Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak minister Van Boxtel: Youth At Risk te Oss

Datum nieuwsfeit: 09-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak minister Van Boxtel: Youth At Risk te Oss

9 september 1999
Over het algemeen gaat het goed met jongeren in ons land. De meeste jongeren gaan naar school of volgen een opleiding en verwachten een prettige relatie, een gezin, een baan en een goede gezondheid. De meeste jongeren hebben het vooruitzicht op een goede maatschappelijke positie en gaan er terecht van uit dat zij als volwaardige, actieve burgers participeren in onze samenleving. Want daar draait het om als je het hebt over het wegwerken van achterstanden, over integratie, over vitale steden, over onze multiculturele informatiesamenleving. Wat mij betreft is participatie de primaire doelstelling van het grotesteden- en integratiebeleid, met andere woorden: de realisering van een actief burgerschap voor alle leden van onze samenleving, voor ouderen en jongeren, autochtonen en allochtonen, armen en rijken. Actief burgerschap is tenslotte de basis van een volwassen democratie. Een fundamentele norm daarbij is de gelijkwaardigheid en gelijke inzet van iedere burger als basis voor zelfredzaamheid, voor het creëren van eigen oplossingen. Meedoen is winnen! Helaas moeten we constateren dat bepaalde groepen in onze samenleving op achterstand staan, dat er allerlei drempels en hindernissen op hun weg liggen die volwaardige participatie bemoeilijken. Voor onze jongeren in het algemeen geldt dat voor een beperkt aantal , naar schatting zon 15%. Onder de etnische jongeren is dat aantal veel groter: hun toekomstvisie is vaak somber, hun kansen op werk zijn lager, en de kans dat zij problemen krijgen of zelf problemen gaan maken, is relatief veel hoger. We hebben het hier over een groep jongeren die flink op achterstand staat, een groep die zo groot is dat we het nauwelijks meer over een minderheid kunnen hebben.
Op grond van SCP onderzoek wordt geschat dat 37% van de etnische minderheden jonger is dan 25 jaar. In de grote steden is zelfs de helft van alle jongeren van etnische komaf. Jongeren die leven in een omgeving die te vaak nog is verbonden met termen als marginalisatie, criminaliteit en zwarte scholen. Jongeren die een achterstand hebben als het gaat om opleidingsniveau en arbeidsparticipatie. Niet allemaal evenveel en allemaal op dezelfde manier, ook tussen de verschillende etnische groepen zijn verschillen waar te nemen.
We kunnen daarom niet spreken over het opleidingsniveau van de minderheden, daarvoor zijn de verschillen tussen de verschillende groepen te groot. Wel geldt voor alle groepen dat de deelname aan onderwijs de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Vooral bij Turken en Marokkanen zijn jongeren veel hoger opgeleid dan de ouderen. Dat neemt niet weg dat deze jongeren nog steeds een aanzienlijke opleidingsachterstand hebben ten opzichte van autochtone jongeren.
Het is steeds duidelijker dat ook cultuurgebonden factoren hierbij een rol spelen. Veel kinderen uit minderheidsgroepen worden thuis opgevoed in een andere cultuur en taal dan het Nederlands, en lopen op die manier een flinke taalachterstand op, een achterstand die een goede start in het onderwijs ernstig belemmert, en meestal niet meer wordt ingelopen. Het is dus van groot belang dat er goed gestructureerde programmas tot stand komen die hun sociaal emotionele ontwikkeling en hun taalvaardigheid in het Nederlands stimuleren. Die afspraken zullen naar verwachting in dit najaar in het kader van het grote stedenbeleid tot stand komen. Maar we kunnen gelukkig constateren dat er sprake is van een opwaartse beweging in de onderwijspositie van leerlingen uit minderheidsgroepen. Op vrijwel alle onderwijsindicatoren scoren zij hoger dan de leerlingen van tien jaar geleden. Bovendien stromen aanzienlijk meer leerlingen door naar de hogere vormen van voortgezet en hoger onderwijs dan toen. Het is vooral de tweede generatie die de motor vormt van deze (absolute) vooruitgang. Een belangrijk gegeven omdat de tweede generatie in de komende jaren kwantitatief aan belang wint. We kunnen daarom veronderstellen dat de gemiddelde onderwijspositie van de leerlingen uit de minderheidsgroepen in de toekomst verder zal verbeteren. Ook op het terrein van werkgelegenheid hebben zich positieve ontwikkelingen voltrokken.
De verbetering van de arbeidsparticipatie onder etnische minderheden heeft zich in de afgelopen vier jaar vertaald in fors lagere werkloosheidcijfers. De daling van de werkloosheid was het grootst onder de Antillianen en de Marokkanen, namelijk rond de 15%. Bij de Surinamers en de Turken is de werkloosheid met zon 10 procent afgenomen. Bij de Zuid-Europeanen is de werkloosheid in de statistieken van het CBS toegenomen, maar dit komt doordat de (ex-)Joegoslaven bij deze groep zijn meegeteld, waarbij in het bijzonder de omvangrijke groep Bosnische vluchtelingen, die voor het merendeel geen werk heeft, het beeld vertekent. De werkloosheid onder de vluchtelingengroepen is nog onverminderd hoog. De voorstellen van het kabinet om asielzoekers te kunnen laten werken zijn mede bedoeld om deze situatie te doorbreken. Ook onder vrouwen uit de etnische minderheden is de werkloosheid afgenomen, zij het in mindere mate dan onder mannen. De werkloosheid onder jongeren uit de etnische minderheidsgroepen is echter nog steeds verontrustend hoog. Zo is van de Marokkaanse en Surinaamse 15-24 jarigen tegen de dertig procent werkloos. De hoge jeugdwerkloosheid onder Turken en Marokkanen heeft alles te maken met het lage opleidingsniveau van deze groep. In de keten van oplossingen die we moeten zoeken om deze jongeren een kans te geven om mee te doen, speelt het onderwijs een belangrijke rol, niet zozeer als doel op zichzelf, maar vooral als opstap naar een volwaardige arbeidsparticipatie. Ik ben er namelijk van overtuigd dat je mensen kunt stimuleren om uit hun marginale positie te komen door te gaan werken. Dat staat ook, in iets andere woorden, in het SER-advies over het grotestedenbeleid. Daarin werd gesteld dat "arbeid in onze samenleving het integratiekader bij uitstek is. De beste manier om achterstandsituaties in wijken en steden te bestrijden is dus gelegen in een versterking en benutting van het economisch potentieel op wijk- en stadsniveau. Leefbaarheid is dan een belangrijke uitkomst van beleid."
Dat uitgangspunt onderschrijf ik volledig: werk staat niet alleen voor geld, financiële armslag, maar ook voor aanzien en voldoening, collegas en acceptatie. Een economisch startpunt dat leidt tot een sociaal-economisch eindpunt. Daarom moeten we de komende jaar stevig investeren in het creëren van werkgelegenheid, in het stimuleren van economische bedrijvigheid op stads- en wijkniveau, en in het wegwerken van de te hoge werkloosheid onder leden van etnische minderheidsgroepen, waaronder de jongeren. Dat is geen gemakkelijke opgave. De jongste cijfers over de algemene ontwikkelingen op de arbeidsmarkt laten zien dat de werkloosheid intussen zover is gedaald dat vooral de harde kern van langdurig werklozen overblijft. Tot die harde kern behoren ook veel leden van minderheidsgroepen. Alleen met een gerichte aanpak kan een groot deel van deze harde kern aan het werk komen. Dat vraagt om een stevige inspanning, niet alleen van de sociale partners, maar ook van de scholen, de intermediairs, minderhedenorganisaties en gemeenten.
Het rapport Lankhorst over de problemen met Marokkanen in Amsterdam-West, signaleerde in de vormgeving van het lokaal jeugdbeleid versnippering, hokjesgeest en gescheiden subsidiestromen. Om de problematiek die veel van deze jongeren ondervinden recht te doen en daarvoor oplossingen aan te dragen, is het van cruciaal belang dat hieraan specifieke aandacht wordt geschonken. Aandacht in de vorm van een integrale aanpak, interculturalisatie van instellingen, laagdrempelige informatie en dienstverlening. Als een dergelijke aanpak meer wordt gevolgd, is er perspectief dat de doelstelling van de halvering van het werkloosheidsverschil tussen autochtonen en etnische minderheden 1 in deze kabinetsperiode zal worden gehaald.
Het onderzoek "Jongeren op afstand"2 gaf al in 1998 een beeld dat nu ook naar voren komt bij de SCP-uitkomsten. Het bleek dat enkele groepen jongeren nog niet of nauwelijks bereikt werden. Zo is er een groep met psycho-sociale problemen, waaronder Marokkanen. Een ook voor deze groep effectieve aanpak vereist een ketenbenadering, de aansluiting van verschillende schakels. Om dat te bewerkstelligen is een project Efficiënte trajectbemiddeling gestart. Het heeft tot doel om in een vijftal gemeenten (regios) te bewerkstelligen dat de verschillende organisaties die zich met jongeren bezighouden op het terrein van werk, inkomen, educatie, scholing, zorg en welzijn gezamenlijk een sluitende aanpak realiseren. Ervaringen daarvan worden vervolgens verder verbreid. In de samenwerking van de verschillende organisaties heeft de gemeente de regiefunctie, zoals ze die (steeds meer) heeft voor andere activiteiten en instrumenten gericht op jeugd. Op die manier ontstaat een kader waarbinnen de jeugdwerkloosheid steeds doeltreffender kan worden aangepakt. Voor jongeren uit minderheidsgroepen zijn in dit verband ook de lopende stimuleringsprojecten in 31 gemeenten van belang (gericht op Turken, Marokkanen, Antillianen en Arubanen).
In Tilburg is de gemeente, in samenwerking met scholen, buurtcentra, arbeidsbureaus en de politie, in een aantal wijken gestart met jeugdprojecten die uitgaan van de één-loketgedachte. Eén instantie, een plek waar jongeren alle voor hun relevante informatie kunnen krijgen. Informatie over scholing, over werk en stage, over verzekeringen en uitkeringen, een plek van waaruit allerlei op jongeren gerichte activiteiten worden georganiseerd. Ook zijn er steeds meer bedrijven die in samenwerking met gemeenten, scholen en arbeidsbureaus jongeren uit de direct omgeving, uit de wijk waar het bedrijf gevestigd is, in dienst nemen. Niet alleen omdat ze, terecht, vinden dat ze een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, maar zeker ook omdat een werkende buurt, een buurt waar het economisch goed gaat met de inwoners, eerder een leefbare buurt is, dus een prettigere vestigingsplaats voor bedrijven.
Een integrale aanpak is ook noodzakelijk als het gaat om jongeren, die niet alleen een lage opleiding en/of geen werk hebben, maar waar het ook op andere terreinen niet goed mee gaat. De zogenoemde risicojongeren, jongeren die problemen hebben en veroorzaken, jongeren die in de criminaliteit zijn beland of dreigen te belanden, die inbreuk maken op de veiligheid van hun omgeving. Een brede visie op jeugdbeleid zal ook aandacht moeten hebben voor deze groep die problemen veroorzaakt, zeker gezien de maatschappelijke impact die het gedrag van deze groep heeft op de hele samenleving. Het noodzakelijke evenwicht tussen de risicojongeren en de groep waarmee het goed gaat is hierbij van essentieel belang. Deze verbinding vindt de meest duidelijk vorm in de aanpak, waarbij preventie, curatie en repressie onlosmakelijk met elkaar verbonden onderdelen zijn. Vanuit jeugd en veiligheid betekent dit dat het voorkomen van probleemveroorzakend gedrag veel aandacht moet krijgen. Dit moet snel en consequent gebeuren.
Op een praktischer niveau betekent dit dat in de visie de jeugdketen breder moet worden gezien. De partners die zich primair met het veiligheidsaspect bezig houden zoals onder andere politie en het openbaar ministerie behoren immers ook tot de integrale jeugdketen.
Een belangrijk traject voor de aanpak van criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden, is beschreven in een nota met die naam, (CRIEM) die in november 1997 aan de Kamer (TK 1997-1998, 25 726) is aangeboden. Hierin worden voorstellen gedaan voor het realiseren van een adequaat preventief integratiebeleid. In deze nota wordt het preventieve integratiebeleid langs drie beleidssporen vormgegeven die zich richten op de voorschoolse, schoolse en naschoolse periode.
Ook in deze benadering staat het realiseren van een integrale en sluitende aanpak centraal. Trefwoorden hierbij zijn: het realiseren van een trendbreuk door een heldere regie, ruimte voor maatwerk en een individuele aanpak. Het gaat hierbij om een structurele aanpak waarin onderlinge consistentie en samenhang in de maatregelen een essentiële voorwaarde is.
Om deze sluitende aanpak op te zetten is vanaf 1 januari 1999 in zeven gemeenten, te weten Amsterdam, Rotterdam (Oude Noorden), Bergen op Zoom, Enschede, Hengelo, Epe en Utrecht een CRIEM-pilot voor twee jaar opgestart.
Deze pilots zijn zo opgezet dat zij gebruik maken van en aansluiting zoeken bij bestaande initiatieven en staand beleid op het terrein van het voorkomen en tegengaan van het marginaliseren van jongeren.
Het gaat bij de CRIEM-aanpak niet om compleet nieuwe projecten maar om het versterken en inzetten van schakels tussen de bestaande initiatieven om zo tot een daadwerkelijke integrale aanpak te komen. Een belangrijk element hierin is te komen tot een gestructureerde samenwerking tussen alle betrokken instellingen en organisaties. Daarnaast is de betrokkenheid van de doelgroep zelf ook hier een essentiële voorwaarde. Afgelopen maandag heb ik met bestuurders uit die steden gesproken over de voortgang, over de problemen en mogelijkheden.
Daarnaast ben ik in gesprek met mijn collegas Vliegenthart, Adelmund, De Vries en Korthals over een intensivering van het jeugdbeleid in het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (Rijk - gemeenten - provincies). Dit najaar zullen de resultaten daarvan in een bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO worden geëffectueerd. Het accent zal vooral op preventie liggen, want voorkomen blijft beter dan genezen. Het realiseren van op elkaar aansluitende voorzieningen, aansluitend op de vraag is daarbij cruciaal.
U bent geen pilot-gemeente voor CRIEM, maar heeft uw eigen traject Youth at Risk, opgestart. Daarmee stelt u zich als gemeente ambitieus op. Langs een onconventionele weg gaat u aan de slag met de harde kern van criminele jongeren. U krijgt hiervoor van mij een pluim. U kiest namelijk niet voor een gemakkelijke weg. Deze groep jongeren heeft al een crimineel verleden, is al klant van de jeugdhulpverlening en zijn weer vervallen in crimineel gedrag. Het zal moeilijk zijn om hen weer volledig op het rechte spoor te krijgen. Destijds heeft u subsidie aangevraagd bij het ministerie van BZK voor uw project. Uw verzoek is niet gehonoreerd omdat het te onzeker was of uw aanpak wel zou werken. U heeft zich echter niet van de wijs laten brengen door het afwijzen van de subsidie en u bent van start gegaan. Het goede van het project vind ik dat u samenwerkt met vier partijen. Goed dat het bedrijfsleven betrokken is. Het hebben van werk zorgt ervoor dat je meetelt. Het geeft houvast en biedt perspectief voor later. Je hebt dus iets te verliezen wanneer je door crimineel gedrag je baan kwijtraakt. Door het werken aan een project met justitie, de jeugdzorg, het bedrijfsleven en de buurt worden de kokers tussen deze instanties afgebroken. Door samen aan een project te werken, leren mensen vanuit diverse achtergronden elkaar beter kennen. Kennis en kunde worden aan elkaar gekoppeld. Dit moet leiden tot een beter presterende overheid. Een overheid die het vertrouwen heeft van haar burgers. In uw project is een actieve rol neergelegd voor de buurtbewoners. Prima om jongeren en de buurtbewoners met elkaar in gesprek te laten komen. Vaak lopen de buurtbewoners met een grote boog om een groep rondhangende jongeren heen, of ze durven niet meer de straat op. Het klinkt misschien gek, maar uit onderzoek blijkt dat jongeren zich buitengesloten voelen. En dus het gevoel hebben dat ze niets te verliezen hebben, als ze zich crimineel gedragen. Het overbruggen van de kloof tussen jongeren en de buurt is noodzakelijk om jongeren weer op het rechte spoor te krijgen en te houden. Punt van risico van uw project vind ik de grote rol die vrijwilligers krijgen toebedeeld. Zijn er genoeg vrijwilligers te vinden die bereid zijn om 9 maanden lang met moeilijke jongens op te trekken? En beschikken zij over voldoende professionele bagage om met de nodige afstand de jongeren te begeleiden? Maar wat zeker goed is, is deze opening om de samenleving zelf te motiveren en in beweging te brengen.
Ik hoop voor u dat het gaat lukken, dat ook Youth at Risk, net als de CRIEM-pilots, resultaten en inzichten kan opleveren die ons helpen ook deze jongeren volwaardig te laten participeren in onze maatschappij!
1 Tweede Kamer, 1998-1999, 26 333, nr.2, pag. 31 2 F.Angenent, J.den Heeten; Jongeren op afstand; SGBO/SZW 1998

Relevante links:
Het thema Integratiebeleid

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie