Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad Algemene Zaken

Datum nieuwsfeit: 06-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2198. Raad - ALGEMENE ZAKEN

Brussels (19-07-1999) -Nr. 10135/99 (Presse 227)


10135/99 (Presse 227)

(OR. en)

2198e zitting van de Raad


- ALGEMENE ZAKEN -

Brussel, 19 juli 1999

Voorzitter :

mevrouw Tarja HALONEN

Minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Finland

OPEN DEBAT OVER HET PROGRAMMA VAN HET VOORZITTERSCHAP - EXTERNE BETREKKINGEN VAN DE EU NA DE KOSOVOCRISIS

Voorzitter Tarja HALONEN begon het gebruikelijke open debat over het programma van het nieuwe voorzitterschap voor de volgende zes maanden met een aantal vragen aan de ministers betreffende de externe betrekkingen van de EU na de Kosovocrisis, teneinde aanwijzingen te ontvangen voor de gewenste aanpak ten aanzien van kwesties die onder het Finse voorzitterschap aan de orde zullen komen:

· Welke concrete korte-termijnmaatregelen moet de Raad nemen om het externe optreden van de Unie te verbeteren, · Hoe kan de Unie beginnende crisissituaties beter anticiperen, · Hoe kan de Unie slagvaardig optreden in crisissituaties, en · Welke concrete maatregelen dient de EU te nemen om de stabiliteit, veiligheid en welvaart in Europa te bevorderen.

De ministers spraken hun voldoening uit over het initiatief van het voorzitterschap om het open debat toe te spitsen op de externe betrekkingen, vanuit het inzicht dat de Kosovocrisis het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voor heel andere opgaven stelt zoals voorzitter HALONEN bedoelde toen zij de Kosovocrisis beschreef als een keerpunt voor de toekomstige ontwikkeling van het externe optreden van de Unie. Het debat bood de ministers de gelegenheid in te gaan op de verschillende aspecten van de externe betrekkingen van de Unie en aan te geven aan welke onderdelen bij voorrang aandacht moet worden besteed.

De ministers waren het er over eens dat de Unie vanaf het begin tot aan het eind van de Kosovocrisis een belangrijke rol heeft gespeeld en over het geheel genomen bevredigend heeft geopereerd, maar zij onderstreepten dat de EU zich niet moet beperken tot reacties, maar grotere nadruk moet leggen op conflictpreventie en zij noemden in dit verband het voorbeeld van het stabiliteitspact voor zuidoost-Europa en het stabiliserings- en associatieproces als geheel, hoewel het uitbreidingsproces uiteraard de krachtigste waarborg biedt voor stabiliteit in Europa.

Ook benadrukten de ministers de noodzaak om de doeltreffendheid, consistentie en coherentie van de externe betrekkingen van de EU te verbeteren, teneinde de capaciteit van de EU als "global player" te ontwikkelen, o.a. door de coördinerende rol van de Raad (Algemene Zaken) te versterken en het besluitvormingsproces binnen de Raad (Algemene Zaken) te verbeteren, alsmede door de nieuwe instrumenten van het Verdrag van Amsterdam volledig te benutten: het gebruik van de gemeenschappelijke strategieën als instrument voor de programmering van het GBVB-optreden, de rol die de secretaris-generaal van de Raad als Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB gaat vervullen, alsmede de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing in het Raadssecretariaat.

De ministers waren ook ingenomen met de reeds door het voorzitterschap overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Keulen ontplooide activiteiten om, naast de bezinning op de militaire crisisbeheerscapaciteit van de EU ook voorbereidingen te treffen voor de ontwikkeling van niet-militaire crisisbestrijdingsinstrumenten voor de EU en de lidstaten, zijnde twee afzonderlijke maar gelijklopende projecten.

Ter afsluiting van het debat bedankte voorzitter HALONEN de ministers voor hun constructieve bijdragen en hun suggesties, alsmede voor hun toezegging om het voorzitterschap volledig te steunen bij de moeilijke voorbereidingen van, met name, de Europese Raad van Helsinki.

WESTELIJKE BALKAN-CONCLUSIES

KOSOVO


1. De Raad betoonde zich ingenomen met de benoeming van Bernard Kouchner tot speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en zegde hem zijn volle steun toe bij deze moeilijke taak. De Raad juichte het verslag van de secretaris-generaal van de VN over UNMIK (S/1999/779) toe. Hij onderstreepte dat de noodzakelijke structuren voor de internationale civiele aanwezigheid in Kosovo op korte termijn dienen te worden voltooid. Met name de stationering van de personen die toezicht moeten houden op de civiele politie vergt spoed. De Raad betoonde zich ingenomen met de stappen die gedaan zijn ten behoeve van de stabilisering van Kosovo. De stationering van KFOR verloopt volgens schema.


2. De Raad betoonde zich ingenomen met de snelle wijze waarop de vierde UNMIK-pijler, die, onder leiding van de EU, belast is met de wederopbouw en het economisch herstel, operationeel kan worden. Ook verheugde hij zich over de benoeming van het hoofd ervan, de heer Joly Dixon, tot plaatsvervangend speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN. De Raad wees erop dat de structuren van de vierde pijler nog steeds een snelle voltooiing behoeven en dat de taken ervan op korte termijn moeten worden gedefinieerd. De Raad heeft zijn bevoegde instanties opgedragen snel de laatste hand te leggen aan de regelingen voor de financiering van de aanwezigheid van de EU binnen UNMIK door middel van een gemeenschappelijk optreden voor de rest van 1999. Hij wees op het belang van een nauwe coördinatie tussen en integratie van de vier UNMIK-pijlers.


3. De Raad bevestigde dat hij verwacht dat alle partijen ten volle samenwerken met KFOR en UNMIK. Hij veroordeelde het voortduren van gewelddadigheden en plunderingen om etnische redenen. Hij riep alle partijen op zich in te zetten voor de opbouw van een nieuw, democratisch Kosovo, waar de vroegere etnische haat is uitgebannen. De Raad herhaalde hoezeer hij belang hecht aan de instandhouding van het multi-etnisch karakter van Kosovo, en aan het recht van allen om naar hun woningen terug te keren. De Raad drong er bij de Kosovaarse Serviërs en bij de overige etnische groeperingen op aan, in Kosovo te blijven en riep degenen die hun huizen verlaten hebben op, onder internationale bescherming terug te keren. De Raad bevestigde dat het belangrijk is dat alle democratische politieke krachten in Kosovo zich verenigen, opdat een begin kan worden gemaakt met een verzoeningsproces en met de opbouw van civiele structuren die kunnen samenwerken met de internationale organisaties ter plaatse.


4. De Raad herinnerde aan de conclusies van de Europese Raad van Keulen en onderstreepte dat moet worden bepaald hoe een doeltreffend bijstandsprogramma, dat aansluit bij de verbintenis van de EU om een leidende rol in de wederopbouw van Kosovo te spelen het best kan worden uitgevoerd. Daarom hechtte de Raad zijn politieke goedkeuring aan de ontwerp-verordening , die is opgesteld op grond van een Commissievoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1628/96 (OBNOVA) en tot oprichting van het Europees Bureau voor Wederopbouw.

Gezien de urgentie heeft de Raad het Europees Parlement verzocht advies uit te brengen tijdens zijn vergaderperiode van 13-17 september, zodat de Raad na bijwerking van de tekst zo spoedig mogelijk een besluit kan nemen.

De Raad was ingenomen met advies nr. 6/99 van de Rekenkamer en verzocht de Commissie bij het opzetten van het Bureau zorgvuldig rekening te houden met het standpunt van de Rekenkamer.

FRJ


5. De Raad besprak het beleid van de Unie ten aanzien van de FRJ en herinnerde eraan dat de FRJ haar toezeggingen in het kader van Resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties gestand dient te doen, ten volle dient samen te werken met het ICTY en een beslissende stap moet zetten op het pad naar democratie. De Raad hechtte groot belang aan de ontwikkeling van contacten met alle democratische krachten, met inbegrip van de democratisch bestuurde gemeenten in het land, teneinde de democratisering van de FRJ te bevorderen.


6. De Raad besprak de door de EU goedgekeurde sanctieregeling. Hij onderstreepte dat hij nog steeds voornemens is de Servische bevolking, die geleden heeft ten gevolge van het schadelijke beleid van haar leiders, tegemoet te komen. Hij benadrukte dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het regime in Belgrado en de bevolking in de FRJ. Bij besluiten over sancties zal met dat onderscheid rekening worden gehouden.


7. De Raad kwam overeen dat EU-maatregelen die de Servische bevolking treffen (vliegverbod, ontrading van betrekkingen op sportgebied) het eerst zullen worden ingetrokken. De Raad benadrukte dat Kosovo en Montenegro snel van het olie-embargo en van andere sancties moeten worden vrijgesteld. De Raad was het erover eens dat alle instanties in de FRJ, met name de gemeenten, die de democratische waarden respecteren, gesteund dienen te worden. Hij kwam overeen dat moet worden onderzocht hoe verbetering kan worden aangebracht in de situatie van deze instanties, onder meer door energievoorziening (elektriciteit en aardolie). De Commissie en de bevoegde groepen werd verzocht hiertoe onverwijld voorstellen in te dienen.


8. De Raad verklaarde dat personen die door het ICTY veroordeeld of aangeklaagd zijn, in de partijen die aan verkiezingen deelnemen, geen invloedrijke positie mogen bekleden noch kandidaat mogen zijn. De Raad bevestigde dat een regering waaraan wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van een partij die niet aan deze voorwaarden voldoet, niet mag verwachten dat de betrekkingen met de EU zullen verbeteren.


9. De Raad is bezorgd over het lot van de Kosovaarse gevangenen die naar Servië zijn overgebracht. Hij roept de FRJ op het ICRK onbeperkte toegang tot die gevangenen te verlenen. De Raad drong tevens aan op onmiddellijke vrijlating van gevangenen die zonder enige beschuldiging worden vastgehouden en op eerbiediging van de internationale regels voor de behandeling van gevangenen.

Montenegro

10. De Raad bevestigde zijn steun aan de democratisch verkozen regering van president Djukanovic in Montenegro en aan het programma voor de politieke en economische hervorming van de Republiek Montenegro. De Raad wees erop dat hij de situatie in Montenegro nauwlettend en met bezorgdheid volgt, na het recente optreden van de federale autoriteiten.

STABILITEITSPACT VOOR ZUIDOOST-EUROPA

11. De Raad juichte het voornemen van het voorzitterschap toe om in samenwerking met Bosnië-Herzegovina op 30 juli in Sarajevo een topontmoeting over het Stabiliteitspact te houden en keurde een gemeenschappelijk optreden goed over de financiering van de top door de EU.

12. Speciaal EU-vertegenwoordiger en coördinator van het Stabiliteitspact, Bodo Hombach, informeerde de Raad over zijn werkzaamheden en plannen.

De Raad steunt zijn werkzaamheden en verzoekt zijn bevoegde instanties een gemeenschappelijk optreden voor te bereiden dat vóór eind juli 1999 moet worden aangenomen en waarin zijn benoeming tot speciaal EU-vertegenwoordiger wordt bevestigd en hem de voor de uitvoering van zijn taak vereiste menselijke en logistieke middelen ter beschikking worden gesteld.

13. De speciale coördinator zal de taken uitvoeren waarin het Stabiliteitspact voorziet:


- het bevorderen van de verwezenlijking van de doelstellingen van het Pact in en tussen de landen afzonderlijk;


- het voorzitten van het Regionaal Overlegorgaan voor Zuidoost-Europa;


- nauwe contacten tot stand brengen en onderhouden met alle deelnemers en de steunverlenende staten, organisaties en instellingen van het Stabiliteitspact, alsook met relevante regionale initiatieven en organisaties;


- het regelmatig voorleggen van voortgangsverslagen aan de fungerend voorzitter van de OVSE namens het Regionaal Overlegorgaan voor Zuidoost-Europa, overeenkomstig de OVSE-procedures;


- het deelnemen aan de Stuurgroep op hoog niveau van het donorcoördinatieproces;


- nauw samenwerken met alle EU-instellingen, opdat de EU in het Stabiliteitspact een belangrijke rol kan spelen, overeenkomstig de punten 18, 19 en 20 van het document betreffende het Stabiliteitspact;


- regelmatig en naar gelang van de behoefte vergaderingen beleggen met de voorzitters van de werkgroepen met het oog op de algemene coördinatie;


- het verzorgen van het secretariaatswerk ten behoeve van het Regionaal Overlegorgaan voor Zuidoost-Europa en de drie werkgroepen.

ALBANIË

14. De Raad betoonde zich ingenomen met de vergadering van de Vrienden van Albanië d.d. 22 juli 1999 te Brussel, en wees erop dat deze vergadering zich dient te buigen over de problemen ten aanzien van de veiligheid, de stabiliteit en democratie en de economische hervormingen. De Raad was diep verontrust wegens de recente gewelddadigheden gericht tegen de internationale aanwezigheid in Albanië. De Raad bevestigde dat hij respect heeft voor de wijze waarop Albanië de massale toevloed van vluchtelingen uit Kosovo heeft opgevangen en heeft samengewerkt met de internationale gemeenschap.

15. De Raad bevestigde voornemens te zijn vóór eind juli het Commissievoorstel om de bilaterale handelsregeling met Albanië in overeenstemming te brengen met de regionale normen, aan te nemen.

BOSNIË-HERZEGOVINA

16. Onder verwijzing naar zijn conclusies van 21 juni 1999 betreffende het stabilisatie- en associatieproces betoonde de Raad zich ingenomen met de bijeenkomst op ministerieel niveau in het kader van de informele politieke dialoog met Bosnië-Herzegovina, welke op 20 juli 1999 zal plaatsvinden. De Raad wees erop hoe belangrijk het is dat de werkzaamheden ten behoeve van de gemeenschappelijke instellingen van Bosnië-Herzegovina, de hervorming van de markteconomie en de terugkeer van de vluchtelingen worden geïntensiveerd. Hij drong er bij beide onderdelen van de federatie op aan, de militaire uitgaven verder te verlagen en een constructieve bijdrage te leveren aan de regionale wapenbeheersingsprocessen.

17. De Raad betoonde zich ingenomen met de benoeming van Ambassadeur Wolfgang Petritsch tot opvolger van de Hoge Vertegenwoordiger Carlos Westendorp. De Raad ziet uit naar de bekrachtiging van zijn benoeming door de Veiligheidsraad van de VN. De Raad geeft uiting aan zijn waardering voor de toegewijde en niet-aflatende activiteiten van de Hoge Vertegenwoordiger Carlos Westendorp en diens plaatsvervangers, Jacques Klein en Hans Schumacher. Hij betoonde zich ingenomen met de benoeming van Ralph Johnson en Matei Hoffman tot hun opvolgers. Hij sprak zijn welgemeende waardering uit over de Hoge Vertegenwoordiger Carlos Westendorp die in de afgelopen twee jaar het vredesproces gaande heeft gehouden zodat er tal van stappen voorwaarts zijn gedaan. De Raad heeft woorden van lof voor het werk van Ambassadeur Petritsch als speciale gezant van de Europese Unie voor Kosovo.

KROATIË

18. Onder verwijzing naar zijn conclusies van 21 juni 1999 betreffende het stabilisatie- en associatieproces betoonde de Raad zich ingenomen met de vergadering in het kader van een informele politieke dialoog met Kroatië, welke op 20 juli 1999 op ministerieel niveau zal plaatsvinden. De Raad moedigt Kroatië aan voort te gaan met de democratisering en met de volledige verwezenlijking van de rechten van de mens, ook ten aanzien van het kiesrecht, de terugkeer van de vluchtelingen en de media, alsmede economische hervormingen.

19. De Raad besloot te overwegen om een gezamenlijk adviesorgaan EU-Kroatië (Consultative Task Force) in het leven te roepen. Doel zou zijn het verlenen van de noodzakelijke adviezen en ondersteuning aan Kroatië teneinde een bevredigend juridisch kader en een bevredigende administratieve praktijk tot stand te kunnen brengen voor de technische voorbereiding van contractuele betrekkingen met de EG, wanneer aan de voorwaarden daartoe is voldaan. Hij verzocht zijn bevoegde instanties dit idee te bestuderen en in september een aanbeveling te doen.

FYROM

20. De Raad onderschreef het oordeel van de Commissie dat het, gezien de politieke en economische hervormingen die, met name in het kader van de samenwerkingsovereenkomst, in gang gezet zijn, realistisch is de opening van onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië te overwegen. Hij wees erop dat contractuele betrekkingen van een nieuw type van de kant van de FYROM grote inspanningen zullen vergen. De Raad verzocht de Commissie vóór eind juli een officieel voorstel in te dienen voor onderhandelingsrichtsnoeren.

BULGARIJE/ROEMENIË

21. De Raad kwam overeen te onderzoeken of Bulgarije en Roemenië in het kader van de internationale inspanningen in verband met de wederopbouw van de regio in aanmerking kunnen komen voor een speciale behandeling. Hij verzocht zijn bevoegde instanties dit idee te bestuderen.


*


* *

Herziening van de Obnova-verordening - oprichting van een Europees bureau voor wederopbouw

De door de Raad goedgekeurde ontwerp-verordening, die nu zal worden voorgelegd aan het Europees Parlement, strekt tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1628/98 betreffende steun aan de landen van het voormalige Joegoslavië (de Obnova-verordening).

De nieuwe verordening betreft de oprichting van een Europees bureau voor wederopbouw, dat belast wordt met de uitvoering van programma's voor wederopbouw en bijstand aan terugkerende vluchtelingen, in eerste instantie in Kosovo, en wanneer de omstandigheden zich daarvoor lenen, ook in andere delen van de FRJ.

De Raad is overeengekomen dat het operationale centrum van het bureau, dat over een aanzienlijke mate van bestuurlijke autonomie beschikt, in eerste instantie in Pristina zal worden opgezet zodat het kan beginnen met de wederopbouwwerkzaamheden in Kosovo, met gebruikmaking van de algemene diensten van het bureau die zich in het hoofdkantoor in Thessaloniki bevinden.

Eventuele besluiten om de activiteiten van het bureau uit te breiden tot andere delen van de FRJ dan Kosovo zullen door de Raad met gekwalificeerde meerderheid worden genomen op basis van een voorstel van de Commisie. In het licht van een dergelijk besluit kan het bureau andere operationale centra oprichten.

PRESENTATIE VAN HET VOORZITTERSCHAP BETREFFENDE PROCEDURES: IGC, functioneren van de Raad, Europese Raad te Tampere, EU-Handvest voor de grondrechten en gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid

De Raad nam nota van een uiteenzetting van voorzitter Tarja HALONEN over de wijze waarop het voorzitterschap snel vooruitgang wil boeken ten aanzien van al deze vraagstukken die voor de toekomstige ontwikkeling van de Unie van cruciaal belang zijn:
* IGC OVER INSTITUTIONELE VRAAGSTUKKEN

In het kader van de voorbereiding van het verslag over de toekomstige IGC dat het voorzitterschap aan de Europese Raad in Helsinki zal voorleggen is een begin gemaakt met het technisch overleg met de permanente vertegenwoordigers. Dat verslag zal een breed overzicht moeten geven van de door de IGC te behandelen vraagstukken en van de mogelijke oplossingen daarvoor.

* FUNCTIONEREN VAN DE RAAD IN HET VOORUITZICHT VAN EEN UITGEBREIDE UNIE

Het Comité van permanente vertegenwoordigers heeft een aanvang gemaakt met de bespreking van mogelijke operationale aanbevelingen in het verslag van de secretaris-generaal, alsmede van maatregelen ter uitvoering daarvan, die door de Raad aan de Europese Raad moeten worden voorgelegd. Het voorzitterschap vond de positieve opstelling van de delegaties bemoedigend en benadrukte dat de Raad in een uitgebreide Unie alleen effectief kan blijven functioneren indien een reeks verstrekkende operationale aanbevelingen wordt uitgevoerd. Het voorzitterschap heeft op eigen verantwoordelijkheid reeds een aantal in het verslag opgenomen suggesties uitgevoerd.
* VOORBEREIDING VAN DE EUROPESE RAAD (Tampere, 15/16 oktober 1999)

Het voorzitterschap heeft een tijdschema en werkprogramma vastgesteld die hopelijk zullen waarborgen dat de bijeenkomst in Tampere over de hele linie zo grondig wordt voorbereid dat een gedenkwaardige stap vooruit wordt gezet bij de vaststelling van de politieke richtsnoeren voor het toekomstige Europese beleid inzake justitie en binnenlandse zaken. Het voorzitterschap beklemtoonde dat deze vergadering staatshoofden en regeringsleiders een unieke gelegenheid biedt te bevestigen hoe zeer zij prioriteit hechten aan het uitbouwen van de Unie tot een gebied waarin vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid heersen en waarin vele problemen van de burgers worden aangepakt.
* EU-HANDVEST VOOR DE GRONDRECHTEN

Op het niveau van de Groep is al begonnen met de besprekingen over de door de Europese Raad van Tampere te bepalen voorwaarden voor de uitvoering van het besluit van de Europese Raad van Keulen om een forum in te stellen die een ontwerp-handvest inzake de grondrechten moet opstellen. Dat forum zou onmiddellijk na de bijeenkomst in Tampere moeten beginnen met zijn inhoudelijke werkzaamheden.
* GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

Het voorzitterschap heeft al de aanzet gegeven, in het Politiek Comité, tot het vervolg van de werkzaamheden inzake een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid en verbetering en een betere coördinatie van de niet-militaire crisisbestrijdingsinstrumenten van de Unie en de lidstaten, als voorbereiding van het verslag voor de Europese Raad van Helsinki.

VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN

De Raad toonde zich verheugd over de vorming van een brede coalitieregeling in Israël, de positieve signalen met betrekking tot de uitvoering van de bestaande akkoorden en het feit dat het vredesproces weer op alle sporen op gang is gebracht. De Raad constateerde met tevredenheid dat de eerste contacten van premier Barak met de leiders in de regio erop lijken te wijzen dat er een positieve sfeer van meer vertrouwen is geschapen, hetgeen voor de vooruitgang van het vredes-proces noodzakelijk is.

De Raad hoopt dat door het komende bezoek van het voorzitterschap, de Commissie en de speciale gezant van de EU aan een aantal landen in de regio de banden tussen de EU en de landen van het Midden-Oosten nauwer zullen worden aangehaald en de contacten op hoog niveau zullen worden bevorderd. Voor de Raad vormt dit bezoek een gelegenheid om van gedachten te wisselen over de vooruitzichten met betrekking tot het vredesproces en om duidelijk te maken dat de EU bereid is een actieve rol in dat proces te spelen. De Raad nam in diezelfde context tevens nota van de informatie die werd verstrekt door speciaal EU-gezant Moratinos over de mogelijke toe-komstige rol van de EU in het vredesproces.

OOST-TIMOR -CONCLUSIES

De Raad heeft de jongste ontwikkelingen in Oost-Timor besproken. Hij bevestigde dat hij het proces van raadpleging van de Oost-Timorese bevolking over de toekomst van het grondgebied krachtig steunt.

De Raad is ingenomen met het besluit van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om met de registratie van de kiezers te beginnen. De veiligheidsomstandigheden zijn nog niet geheel toereikend om een vreedzaam verloop van de volksraadpleging mogelijk te maken en de Verenigde Naties zullen de veiligheidssituatie nauwlettend blijven volgen. De Raad zegt de Verenigde Naties en de VN-missie in Oost-Timor (UNAMET) zijn volledige steun toe bij de voortzetting van dit proces.

De komende weken zijn van cruciaal belang voor een veilig verloop van de raadpleging zonder geweld of andere vormen van intimidatie. De Raad blijft ernstig bezorgd over de situatie in het gebied en met name over het intimiderende gedrag van de milities die voorstander van de integratie zijn en die volgens tal van onafhankelijke waarnemers banden met het TNI (het Indonesische leger) hebben. De Raad dringt er bij de Indonesische autoriteiten op aan dat zij de op grond van de tripartiete akkoorden van New York aangegane verplichtingen nakomen en voor en tijdens de stemming in Oost-Timor de noodzakelijke veiligheid handhaven. De Raad is ervan overtuigd dat dit uiteindelijk in het belang van Indonesië zelf is.

Op verzoek van de Europese Raad van Keulen van 3 en 4 juni 1999 heeft de Raad vandaag een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld inzake steun voor de volksraadpleging onder de Oost-Timorese bevolking. Uit dit gemeenschappelijk standpunt blijkt heel duidelijk dat de EU gehecht is aan het welslagen van het raadplegingsproces. Er wordt een door de lidstaten gevormd Europees waarnemersteam samengesteld, zoals is overeengekomen in het gemeenschappelijk standpunt.

De Raad verheugt zich over het besluit van het voorzitterschap om, teneinde het belang van dit proces verder te onderstrepen, de Ierse minister van Buitenlandse Zaken, David Andrews, als zijn persoonlijke vertegenwoordiger aan te wijzen, die met name verantwoordelijk zal zijn voor de verklaringen van het voorzitterschap van de Europese Unie.

De Raad merkte op dat uit de uitlegging van de akkoorden van New York door de VN en de Indonesische regering blijkt dat de Indonesische autoriteiten ook verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de internationale waarnemers tijdens de raadpleging. De Raad herinnerde voorts aan zijn conclusies van 26 april 1999, waarin hij zijn steun heeft uitgesproken voor het raadplegings-proces, humanitaire bijstand en de ontwikkeling van economische en sociale programma's voor Oost-Timor.

NIEUWE WTO-RONDE - MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

De Raad nam nota van een toelichting door de Commissie op haar mededeling over de EU-benadering inzake de Millenniumronde. De Raad kwam overeen op dit vraagstuk terug te komen teneinde in oktober een besluit te nemen over een alomvattend EU-standpunt betreffende de voorbereidingen voor de Conferentie in Seattle.

ASEM IV-TOP

De Raad was ingenomen met het aanbod van Denemarken om onder zijn voorzitterschap in de tweede helft van 2002 op te treden als gastheer bij de vierde Bijeenkomst Azië-Europa (ASEM IV).

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN

Betrekkingen met Kazachstan

De Raad stelde het standpunt van de EU vast voor de Eerste Samenwerkingsraad met Kazachstan die op 20 juli 1999 in Brussel wordt gehouden (zie Persmededeling, doc. 10255/99 Presse 231).

Betrekkingen met Kirgizstan

De Raad stelde het standpunt van de EU vast voor de Eerste Samenwerkingsraad met Kirgizstan die op 20 juli 1999 in Brussel wordt gehouden (zie Persmededeling, doc. 10254/99 Presse 230).

Betrekkingen met Oekraïne

De Raad nam nota van de informatie van het voorzitterschap over de voorbereiding van de Oekraïne-Top die op 23 juli 1999 in Kiev plaatsvindt.

Voor die top is de volgende agenda voorgesteld:


1. Politieke en economische situatie in Oekraïne (recente politieke ontwikkelingen; structurele hervormingen, begroting, externe financiën, betrekkingen met internationale financiële instellingen; informatie over Oekraïne's strategie inzake de integratie in de EU)


2. Recente ontwikkelingen in de EU (informatie over de gemeenschappelijke strategie van de EU inzake Oekraïne; uitbreiding)


3. Aangelegenheden inzake buitenlands beleid en veiligheid (Kosovo en Stabiliteitspact, regionale samenwerking, Transnistrie)


4. Samenwerking EU-Oekraïne, met inbegrip van de uitvoering van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (vraagstukken inzake handel, investeringen en kernenergie).

De Raad stelde ook het standpunt van de EU vast voor de tweede vergadering van het Samenwerkingscomité die voor 28 juli 1999 in Kiev op het programma staat en zich zal toespitsen op de volgende punten:


1. Recente economische ontwikkelingen in Oekraïne en in de EU


2. Samenwerking in het kader van de PSO (toevoeging van illegale immigratie aan het mandaat van het Subcomité douane, grensoverschrijdende samenwerking, witwassen van geld en drugs, verslagen van vergaderingen van het Subcomité, uitvoering van het gezamenlijke PSO-werkprogramma voor 1998-1999; technische bijstand bij de uitvoering van de PSO)


3. Handels- en investeringsvraagstukken (toegang tot de markt, voorwaarden voor investeringen in Oekraïne; WTO-toetreding, gezamenlijke studie inzake de economische haalbaarheid van een vrijhandelsovereenkomst


4. Samenwerking op gebied van energie en kernenergie (uitvoering van het Memorandum van overeenstemming inzake de sluiting van Tsjernobyl tegen 2000, waaronder hervorming van de energiesector; stand van de voorbereidingen voor de onderhandelingen over de voorgenomen samenwerkingsovereenkomst inzake vreedzaam gebruik van kernenergie, waaronder de handel in splijtstof)

Rusland - uitvoering van de gemeenschappelijke strategie

De Raad heeft nota genomen van het werkplan van het voorzitterschap voor de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie inzake Rusland.

Dit werkplan is gebaseerd op de in gemeenschappelijke strategie overeengekomen werkterreinen. Volgens het werkplan blijft de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen EU en Rusland de grondslag voor de onderlinge betrekkingen; de uitvoering daarvan zal worden voortgezet als een van de doelstellingen van de strategie. De PSO-instellingen, d.w.z. de EU-Rusland-Top, de Samenwerkingsraad, het Samenwerkingscomité en de subcomités daarvan bieden een belangrijk forum voor besprekingen met de betrokken Russische autoriteiten. Finland noemt in zijn werkplan een aantal initiatieven die het in samenwerking met andere lidstaten, de Commissie en Rusland wil nemen en uitvoeren.

Koreaanse schiereiland - conclusies

De Raad was ingenomen met de mededeling van de Commissie van 9 december 1998 over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van de Republiek Korea en onderschreef de hoofdlijnen van de erin vervatte analyse en aanbevelingen inzake de ontwikkelingen in de Republiek Korea, de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) en, meer in het algemeen, het Koreaanse schiereiland.

De Raad bereikte overeenstemming over de volgende hoofddoelen van het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Korea:

I. Spoedige inwerkingtreding van de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking met de Republiek Korea;

II. Actualisering van de economische betrekkingen met de Republiek Korea om rekening te houden met de financiële crisis en de hervormingen die president Kim Dae Jung sindsdien op gang gebracht heeft;

III. Verbetering van de betrekkingen met de Republiek Korea op andere gebieden;

IV. Meer steun voor internationale inspanningen om de stabiliteit te handhaven en te komen tot een duurzame vredesregeling voor het Koreaanse schiereiland;

V. Handhaving van de druk om de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) te bewegen tot meer verantwoordelijk gedrag, met name inzake veiligheidsvraagstukken en mensenrechten;

VI. Heroverweging van de bilaterale betrekkingen in het licht van de reactie van de DVK op het beleid van contact en dialoog.

i) Spoedige inwerkingtreding van de kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking met de Republiek Korea

De EU bevestigt opnieuw dat de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking en de Gezamenlijke Verklaring betreffende de politieke dialoog, die op 28 oktober 1996 ondertekend werden, de spil zijn van de bilaterale betrekkingen met de Republiek Korea. Zij wijst op het belang van de spoedige inwerkingtreding van de Kaderovereenkomst.

ii) Actualisering van de economische betrekkingen met de republiek korea om rekening te houden met de financiële crisis en de hervormingen die president kim dae jung sindsdien op gang gebracht heeft

De EU beschouwt de Republiek Korea als een belangrijke schakel van de internationale economische orde. Daarom heeft zij samen met de internationale gemeenschap en onder auspiciën van het IMF snel gereageerd toen de financiële crisis uitbrak; de lidstaten van de EU hebben zeer veel bijgedragen aan het grootste financiële hulppakket dat ooit aan één land is toegekend, ten bedrage van 58 miljard dollar.

Als tegenprestatie heeft de Koreaanse regering alomvattende hervormingen op gang gebracht om het land minder kwetsbaar te maken voor crises en het competitiever te maken. Het consolidatiebeleid begint onmiskenbaar zijn vruchten af te werpen, maar voor een nieuwe, krachtige economische heropleving is het nodig dat de hervormingsmaatregelen volledig uitgevoerd worden. De EU verwacht dat de regering van de Republiek Korea de crisis blijft beschouwen als een kans om de macro- en micro-economische tekortkomingen en structurele onevenwichtigheden weg te werken. Alleen zo kan de basis worden gelegd voor een stabiel, duurzaam herstel.

Voorts heeft de EU het herstel van de Republiek Korea bilateraal gesteund, in het bijzonder door zijn markten open te houden en door diverse acties in het kader van de ASEM. Ook het bedrijfsleven van de Unie heeft zijn steentje bijgedragen tot dat herstel door meer te investeren en, voor wat de banksector betreft, zich constructief op te stellen in de onderhandelingen over de herschikking van de handelsschulden.

De EU moet zich ferm blijven opstellen wanneer zij het proces van economische hervormingen in de Republiek Korea ondersteunt. Dat proces moet blijven stoelen op transparantie, non-discriminatie, rechtszekerheid, de marktbeginselen en de openstelling van de markten en het wegnemen van de bestaande handels- en
investeringsbelemmeringen.

Er zijn welkome initiatieven genomen om de financiële sector beter te reguleren, het ondernemingsbestuur te versterken, buitenlandse investeerders aan te trekken en banken en conglomeraten te herstructureren. De aangevatte rehabilitatie van de financiële en banksector moet worden voortgezet. Daarbij moeten de financieringsbehoeften van buitenlandse banken naar behoren in aanmerking worden genomen. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de kredietbehoeften van het MKB.

Op talrijke gebieden moeten echter nog inspanningen worden geleverd om een waarlijk open en transparant markt-georiënteerd systeem tot stand te brengen. Verscheidene maatregelen, zoals chaebol-bedrijfsswaps, moeten nog bewijzen dat zij de onderliggende structurele tekortkomingen van de economie kunnen helpen oplossen.

De reorganisatie van het bedrijfsmilieu blijft een prioriteit. Er is nog steeds onvoldoende transparantie, vooral in grote ondernemingen; zij moet dan ook verder worden vergroot. Er moet dringend werk worden gemaakt van de toelating van holdings en de invoering van internationale boekhoudkundige systemen, zodat zij algemeen ingang vinden.

Een evenwichtiger industriële structuur zou bovendien de overweldigende overheersing van markt en financiën door de chaebol helpen verkleinen. In dat verband zou de regering zich meer inspanningen moeten getroosten om het midden- en kleinbedrijf tot ontwikkeling te brengen en het binnenlandse mededingingsbeleid aan te scherpen.

De EU is ook verheugd over de inspanningen die het nieuwe gezag onderneemt om de Republiek Korea verder open te stellen voor internationale bedrijfssamenwerking. Buitenlandse ondernemingen kunnen het economisch herstel van het land aanzienlijk vooruit helpen. Verdere verbeteringen voor bedrijven die op de Koreaanse markt actief willen worden, lijken nu mogelijk en wenselijk. Een van die verbeteringen is de afschaffing van belastingnadelen ten opzichte van binnenlandse bedrijven. Een andere, net zo belangrijke verbetering is de naleving van de internationale voorschriften over de bescherming van de intellectuele eigendom.

De EU zal uiterst waakzaam blijven ten aanzien van de aanhoudende verdenkingen inzake marktvijandig gedrag van sommige economische operatoren, bijvoorbeeld in de scheepsbouwsector. Ter bevordering van de internationale samenwerking in de scheepsbouwsector spoort de EU Korea aan samen te werken met andere scheepsbouwnaties om een oplossing te zoeken voor de problemen inzake capaciteit, dalende prijzen en zwakke vraag in deze sector.

Lidmaatschap van de OESO is een blijk van erkenning voor hetgeen bereikt is maar schept ook specifieke verwachtingen, vooral over de inachtneming van internationaal aanvaarde gedragspatronen. In dat verband verheugt het de EU dat het nieuwe Koreaanse gezag zich heeft uitgesproken tegen handelsrestrictieve gedragingen ingevolge activiteiten zoals de soberheidscampagne. Dergelijke schrikbeelden van een houding die in het tijdperk van globalisering volledig achterhaald is, mogen niet opnieuw de kop opsteken.

De EU is ingenomen met de formele steun van de Republiek Korea voor een nieuwe WTO-ronde van handelsliberalisering. Beide zijden dienen nauw samen te werken met het oog op een evenwichtige en alomvattende versterking van het multilaterale handelssysteem.

De bilaterale economische samenwerking van de EU met de Republiek Korea dient te worden opgevoerd om het belang van de band tussen hen tot zijn volle recht te laten komen. Dit moet gebeuren zodra de Kaderovereenkomst voor handel en samenwerking in werking treedt.

iii) Verbetering van de betrekkingen met de Republiek Korea op andere gebieden

De bilaterale betrekkingen tussen de EU en de Republiek Korea zijn aangevuld door het succesvolle ASEM-proces om de economische, politieke en culturele banden tussen Europa en Azië aan te halen.

De EU is verheugd over de actieve en constructieve rol die de Republiek Korea tot dusver in de ASEM heeft gespeeld en ziet uit naar de Derde Bijeenkomst Azië-Europa (ASEM III) in Seoul in oktober 2000.

De EU verheugt zich over de ontwikkeling van haar politieke dialoog met de Republiek Korea, op basis van de Gezamenlijke Verklaring van oktober 1996; zij is van mening dat de dialoog moet worden verruimd, en zou de organisatie van een eerste topbijeenkomst als voorzien in de Gezamenlijke Verklaring toejuichen.

De politieke dialoog moet gericht zijn op operationele vraagstukken en op vraagstukken van wederzijds belang.

De EU verheugt zich erover dat de stand van zaken op het gebied van de mensenrechten in de Republiek Korea sedert de beëindiging van het militaire regime aanzienlijk is verbeterd, hoewel er nog het een en ander valt te verbeteren. De EU zou het toejuichen indien de resterende politieke gevangenen worden vrijgelaten, de doodstraf wordt afgeschaft, en een daadwerkelijk onafhankelijke Commissie voor de Mensenrechten met een ruim mandaat wordt ingesteld.

iv) Meer steun van de eu voor internationale inspanningen om de stabiliteit te handhaven en te komen tot een duurzame vredesregeling voor het Koreaanse schiereiland

De EU heeft het beleid van contact en dialoog dat de Republiek Korea ten aanzien van de DVK voert, toegejuicht en gesteund. Zij doet een beroep op de DVK om daar positief op te reageren, en zodoende de spanningen tussen de beide Korea's te helpen verminderen. De EU is ervan overtuigd dat een rechtstreekse dialoog tussen de twee Korea's van essentieel belang is voor een duurzame vrede, en dringt er derhalve bij beide partijen op aan, hun dialoog voort te zetten, alle preliminaire voorwaarden te laten vallen, en te overwegen de dialoog op het hoogste niveau te brengen.

De EU heeft de lopende internationale inspanningen om de stabiliteit te handhaven en te komen tot een duurzame vredesregeling voor het Koreaans Schiereiland, op verschillende manieren gesteund.

De EU staat volledig achter de vierpartijenonderhandelingen tussen de twee Korea's, China en de Verenigde Staten, om de wapenstilstand op het Schiereiland te vervangen door een permanente vredesregeling.

De EU steunt de in 1994 tussen de VS en de DVK gesloten kaderovereenkomst, en is een volledig en actief lid van het dagelijks bestuur van de Organisatie voor energieontwikkeling op het

Koreaanse schiereiland (KEDO), die door haar werkzaamheden de regionale stabiliteit bevordert en helpt de internationale nucleaire nonproliferatieregeling in stand te houden. Ingevolge de overeenkomst tussen Euratom en de KEDO draagt de EU gespreid over vijf jaar 75 miljoen euro aan de begroting van de KEDO bij. Zij zal te gelegener tijd bezien op welke voorwaarden de deelneming aan de KEDO na de door haar huidige lidmaatschapsovereenkomst bestreken periode kan worden voortgezet.

Sedert 1995 heeft de EU consequent steun verleend, waaronder aanzienlijke hoeveelheden voedselhulp, om de aanhoudende voedseltekorten en daarmee gepaard gaande humanitaire problemen van de DVK te verlichten. De totale steun van de EU gedurende deze periode, met inbegrip van de voor 1999 geplande leveranties, vertegenwoordigt omstreeks 177 miljoen.

Voortbouwend op de verrichtingen van de vorige jaren omvat de steun dit jaar verscherpte toezichtmechanismen en steun voor rehabilitatie van de landbouw, met als doel de bevordering van marktconforme ontwikkelingen door innoverende proefprojecten op landbouwgebied.

De huidige acute problemen van de DVK zijn, hoewel versterkt door natuurrampen, vooral van structurele aard en een gevolg van het economische beleid en het landbouwbeleid van het land. Een duurzame oplossing voor de afhankelijkheid van de DVK van buitenlandse voedselhulp kan dus alleen worden gevonden door een toekomstgerichte en vérstrekkende aanpassing van het binnenlandse politieke kader. De EU is bereid te bezien hoe op dit gebied met de autoriteiten van de DVK kan worden samengewerkt, indien de autoriteiten er duidelijk blijk van geven zich te willen inzetten voor de nodige omvangrijke hervormingen, meer duurzame beleidsmaatregelen en behoorlijk bestuur.

De EU heeft er met belangstelling nota van genomen dat de Verenigde Staten, de Republiek Korea en Japan hun beleid ten aanzien van de DVK recentelijk meer hebben gecoördineerd. In het verlengde van de bijdrage die zij tot nu toe heeft geleverd tot de bevordering van vrede en stabiliteit op het Koreaans Schiereiland, is de EU bereid verder bij te dragen tot een gecoördineerde en alomvattende internationale aanpak ten aanzien van de DVK.

v) Verdere pogingen om de Democratische Volksrepubliek Korea ertoe te bewegen een meer verantwoordelijke rol te spelen, met name inzake veiligheidsvraagstukken en mensenrechten

De EU verzoekt de DVK maatregelen te nemen om de regionale spanningen te verminderen en zo een stabieler veiligheidsklimaat te scheppen, waarin daadwerkelijke vooruitgang op weg naar een duurzame vrede mogelijk is.

De EU doet een beroep op de DVK om haar verbintenissen uit hoofde van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) volledig na te leven en onverwijld het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT) te ondertekenen en te bekrachtigen, vooral omdat de DVK een van de staten is die het CTBT moeten bekrachtigen alvorens dit verdrag in werking kan treden. De EU doet ook een beroep op de DVK om zich aan te sluiten bij andere relevante nonproliferatieregelingen, waaronder het CWC.

In dit verband dringt de EU er bij de DVK op aan haar activiteiten met raketten, zoals testvluchten, die de regionale stabiliteit ondermijnen, stop te zetten. De EU maakt zich ook zorgen over berichten dat de DVK raketten en rakettechnologie uitvoert naar onstabiele en explosieve gebieden in de wereld en dringt er bij de DVK op aan, deze uitvoer te beëindigen.

De EU is ook uiterst bezorgd over de ernstige schendingen van de mensenrechten in de DVK, met name ten aanzien van politieke gevangenen, over het ontbreken van de rechtsstaat, en over het gebrek aan samenwerking van de autoriteiten met de internationale mensenrechtenmechanismen. De EU betreurt het dat de DVK de mensenrechtenactiviteiten van NGO's aanhoudend belemmert. De EU dringt er bij de DVK ten zeerste op aan, de mensenrechten te eerbiedigen en haar verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht na te komen. De door de DVK aangekondigde terugtrekking uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is niet rechtsgeldig en wakkert het internationale wantrouwen jegens de DVK aan.

vi) Heroverweging van de bilaterale betrekkingen in het licht van de reactie van de DVK op het beleid van contact en dialoog

De EU heeft in december 1998 een eerste ronde van de politieke dialoog met de DVK gehouden. De EU heeft zich reeds bereid verklaard later dit jaar een tweede ronde te houden, afhankelijk van de vorderingen op het Koreaans Schiereiland.

De EU heeft nota genomen van de herhaalde verzoeken van de DVK om een verbindingsbureau in Brussel te mogen vestigen. Dit verzoek zal in overweging worden genomen in het licht van de waarneembare vorderingen bij de politieke dialoog.

Voorzover de verschillende punten van zorg die de EU aan de DVK kenbaar heeft gemaakt, geleidelijk worden weggenomen, verwacht de EU dat de bilaterale betrekkingen geleidelijk zullen verbeteren. Alle economische of politieke voordelen die de EU in dit verband zou kunnen bieden, zullen gerelateerd zijn aan de vorderingen van de DVK op de verschillende gebieden waarover de EU zich zorgen maakt.

Afrika - preventie en oplossing van conflicten

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een evaluatieverslag betreffende de activiteiten die de EU het afgelopen jaar heeft ontplooid ter uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt van 2 juni 1997 over de preventie en oplossing van conflicten in Afrika; dit verslag is voorgeschreven in artikel 6 van het gemeenschappelijk standpunt.

In het verslag worden de tussen 2 juni 1998 en 2 juni 1999 verrichte werkzaamheden vermeld en wordt, onder erkenning van de noodzaak van een doelmatig EU-beleid inzake de preventie en oplossing van conflicten in Afrika, bevestigd dat de EU haar inspanningen ter uitvoering van haar gemeenschappelijk standpunt zal voortzetten; in dit verband zal de Raad met name:

o alle nodige stappen nemen om verdieping van de politieke dialoog met de OAE te vergemakkelijken en meer bepaald de mogelijkheden voor samenwerking met het Conflict Management Center (CMC) van die organisatie verkennen;

o de dialoog met de SADC over vredesopbouw en de preventie en oplossing van conflicten versterken;

o de nodige stappen nemen om de politieke dialoog met ECOWAS te intensiveren, met name om een stimulans te geven aan de inspanningen van ECOWAS in verband met de preventie, de beheersing en de oplossing van subregionale conflicten;

o de mogelijkheden verkennen om een politieke dialoog met de IGAD in te stellen;

o de uitwisseling van relevante informatie en analyses tussen de EU-lidstaten en de Commissie verder verbeteren, onder andere in communautair verband via het elektronisch prikbord (EBB);

o zich actief beraden op praktische wegen om de kloof tussen analyse, vroegtijdige waarschuwing en actie te dichten, met name via uitvoering van bestaande voorstellen.

De Raad zal de vorderingen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt en de desbetreffende conclusies van de Raad jaarlijks blijven toetsen.

Guinee-Bissau - opening van overleg

Als vervolg op de door de EU na de gebeurtenissen van 6 en 7 mei 1999 bekendgemaakte verklaring, waarin het uitbreken van geweld, de afzetting van president Vieira en de aanvallen op diplomatieke missies werden veroordeeld, heeft de EU haar goedkeuring gehecht aan het openen van overleg met Guinee-Bissau op grond van artikel 366 bis van de Overeenkomst van Lomé, alsmede aan de tot de voorzitter van het ACS-Comité van ambassadeurs en de ambassadeur van Guinee-Bissau te richten brieven.

In het op grond van artikel 366 bis gevoerde overleg dient de situatie in Guinee-Bissau uitvoerig te worden geëvalueerd en dient Guinee-Bissau de gelegenheid te krijgen aan te geven welke maatregelen het voornemens is te nemen om te voldoen aan de door de EU in haar verklaring van 18 mei 1999 uitgesproken verwachtingen, met name wat betreft de scheiding van de civiele en de militaire bevoegdheden, alsmede de termijnen die het daarvoor wil vaststellen en in acht nemen.

ACS-EU-onderhandelingen

De Raad nam nota van de informatie van het voorzitterschap over de tweede ACS-EU-Onderhandelingsconferentie op ministerieel niveau betreffende een ontwikkelingspartnerschap, die op 29 en 30 juli in Brussel zal worden gehouden.

Wapenexport naar het voormalige Joegoslavië

De Raad heeft een besluit aangenomen tot wijziging van zijn gemeenschappelijk standpunt van 1996 inzake de export van wapens naar het voormalige Joegoslavië, teneinde de uitvoer van politie-uitrusting naar Bosnië-Herzegovina toe te staan in het licht van de gewijzigde internationale militaire aanwezigheid in dat land (inzet van SFOR).

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Bananen - conclusies

De Raad herinnerde aan zijn conclusies van 31 mei 1999 en wees andermaal op het belang dat hij eraan hecht om zo spoedig mogelijk de EU-bananenregeling te wijzigen, teneinde die volledig met de WTO-voorschriften in overeenstemming te brengen, zonder daarbij de belangen van de communautaire en ACS-producenten alsmede die van de EU-consumenten uit het oog te verliezen. Zulks zal, onder andere, tot een snelle oplossing leiden van de problemen die bepaalde sectoren van het Europese bedrijfsleven ten gevolge van de VS-sancties thans ondervinden.

Derhalve verzoekt de Raad de Commissie om, in het licht van de besprekingen van de mogelijke oplossingen die de Commissie voor het geschil heeft voorgesteld alsmede rekening houdend met het resultaat van haar contacten met alle betrokken partijen, in september 1999 een formeel voorstel tot wijziging van de bananenregeling in te dienen.

Toetreding van China tot de WTO - conclusies

Gezien de belangrijke rol van China in de wereldeconomie, blijft de toetreding van China tot de WTO voor de Europese Unie een zaak van prioritair belang. De Raad erkent de inspanningen die China reeds heeft geleverd en herhaalt dat de EU bereid is om de onderhandelingen met China bij de eerstvolgende gelegenheid te hervatten.

Ten aanzien van de toetreding van China tot de WTO deelt de EU een aantal belangen en doelstellingen met andere WTO-lidstaten, doch daarnaast heeft zij ook haar eigen, specifieke belangen en doelstellingen. De Raad nodigt China uit, de onderhandelingen met de EU zo spoedig mogelijk voort te zetten, onder meer in de vorm van een alomvattend tariefaanbod. De Raad acht het noodzakelijk dat China de WTO-voorschriften toepast en rekening houdt met de specifieke prioriteiten van de EU inzake markttoegang, opdat een snelle afronding van de toetredingsonderhandelingen mogelijk wordt met het oog op de start van een nieuwe WTO-onderhandelings-ronde.

INTERNE MARKT

Overeenkomst met Israël inzake wederzijdse erkenning van goede laboratoriumpraktijken (GLP) en van de programma's voor het toezicht op de naleving van deze beginselen

De Raad heeft besloten tot de sluiting, tussen de Europese Gemeenschap en de staat Israël, van de Overeenkomst inzake de wederzijdse erkenning van de OESO-beginselen betreffende goede laboratoriumpraktijken (GLP) en de programma's voor het toezicht op de naleving van deze beginselen.

Bij de overeenkomst verbinden de partijen zich ertoe toe te zien op de kwaliteit, de geldigheid en de betrouwbaarheid van gegevens in verband met de veiligheid van de chemische producten waarop deze overeenkomst van toepassing is, de erkenning van programma's voor de verificatie van GLP, de wederzijdse aanvaarding van gegevens en onderzoeksresultaten van de laboratoria van de partijen, en het gebruik van deze gegevens en onderzoeksresultaten voor de administratieve procedures in verband met het op de markt brengen van de in de bijlage bij de overeenkomst genoemde chemische producten.

BENOEMING

Leden van het Comité van Toezicht van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)

De Raad heeft zijnerzijds het gemeenschappelijk besluit van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aangenomen betreffende de benoeming van de leden van het Comité van Toezicht van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF), met ingang van 1 augustus 1999:

mevr. Mireille DELMAS-MARTY (F)

de heer Edmondo BRUTTI-LIBERATI (I)

de heer José Narciso da CUNHA RODRIGUES (P)

de heer Raymond KENDALL (UK)

de heer Harald NOACK (D).

Dit gemeenschappelijke besluit zal worden ondertekend door de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.



/newsroom/press/c/10135.NL9.html

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie