Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak van der Ploeg op 9e Nationale Omroep Congres

Datum nieuwsfeit: 08-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 08-09-1999

Toespraak

9e Nationale Omroep Congres

Toespraak van dr. F. van der Ploeg, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ter gelegenheid van het 9e Nationale Omroep Congres, 8 september 1999 te Amsterdam

Dames en heren,

Laat ik beginnen met even om te kijken. Dat is niet mijn gewoonte. Maar de thematiek van dit congres geeft mij daartoe aanleiding.

Als opwarmer voor de introductie van commerciële omroep in Nederland ontstonden in de jaren tachtig een aantal spraakmakende plannen en modellen om publieke en commerciële omroep vreedzaam te laten samenleven. Deze plannen blijven overigens het debat in de negentiger jaren beïnvloeden. Dat zal ik u nog aantonen. Zo bracht een VPRO-commissie onder leiding van oud-KRO-voorzitter en minister Van Doorn al in 1981 een rapport uit. Niet oninteressant was dat de concessieprijs voor een commercieel net ƒ 250 miljoen, in guldens van toen, bedroeg die ten goede zouden komen aan de publieke omroep. In 1988 ontstond het zogenaamde ATV-EPTV-plan, dat vele aanwezigen hier nog bekend voor zal komen. AVRO, TROS en Veronica zouden tezamen met uitgevers een commercieel net exploiteren. De financiële samenhang met de publieke omroep was omgekeerd aan het Van Doorn-plan. De publieke omroep werd arm gemaakt, omdat zij in zijn reclamefunctie gekneveld werd ten faveure van de commerciële omroep. Ook de politiek deed mee. In 1990 ontstond het VVD-tienpuntenplan dat uitging van één nationaal publiek net en commerciële omroep. Omroepverenigingen hoefden geen publieke functie meer te vervullen en konden geleidelijk tot commerciële exploitatie overgaan. In 1993 bracht D'66 een plan uit dat een variant was op het VVD-plan. Omroepverenigingen zouden alleen een publiek budget krijgen voor specifieke publieke programma's.

Ik schets u het verleden even in een notendop omdat het heden er begrijpelijker door wordt. Alle modellen hebben gemeen dat zij zoeken naar de verhouding tussen publieke taken en commerciële omroep. En de mogelijkheid om de idee van een nationale omroep te combineren met de aanwezigheid van omroepverenigingen. Beide elementen zijn in de actuele discussie over de publieke omroep en het gegroeide duale omroepbestel in Nederland nog steeds herkenbaar.

Ondanks of misschien juist door alle borrelpraten en tekentafelen om één omvattend systeem te creëren, waarin ook meteen de dubbelzinnigheid van ons Nederlandse publieke omroepsysteem zou worden opgelost, kwam men er niet uit. Het was uiteindelijk de U-bocht-constructie van de zogenaamde Luxemburgse zender RTL-4 die via Veronique de patstelling doorbrak. Er is inmiddels veel gebeurd. In Nederland bestaat op dit moment heel veel commerciële omroep, verhoudingsgewijs het meeste van Europa. Met RTL-4, RTL-5, Veronica, SBS-6 en SBS/net 5 als grootsten. Wie had dat gedacht. Zoveel commerciële omroep in zo'n korte tijd in zo'n klein landje. In ieder geval niet de initiatiefnemers ongeveer tien jaar geleden, die nogal bevreesd waren over hun winstmogelijkheden en ook niet de publieken die dachten dat het allemaal wel mee zou vallen. Over de roerige beginperiode is veel geschreven. Het augustusnummer van het Broadcast Magazine stond er onlangs nog eens vol van. Het meest opvallende was wel dat er nog zoveel hoofdrolspelers van toen in leven zijn, en nog steeds in the business werkzaam, al is er de afgelopen tien jaar wel veel van plaats verwisseld.

Dames en heren,

Het geheel overziende, kom ik tot de volgende observaties. In Nederland is een uitgesproken duaal omroepbestel tot stand gekomen. Er is gekozen voor een duidelijke scheiding tussen publieke en commerciële omroep.
Zowel in de praktijk als de regelgeving. De publieke functie wordt bij uitstek aan de publieke omroep als taak opgelegd. Voor commerciële omroep is er de Europese regelgeving. Er is niet gekozen voor het Engelse model. Het Britse systeem kent een andere historie, andere financiële verhoudingen en vooral ook een groter taalgebied. Daar worden commerciële omroepen bij wet of via eisen voor een vergunning publieke verplichtingen opgelegd. Het Engelse systeem heeft dus expliciet een kwaliteitsimpuls voor de commerciële omroep ingebouwd. Veel van het Britse kwaliteitsdrama is dan ook afkomstig van ITV. Bijzonder is ook Channel 4. Opgebouwd uit geld van de commerciële omroepen, maar nu aangewezen op reclame en toch een zender met een publieke taakopdracht. Met als resultaat bijzondere en mooie programma's, vaak voor kleine doelgroepen. In Nederland is niet gekozen voor het Engelse model, ervan uitgaand dat Nederland te klein is en over een te klein taalgebied beschikt om commerciële omroepen zonder ernstig verlies aan inkomsten, substantiële publieke taken te kunnen opleggen. Ik vind dat jammer en ben er alert op de mogelijkheid om positieve elementen aan het Nederlandse duale omroepbestel toe te voegen. Het Engelse systeem vind ik zeer aantrekkelijk. Ik ben ervoor om commerciële omroepen kwaliteitsimpulsen te geven en meer in het publieke domein te betrekken. Ik traceer al verschillende bewegingen op dat vlak. Bijvoorbeeld bij de samenstelling van de basispakketten op de kabel. Die bevatten zowel publieke als commerciële zenders. De regering heeft ook onlangs in de kabelnota opgeschreven waarom dat zo moet blijven. Ik acht het heel wel denkbaar om bij een voortschrijdende introductie van de decoder commerciële omroepen te interesseren om voor de decoder plaats te nemen. Tegenover de hogere reclame-inkomsten die zij dan vergaren, zouden zij wel aan zekere `kwalitatieve maatstaven' moeten voldoen.
U kent ook mijn opstelling bij de uitgifte van radiofrequenties. Ik ben voorstander voor een gedeeltelijke compartimentering van de uit te geven frequenties. Waarbij maatstaven van diversiteit van de zenders mede een criterium voor het verkrijgen van toegang tot de radiomarkt. Het kabinet heeft mij tot nu toe daarin niet gevolgd, maar wat niet is kan nog komen.

Dames en heren,

Met het mediabeleid hoeven wij ons in het nieuwe millennium niet te vervelen. Er staan legio onderwerpen op de agenda. Die regarderen zowel de publieke- als de commerciële omroep. Om enkele te noemen: de Concessiewet en de fiscalisering krijgen de komende tijd hun beslag, er zullen belangrijke beslissingen moeten worden genomen in het kader van het frequentiebeleid, de digitalisering van ether en kabel moet verder worden ontwikkeld. Aandacht zal uitgaan naar de cross-ownershipregelingen. Maar ook thema's als geweld op televisie en de toegankelijkheid van minderheden in de media blijven mijn aandacht behouden. Op enkele actuele onderwerpen zal ik wat nader ingaan.

Als we over omroep praten, dan praten we al gauw over de open netten. De discussies lijken zich echter steeds meer te concentreren op de ontwikkelingen op het gebied van abonnee tv, betaal tv, keuze tv of meer in het algemeen op narrow-casting. Van broadcasting naar narrow-casting als de grote uitdaging? We zullen zien. Of vinden de echt nieuwe ontwikkelingen plaats op het terrein van internet? Waarbij de vraag is of en hoe de individuele p.c. en de tv geïntegreerd worden. Ongetwijfeld zullen zich vele adembenemende mogelijkheden gaan voordoen die van wezenlijke betekenis zijn voor het te voeren mediabeleid. De vraag is alleen wanneer en hoe.

Wie mediabeleid voert, voert ook een maatschappelijk- en sociaal-cultureel beleid en in die context is de betekenis van open netten, van general-interest zenders natuurlijk enorm. Het gaat om een aanbod dat gelijktijdig wordt ontvangen en bekeken, met een divers pakket aan informatie en veelal op een groot en divers publiek gericht. Een dergelijk aanbod is van wezenlijk belang voor een goed functionerende democratie. In die zin loopt er niet zozeer een breukvlak tussen publieke en commerciële netten, maar tussen open en gesloten netten. Of zij nu publiek of commercieel zijn.

Ik ga uit van de cruciale rol van de open netten, publiek en commercieel en met mij de andere Europese landen. Sport is natuurlijk een grote blikvanger. Ik vind het verheugend dat Margot Vliegenthart morgen op dit omroepcongres onder meer hierover spreekt. In april heb ik op het NOC NS I congres sport, markt en media mijn beleid voor voetbalbestuurders uiteengezet. Ik heb daarbij stilgestaan bij de toenemende verstrengeling tussen mediaondernemingen en sportclubs. Mediaondernemingen streven naar exclusieve rechten voor betaaltelevisie.
Tegen die achtergrond is op Europees niveau besloten tot het wettelijk waarborgen dat er voor de burger een brede toegang tot belangrijke sportevenementen mogelijk blijft via de open kanalen. De daarvoor opgestelde richtlijn is door de regering in een wetsvoorstel omgezet dat inmiddels door de Tweede Kamer is aanvaard. Daarmee is de wettelijke basis gelegd voor de lijst van evenementen die niet achter de decoder mogen verdwijnen. Ik verwacht in 2000 in goed overleg met betrokken partijen tot de definitieve vaststelling van de lijst te komen. Die zal waarschijnlijk korter zijn dan de voorlopige lijst die nu circuleert, maar daarom niet minder serieus.

Een marktordenend optreden van de overheid is ook in het licht van de vele technische ontwikkelingen van wezenlijk belang. De voornaamste taak van de overheid in de mediasector is het bieden van voldoende ruimte voor markt en publieke voorzieningen en het waarborgen van eerlijke mededinging. Dat vergt een verdere ontwikkeling en regelgeving op het terrein van de distributieinfrastructuren. Er staat de komende tijd nog heel wat te doen voor de verschillende betrokken departementen.

Ik wil de verschillende acties wat betreft de digitalisering van de ether niet onvermeld laten.

Het uitgiftebeleid van frequenties is gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ministeries van V&W en OCenW. Tegen deze achtergrond overleg ik nog mijn met collega De Vries over de invoering digitale televisie. Voor digitale radio, T-DAB, zal onmiddellijk worden gestart met de organisatie van een veiling van de digitale frequenties in het voorjaar van 2000. De landelijke publieke omroep zullen bij voorrang worden geaccommodeerd met de capaciteit en de dekking van een landelijke multiplex.

Tot slot nog iets over een onderwerp dat ook in de pers nogal wat aandacht krijgt: de plannen voor zenderprofilering van de publieke omroep. Ook degenen in deze zaal die daar niet op zitten te wachten zullen een zekere interesse hebben in deze operatie. Allereerst, zoals wel meer gebeurt, lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Ook in het verleden werd er door de publieke omroep natuurlijk over zenderprofilering omroep nagedacht. Dat gebeurde heel nadrukkelijk in het plan uit 1991 van de toenmalige NOS-voorzitter De Jong. Daarin werd een identiteitsgevoelig net, een nationaal net en een verdiennet voorgesteld. Hieraan gekoppeld zou sprake zijn van een gedifferentieerd reclameregime, waarbij op het verdiennet ook programma-onderbrekende reclame zou worden geïntroduceerd.

De Jong zag in dit systeem de oplossing voor én het aanbieden van een onderscheidende programmering én het verdienen van voldoende geld om de programma's te kunnen financieren. Door mijn voorganger d' Ancona werd dit plan afgewezen met mijns inziens terechte argumenten. De onderscheidende programmering van de publieke omroep als geheel was in het geding. En de belangen van de netten en netbespelers zouden teveel uiteen gaan lopen, hetgeen een meer gezamenlijk optrekken zou frustreren. Verrassend genoeg komen verschillende elementen van dat gedachtengoed weer terug in de actuele discussie over zenderprofilering binnen de publieke omroep.
Het is niet aan mij om voor te schrijven hoe die profilering eruit moet zien. Allereerst dienen Raad van bestuur en Raad van toezicht van de NOS over dit belangrijke onderdeel van organisatie en programmering van de publieke omroep tot overeenstemming te komen. Dat daarbij schermutselingen voorkomen die de publicatie halen, vind ik min of meer bij zo'n proces horen.
Ik ben er in zoverre bij betrokken dat de gekozen profilering zich dient te bevinden binnen algemeen geformuleerde voorwaarden van het overheidsbeleid. Die zijn in de memorie van toelichting van de Concessiewet reeds geformuleerd. Vandaaruit kan ik de doelstellingen van de verbeterde netprofilering als volgt formuleren. Hieraan zal ik de besluitvorming binnen de NOS toetsen.

* Maatschappelijke relevantie, draagvlak en herkenbaarheid van de gezamenlijke publieke televisie en radiozenders voor het kijkend publiek.

* Kwantitatief goed bereik van brede en smalle programma's voor alle publieksgroepen.

* Bereik onder speciale doelgroepen, waaronder 20-35 jarigen, jeugd en minderheden.

* Geen grote verschillen in marktaandeel per zender; hetgeen betekent dat de risico's van verdiennetten dan wel smalle cultuurzenders worden vermeden.

* Handhaving danwel vergroting van het kijk- en marktaandeel van de publieke zenders, waarbij ook de reclame-inkomsten ten minste op hetzelfde niveau blijven.

In dit kader wil ik nog het volgende opmerken. Een gerechtvaardigde vraag is en blijft wat nu precies de band is tussen omroepverenigingen en hun leden. De oude verzuiling is natuurlijk allang niet meer aanwezig; de tijd dat een VARA-lid vrijwel uitsluitend naar de VARA luisterden en KRO-leden naar `hun' programma's. Uit kijk- en luisteronderzoek blijkt dat bij de meeste omroepen - die met een wat meer uitgesproken identiteit - die band nog wel te traceren is. Hun programma's worden meer dan gemiddeld bekeken door de eigen leden. Dit gaat echter voor TROS- en AVRO-leden niet meer op. Die kijken ook graag en veel naar RTL-4. Het is dus belangrijk om bij de profilering de relevante publieksgroepen te ecarteren. En een zekere gebondenheid van de verschillende groepen aan een net te cultiveren, zodat het doorkijkgedrag op een net wordt vergroot.

Dames en heren,
Er zijn nog vele thema's en ontwikkelingen waarover ik vandaag ook nog zou willen spreken. Over de radio, de regionale omroep en de groeiende samenwerking tussen film en televisie. Allemaal onderwerpen die op dit congres aan bod komen, maar ik zal het hierbij laten.

U zult ongetwijfeld een paar prettige dagen hebben. Het mediaterrein wordt immers gekenmerkt door een aangename mengeling van serieusheid en lichtvoetigheid. Dat is er sinds de introductie van commerciële omroep niet minder op geworden. Het gaat om principes en idealen, maar vooral het bieden van vermaak en informatie. Het gaat om de gunst en de waardering van de bewoners van ons land, maar ook om het geld. En dat alles in vaak verrassende, wisselende combinaties. Ik wens u ook deze keer weer veel plezier toe!


----------------------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------------------

Noten

(1)Eindhovens Dagblad, 22 juni en 31 juli 1999.

(2)Der Spiegel 19/1998, pp. 104-105.

(3)Gregory Gromov, `A few points from recent IT history'/'A few quotes from Silicon Valley history', www.htnet.net/netvalley/, Jim McCormick, `A brief history of Silicon Valley', www.silvalonline.com/silhist.html/.

(4)Ibid. De uitspraak is gedaan door Bob Methcalfe in zijn column in het internet-tijdschrift Info World Electric,
www.infoworld.com/, 2 maart 1998.

(5)Zie S. Beugelsdijk, F.W.M. Boekema en G.J. Hospers, `Kennis als vestigingsplaatsfactor', ESB 19-3-99, 214-215.

(6)Zie C.J.M. Schuyt, `Op academisch niveau: scholing en vorming in een gedifferentieerd stelsel van hoger en wetenschappelijk onderwijs' (rede t.g.v. de opening van het Academisch Jaar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1998).

(7)Zie J.W.M. Kessels, Het Corporate Curriculum, Leiden 1996.

(8)Ministerie van OCenW, `Wie oogsten wil, moet zaaien' - Wetenschapsbudget 2000, hoofdstuk 4.

(9)P.H.A. Frissen, De lege staat, Amsterdam 1999, p.105.

(10)Vgl. J. de Vries en M. van Dam, Politiek-bestuurlijk management. Een blik achter de gouden muur, Alphen aan den Rijn 1998, hoofdstuk 2.

(11)Ontleend aan: J. de Vries en M. van Dam, Politiek-bestuurlijk management. Een blik achter de gouden muur, Samson Alphen aan den Rijn 1998, p.35.

(12)Ministerie van OCenW, Wetenschapsbudget, p.23.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie