Oostenrijkse regering en de Commissie kan het vermoeden van relevantie weerleggen dat rust op de prejudiciële vragen van de nationale rechterlijke instanties, en dat enkel in uitzonderlijke gevallen kan worden weerlegd, wanneer duidelijk blijkt, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen. Behoudens in dergelijke gevallen, is het Hof in beginsel verplicht om te antwoorden op de prejudiciële vragen over de uitlegging van de regels van gemeenschapsrecht.

In casu bevat de verwijzingsbeschikking de uiteenzetting van de overwegingen van nationaal recht op grond waarvan de nationale rechter meent, dat de vraag of de Landesgrundverkehrsreferent in rechte de vaststelling van de nietigheid van een onroerendgoedtransactie kan vorderen · welke vraag bepalend is voor de uitkomst van het hoofdgeding · moet worden beantwoord op basis van § 40, leden 2 en 5, TGVG 1996. Deze wet bevat, met name in de §§ 11 en 14, bepalingen ter voorkoming van de vestiging van tweede woningen.

Uit het aldus door de nationale rechter onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijk en wettelijk kader, waarvan het Hof de juistheid niet behoeft na te gaan (zie, in die zin, arrest van 20 maart 1997, Phyteron International, C-352/95, Jurispr. blz. I-1729, punten 9-14), blijkt niet, dat de uitlegging van het begrip "bestaande wetgeving" in de zin van artikel 70 van de Toetredingsakte geen verband houdt met het hoofdgeding, dat het vraagstuk van hypothetische aard is of dat het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven.

Hoewel de nationale rechter in beginsel inderdaad bevoegd is om de inhoud van op 1 januari 1995 bestaande wetgeving betreffende tweede woningen te bepalen, dient het Hof hem daartoe wel de noodzakelijke gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrechtelijke begrip "bestaande wetgeving" te verschaffen.

Om te beginnen zij gepreciseerd, dat, aangezien de in artikel 70 van de Toetredingsakte neergelegde regel een afwijking vormt, deze regel in beginsel enkel moet worden toegepast wanneer er sprake is van nationale bepalingen die, bij ontbreken van een dergelijke regel, op zich onverenigbaar met het gemeenschapsrecht zouden zijn. Vooraleer kan worden onderzocht of de bepalingen van § 40, leden 2 en 5, TGVG 1996 al dan niet deel uitmaken van de bestaande wetgeving inzake tweede woningen ten tijde van de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie, dient de verwijzende rechter eerst te hebben uitgemaakt of die bepalingen, onder voorbehoud van toepassing van artikel 70 van de Toetredingsakte, in strijd zijn met een gemeenschapsrechtelijke norm. Die beoordeling, die tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort, valt hoe dan ook buiten het kader van de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag.

Aan het begrip "bestaande wetgeving" in artikel 70 van de Toetredingsakte · waaraan door de nationale rechter uitvoering moet worden gegeven · ligt een materieel criterium ten grondslag, zodat voor de toepassing van dit begrip niet behoeft te worden beoordeeld of de betrokken nationale bepalingen geldig zijn naar nationaal recht. In beginsel valt dus elke bepaling betreffende tweede woningen die in de Republiek Oostenrijk van kracht was op de datum van toetreding, onder de uitzonderingsregeling van artikel 70 van de Toetredingsakte.

In het kader van een prejudiciële procedure staat het aan de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat om uit te maken, welke de uitwerking in de tijd is van de door de constitutionele rechter van deze lidstaat uitgesproken ongrondwettigverklaring.

Worden bepalingen na de toetreding vastgesteld, dan zijn zij niet op die enkele grond automatisch van de bij artikel 70 van de Toetredingsakte ingevoerde uitzonderingsregeling uitgesloten. Indien een bepaling op de wezenlijke punten identiek is aan de vroegere wetgeving, of indien daarin slechts een in de vroegere wetgeving voorkomende belemmering voor de uitoefening van de communautaire rechten en vrijheden wordt verminderd of opgeheven, zal de uitzondering dus ook voor deze bepaling gelden.

Indien bijgevolg de conclusie zich opdringt, dat de bepalingen van § 40 TGVG 1996 slechts tot gevolg hebben dat de op 1 januari 1995 geldende regels van kracht blijven, dan vallen zij onder de bij artikel 70 van de Toetredingsakte ingevoerde uitzonderingsregeling.

Het Hof verklaart voor recht:

"Het begrip 'bestaande wetgeving` in de zin van artikel 70 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest, omvat ook bepalingen die na de toetreding zijn vastgesteld en die in wezen identiek zijn aan de op dat ogenblik geldende wetgeving of waarin slechts een in bedoelde wetgeving voorkomende belemmering voor de uitoefening van de communautaire rechten en vrijheden wordt verminderd of opgeheven."

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 2 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging de bij beschikking van 28 augustus 1997 door het Oberste Gerichtshof gestelde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren.


Zaak C-61/98

De Haan Beheer BV/Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Rotterdam

Vrij verkeer van goederen

7 september 1999

Prejudiciële zaak

"Douanerechten · Extern douanevervoer · Fraude · Ontstaan en navordering van douaneschuld"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 24 februari 1998 heeft de Tariefcommissie een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht met betrekking tot het ontstaan en de navordering van een douaneschuld.

Die vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap De Haan Beheer BV (hierna: "De Haan"), douane-expediteur, en de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Rotterdam over de navordering van een douaneschuld ten bedrage van 1 575 030,60 HFL.

Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de douaneautoriteiten in het kader van een procedure van extern douanevervoer verplicht zijn de aangever in kennis te stellen van een risico van fraude, waarbij hij zelf niet is betrokken, maar waardoor voor hem een douaneschuld kan ontstaan, en zo ja, welke gevolgen de niet-nakoming van die verplichting heeft.

Teneinde de verwijzende rechter een voor de beslissing van het hoofdgeding nuttig antwoord te geven, moet het tweede gedeelte van de vraag worden verruimd en moet worden nagegaan, of de aangever, wanneer de douaneautoriteiten hem niet van een dergelijk risico van fraude in kennis hebben gesteld, ingevolge het gemeenschapsrecht en in het bijzonder verordening nr. 1697/79 of verordening nr. 1430/79 kan worden ontslagen van de verplichting tot voldoening van de door die fraude ontstane douaneschuld.

De verplichting van de douaneautoriteiten, de aangever in kennis te stellen van een risico van fraude

Verordening nr. 2726/90 bepaalt, dat de aangever in beginsel gehouden is tot betaling van de rechten die opeisbaar zijn wegens "een bij het communautair douanevervoer begane overtreding of onregelmatigheid". Voor het ontstaan van de douaneschuld is echter niet vereist, dat het bewijs van een fout van de aangever wordt geleverd, en evenmin wordt de douaneautoriteiten de verplichting opgelegd de aangever in kennis te stellen van het verloop van het onderzoek dat tot de vaststelling van de overtreding of de onregelmatigheid heeft geleid.

Het belang van een onderzoek dat erop gericht is, de daders of medeplichtigen van gepleegde of voorgenomen fraude te identificeren of aan te houden, kan stellig rechtvaardigen, dat de aangever weloverwogen niet in kennis wordt gesteld van alle of van bepaalde onderzoeksresultaten, ook wanneer hij geenszins bij de frauduleuze handelingen betrokken was.

De omstandigheid dat de douaneautoriteiten bij de navordering van douanerechten de in verordening nr. 1854/89 gestelde termijnen overschrijden, doet hun recht om tot die navordering over te gaan, niet vervallen, mits de navordering geschiedt binnen de termijn van drie jaar waarbinnen zij ingevolge verordening nr. 1697/79 dient plaats te vinden.

De omstandigheden die niet-navordering, terugbetaling of kwijtschelding kunnen rechtvaardigen

De gemeenschapsregeling met betrekking tot de betaling van de douaneschuld kent twee categorieën van specifieke uitzonderingen.

Voor de eerste categorie van uitzonderingen is in de eerste plaats vereist, dat de rechten niet zijn geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf. In de tweede plaats moet die vergissing van dien aard zijn, dat zij door de belastingplichtige te goeder trouw, ondanks zijn beroepservaring en de

door hem te betrachten zorgvuldigheid, redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. In de derde plaats moet hij hebben voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte.

Wanneer de douaneautoriteiten in het belang van het onderzoek weloverwogen hebben nagelaten de aangever in kennis te stellen van een mogelijke fraude waarbij hij niet betrokken was, kan dit hoe dan ook niet als een vergissing van de bevoegde autoriteiten worden aangemerkt.

De tweede categorie uitzonderingen, die niet het bestaan van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf verlangt, stelt de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten afhankelijk van twee cumulatieve voorwaarden, te weten het bestaan van een bijzondere situatie en het ontbreken van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de marktdeelnemer.

De lijst van die bijzondere situaties is niet uitputtend.

Bijgevolg moeten de douaneautoriteiten van geval tot geval beoordelen, of een situatie zoals die in het hoofdgeding, die niet in die lijst is genoemd, niettemin van bijzondere aard is in de zin van de toepasselijke gemeenschapsregeling, in welk geval de lidstaat waaronder die autoriteit ressorteert, de zaak aan de Commissie moet toezenden, teneinde overeenkomstig de in de artikelen 906 en 909 van verordening nr. 2454/93 vastgestelde procedure te worden geregeld.

Een van de beoordelingselementen die de verwijzende rechter in het licht stelt, en die kenmerkend is voor de situatie in het hoofdgeding, betreft het feit dat, wanneer de belastingplichtige door de douaneautoriteiten in kennis was gesteld van hun vermoeden dat er gefraudeerd werd, hij na de frauduleuze verdwijning van het eerste transport sigaretten de noodzakelijke maatregelen had kunnen nemen om te voorkomen dat er met betrekking tot de zes volgende transporten eveneens een douaneschuld zou ontstaan.

Omdat bij de douaneautoriteiten een verzoek om kwijtschelding was ingediend, tezamen met bewijsstukken voor wat een bijzondere situatie, werd de Commissie door Nederland gevraagd om een uitspraak over het bestaan van een "bijzondere situatie" in de zin van genoemde bepaling, waarop zij verklaarde, dat een dergelijke situatie zich in casu niet voordeed.

Hoewel de verwijzende rechter die beschikking niet vermeldt, dient dan ook, om hem een voor de beslissing in het hoofdgeding nuttig antwoord te kunnen geven, de geldigheid ervan te worden beoordeeld.

In dat verband moet worden gepreciseerd, dat de douaneautoriteit volgens artikel 908 van verordening nr. 2454/93 moet beslissen op basis van de beschikking van de Commissie. Wanneer het Hof die beschikking echter ongeldig zou verklaren, zal de Commissie daaruit de consequenties moeten trekken door opnieuw te onderzoeken, of verordening nr. 1430/79 in de omstandigheden van het geding van toepassing is, waarbij de in de artikelen 907 en 909 van verordening nr. 2454/93 bedoelde termijnen ingaan op de datum van de uitspraak van het arrest. Dat houdt tevens in, dat de verwijzende rechter, die zijn beoordeling niet in de plaats van die van de Commissie kan stellen, de behandeling van de zaak kan schorsen in afwachting van de beschikking van de Commissie of tot het einde van genoemde termijnen.

In casu is een onderzoek van de beschikking van de Commissie, die overigens al aan het Hof is voorgelegd en waarover zowel schriftelijke als mondelinge opmerkingen zijn ingediend, bovendien in overeenstemming met het beginsel van proceseconomie, aangezien bij het Hof ook een rechtstreeks beroep betreffende de wettigheid van die beschikking aanhangig is, te weten de zaak Nederland/Commissie (C-157/98), waarvan de behandeling thans is geschorst in afwachting van dit arrest.

Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat De Haan geen enkele nalatigheid of manipulatie valt te verwijten.

Artikel 905 van verordening nr. 2454/93, op basis waarvan de Commissie door de betrokken lidstaat wordt verzocht om te beoordelen of er sprake is van een bijzondere situatie die de kwijtschelding van rechten

rechtvaardigt, bevat een algemene billijkheidsclausule, die geschreven is voor een uitzonderlijke situatie waarin de aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten, wanneer de douaneautoriteit niet in staat was zelf een beslissing tot kwijtschelding van rechten te nemen op grond van verordening nr. 3799/86 of verordening nr. 2454/93.

In zoverre levert het belang van een onderzoek door de douane- of politieautoriteiten, wanneer de belastingplichtige aan wie geen enkele manipulatie of nalatigheid valt te verwijten, niet in kennis is gesteld van het verloop van het onderzoek, een bijzondere situatie op. Want ofschoon het gerechtvaardigd kan zijn, dat de nationale autoriteiten weloverwogen toelaten dat er overtredingen of onregelmatigheden worden begaan, teneinde een netwerk beter te kunnen oprollen, de fraudeurs te kunnen identificeren en bewijzen te kunnen verzamelen of versterken, is het feit dat men de belastingplichtige de douaneschuld laat dragen die als gevolg van de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gedane keuzes is ontstaan, niet in overeenstemming te brengen met de billijkheid die door artikel 905, lid 1, van verordening nr. 2454/93 wordt beoogd, wanneer daardoor de belastingplichtige in een uitzonderlijke situatie wordt gebracht ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten.

Uit de bewoordingen van de beschikking van 18 februari 1998 blijkt echter, dat de Commissie de vraag of De Haan zich in een uitzonderlijke situatie bevond ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten, niet correct heeft onderzocht in het licht van genoemd billijkheidsoogmerk en van de omstandigheden waarin de fraude heeft plaatsgevonden.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Het gemeenschapsrecht legt de douaneautoriteiten die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude in het kader van de regeling extern communautair douanevervoer, geen enkele verplichting op, de aangever ervoor te waarschuwen, dat hij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden, ook wanneer hij te goeder trouw zou hebben gehandeld.

2) Het belang van een onderzoek door de nationale autoriteiten kan, wanneer de belastingplichtige aan wie geen enkele manipulatie of nalatigheid valt te verwijten, niet in kennis is gesteld van het verloop van het onderzoek, een bijzondere situatie opleveren in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986, wanneer de omstandigheid dat de nationale autoriteiten in het belang van het onderzoek weloverwogen hebben toegelaten dat overtredingen en onregelmatigheden werden begaan waardoor voor de aangever een douaneschuld is ontstaan, laatstgenoemde in een uitzonderlijke situatie brengt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten.

3) Beschikking C(98) 372 def. van de Commissie van 18 februari 1998 is ongeldig."

Advocaat-generaal F. G. Jacobs heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 11 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Wanneer douaneautoriteiten reden hebben om aan te nemen, dat er in het kader van extern communautair douanevervoer fraude zal plaatsvinden, is er geen regel van gemeenschapsrecht op grond waarvan zij iemand ervoor moeten waarschuwen, dat hij ten gevolge van de fraude aansprakelijk voor de douanerechten kan worden gehouden, ongeacht of hij al dan niet te goeder trouw is. In het bijzonder vormt een beslissing om dat niet te doen, teneinde de identificatie en de veroordeling van de daders van de fraude te verzekeren, geen 'vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf` in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, hoewel die beslissing een element kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van de in artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986, neergelegde billijkheidsregel."


Zaak C-257/98 P

A. Lucccioni/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Ambtenarenstatuut

9 september 1999

"Hogere voorziening · Beroep tot schadevergoeding"

(Eerste kamer)


Zaak C-374/97

A. Feyrer/Landkreis Rottal-Inn

Landbouw

9 september 1999

Prejudiciële zaak

"Richtlijn 85/73/EEG · Retributies voor keuringen en sanitaire controles van vers vlees · Rechtstreekse werking"

(Tweede kamer)

Bij beschikking van 20 oktober 1997 heeft het Bayerische Verwaltungsgerichtshof prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 2, lid 3, en van de punten 1 en 4, sub b, van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 (hierna: "richtlijn").

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen A. Feyrer en de Landkreis Rottal-Inn (hierna: "Landkreis") over het bedrag van de retributies die laatstgenoemde Feyrer in rekening heeft gebracht voor de keuringen en sanitaire controles die de diensten van de Landkreis in 1995 in de door Feyrer geëxploiteerde slagerij verrichtten.

Feyrer, die een slagerij binnen de Landkreis exploiteert en zelf slacht, ontving ter zake van de keuringen en sanitaire controles van vlees die de diensten van de Landkreis in 1995 hadden verricht, een op basis van de Satzung (Satzung über die Erhebung von Gebühren und Auslagen für Amtshandlungen im Vollzug fleischhygienischer Vorschriften) van 20 augustus 1997 berekende aanslag voor de betaling van retributies, waarvan het bedrag de in hoofdstuk I, punt 1, van de bijlage bij de richtlijn forfaitair vastgestelde bedragen overschreed. Ofschoon Feyrer niet betwistte, dat de hem opgelegde retributies overeenkwamen met de daadwerkelijke inspectiekosten van de Landkreis, betoogde hij, dat zij in strijd waren met het gemeenschapsrecht en verzocht hij om vermindering tot de door de richtlijn vastgestelde forfaitaire bedragen.

De Landkreis voerde hiertegen aan, dat de richtlijn de inning van de keuringskosten dekkende retributies toestaat wanneer de forfaitaire bedragen lager zijn dan de reële kosten die de betrokken autoriteiten voor de keuring zijn opgekomen.

De verwijzende rechter wenst in de eerste plaats te vernemen, of een particulier zich kan verzetten tegen de inning van hogere retributies dan de in hoofdstuk I, punt 1, van de bijlage bij de richtlijn vastgestelde forfaitaire bedragen.

Hij heeft uitdrukkelijk vastgesteld, dat de richtlijn ten tijde van de feiten van het hoofdgeding nog niet in Duits recht was omgezet.

Het enkele feit dat een beschikking de lidstaten waartoe zij is gericht, toestaat van haar duidelijke en nauwkeurige bepalingen af te wijken, kan op zich niet tot gevolg hebben, dat die bepalingen rechtstreekse werking missen. Inzonderheid kunnen die bepalingen rechtstreekse werking hebben, wanneer het gebruik van de aldus toegekende afwijkingsmogelijkheden vatbaar is voor rechterlijke toetsing.

In die omstandigheden kan de bij artikel 2, lid 2, van beschikking 88/408 aan de lidstaten toegekende mogelijkheid om, met inachtneming van de in de bijlage bij die beschikking genoemde voorwaarden, naar boven af te wijken van de in artikel 2, lid 1, vastgestelde forfaitaire retributieniveaus, laatstgenoemde bepaling haar rechtstreekse werking niet ontnemen.

Met betrekking tot de richtlijn moet worden opgemerkt, dat volgens hoofdstuk I, punt 4, van de bijlage de lidstaten hogere kosten mogen dekken en niet alleen bevoegd zijn om voor een bepaalde inrichting en onder bepaalde voorwaarden, die in wezen gelijk zijn aan die van de bijlage bij beschikking 88/408, de vastgestelde forfaitaire bedragen te verhogen (punt 4, sub a), maar eveneens om een specifieke retributie te innen die de werkelijk gemaakte kosten dekt (punt 4, sub b). Voorts staat artikel 2, lid 3, van de richtlijn de lidstaten algemeen toe, een bedrag te innen dat hoger is dan de communautaire retributie, onder voorbehoud dat het totaal van de geïnde retributie niet meer bedraagt dan de werkelijk gemaakte keuringskosten.

De bevoegdheid om de forfaitaire bedragen te verhogen, die de lidstaten bij punt 4, sub a, van hoofdstuk I van de bijlage bij de richtlijn is verleend, vormt een mogelijkheid om voor een bepaalde inrichting en onder bepaalde, voor rechterlijke toetsing vatbare voorwaarden af te wijken van het niveau van de communautaire retributies. De bevoegdheid om een specifieke retributie te innen die de werkelijk gemaakte kosten dekt,

welke hun bij punt 4, sub b, is verleend, is daarentegen een bevoegdheid waarvan zij algemeen en naar eigen inzicht gebruik kunnen maken, met als enige voorwaarde, dat de retributie de werkelijk gemaakte kosten niet overschrijdt.

Daar de bevoegdheid van de lidstaten om de werkelijke kosten dekkende bedragen te innen wanneer die kosten hoger zijn dan de forfaitaire bedragen vastgesteld in punt 1 van hoofdstuk I van de bijlage bij de richtlijn, dus geen voorwaarden bevat waarvan de inachtneming vatbaar is voor rechterlijke toetsing, moet worden geconcludeerd, dat artikel 2, lid 1, van de richtlijn voor de lidstaten geen onvoorwaardelijke verplichting inhoudt waarop particulieren voor de nationale rechterlijke instanties een beroep kunnen doen.

Met een andere vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of, ingeval een lidstaat de bevoegdheid tot inning van de retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees aan de gemeentelijke autoriteiten heeft overgedragen, artikel 2, lid 3, van de richtlijn hem toestaat retributies te innen waarvan het bedrag hoger is dan dat van de communautaire retributies, tot het bedrag van de werkelijke keuringskosten die op het gehele grondgebied van die lidstaat zijn gemaakt, of van de werkelijke keuringskosten die de bevoegde gemeentelijke autoriteit heeft gemaakt.

Het Hof heeft reeds geoordeeld, dat geen enkele bepaling van beschikking 88/408 de lidstaten verbood, aan regionale of plaatselijke instanties de bevoegdheid te delegeren, onder de voorwaarden en binnen de grenzen van artikel 2, lid 2, van die beschikking, van de forfaitaire retributieniveaus af te wijken.

Dit geldt eveneens voor de richtlijn die beschikking 88/408 heeft vervangen. Door, evenals de beschikking, in artikel 2, lid 4, te bepalen, dat de communautaire retributies in de plaats komen van alle andere sanitaire heffingen of retributies die de nationale, regionale of gemeentelijke overheden van de lidstaten innen voor de in artikel 1 bedoelde keuringen en controles, bevestigen de bewoordingen van deze richtlijn, dat de betrokken retributies zowel op nationaal als op regionaal of plaatselijk niveau kunnen worden geïnd.

Met betrekking tot de vraag, tot welk niveau van de werkelijke keuringskosten een lidstaat mag afwijken van de forfaitaire bedragen van de communautaire retributies indien hij de bevoegdheid om die retributies te innen aan de gemeentelijke autoriteiten heeft overgedragen, moet ten slotte worden opgemerkt, dat de retributies volgens artikel 1, lid 2, van de richtlijn in beginsel aldus worden vastgesteld, dat zij de kosten dekken die de bevoegde autoriteit voor de betrokken keuringen en sanitaire controles draagt.

Voorts mogen de lidstaten volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 3, van de richtlijn een bedrag innen dat de communautaire retributies overschrijdt tot aan het bedrag van de werkelijke keuringskosten.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Wanneer een lidstaat richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993, niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd, kan een particulier zich niet verzetten tegen de inning van hogere retributies dan de forfaitaire bedragen vastgesteld in punt 1 van hoofdstuk I van de bijlage bij die richtlijn, op voorwaarde dat die retributies de werkelijk gemaakte kosten niet overschrijden.

2) Een lidstaat kan zonder verdere voorwaarden gebruik maken van de hem bij punt 4, sub b, van hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, verleende bevoegdheid om een specifieke retributie te innen die de forfaitaire bedragen vastgesteld in punt 1 van hoofdstuk I overschrijdt, zolang de specifieke retributie de werkelijk gemaakte kosten maar niet overschrijdt.

3) Ingeval een lidstaat de bevoegdheid tot inning van de retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees aan de gemeentelijke autoriteiten heeft overgedragen, staat artikel 2, lid 3, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, hem toe, retributies te innen waarvan het bedrag hoger is dan dat van de communautaire retributies, tot het bedrag van de werkelijke keuringskosten die de bevoegde gemeentelijke autoriteit heeft gemaakt."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Tweede kamer van 18 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Punt 1 van hoofdstuk I van de bijlage bij artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993, is niet voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk, dat het aan een particulier rechtstreeks de mogelijkheid biedt, zich voor de nationale rechterlijke instanties te beroepen op de verplichting het daarin genoemde forfaitaire bedrag te betalen, wanneer niet tijdig omzettingsmaatregelen zijn getroffen, ten einde zich te verzetten tegen de inning door diensten van een lidstaat die van hem de betaling van hogere heffingen dan de in richtlijn 93/118 bedoelde forfaitaire bedragen vorderen, wanneer het bedrag van de gevorderde heffingen niet meer bedraagt dan de werkelijke kosten van de veterinaire keuringsdiensten. Bovendien wordt overeenkomstig punt 4, sub b, van de bijlage bij artikel 2, lid 1, van richtlijn 93/118 aan de lidstaten de bevoegdheid verleend om aldus af te wijken van het forfaitaire bedrag van de retributie, zonder dat zij vooraf de naleving van bepaalde voorwaarden behoeven aan te tonen.

2) Artikel 2, lid 3, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een lidstaat zijn bevoegdheden inzake heffing van retributies aan gemeentelijke autoriteiten heeft gedelegeerd, de in dit artikel vermelde 'werkelijke keuringskosten` worden opgevat als de door de betrokken gemeentelijke autoriteiten gemaakte kosten en niet als alle in de lidstaat gemaakte kosten."


Zaak C-64/98 P

Odette Nicos Petrides Co. Inc./Commissie van de Europese Gemeenschappen

Landbouw

9 september 1999

"Hogere voorziening · Beroep tot schadevergoeding · Gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak · Afwijzing door Commissie van ontvangen biedingen in inschrijvingsprocedures voor de verkoop van tabak in bezit van interventiebureaus ·

Ontoereikende motivering, beginselen van evenredigheid, gelijke behandeling en eerbiediging van de rechten van de verdediging"

(Derde kamer)

Bij op 3 maart 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Odette Nicos Petrides Co. Inc. hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 1997, Petrides/Commissie (T-152/95, Jurispr. blz. II-2427; hierna: "bestreden arrest"), waarbij haar beroep ex de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288 EG), strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de door bepaalde handelingen in het kader van haar beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak tijdens de periode 1990/1991 veroorzaakte schade, is verworpen.

Ingevolge verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak, moet de tabak die door interventiebureaus van de lidstaten tegen de interventieprijs wordt opgekocht, zo worden afgezet, dat iedere verstoring van de markt wordt voorkomen en een gelijke toegang tot de goederen en een gelijke behandeling van de kopers wordt gewaarborgd. De afzet van tabak geschiedt op grond van prijsvoorwaarden die voor elk geval afzonderlijk worden vastgesteld, rekening houdend met onder meer de ontwikkeling en de behoeften van de markt.

De afzet van die tabak vindt onder meer plaats door middel van een verkoop bij inschrijving, waarbij de Commissie een minimumprijs voor elke partij kan vaststellen of kan besluiten de verkoop bij inschrijving te staken. Elke inschrijver moet bij het betrokken interventiebureau een waarborg stellen, die is verhoogd tot 0,7 ECU per kilo verpakte tabak.

Rekwirante, een Griekse onderneming die tabak verwerkt en in Griekenland en in het buitenland verhandelt, heeft tussen april 1990 en eind 1991 aan vier inschrijvingsprocedures van de Commissie voor tabak deelgenomen.

Voor de eerste en de derde inschrijving besloot de Commissie niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de aangeboden prijzen tot marktverstoring zouden kunnen leiden. Voor de tweede inschrijving accepteerde de Commissie de bieding van een andere inschrijver voor de tweede partij, maar zij wees alle biedingen voor de eerste, de derde en de vierde partij af, met een beroep op het gevaar van marktverstoring. Voor de vierde inschrijving werden de biedingen van verzoekster afgewezen omdat zij niet voldeden aan de inschrijvingsvoorwaarden.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juli 1995, heeft rekwirante tegen de Commissie een beroep tot schadevergoeding ingesteld op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag.

Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de eerste inschrijving betrof, en verworpen wat de drie overige inschrijvingen betreft.

In hogere voorziening bestrijdt rekwirante het oordeel van het Gerecht omtrent de rechtmatigheid van de handelwijze van de Commissie.

Ontoereikende motivering wat betreft het bestaan van een marktverstoring bij de tweede en de derde inschrijving

Volgens rekwirante heeft het Gerecht niet uitgelegd, in hoeverre de doelstelling verstoring van de markt te voorkomen, bij de tweede en de derde inschrijving was bereikt. Haars inziens had het Gerecht de redenen moeten aangeven, waarom de toewijzing van een partij aan een andere inschrijver de tabaksmarkt niet verstoorde, gelet op het feit dat afwijzing van die bieding later ook voor die partij in een hogere

biedprijs had geresulteerd en de prijs de reden voor afwijzing van rekwirantes bieding was geweest. Deze motivering was noodzakelijk om de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel te kunnen controleren.

Rekwirante heeft in verband met de tweede inschrijving voor het Gerecht gesteld, dat de afwijzing van haar bieding niet berustte op vrees voor marktverstoring, maar voortkwam uit onbekendheid van de Commissie met de marktprijzen. Het Gerecht heeft ter zake geoordeeld, dat die eventuele onbekendheid niet relevant was voor de beoordeling van de toepassing van het evenredigheidsbeginsel en dat het besluit van de Commissie in ieder geval ertoe had geleid dat de betrokken marktdeelnemers bij de derde inschrijving hogere prijzen boden voor dezelfde partijen dan bij de tweede inschrijving.

Voor zijn beslissing tot afwijzing van het middel inhoudende dat de weigering van de Commissie om rekwirantes bieding tijdens de tweede inschrijving te aanvaarden niet werd gerechtvaardigd door de noodzaak marktverstoringen te voorkomen, behoefde het Gerecht niet te bezien, of voor de bij die inschrijving toegewezen partij een hogere prijs had kunnen worden verkregen tijdens een latere inschrijvingsprocedure. Deze vraag houdt verband met rekwirantes middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling dan wel met de geldigheid van een dergelijke procedure, die niet onderwerp van dit geschil is.

Ten aanzien van de derde inschrijving heeft het Gerecht geoordeeld, dat "verzoekster niets aangevoerd waaruit zou blijken, dat de Commissie bij haar besluit van 16 november 1990 om alle biedingen af te wijzen ter voorkoming van marktverstoringen, geen oog zou hebben gehad voor de marktbehoeften".

Deze motivering is voldoende.

Het eerste middel faalt derhalve.

Onjuiste beoordeling van de feiten bij de toetsing van de tweede inschrijving aan het evenredigheidsbeginsel

Deze stelling van rekwirante betreft in werkelijkheid een zelfstandig middel dat voor het eerst in hogere voorziening wordt voorgedragen.

Het tweede middel is bijgevolg niet-ontvankelijk.

Verkeerde opvatting van rekwirantes bewijsmiddelen bij de beoordeling van de naleving van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving

Het Gerecht heeft geoordeeld, dat verzoekster niet had aangetoond dat de Commissie twee vergelijkbare situaties verschillend had behandeld.

Rekwirante doet enkel een beroep op de bewijskracht van de voormelde notulen van het beheerscomité voor tabak en van het speciaal rapport van de Rekenkamer en stelt slechts, dat de Commissie "het mechanisme van aanpassing van de prijs na het weghalen van de Mavra uit een partij" heeft genegeerd. Deze punten kunnen niet leiden tot aantasting van zijn waardering van de feiten, waarbij het geen blijk heeft gegeven van een verkeerde opvatting van de verstrekte bewijzen.

Het middel faalt derhalve.

Schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70

De Commissie beschikt over een ruime bevoegdheid voor het beoordelen van ingewikkelde economische situaties bij de beslissing, geen gevolg te geven aan een inschrijvingsprocedure wegens het risico van marktverstoring. De aanvaarding of weigering van een bieding is dus geen eenvoudige mechanische

administratieve handeling, maar veronderstelt de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie. Dit is eveneens het geval bij de inschrijvingsprocedures waarom het in deze zaak gaat.

Het vierde middel faalt derhalve.

Schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel

Rekwirante had ter terechtzitting de gelegenheid alle haars inziens noodzakelijke opmerkingen over deze stukken naar voren te brengen, of kon ook om uitstel van de terechtzitting verzoeken teneinde het antwoord van de Commissie te bestuderen. Van deze mogelijkheden heeft zij geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden kan rekwirante zich niet in hogere voorziening beroepen op een procedurele waarborg waarvan zij aldus afstand heeft gedaan.

Dit middel faalt derhalve.

Onjuiste beoordeling van rekwirantes argumenten inzake het gelijkheidsbeginsel en de verhoging van de waarborgsom in verband met de vierde inschrijving

Het Gerecht moest zich uitspreken over de verschillende klachten die rekwirante had opgeworpen, en geen van de door haar aangevoerde redenen laat de conclusie toe, dat het Gerecht voor zijn afwijzing van een schending van het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel de gedragingen van de Commissie niet in hun geheel zou hebben beschouwd.

Dit middel faalt derhalve.

Schending van verordening nr. 3389/73

In het vooruitzicht van de vierde inschrijving heeft de Commissie bij verordening (EEG) nr. 395/90 de in verordening nr. 3389/73 bepaalde termijn van 45 dagen gereduceerd tot 20. De Commissie had tot deze verkorting besloten in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid die haar toekomt, en rekwirante heeft niet aangetoond, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

Beide verordeningen zijn gelijk in rang en hebben dezelfde rechtsgrondslag, te weten artikel 7, lid 4, van verordening nr. 727/70.

Het Hof, rechtdoende:

"1) Wijst de hogere voorziening af.

2) Verwijst Odette Nicos Petrides Co. Inc. in de kosten."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Derde kamer van 23 februari 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging het tweede en het derde middel van de onderhavige hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, alle andere middelen af te wijzen en verzoekster in de kosten te verwijzen.


Zaak C-102/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Milieu en consumenten

9 september 1999

"Niet-nakoming · Richtlijn 87/101/EEG · Verwijdering van afgewerkte olie · Uitvoering"

(Vijfde kamer)

Bij op 10 maart 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door geen voorrang te verlenen aan de recyclage van afgewerkte olie boven de thermische verwerking ervan, ofschoon er geen beperkingen van technische, economische en organisatorische aard bestaan, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG.

In 1991 liet de Duitse regering de Commissie weten, dat richtlijn 87/101 door middel van een aantal regelingen in nationaal recht was omgezet.

De Commissie verwijt de Bondsrepubliek Duitsland, geen voorrang te hebben gegeven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie, zonder evenwel aan te tonen dat technische, economische en organisatorische beperkingen zich tegen het verlenen van voorrang aan dit soort behandeling verzetten, en aldus artikel 3 van richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, te hebben geschonden.

De Commissie merkt ook op, dat de bepalingen waarmee richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, volgens de Bondsrepubliek Duitsland is uitgevoerd, de voorwaarden voor de regeneratie van afgewerkte olie regelen, doch aan de regeneratie geen voorrang verlenen.

Uit het onderzoek van de Duitse wettelijke regeling blijkt, dat geen enkele nationale bepaling uitdrukkelijk bepaalt, dat bij de behandeling van afgewerkte olie voorrang wordt verleend aan de regeneratie.

Een van de belangrijkste doelstellingen van richtlijn 87/101 was, voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie.

Een lidstaat die beperkingen van technische, economische en organisatorische aard kent waardoor geen voorrang kan worden verleend aan de behandeling door regeneratie, dient de subsidiaire verplichting na te komen, namelijk de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat iedere verbranding van afgewerkte olie plaatsvindt op een uit milieuoogpunt verantwoorde wijze, in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 75/439.

Slechts wanneer de afgewerkte olie niet wordt geregenereerd of verbrand in ecologisch aanvaardbare omstandigheden, dienen de lidstaten te voldoen aan de meer subsidiaire verplichting, de nodige maatregelen te treffen om de onschadelijke vernietiging of de gecontroleerde opslag of bewaring op of in de bodem van de afgewerkte olie te waarborgen.

De "beperkingen van technische, economische en organisatorische aard" leggen de lidstaten in algemene bewoordingen een verplichting op, en komen als zodanig niet in aanmerking voor de door de Commissie voorgestelde restrictieve uitlegging.

Met deze uitdrukking heeft de gemeenschapswetgever niet willen voorzien in beperkte uitzonderingen op een regel die van algemene toepassing is, maar de werkingssfeer en de inhoud van een positieve verplichting heeft willen definiëren om ervoor te zorgen, dat de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie voorrang krijgt.

De definitie van die beperkingen kan niet volledig aan de lidstaten worden overgelaten.

Mitsdien moet de bepaling betreffende de beperkingen van technische, economische of organisatorische aard worden uitgelegd tegen de achtergrond van de andere bepalingen van richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, teneinde aan alle bepalingen een nuttige werking te geven.

De bepaling betreffende de beperkingen moet worden opgevat als de uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel, op grond waarvan de lidstaten maatregelen moeten treffen die passend zijn voor en in verhouding staan tot het beoogde doel, namelijk voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie, met dien verstande dat de grens van deze positieve verplichting bestaat in beperkingen van technische, economische en organisatorische aard.

In casu heeft de Bondsrepubliek Duitsland geen enkele concrete maatregel genomen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie, en thans slechts verwijst naar haar eigen definitie van de beperkingen en naar de bestaande situatie op haar grondgebied om het volledige ontbreken van uitvoeringsmaatregelen te rechtvaardigen.

Integendeel, ofschoon er een stimulerende maatregel bestond in de vorm van de betaling van een vergoeding voor de regeneratie en ofschoon het beginsel van betaling van die vergoeding in overeenstemming was met richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, is die vergoeding bij een recente wet afgeschaft.

Bovendien heeft de Bondsrepubliek Duitsland ervoor gekozen, olie die als verwarmingsbrandstof wordt gebruikt, te blijven vrijstellen van de accijns op minerale olie, waarbij zij dus, in strijd met het doel van richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, de verbranding van die olie aanmoedigt, ofschoon de belasting van die olie in het algemene kader van richtlijn 92/81 voorkomt en een specifieke belasting in beginsel eveneens wordt toegestaan door artikel 15 van richtlijn 75/439, zoals gewijzigd.

In dit verband moet worden gepreciseerd, dat de mogelijkheid om een vrijstelling van de accijns op voor verbranding bestemde afgewerkte olie te blijven toepassen, welke mogelijkheid bij een beschikking van de Raad is goedgekeurd, niet tot gevolg heeft, dat geen rekening mag worden gehouden met de fiscale maatregelen die de Bondsrepubliek Duitsland had kunnen treffen om te voldoen aan haar verplichting, richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, uit te voeren.

Het staat weliswaar niet aan het Hof, te bepalen welke maatregelen een lidstaat had kunnen nemen om richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, uit te voeren, doch het dient te onderzoeken, of het mogelijk was maatregelen te treffen die voorrang geven aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie en die voldoen aan het criterium, dat die maatregelen vanuit technisch, economisch en organisatorisch oogpunt haalbaar moeten zijn.

Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat er verschillende maatregelen waren die het doel om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie konden helpen verwezenlijken en waarvan de vaststelling vanuit technisch, economisch en organisatorisch oogpunt mogelijk was, maar dat de Bondsrepubliek Duitsland geen van die maatregelen heeft getroffen, doch juist een ervan heeft afgeschaft en op geen enkele andere passende wijze heeft getracht, het door richtlijn 75/439, zoals gewijzigd, beoogde doel te bereiken.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) Door niet de nodige maatregelen te nemen om voorrang te verlenen aan de behandeling van afgewerkte olie door regeneratie, ofschoon er geen beperkingen van technische, economische en organisatorische aard bestonden, heeft de Bondsrepubliek Duitsland niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986.

2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 11 februari 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"1) vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de nodige maatregelen te treffen om voorrang te verlenen aan de stoffelijke verwerking van afgewerkte olie door regeneratie;

2) de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen."


Zaak C-108/98

RI.SAN. Srl/Comune di Ischia, Italia Lavoro SpA, voorheen GEPI SpA, Ischia Ambiente SpA

Vrij verrichten van diensten

9 september 1999

Prejudiciële zaak

"Vrijheid van vestiging · Vrij verrichten van diensten · Organisatie van afvalinzameling"

(Vijfde kamer)

Bij beschikking van 19 november en 11 december 1997 heeft het Tribunale amministrativo regionale della Campania twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 55 en 90, lid 2, EG-Verdrag (thans artikelen 45 EG en 86, lid 2, EG).

Die vragen zijn gerezen in een geding tussen RI.SAN. Srl (hierna: "RI.SAN.") enerzijds en de gemeente Ischia, Italia Lavoro SpA (hierna: "Italia Lavoro"), voorheen GEPI SpA (hierna: "GEPI"), en Ischia Ambiente SpA (hierna: "Ischia Ambiente") anderzijds, over de organisatie door de gemeente van de inzameling van vast stedelijk afval.

De gemeente Ischia richtte een aandelenvennootschap met gemengd kapitaal op voor de inzameling van vast stedelijk afval. De gemeente bezat 51 % en GEPI 49 % van het kapitaal van deze vennootschap. In november 1996 belastte de gemeenteraad deze vennootschap, Ischia Ambiente, met de inzameling van het vast stedelijk afval; dit werd voorheen ingezameld door RI.SAN., op basis van een contract dat op 4 januari 1997 afliep.

Bij twee beroepen kwam RI.SAN. op tegen deze gemeenteraadsbesluiten; zij betoogde met name, dat zowel de keuze van de particuliere partner als de gunning van de afvalinzameling bij wege van een procedure van openbare aanbesteding had moeten gebeuren.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 55 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat op grond daarvan een gemeente een financieringsmaatschappij zonder aanbestedingsprocedure als partner kan kiezen in een vennootschap waarin de plaatselijke overheden een meerderheidsparticipatie hebben en die tot doel heeft de inzameling van vast stedelijk afval.

Uit de stukken blijkt, dat de vennootschap RI.SAN., die de wettigheid van de door de gemeente verrichte keuze betwist, in Italië is gevestigd en niet met een beroep op de vrijheid van vestiging of het vrij verrichten van diensten op de Italiaanse markt werkzaam is.

Een dergelijke situatie heeft dus geen enkel aanknopingspunt met de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties op het gebied van het vrije verkeer van personen en diensten.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 55 EG-Verdrag (thans artikel 45 EG) is niet van toepassing in een situatie als die van het hoofdgeding, die zich in al haar aspecten binnen een enkele lidstaat afspeelt en uit dien hoofde geen enkel aanknopingspunt heeft met de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties op het gebied van het vrije verkeer van personen en diensten."

Advocaat-generaal S. Alber heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 18 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) De artikelen 52 en volgende (respectievelijk 59 en volgende) zijn niet van toepassing op een zuiver nationale situatie die geen enkele band met het gemeenschapsrecht heeft, wanneer de wettigheid van een nationale bepaling volgens welke gemeenten vrijelijk en zonder openbare inschrijving een in die bepaling met name en rechtstreeks vermelde vennootschap kunnen kiezen met het oog op oprichting van een gemeenschappelijke onderneming, voor de nationale rechter wordt betwist door een andere, in dezelfde lidstaat gevestigde onderneming, zoals in casu het geval is.

2) Artikel 90, lid 2, EG-Verdrag · en derhalve de verdragsbepalingen, waaronder de mededingingsregels, · zijn niet van toepassing op een onderneming als GEPI SpA die slechts in het leven is geroepen voor de oprichting van vennootschappen met de gemeenten, daar deze onderneming geen enkele prestatie levert in de zin van artikel 90, lid 2, EG-Verdrag."


Zaak C-217/97

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland

Milieu en consumenten

9 september 1999

"Niet-nakoming · Richtlijn 90/313/EEG · Vrije toegang tot milieu-informatie · Begrip overheidsinstanties · Uitsluiting van rechterlijke instanties, Openbaar ministerie en tuchtrechtelijke instanties · Gedeeltelijke informatieverstrekking · Uitsluiting van recht op informatie gedurende administratieve procedure · Bedrag en modaliteiten van vergoedingen"

(Zesde kamer)

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990

De richtlijn heeft "tot doel de vrije toegang tot milieu-informatie waarover de overheidsinstanties beschikken en de verspreiding van dergelijke informatie te waarborgen, en vast te stellen volgens welke grondregels en voorwaarden dergelijke informatie ter beschikking moet worden gesteld".

Zij is in het Duitse recht omgezet door het Umweltinformationsgesetz (hierna: "UIG").

De Commissie grondt haar beroep op vier grieven, te weten: onjuiste uitvoering van artikel 2, sub b, van de richtlijn, wegens de algemene uitsluiting van rechterlijke instanties, Openbaar ministerie en tuchtrechtelijke instanties van het toepassingsgebied van het UIG; onjuiste uitvoering van artikel 3, lid 2, eerste alinea, derde streepje, van de richtlijn, wegens de uitsluiting van het recht op informatie tijdens een "administratieve procedure"; niet-uitvoering van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn daar het UIG geen bepaling over de gedeeltelijke informatieverstrekking bevat, en, ten slotte, onjuiste uitvoering van artikel 5 van de richtlijn, doordat de Duitse regeling ook toestaat, dat een vergoeding wordt geëist wanneer het verzoek om informatie wordt afgewezen, en de vergoeding niet tot een redelijk bedrag beperkt.

De grief betreffende de onjuiste uitvoering van artikel 2, sub b, van de richtlijn

De Commissie heeft niet aangetoond, dat in Duitsland instanties die normaal in een rechterlijke hoedanigheid optreden en om die reden in beginsel niet aan de richtlijn zijn onderworpen, ook op het gebied van het milieu verantwoordelijkheid kunnen dragen of over milieu-informatie kunnen beschikken wanneer zij buiten hun strikt rechterlijke functies optreden.

Gelet op het feit dat de Commissie zich niet kan baseren op het vermoeden dat in Duitsland alle rechterlijke instanties en de overige lichamen die normaal in een rechterlijke hoedanigheid optreden, als overheidsinstanties in de zin van de richtlijn moeten worden beschouwd, en dat zij niet op omstandige wijze heeft aangetoond, dat die instanties over milieu-informatie beschikken die buiten het kader van hun rechterlijke activiteiten zijn verkregen en om die reden onder de richtlijn vallen, moet de eerste grief van de Commissie worden afgewezen.

De grief betreffende de onjuiste uitvoering van artikel 3, lid 2, eerste alinea, derde streepje, van de richtlijn

Het begrip "opsporingsonderzoek" in artikel 3, lid 2, derde streepje, van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat een administratieve procedure als bedoeld in § 7, lid 1, punt 2, UIG, die beperkt blijft tot de voorbereiding van een bestuursrechtelijke maatregel, daar slechts onder valt indien zij onmiddellijk aan een contentieuze of quasi-contentieuze procedure voorafgaat en voortvloeit uit de noodzaak, vóór de inleiding van de eigenlijke procedurele fase bewijzen te verkrijgen of een zaak te instrueren.

De grief betreffende de niet-uitvoering van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn

Hoewel artikel 3, lid 2, van de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt, in limitatief opgesomde gevallen een verzoek om informatie af te wijzen, legt de tweede alinea van deze bepaling hun de verplichting op, die informatie te verstrekken die kan worden gescheiden van informatie over zaken die een vertrouwelijke behandeling verdienen. Deze bepaling legt de lidstaten dus een concrete resultaatsverplichting op en regelt rechtstreeks de rechtssituatie van de particulieren, die aldus recht hebben op informatieverstrekking onder de in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn bepaalde voorwaarden.

Evenwel staat vast, dat de verplichting tot gedeeltelijke verstrekking van milieu-informatie in Duitsland niet op voldoende duidelijke en bepaalde wijze wordt verzekerd om de rechtszekerheid te waarborgen en personen die een verzoek om informatie kunnen indienen, in staat te stellen van al hun rechten kennis te krijgen.

Aangezien het UIG geen uitdrukkelijke bepaling over gedeeltelijke informatieverstrekking bevat, is het immers mogelijk, dat een natuurlijke of rechtspersoon die een verzoek om informatie indient, geen weet heeft van het feit dat de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn vastgestelde weigeringsgronden een gedeeltelijke informatieverstrekking niet in de weg staan, en is het ook mogelijk dat de overheidsinstanties tot wie dit verzoek gericht is, ervoor terugschrikken hieraan te voldoen.

In dupliek heeft de Duitse regering betoogd, dat de bij artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn opgelegde verplichting tot gedeeltelijke informatieverstrekking in het Duitse recht is omgezet door punt 3.3 van het Gebührenverzeichnis, volgens hetwelk een vergoeding van 2 000 tot 10 000 DM kan worden geëist, "wanneer ter bescherming van het algemeen belang of van particuliere belangen, in de te verstrekken documenten een grote hoeveelheid informatie dient te worden verwijderd".

Deze bepaling echter is in elk geval niet van dien aard is, dat zij de verplichting van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn duidelijk overneemt. Dat met het oog op de toepassing van de regels voor het eisen van bepaalde vergoedingen de gedeeltelijke informatieverstrekking wordt vermeld in een bij de nationale regeling gevoegde bijlage houdende vaststelling van de vergoedingen die voor verstrekking van milieu-informatie kunnen worden geëist, bijlage die dan nog alleen voor de bondsinstanties geldt, is geen passend middel om personen die om informatie verzoeken, in staat te stellen al hun rechten te kennen en deze zo nodig geldend te maken voor de nationale rechter.

De grief betreffende de onjuiste uitvoering van artikel 5 van de richtlijn

De richtlijn staat de lidstaten toe een vergoeding te eisen voor het verstrekken van milieu-informatie.

Volgens diezelfde bepaling mag die vergoeding evenwel een redelijk bedrag niet te boven gaan.

Het begrip "redelijk bedrag" dient aldus te worden begrepen, dat het een lidstaat niet is toegestaan, alle kosten, met name de indirecte, die een opzoeking van informatie daadwerkelijk voor de openbare financiën meebrengt, te verhalen op de persoon die een verzoek om informatie heeft ingediend.

Wat betreft het eerste onderdeel van de grief, heeft de Commissie niet aangetoond, dat die regeling niet voldoet om te verzekeren dat de vergoeding die voor het verstrekken van milieu-informatie wordt geëist, een redelijk bedrag niet te boven gaat.

Wat betreft het tweede onderdeel van de grief zij opgemerkt, dat artikel 5 van de richtlijn de lidstaten toestaat, een vergoeding te eisen voor het "verstrekken" van informatie, doch niet voor het stellen van bestuursrechtelijke handelingen in het kader van een verzoek om informatie.

Het doel van de richtlijn, de vrije toegang tot milieu-informatie te verzekeren en elke beperking van deze vrije toegang tegen te gaan, verzet zich tegen elke uitlegging waardoor personen die informatie wensen te verkrijgen, ervoor kunnen terugschrikken een desbetreffend verzoek in te dienen.

Bovendien kan het eisen van een vergoeding in geval van afwijzing van het verzoek om informatie niet als redelijk worden beschouwd, aangezien in dat geval in feite geen enkele informatie in de zin van artikel 5 van de richtlijn is verstrekt.

Het Hof, rechtdoende, verstaat:

"1) · Door zolang een administratieve procedure duurt geen toegang te verlenen tot informatie die de overheidsinstanties in het kader van deze procedure hebben verkregen,

· door in het Umweltinformationsgesetz geen bepaling op te nemen volgens welke milieu-informatie gedeeltelijk wordt verstrekt wanneer zij kan worden gescheiden van informatie over zaken waarmee de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie, bedoelde belangen zijn gemoeid, en

· door de betaling van een vergoeding niet te beperken tot de gevallen waarin daadwerkelijk informatie is verstrekt,

is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens de artikelen 3, lid 2, eerste alinea, derde streepje, en tweede alinea, en 5 van richtlijn 90/313 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen."

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 28 januari 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging:

"1) vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland,

· door in haar uitvoeringsregeling geen bepaling op te nemen die overheidsinstanties uitdrukkelijk oplegt, gedeeltelijke informatie te verstrekken wanneer het mogelijk is deze te scheiden van informatie over zaken waarmee de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie, bedoelde belangen zijn gemoeid,

· door de uitzondering van § 7, lid 1, punt 2, van het Umweltinformationsgesetz van 4 juli 1994 niet te beperken tot administratieve procedures die onmiddellijk aan een contentieuze of quasi-contentieuze procedure voorafgaan en voortvloeien uit de noodzaak vóór de inleiding van de eigenlijke procedurele fase bewijzen te verkrijgen of een zaak te instrueren,

· door niet te waarborgen, dat de totale vergoeding die voor de informatieverstrekking van de verzoeker wordt geëist, een redelijk bedrag niet te boven gaat, en door overheidsinstanties toe te staan, een vergoeding te eisen wanneer een verzoek wordt afgewezen,

de krachtens artikel 3, lid 2, eerste alinea, derde streepje, en tweede alinea, en artikel 5 van richtlijn 90/313/EEG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2) de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen."


Zaak C-281/97

A. Krüger/Kreiskrankenhaus Ebersberg

Sociale politiek

9 september 1999

Prejudiciële zaak

"Gelijke behandeling van mannen en vrouwen · Kerstgratificatie · Toekenningsvoorwaarden"

(Zesde kamer)

Bij beschikking van 3 juli 1997 heeft het Arbeitsgericht een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

Deze vraag is gerezen in een geding tussen Krüger en Kreiskrankenhaus Ebersberg over de betaling van een bijzondere jaarlijkse uitkering.

Krüger werd door verweerder in het hoofdgeding aangeworven voor een voltijdbaan als verpleegster. De dienstbetrekking viel onder het Bundesangestelltentarifvertrag van 1961 (collectieve arbeidsovereenkomst voor arbeidscontractanten in de overheidssector; hierna: "BAT").

Sedert 20 september 1995 werkt Krüger bij verweerder in het hoofdgeding in beperkt dienstverband in de zin van het Sozialgesetzbuch (Sociaal Wetboek; hierna: "SGB"); zij werkt in de regel minder dan vijftien uur per week en ontvangt daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon. Beperkte dienstverbanden zijn vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen.

Krüger verzocht haar werkgever om betaling van de bijzondere jaarlijkse uitkering voor 1995, een kerstgratificatie gelijk aan één maand loon, waarin het Zuwendungs-Tarifvertrag van 1973 (collectieve arbeidsovereenkomst betreffende een uitkering aan de werknemers; hierna: "ZTV") voorziet.

Verweerder in het hoofdgeding weigerde deze uitkering toe te kennen, op grond dat het ZTV alleen van toepassing is op personen wier dienstbetrekking door het BAT wordt geregeld, en dat personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB volgens § 3 n BAT van het toepassingsgebied van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten.

De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 76/207 aldus moeten worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie van vrouwen oplevert, wanneer deze uitsluiting een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft.

Richtlijn 76/207

Uit de tweede overweging van de considerans van richtlijn 76/207 volgt, dat zij niet ziet op de beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag.

Een kerstgratificatie die de werkgever krachtens een wet of een collectieve arbeidsovereenkomst aan de werknemer uitkeert, wordt uit hoofde van de dienstbetrekking van laatstgenoemde betaald en vormt derhalve een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag. Zij valt dus niet onder het toepassingsgebied van richtlijn 76/207.

Artikel 119 van het Verdrag

Artikel 119 van het Verdrag ziet niet op discriminatie van een groep werknemers ten opzichte van een andere groep werknemers van hetzelfde geslacht.

Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde weigering om de uitkering toe te kennen, staat vast, dat de omstandigheid dat personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB van het toepassingsgebied van het BAT zijn uitgesloten, geen rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie vormt. Derhalve dient te worden nagegaan, of een dergelijke maatregel een door artikel 119 van het Verdrag verboden indirecte discriminatie kan zijn.

Volgens vaste rechtspraak verzet artikel 119 van het Verdrag zich tegen een bepaling uit een nationale regeling of uit een collectieve arbeidsovereenkomst die weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, doch feitelijk een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen treft, tenzij die bepaling haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

Doordat personen met een beperkt dienstverband zijn uitgesloten van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de toekenning van een bijzondere jaarlijkse uitkering, worden zij anders behandeld dan werknemers met een voltijdbaan. Indien de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is de feiten te beoordelen, vaststelt, dat deze uitsluiting weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, maar in feite een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen treft, moet hij daaruit concluderen, dat de betrokken collectieve arbeidsovereenkomst een indirecte discriminatie in de zin van artikel 119 van het Verdrag vormt.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is ongeacht het geslacht van de werknemer, maar die in feite een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft, van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt."

Advocaat-generaal P. Léger heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 3 december 1998 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 119 EG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, dienen aldus te worden uitgelegd, dat bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij personen met een van de verplichte sociale verzekering vrijgesteld, als beperkt aangemerkt dienstverband, die in de regel minder dan vijftien uur per week werken en daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen, worden uitgesloten van een bijzondere jaarlijkse uitkering, waarop de andere onder die collectieve arbeidsovereenkomsten vallende werknemers recht hebben, geen discriminatie op grond van geslacht vormen. Dit is zelfs het geval wanneer die bepalingen aanzienlijk meer vrouwen dan mannen treffen, doch de sociale partners er in redelijkheid van konden uitgaan, dat de betrokken collectieve arbeidsovereenkomsten noodzakelijk waren ter verwezenlijking van een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht."


Bij het Gerecht van eerste aanleg aanhangige zaken

Zaak T-110/98

RJB Mining plc/Commissie van de Europese Gemeenschappen

EGKS

9 september 1999

"EGKS-Verdrag · Staatssteun · Steun voor bedrijfsvoering · Terugwerkende goedkeuring van reeds uitgekeerde steun · Verbetering van levensvatbaarheid van steunontvangende ondernemingen, in de zin van artikel 3 van beschikking nr. 3632/93/EGKS"

(Eerste kamer · uitgebreid)

In 1994 legde Duitsland aan de Commissie een moderniserings-, rationaliserings- en herstructeringsplan voor de Duitse kolenindustrie voor. De Commissie hechtte haar goedkeuring voor 1994, 1995 en 1996 aan de aangemelde financiële maatregelen, waartegen verzoekster geen beroep heeft ingesteld.

Verzoekster is een particuliere kolenmijnonderneming in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die de belangrijkste kolenmijnen van British Coal heeft overgenomen en heeft gepoogd een markt te vinden voor haar eigen overschotten inzonderheid in Duitsland.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg op 20 juli 1998 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld tegen beschikking 98/687/EGKS van de Commissie waarbij goedkeuring is verleend voor steunmaatregelen van Duitsland ten behoeve van de kolenindustrie in 1997 ten bedrage van 10,4 miljard DM.

Verzoekster heeft daarnaast ook beroep ingesteld (T-111/98, thans geschorst) tot nietigverklaring van drie beschikkingen van de Commissie waarbij goedkeuring werd verleend voor steun van het Koninkrijk Spanje aan de kolenindustrie voor respectievelijk 1994 tot 1996, 1997 en 1998.

Het middel ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om reeds betaalde steun achteraf goed te keuren

Verzoekster stelt dat de steun als bedoeld in de bestreden beschikking door de Bondsrepubliek Duitsland aan de begunstigde ondernemingen werd toegekend voordat daarvoor goedkeuring was verleend, zodat de Commissie ingevolge de steunregeling van 1993 die steun niet achteraf kon goedkeuren.

Geen enkele bepaling van de steunregeling verzet zich ertegen dat de Commissie de verenigbaarheid van voorgenomen steun met de gemeenschappelijke markt zou onderzoeken, op de enkele grond dat de lidstaat die de voorgenomen steun heeft aangemeld, het steunbedrag reeds heeft betaald zonder te wachten op voorafgaande goedkeuring.

Wat de rechtsgevolgen betreft van een schending van het procedurele beginsel van voorafgaande goedkeuring, maakt artikel 9, lid 5, van algemene beschikking nr. 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (hierna: "steunregeling 1993" of "steunregeling") de terugbetaling van te vroeg betaalde steun uitdrukkelijk afhankelijk van de voorwaarden dat de Commissie de goedkeuring moet hebben geweigerd en houdt het noodzakelijkerwijs in, dat de Commissie bevoegd is om goedkeuring te verlenen.

De schending van de procedurevoorschriften als bedoeld in artikel 93, lid 3, EG-Verdrag is niet van dien aard, dat zij de Commissie ontslaat van de verplichting de verenigbaarheid van steunmaatregelen te onderzoeken aan de hand van de criteria van artikel 92, lid 2, EG-Verdrag, en dat de Commissie niet de ongeldigheid van steunmaatregelen kan vaststellen zonder te onderzoeken of zij al dan niet verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.

Die uitlegging, die de Commissie verplicht achteraf een onderzoek in te stellen, brengt noodzakelijkerwijs mee dat een bevestigend antwoord moet worden gegeven op de vraag of zij bevoegd is om steun die is betaald zonder te zijn goedgekeurd, achteraf kan goedkeuren.

Het middel ontleend aan schending van artikel 3 van de steunregeling van 1993

Verzoekster stelt, dat de Commissie, door in het kader van artikel 3 van de steunregeling steun voor de bedrijfsvoering goed te keuren zonder de economische rentabiliteit van elk van de begunstigde ondernemingen te onderzoeken, het EGKS-Verdrag heeft geschonden en een kennelijke dwaling heeft begaan.

Nergens in de steunregeling is uitdrukkelijk bepaald, dat steun voor de bedrijfsvoering strikt moet worden gereserveerd voor ondernemingen met redelijke kansen op economische rentabiliteit op lange termijn, in die zin dat zij moeten in staat zijn met eigen middelen het hoofd te bieden aan de mededinging op de wereldmarkt. Bijgevolg moet via een uitlegging van de relevante bepalingen van de steunregeling de strekking worden bepaald van het begrip rentabiliteit dat inherent is aan de regeling inzake steun voor de bedrijfsvoering, dat wil zeggen, volgens de algemeen aanvaarde betekenis daarvan, steun waardoor een onderneming geheel of gedeeltelijk wordt bevrijd van de kosten die zij in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden normaliter zelf zou moeten dragen.

De bepalingen van de steunregeling verlangen niet dat de steunontvangende onderneming de rentabiliteit verwezenlijkt tegen het einde van een vooraf vastgestelde periode. Zij verlangen alleen een "verbetering" van de economische rentabiliteit.

De reden voor deze enigszins vrijblijvende formulering, is de economische realiteit waarop het systeem van staatssteun voor de communautaire kolenindustrie is gebaseerd, namelijk de structurele onmogelijkheid voor deze sector om het hoofd te bieden aan de mededinging, omdat de meeste van de betrokken ondernemingen niet opgewassen zijn tegen de mededinging van importen uit derde landen.

Hieruit volgt, dat de verbetering van de economische rentabiliteit van een bepaalde onderneming uit de aard der zaak niet meer inhoudt dan een verlaging van haar onrentabiliteit en haar onvermogen om het hoofd te bieden aan de mededinging.

Vervolgens moet worden onderzocht in welke middelen de steunregeling voorziet ter verwezenlijking van de doelstelling van een verbetering van de economische rentabiliteit.

Deze verbetering moet worden verwezenlijkt door een "verlaging van de productiekosten". Waar de wetgever uitdrukkelijk bepaalde, dat deze verlaging moet bijdragen tot een verbetering van de "rentabiliteit" en niet alleen van de economische "situatie" van de betrokken ondernemingen, ging hij uit van de idee, dat een onbetekenende of zelfs louter symbolische verlaging van de productiekosten ontoereikend is om de goedkeuring van steun voor de bedrijfsvoering van deze ondernemingen te kunnen rechtvaardigen.

Een beperking van de productiekosten is ontoereikend om de goedkeuring van steun voor de bedrijfsvoering te rechtvaardigen. Alleen steun die bijdraagt tot de verwezenlijking van tenminste een van de aldaar gepreciseerde doelstellingen, kan worden beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2, lid 1, van de steunregeling somt drie doelstellingen op die overeenkomen met specifieke steuncategorieën. De verwezenlijking, in het licht van de kolenprijzen op de internationale markten, van verdere vooruitgang in de richting van economische rentabiliteit, teneinde de degressie van de steunmaatregelen te verwezenlijken (eerste streepje), heeft betrekking op steun voor de bedrijfsvoering.

Wanneer blijkt, dat de aanzienlijke beperking van de productiekosten bijdraagt tot de verwezenlijking van een daling van de steun voor de bedrijfsvoering, kan de Commissie op goede gronden tot de conclusie komen, dat de betrokken ondernemingen in staat zijn een verbetering van hun economische rentabiliteit te verwezenlijken.

Het Gerecht, rechtdoende:

"1) Verklaart het middel ontleend aan het gestelde verbod om zonder voorafgaande goedkeuring uitgekeerde steun a posteriori goed te keuren, ongegrond.

2) Verklaart het middel ontleend aan schending van artikel 3 van beschikking 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie, ongegrond.

3) Verwerpt het beroep voor zover het gebaseerd is op deze twee middelen.

4) Nodigt partijen uit hun standpunt kenbaar te maken over het verdere verloop van de procedure, binnen een termijn die door de president van het Gerecht zal worden vastgesteld.

5) Houdt de beslissing over de kosten aan."


Zaak T-127/98

UPS Europe SA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

Mededinging

9 september 1999

"Mededinging · Beroep wegens nalaten · Onderzoekplicht van Commissie · Redelijke termijn"

(Vierde kamer)

Verzoekster is een van de vennootschappen van de groep United Parcel Service (hierna: "UPS"), die wereldwijd pakketten bestelt.

Bij brief van 7 juli 1994 diende verzoekster bij de Commissie een klacht in, met het verzoek een procedure in te leiden om onder meer vast te stellen, dat het onrechtmatige gedrag van de Deutsche Bundespost (hierna: "Deutsche Post"), op de markt van de postdiensten en de kruisfinanciering van deze postdiensten in strijd waren met de artikelen 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG), 90 EG-Verdrag (thans artikel 86 EG), 92 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) en 93 EG-Verdrag (thans artikel 88 EG).

Bij brief van 21 maart 1995 wees de Commissie verzoekster erop, dat de klacht alleen uit het oogpunt van artikel 86 van het Verdrag zou worden onderzocht en dat zij, desgewenst, een afzonderlijke, "op wezenlijke punten met meer bewijzen gestaafde klacht" krachtens artikel 92 van het Verdrag kon indienen.

De Commissie stuurde ook aan UPS drie brieven als bedoeld in artikel 11 van verordening nr. 17.

Op 19 november 1996 stuurde verzoeksters raadsman de Commissie een aanmaningsbrief, waarin hij uitdrukkelijk verwees naar artikel 175 EG-Verdrag (thans artikel 232 EG).

De Commissie antwoordde ook op twee vragen van verzoekster over de stand van het dossier.

Bij brief van 25 augustus 1997 wees de directeur bij het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie (DG IV) verzoekster erop, dat de Commissie haar onderzoek betreffende artikel 86 van het Verdrag schorste en het onderzoek voortzette op grond van artikel 92 van het Verdrag.

Op 22 oktober 1997 verzocht verzoekster de Commissie officieel · onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 175 van het Verdrag · haar standpunt te bepalen over haar klacht van 7 juli 1994 en het in de brief van 25 augustus 1997 ingenomen standpunt over de tegen Deutsche Post ingeleide procedure betreffende artikel 86 van het Verdrag te herzien.

Op 19 december 1997 stuurde de directeur-generaal van DG IV verzoekster een brief waarin hij aankondigde, dat de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag begin 1998 zou worden ingeleid en dat er geen enkele reden was om verzoeksters verzoek betreffende artikel 86 EG-Verdrag toe te wijzen.

Hij nodigde verzoekster ook uit haar opmerkingen kenbaar te maken, doch sloot niet uit, dat het onderzoek ter zake van artikel 86 van het Verdrag zou worden heropend.

Bij brief van 2 februari 1998 diende verzoekster haar opmerkingen betreffende de brief van 19 december 1997 in; in die opmerkingen kwam zij op tegen het voornemen van de Commissie om het onderzoek betreffende artikel 86 van het Verdrag niet voort te zetten.

Op 2 juni 1998 stuurde verzoekster de Commissie een aanmaningsbrief waarin zij uitdrukkelijk verwees naar artikel 175 van het Verdrag en haar verzocht om een definitieve beslissing over de tegen Deutsche Post ingeleide procedure betreffende artikel 86 van het Verdrag.

Verzoeksters vordering strekt tot vaststelling van het nalaten van de Commissie ten aanzien van de op 7 juli 1994 ingediende klacht, doordat zes maanden waren verlopen sinds verzoekster op 2 februari 1998 overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63 haar opmerkingen over de brief van de Commissie van 19 december 1997 had ingediend.

Om uitspraak te kunnen doen over de gegrondheid van de vordering wegens nalaten moet worden nagegaan, of ten tijde van de aanmaning van de Commissie in de zin van artikel 175 van het Verdrag, op de Commissie een verplichting tot handelen rustte.

Een aan de klager gerichte brief die aan de voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 99/63 voldoet, vormt een standpuntbepaling in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag. Een dergelijke standpuntbepaling maakt een einde aan het stilzitten van de Commissie.

Wanneer de klager zijn opmerkingen over de overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63 toegezonden mededeling heeft ingediend, is de Commissie gehouden, hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie de klacht is gericht, hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen, waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de gemeenschapsrechter.

De definitieve beschikking van de Commissie dient overeenkomstig de beginselen van goed bestuur binnen een redelijke termijn, te rekenen vanaf de ontvangst van de opmerkingen van de klager, te worden gegeven.

Of de duur van een administratieve procedure redelijk is, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak.

In casu waren er op het tijdstip waarop de Commissie overeenkomstig artikel 175 van het Verdrag is aangemaand, en op het tijdstip waarop het verzoekschrift is neergelegd, te rekenen vanaf de ontvangst van verzoeksters opmerkingen, vier respectievelijk zes maanden verstreken.

Om uit te maken of deze termijnen toereikend waren, moet worden onderzocht wat de Commissie in deze periode had moeten doen. In de procedure van onderzoek van een klacht moeten drie achtereenvolgende fasen worden onderscheiden. Tijdens de eerste fase, die volgt op de indiening van de klacht, verzamelt de Commissie de nodige gegevens om te beoordelen, welk gevolg aan de klacht moet worden gegeven. In de tweede fase laat de Commissie de klager weten, waarom zij meent geen gunstig gevolg te kunnen geven aan zijn klacht, en geeft zij hem een termijn waarbinnen hij desgewenst opmerkingen kan inzenden. In de derde fase neemt de Commissie kennis van de door de klager ingediende opmerkingen. Na deze fase is zij gehouden om hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie de klacht is gericht, hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen, waartegen dan een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de gemeenschapsrechter.

In casu was op het tijdstip waarop verzoekster de Commissie op 2 juni 1998 een aanmaning heeft gezonden, de procedure van onderzoek van de klacht, in de derde en laatste fase.

Ten tijde van de aanmaning was de Commissie dus gehouden om hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie de klacht was gericht, hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen. Zij werd niet geacht het onderzoek te heropenen.

De Commissie had redelijkerwijs in staat moeten zijn, hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie de klacht was gericht, hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen, tenzij zij aantoonde dat uitzonderlijke omstandigheden die termijnen rechtvaardigden.

Geen enkele van de door de Commissie aangevoerde argumenten kan haar stilzitten gedurende de betrokken perioden rechtvaardigen.

Hieruit volgt dat de Commissie op 2 augustus 1998, twee maanden nadat zij op 2 juni 1998 de uitnodiging tot handelen had ontvangen, in verzuim was, doordat zij had nagelaten een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie verzoeksters klacht van 7 juli 1994 was gericht, of een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen.

Het Gerecht, rechtdoende, verstaat:

"1) Door te hebben nagelaten om na de opmerkingen van 2 februari 1998 over de mededeling die aan verzoekster was gezonden overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad, hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon tegen wie verzoeksters klacht van 7 juli 1994 was gericht, hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen, is de Commissie de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het overige.

3) De Commissie wordt in de kosten verwezen."


2. CONCLUSIES

Zaak C-34/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Art. 48 en 52 EG-Verdrag (thans art. 39 en 43 EG) · Art. 13 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 · Heffing van de bijdrage voor de aanzuivering van de sociale schuld over de beroeps- en vervangingsinkomsten van werknemers en zelfstandigen die in Frankrijk wonen, maar in een andere lidstaat werken en daardoor aan de socialezekerheidswetgeving van laatstgenoemde staat zijn onderworpen

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van het Hof van 7 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven:

"· beide beroepen toe te wijzen en vast te stellen dat de Franse Republiek de krachtens de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 respectievelijk 43 EG) en artikel 13 van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

1) door de bijdrage voor de aanzuivering van de sociale schuld toe te passen op de beroeps- en vervangingsinkomsten van werknemers en zelfstandigen die in Frankrijk wonen, maar in een andere lidstaat werken en volgens die verordening niet aan de Franse socialezekerheidswetgeving onderworpen zijn;

en

2) door de 'contribution sociale généralisée` toe te passen op de beroeps- en vervangingsinkomsten van werknemers en zelfstandigen die in Frankrijk wonen, maar volgens die verordening niet aan de Franse socialezekerheidswetgeving onderworpen zijn;

· de Franse Republiek in de kosten van de procedure te verwijzen."


Zaak C-169/98

Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek

Niet-nakoming · Schending van de art. 48 tot en met 52 EG-Verdrag (thans art. 43 tot en met 48 EG) en van art. 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 · Toepassing van de "contribution sociale généralisée" op de arbeids- en vervangingsinkomsten van werknemers die in Frankrijk wonen, maar volgens verordening nr. 1408/71 niet aan de Franse socialezekerheidswetgeving onderworpen zijn

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van het Hof van 7 september 1999 conclusie genomen.

Zie zaak C-34/98


Zaak C-198/98

G. Everson en T.J. Barrass/Secretary of State for Trade & Industry et Bell Lines Ltd (in vereffening)

Prejudiciële verwijzing van het Industrial Tribunal, Bristol · Uitlegging van artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever · Bevoegd waarborgfonds in geval van werknemer die is tewerkgesteld in andere lidstaat dan die waar insolvente werkgever zijn statutaire zetel heeft

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van de Vijfde kamer van 9 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"In het geval van werknemers die in een lidstaat werkzaam zijn bij een filiaal van een vennootschap die is opgericht in een andere lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft en waar de insolventieproceudure is ingeleid, is het waarborgfonds dat overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, aansprakelijk is voor de onvoldane salarisvorderingen, het waarborgfonds van de staat waar de werknemers hun werkzaamheden in loondienst verrichten en waar de werkgever bijdraagt of moet bijdragen aan de financiering van het fonds."


Zaak C-8/98

Dansommer A/S/A. Götz

Prejudiciële verwijzing van het Landgericht Heilbronn · Uitlegging van art. 16, punt 1, van het EEG-Executieverdrag · Huur van onroerend goed voor privé-gebruik van tijdelijke duur · Eigenaar en huurder van vakantiewoning woonachtig in twee verschillende verdragsstaten

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 9 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"Artikel 16, lid 1, sub a, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een situatie waarin de eigenaar en de huurder van het onroerend goed niet woonachtig zijn in dezelfde verdragsstaat en waarin de contractuele verplichting van de reisorganisator zich beperkt tot de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning, waaronder tevens zuiver bijkomstige afspraken vallen zoals een annuleringsverzekering en de reissomgarantie."


Zaak C-293/98

Entidad de Gestión de Derechos de los Productores Audiovisuales (Egeda)/Hostelería Asturiana SA (HOASA)

Prejudiciële verwijzing van de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción de Oviedo · Uitlegging van art. 1 van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel · Ontvangst van televisieuitzendingen door een hotel en doorgifte naar de kamers via de kabel · Begrip "mededeling aan het publiek"

Advocaat-generaal A. La Pergola heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 9 september 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof het volgende antwoord in overweging:

"1) De vraag, of de ontvangst door een hotelbedrijf van beschermde werken, die door een zender van een andere lidstaat per satelliet of over land worden uitgezonden, en de doorgifte daarna via de kabel van het signaal van de ontvangen programma's naar de in de kamers van dit bedrijf geïnstalleerde televisietoestellen al dan niet een openbare mededeling vormen, kan niet worden beantwoord op basis van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel.

2) De ontvangst door een hotelbedrijf van beschermde werken, die door een zender van een andere lidstaat per satelliet of over land worden uitgezonden, en de doorgifte daarna via de kabel van het signaal van de ontvangen programma's naar de in de kamers van dit bedrijf geïnstalleerde televisietoestellen vormen een openbare mededeling in de zin van artikel 11bis van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (akte van Parijs van 24 juli 1971, zoals gewijzigd op 28 september 1979), waarnaar wordt verwezen door artikel 9 van de Overeenkomst inzake de aspecten van de rechten van intellectuele eigendom die met de handel te maken hebben."


Zaak C-350/98

Henkel Hellas ABEE/Elleniko Dimosio (Helleense Staat)

Prejudiciële verwijzing van het Trimeles Dioikitiko Protodikeio Peiraios · Uitlegging van art. 4 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal · Nationale wet die hoger kapitaalrecht voorschrijft dan in de richtlijn is voorzien · Bijzondere fiscale situatie in Griekenland

Advocaat-generaal N. Fennelly heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 9 september 1999 conclusie genomen.

Hij heeft het Hof in overweging gegeven te antwoorden als volgt:

"1) De belasting die door een lidstaat wordt geheven over de omzetting van niet-uitgedeelde winsten in vennootschappelijk vermogen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, vormt een kapitaalrecht in de zin van artikel 4 van richtlijn 66/335 van 17 juli 1969, zoals gewijzigd.

2) Een lidstaat die evenals de Helleense Republiek bij de omzetting van richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335/EEG betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, heeft verkozen de verrichtingen bedoeld in artikel 4, lid 2, sub a, van richtlijn 69/335 van kapitaalrecht vrij te stellen, mag over die verrichtingen geen kapitaalrechten meer heffen."


3. EINDARRESTEN VAN HET GERECHT (1)

Zaak T-91/96 (125)

Arrest van 12 november 1998

Hankart / Raad

Ambtenarenstatuut

Zaak T-294/97

Arrest van 12 november 1998

Carrasco Benitez / Commissie

Ambtenarenstatuut

Zaak T-217/96

Arrest van 17 november 1998

Fabert-Goossens / Commissie

Ambtenarenstatuut

Zaak T-147/97

Arrest van 19 november 1998

Champion Stationery Manufacturing e.a. / Raad

Handelspolitiek

Zaak T-222/97

Arrest van 25 november 1998

Steffens / Raad en Commissie

Landbouw

Zaak T-233/97

Arrest van 15 december 1998

Bang-Hansen / Commissie

Ambtenarenstatuut

Zaak T-203/96

Arrest van 17 december 1998

Embassy Limousines & Services / Europees Parlement

Arbitragebeding

Zaak T-1/96

Arrest van 13 januari 1999

Böcker-Lensing en Schulze-Beiering / Raad en Commissie

Landbouw

Gevoegde zaken T-185/96, T-189/96 en T-190/96

Arrest van 21 januari 1999

Riviera Auto Service / Commissie

Mededinging

Zaak T-230/95

Arrest van 28 januari 1999

BAI / Commissie

Steunmaatregelen van de Staten

Zaak T-14/96

Arrest van 28 januari 1999

BAI / Commissie

Steunmaatregelen van de Staten

4. MEDEDELING

Mededeling over de citeerwijze van verdragsartikelen in teksten van het Hof en van het Gerecht

In verband met de hernummering, bij het Verdrag van Amsterdam, van de artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie (EU) en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) gebruiken het Hof en het Gerecht sinds 1 mei 1999 een nieuwe methode voor het citeren van de artikelen van het EU-Verdrag, het EG-Verdrag, alsook het EGKS- en het Euratom-Verdrag.

Het voornaamste doel van deze methode is het voorkomen van verwarring tussen de tekst van een artikel vóór en na 1 mei 1999. De regels van deze methode zijn de volgende:

- Bij verwijzing naar een artikel van een Verdrag zoals van kracht na 1 mei 1999, wordt het nummer van het artikel onmiddellijk gevolgd door een uit twee letters bestaande aanduiding van het betrokken Verdrag, te weten

EU voor het Verdrag betreffende de Europese Unie

EG voor het EG-Verdrag

KS voor het EGKS-Verdrag

EA voor het Euratom-Verdrag.

Met "artikel 234 EG" wordt dus gedoeld op het artikel van dat Verdrag zoals van kracht na 1 mei 1999.

- Wanneer echter wordt verwezen naar een artikel van een Verdrag zoals van kracht vóór 1 mei 1999, wordt het artikelnummer gevolgd, al naar het geval, door de aanduiding "van het Verdrag betreffende de Europese Unie", "EG- (of EEG-)Verdrag", "EGKS-Verdrag", "EGA-Verdrag".

Met "artikel 85 EG-Verdrag" wordt dus gedoeld op artikel 85 van dat Verdrag zoals van kracht vóór 1 mei 1999.

- Voor het EG-Verdrag en het Verdrag betreffende de Europese Unie geldt verder de volgende regel: telkens wanneer verwezen wordt naar een artikel van deze Verdragen zoals van kracht vóór 1 mei 1999, wordt de eerste vermelding van het artikel in een tekst gevolgd door een verwijzing tussen haakjes naar het overeenkomstige artikel van dat Verdrag zoals van kracht na 1 mei 1999, en wel als volgt:

- "artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG)", wanneer het artikel niet is gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam;

- "artikel 51 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 42 EG)", wanneer het artikel bij het Verdrag van Amsterdam is gewijzigd;

- "artikel 53 EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam)", wanneer het artikel bij het Verdrag van Amsterdam is ingetrokken.

- In afwijking van deze laatste regel wordt de eerste vermelding van de (oude) artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag, die en bloc bij het Verdrag van Amsterdam zijn vervangen, gevolgd door de volgende vermelding: "(de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)".

Bijvoorbeeld:

- "artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)".

Hetzelfde geldt voor de artikelen J-J.11 en K-K.9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Bijvoorbeeld:

- "artikel J.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (de artikelen J-J.11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervangen door de artikelen 11 EU-28 EU)";

- "artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (de artikelen K-K.9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervangen door de artikelen 29 EU-42 EU)".


(2)


1: Deze lijst is niet gebaseerd op een exacte berekening van de beroepstermijn in elk afzonderlijk geval. Zij heeft dus geen juridische waarde en de instelling is niet aansprakelijk voor de inhoud ervan


2: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 14 september 1999

Catalogusnummer: DX-AC-99-0021-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie