Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag informeel overleg ministers BUZA Europese Unie

Datum nieuwsfeit: 08-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

i.a.a. de Voorzitter van de Eerste Kamer

der Staten-Generaal
Directie Politieke Zaken

Europees Correspondent

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 8 september 1999
Kenmerk DPZ-485/99
Blad /1
Bijlage(n) EU-Verklaring inzake Oost-Timor
Betreft Informeel overleg van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie (Saariselka, Finland; 4 en 5 september 1999) C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Op 4 en 5 september jl. vond in Saariselka het halfjaarlijkse informele overleg van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie plaats. Dit zogeheten Gymnich overleg werd eveneens bijgewoond door de benoemd Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands en Veiligheidsbeleid, tevens Secretaris-Generaal van de Raad, de Heer Javier Solana, die thans nog in functie is als Secretaris- Generaal van de NAVO. In de middag van de eerste dag bespraken de Ministers de situatie in de Westelijke Balkan, m.n. de FRJ en Kosovo, de situatie op Oost-Timor en de Europese Veiligheids-en Defensie-identiteit (EVDI). In de ochtend van de tweede dag stonden Turkije en de EU-uitbreiding in breder kader geagendeerd.

Hieronder volgt een korte samenvatting van dit informele overleg. Er zijn -zoals gebruikelijk-geen conclusies getrokken.

Westelijke Balkan

De Ministers waren van mening dat democratische verandering in de FRJ belangrijk en urgent is, en dat de Unie zich moet inspannen om de democratische oppositie te ondersteunen.Het voorzitterschap zal binnenkort een aantal oppositieleiders uit Servie uitnodigen voor overleg in Brussel met de EU, waarbij ook de geassocieerde landen in Centraal- en Zuid-Europa zullen worden uitgenodigd. De Ministers hebben ook benadrukt dat concrete steun aan de democratische gezinde gemeenten en groeperingen in Servie moet worden gegeven, in het bijzonder door initiatieven als het door Nederland en Griekenland ingebrachte voorstel "Energie voor Democratie".

Een groot aantal Ministers was van oordeel dat de luchtvaartboycott die de Unie heeft ingesteld zou dienen te worden opgeheven. Enkele bewindslieden, waaronder ikzelf, vonden het daarvoor echter te vroeg. Maximale druk op het regime Milosevic moet gehandhaafd blijven. Daarentegen was er algehele steun voor het beeindigen van het ontmoedigingsbeleid van de EU inzake sportevenementen waar de FRJ aan deelneemt. De Algemene Raad van 13 september a.s. zal een besluit nemen over de uitzondering van Montenegro en Kosovo van de luchtvaart- en olieboycott. Montenegro dient gewezen te worden op de negatieve gevolgen van stappen in de richting van onafhankelijkheid, m.n. op de situatie in Kosovo.

Het voorzitterschap zal op 6 september een bezoek brengen aan Kosovo. Aandachtspunten voor dat bezoek zijn m.n. de ontwapening van de UCK , de ontwikkeling van een deugdelijk lokaal ambtelijk apparaat en de EU-reconstructie in het kader van UNMIK.

Oost-Timor

De Ministers verwelkomden de uitslag van de volksraadpleging op Oost-Timor, maar zij uitten hun grote zorg over het snel toenemende geweld van de pro-Indonesische milities.Het Voorzitterschap bracht een verklaring uit waarin de Indonesische regering wordt opgeroepen om verder geweld te voorkomen. Ik heb er voor gepleit dat de EU de Indonesische regering wijst op haar verantwoordelijkheid om de orde te handhaven in de nu begonnen interim-periode. Thans worden de resultaten afgewacht van de speciale missie die door de Veiligheidsraad naar Djakarta is afgevaardigd. Een eventuele internationale presentie op Oost-Timor, waar Nederland voorstander van is, is alleen uitvoerbaar als de Indonesische regering daar zelf mee instemt. De Algemene Raad van 13 september a.s. heeft de situatie op Oost-Timor opnieuw op de agenda staan, mede op mijn initiatief. Ik zal bij die gelegenheid ook de situatie in Indonesie in breder verband aan de orde stellen, en aandacht vragen voor de ontwikkelingen in Aceh en de Molukken.


Europese Veiligheid en Defensie-identiteit (EVDI)

De gedachtenwisseling tussen de Ministers richtte zich op de voorbereiding van het in de ER van Keulen aangekondigde voortgangsrapport van de Raad aan de ER van Helsinki. De onderwerpen die daarin nader moeten worden uitgewerkt zijn het vaststellen van de EU-ambities bij Petersbergtaken, de militaire capaciteiten die daarvoor nodig zijn , de afspraken die met de NAVO dienen te worden gemaakt over de toegang tot NAVO middelen en capaciteiten, de wijze waarop de Europese niet-EU NAVO-landen betrokken dienen te worden en de wijze waarop de besluitvorming zou moeten worden ingericht.

Voorts zal ook gerapporteerd dienen te worden over EU beleid inzake niet-militair crisismanagement.

Ik heb mijn bezwaren naar voren gebracht ten aanzien van het Franse voorstel om een Comité Politique et de Sécurité (COPS) op te richten, een permanent orgaan dat belast zou worden met het GBVB en de defensieaangelegenheden. De Unie zou eerst concrete voortuitgang moeten boeken t.a.v. de inhoud van het beoogde beleid en de daarvoor benodigde middelen. Het bestaande Comité Politique zou, binnen het kader van de Algemene Raad, de EVDI verder dienen te ontwikkelen. Bovendien moet worden vermeden dat het GBVB, inclusief EVDI, zich buiten de pijlerstructuur van het Verdrag van Amsterdam gaat ontwikkelen. In het bijzonder heb ik de noodzaak benadrukt van een goede samenwerking met de NAVO en een wisselwerking tussen EU en NAVO, waarbij de transatlantische band versterkt wordt en niet onder druk komt te staan. De voorbereiding van EVDI is dus niet alleen gericht op de ER van Helsinki maar ook op de aanstaande NAVO Ministeriële bijeenkomst.

Op 15 november zal de Algemene Raad EVDI verder bespreken; bij deze gelegenheid zullen de Ministers van Defensie van de EU-landen worden uitgenodigd.

Turkije

Inzake Turkije kwamen zowel de EU-inspanningen n.a.v. de aardbeving aan de orde alsmede het geheel van de betrekkingen tussen de EU en Turkije. Tijdens het overleg bleek sprake van een positieve toonzetting.

De Commissie ontvouwde eerste ideeën over het beschikbaar stellen van financiële middelen voor rehabilitatie en reconstructie. In een eerste discussie bleek uitzicht te bestaan op overeenstemming over een substantieel hulppakket, bestaande uit korte termijn noodhulp, geld ten laste van het MEDA-II programma, additionele allocaties van de Europese Investerings Bank en macro-financiële hulp. Daarnaast bleek uitzicht te bestaan op het ter beschikking stellen van financiële middelen voor uitvoering van de Europese Strategie.

In mijn interventie heb ik het belang benadrukt van het tot stand komen van een substantieel hulppakket, uiteraard binnen de bestaande financiële perspectieven, maar er voor gewaarschuwd een zorgvuldig onderscheid aan te brengen tussen het pakket i.v.m. de aardbeving en het nakomen van oude verplichtingen. De EU moest niet de indruk wekken Turkije een "sigaar uit eigen doos te geven".

De nader uit te werken voorstellen van de Commissie zullen in de Algemene Raad formeel aan de orde komen. Ik ben van mening dat met het thans voorgestelde pakket aan de Nederlandse inzet is voldaan.

Inzake het Turkse toetredingsperspectief werd de discussie gevoerd met het oog op de Europese Raad van Helsinki en in relatie tot het daar te bespreken uitbreidingsperpectief voor die landen die tot het uitbreidingsproces behoren maar waarmee totnutoe nog niet wordt onderhandeld. Indien zou worden besloten om het aantal landen waarmee wordt onderhandeld uit te breiden, maakt dat de noodzaak om de betrekkingen, die sinds de ER van Luxemburg tussen de Unie en Turkije in een patstelling zijn gekomen, te verbeteren alleen maar groter. Ik heb daarbij aangegeven dat een heldere boodschap aan Turkije moet worden gegeven, waarbij de Turkse kandidaatstatus voor lidmaatschap van de EU formeel bevestigd dient te worden. Indien de Unie een dergelijk signaal niet bereid zou zijn te geven, zou dat kunnen leiden tot een blijvende verwijdering tussen Turkije en de Unie.

Overigens is ook de Turkse overheid ervan overtuigd dat met vervulling van deze kandidatuur nog geruime tijd gemoeid zal zijn. Een dergelijk toetredingsperspectief en het daarmee verbonden herstel van de politieke dialoog verschaft de EU een positie om invloed uit te oefenen op díe gebieden waar wij beleidsbijstellingen van Turkije gewenst achten, zoals mensenrechten, minderhedenbeleid en de betrekkingen met buurlanden. De acceptatie door Turkije van de Kopenhagen-criteria als toetsingscriteria voor lidmaatschap verschaft daarvoor de basis. Tevens heb ik in dit verband gepleit voor het zo snel mogelijk nakomen van de financiële verplichtingen van de EU t.o.v. Turkije.

In de aanloop naar Helsinki zal deze discussie verder gevoerd worden, om te beginnen tijdens de AR van 13 september, waarvoor ook mijn Turkse collega Cem is uitgenodigd.


EU-uitbreiding in breder kader

Een korte gedachtenwisseling vond plaats over de uitbreiding van de 6 landen waarmee de Unie thans toetredingonderhandelingen voert. De bespreking van dit onderwerp wordt in een komende Raad voortgezet. Ik heb gewezen op het belang om de toetredingsonderhandelingen in een hoger tempo voort te zetten, en ervoor gepleit om met de 6 landen die deel uitmaken van het toetredingsproces maar waarmee nog niet wordt onderhandeld, toe te laten tot de eerste groep. Dat betekent uiteraard dat de onderhandelingen meer gedifferentieerd dienen te worden, en tevens dat , naar Nederlands inzicht de agenda van de IGC m.b.t. de verdieping verbreed zou dienen te worden en zich niet kan beperken tot de zogeheten "leftovers" van Amsterdam. Met het eventuele besluit van de ER in Helsinki om landen als Bulgarije en Roemenië - landen die een cruciale rol spelen in de stabiliteit in de Balkan - toe te laten tot de onderhandelingen zou echter een belangrijk politiek signaal worden gegeven.

de Minister van Buitenlandse Zaken

J.J. van Aartsen


Statement by the Presidency of the European Union on the result of the popular consultation in East Timor

The Presidency of the European Union warmly welcomes the result of the popular consultation of the East Timorese people on 30 August 1999 as a clear expression of the will of the East Timorese people. The European Union calls on all parties to respect the result of ballot.

The European Union praises the role and efforts of the Governments of Indonesia and Portugal in the process to find an internationally acceptable solution to the question of East Timor. The International Community welcomes the statement by President Habibi to respect the results of the consultation. The European Union also commends the courage and efficiency of the staff of the United Nations Mission in East Timor (UNAMET), and all others who contributed to organizing and conducting the popular consultation in extremely difficult conditions.

The European Union condemns the escalation of violence and is deeply concerned about the deteriorating security situation in East Timor. The European Union expresses its condolences to the families of all those who lost their lives. The European Union strongly urges the Government of Indonesia to prevent further violence.

The European Union follows the situation closely and deems early action necessary by the International Community in support of the implementation of the ballot result.


4 September 1999

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie