Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van der Ploeg bij Forumdebat Collectiemobiliteit

Datum nieuwsfeit: 13-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 13-09-1999

Toespraak

Forumdebat over Collectiemobiliteit

Toespraak van dr. F. van der Ploeg, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, ter gelegenheid van het Forumdebat over Collectiemobiliteit.

13 september 1999 te Tilburg, Academie voor Beeldende Vorming

Dames en heren,

In 1918 publiceerde de Nederlandse Oudheidkundige Bond een drietal brochures en een groot aantal stellingen onder de titel: Over hervorming en beheer onzer musea.
Uit dit materiaal blijkt dat de Bond bezorgd was over het gebrek aan systematiek en samenwerking binnen de Nederlandse museumwereld. Aan de tot dan toe door Victor de Stuers uitgevoerde hervormingen van het museumbestel ontbrak volgens de bond een algemeen kader, zodat de musea elkaar nog onvoldoende aanvulden. Ik citeer: al wat binnen onze grenzen aan kunstbezit en historisch belangrijke voorwerpen in openbare verzamelingen is bijeengebracht, beschouwd moet worden als één grote verzameling, waarvan eenen logische en nuttige verdeling moet worden beproefd.
Dat toen al ontbrekende algemeen kader voor onze Collectie Nederland wordt nog steeds node gemist, zij het dat we inmiddels het Instituut Collectie Nederland hebben opgericht.
Graag wil ik er alles aan doen om dit algemeen kader voor de komende cultuurnota periode beschikbaar te stellen.

Zoals u ongetwijfeld via de media zult hebben vernomen juich ik iedere poging om de presentatiemogelijkheden van het vele onzichtbare culturele erfgoed te verbreden van harte toe en zal ik -waar dit tot mijn mogelijkheden behoort- graag ondersteunen. Mijn streven is om voor de cultuurnota 2001-2004 een hanteerbaar systeem te ontwikkelen, waardoor het mogelijk wordt om de grote bulk aan museale voorwerpen die tot nu toe niet of nauwelijks worden getoond regelmatig zichtbaar te maken. Het liefst op een wijze waarbij ook een ander publiek dan de reguliere museumbezoeker wordt aangesproken.
De uitdrukking depot-filiaal, of zoals ik het in mijn uitgangspuntennota heb genoemd collectiefiliaal -termen waarmee u hier naar binnen bent gelokt- vind ik echter te beperkt om het systeem waarop ik doel goed te omschrijven.
Van verschillende kanten hebben mij ideeën over dit fenomeen bereikt. Het lijkt mij daarom zaak met u nader van gedachten te wisselen over de vraag of en in hoeverre dergelijke collectiefilialen (beter gezegd: presentatieplaatsen) kunnen bijdragen aan de vergroting van het rendement op ons cultureel vermogen.

Op 23 november 1998 heb ik in het Zuiderzee Museum te Enkhuizen, op de najaarsdag van de Nederlandse Museum Vereniging, gesproken over de activering van het cultureel vermogen van de musea. Inmiddels is de museale wereld over dit onderwerp in beroering gekomen en heeft de Raad voor Cultuur er een advies over uitgebracht. In mijn uitgangspuntenbrief cultuur als confrontatie heb ik aangekondigd twee beleidsbrieven aan de Tweede Kamer te zullen zenden over de activering van het cultureel vermogen. In het najaar van 1999 over de activeringen van archivale collecties. In het begin van 2000 over de activering van museale collecties.

Zowel de musea als de archieven hebben zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot populaire culturele (publieks)voorzieningen. De gezamenlijke musea ontvangen jaarlijks zon 25 mln bezoeken. De archieven zijn weliswaar niet op deze toeloop berekend, maar de internetsites van deze instellingen behoren naast die van de bibliotheken tot de drukst bezochte culturele sites. Uit onderzoek blijkt echter dat ook hier bepaalde groeperingen achterblijven. Hoog opgeleiden zijn oververtegenwoordigd. Jongeren, culturele minderheden en laag opgeleiden zijn ondervertegenwoordigd.
Gemeenten, provincies en rijk hebben in de afgelopen 10 jaar voor honderden miljoenen in musea en collecties geïnvesteerd om aan de behoeften van het sterk gegroeide publiek te kunnen (blijven) voldoen. Het is mijn stellige overtuiging dat de investeringen die ons in de komende jaren te wachten staan meer rendement dan in de afgelopen jaren moeten opleveren in die zin dat de investeringen meer gericht worden op het bereiken van de door mij genoemde groepen.

Ik denk dan bijvoorbeeld aan museale presentaties (1) van collecties die nu onzichtbaar zijn (2) op ongewone plaatsen (3) waar een groot en divers publiek komt, ook publiek dat niet zo gemakkelijk de weg naar een museum inslaat.
Om de gedachten te bepalen noem ik enkele voorbeelden die mij aanspreken.

Er bestaat een plan bij het Zuiderzeemuseum om tijdens de Floriade
-die 2002 in de Haarlemmermeer zal worden ingericht- met een kleine, representatieve tentoonstelling, het museum te presenteren. In deze presentatie wordt een goed beeld gegeven van het huidige aanbod van het museum (een pand waarin de historische wooncultuur zichtbaar wordt gemaakt, inclusief living history, een cultuurhistorische tuin met bijbehorende infrastructuur, een educatieve presentatie van museale voorwerpen en een afgemeerd historisch schip). De Floriade verwacht 3 miljoen bezoekers, waarvan velen tot de eerder genoemde publieksgroepen behoren en veel buitenlandse toeristen die mogelijk tot een herhalingsbezoek aan ons land en aan het Zuiderzeemuseum kunnen worden verleid. Zelfs wanneer slechts 10% van de Floriade-bezoekers de presentatie van het Zuiderzeemuseum zal gaan bezoeken, dan zijn dat nog ongeveer evenveel bezoeken als normaal te Enkhuizen per seizoen worden geregistreerd.

Van een geheel andere orde is de gedachte aan een spectaculaire museale presentatie op Schiphol, van hoogtepunten uit de Collectie Nederland.
In een groot licht-, klimaat- en brand/braakbeveiligd vitrinecomplex zouden daar topstukken uit Nederlandse musea een tijd lang tentoongesteld kunnen worden voor een publiek van jaarlijks tientallen miljoenen reizigers, dat zich daar soms enkele uren gedwongen ophoudt. Wil zoiets voluit scoren, dan moet het ook werkelijk gaan om een schatkamer met topstukken: Rembrandt (niet alleen grafiek maar ook schilderijen), idem Jan Steen, en Frans Hals, Delfts Blauw, Vincent van Gogh, Kees van Dongen, Constant, Rothko, Appel, Beuys, noem maar op; en ook andere topstukken van archeologie, volkenkunde en natuurlijke historie.
Daar is dan ook de plaats om het internationale publiek te informeren over onze gedachten over collectiemobiliteit, cultuurbehoud, selectie en afstoting, en het bereiken van brede groepen binnen de samenleving. De deelnemende musea zullen dan opvallend goede pr-presentaties moeten maken , met live performances van museale betrokkenen. Hierdoor kunnen reizigers met meer tijd omhanden overgehaald worden tot een virtueel of reëel bezoek aan onze schatkamers.
Ik ga er op de voorhand vanuit dat Schiphol zal willen meewerken door te investeren in de locatie en de vitrine; KLM-Cargo kan ieder transportprobleem aan, terwijl menige bank en verzekeraar ongetwijfeld zal staan te trappelen om mee te doen aan de exploitatie van dit project.

Een derde voorbeeld bevindt zich in het buitenland, en wel in Liverpool. De Londense Tate Gallery heeft in 1988 een afdeling geopend in Liverpool. Die stad heeft bouwkundige mega-investeringen gedaan voor de upgrading van achterstandsgebieden. Tate Liverpool is een zorgvuldige geplande vestiging geworden, een museum voor moderne en hedendaagse kunst, in het gerenoveerde havenkwartier (Albert Dock). Het museum verwachtte in arbeidersstad Liverpool, met een hoge werkloosheid, veel armoede en een verwaarloosde infrastructuur, een heel ander publiek dan in Londen, waar de meeste bezoekers kunsttoeristen zijn. Tate Liverpool zou zich alleen bezig houden met het maken van tentoonstellingen -conservering, aankopen en ontsluiting gebeuren in Londen; Liverpool leent kunstwerken uit de Londense depots- en had zodoende alle ruimte om zich te richten op het nieuwe publiek in het voormalige achterstandsgebied. Experimenteren met nieuwe manieren om moderne kunst aan een breed publiek te presenteren en proberen traditionele niet-bezoekers te bereiken, was de kern van de missie van Tate Liverpool. Hierdoor ontstond een gedemocratiseerd kunstmuseum, met een jaarbezoek van 600.000.

Het is tot nu toe het beleid van OCenW geweest om geen initiatieven te ondersteunen die de oprichting van nieuwe musea voorstaan. Er zijn immers al genoeg musea, we hebben er onze handen vol aan. Of dit standpunt gewijzigd moet worden ten gunste van de presentatieuitbreiding waar wij nu op doelen is nog de vraag. Juist op deze wijze kan het mogelijk worden om voor grote monumentale gebouwen een passende bestemming te vinden.
Het is duidelijk dat stimulering van meer expositiemogelijkheden tot een structurele financieringsvraag zal leiden, waarvoor ik de middelen nog zal moeten vinden. Op de voorhand kan worden gesteld dat de kosten van dit type collectiemobiliteit gelijke tred zullen houden met het zichtbaar maken van de collectie in de eigen instelling. Ik denk daarbij ook aan de kosten van het bruikleenverkeer. Momenteel doet de Nederlandse Museumvereniging een onderzoek hiernaar.

Ook zullen ideeën als de plaatsing van deelcollecties uit het Stedelijk Museum in Amsterdam in een mogelijk nog te bouwen Aldo van Eijckmuseum in Middelburg interessant kunnen zijn. Natuurlijk wordt hiermee Rudi Fuchs van een depotprobleem verlost. Maar het past heel goed in mijn beleidsprioriteit zichtbaar maken, vooral vanwege de betekenis van deze voorziening in de toeristische infrastructuur van Zeeland .
Er is (door het Sociaal en Cultureel Planbureau) een verband aangetoond tussen de toename van de publieke belangstelling voor het cultureel erfgoed en de toename van het binnenlands toerisme. Mensen trekken er in hun vrije tijd steeds vaker op uit om culturele bezienswaardigheden te bezoeken. Mogelijk dat de toegenomen belangstelling voor cultureel erfgoed dus een nevenresultaat is van de sterk toegenomen toeristische activiteit. Waarmee uitgedrukt wordt hoe onontkoombaar de relatie tussen cultuur en toerisme inmiddels geworden is. En dat het cultureel toerisme ook een instrument is om de zichtbaarheid van slapende collecties te bevorderen. Het zal u overigens allen duidelijk zijn, dat financiële bijdragen voor bouw en exploitatie van het Middelburgse plan verwacht worden van gemeente en provincie.

Er zijn ook andere mogelijkheden om collectiemobiliteit te bevorderen. Het feit dat cultuurconsumenten bijvoorbeeld op Internet het collectieaanbod voorafgaand aan hun reële bezoek op virtuele wijze kunnen inzien, maakt combinaties van bezoeken mogelijk. Voor de professionals biedt het inzicht in die bulk aan verborgen schatten, en kan daardoor leiden tot presentatie elders.
Zeer recent is mij door de Mondriaan Stichting een overzicht gezonden van de aanvragen die in het kader van het ICT-budget op titel van afstemming collectie Nederland zijn aangevraagd. Hieruit blijkt dat de toegankelijkheid op dit gebied volop wordt verbeterd. In dit verband is het interessant u te melden dat er al enige museale samenwerkingsprojecten bestaan met als doel het gezamenlijke museale bezit op één site geautomatiseerd toegankelijk te maken. Handig voor de betrokken musea zelf en voor wetenschappelijk gebruik. Maar zeker ook van belang voor het geïnteresseerde publiek. Deze projecten zijn er al in de sfeer van de Volkenkunde, de Natuurlijke Historie en de Scheepvaart.

Voor het beter zichtbaar maken van ons cultureel vermogen is meer nodig dan goede voorbeelden en ideeën. Naast de wil om eraan mee te werken is het nodig dat er goede plannen komen, maar ook dat er geld komt om die plannen uit te voeren. Over mijn goede wil en mijn bereidheid tot financiële participatie heb ik in mijn uitgangspuntenbrief cultuur als confrontatie voorlopig voldoende gezegd. Ik wacht nu op de plannen en op de bereidheid van anderen om daarin financieel te participeren. Het resultaat zal in de Cultuurnota 2001-2004 (en in de cultuurconvenanten) bekend worden gemaakt.

Dames en heren,
Tachtig jaar geleden namen de leden van de Nederlandse Oudheidkundige Bond zitting in de Rijkscommissie van advies inzake de Reorganisatie van het Museumwezen Hier te Lande.

Kort tevoren had de bond het uitgangspunt van de Collectie Nederland-gedachte ondermeer verwoord met de stelling: Het ruilen en in bruikleen geven van voorwerpen door de rijksmusea en de plaatselijke musea over en weer, behoort algemeen en geregeld voor te komen.

Het belangrijkste vraagstuk dat de nieuwe commissie moest gaan beantwoorden betrof het zoeken naar dat al eerder genoemde algemeen kader waarbinnen de collectie-uitwisselingen dienden plaats te vinden. Ik sla nu even wat museumgeschiedenis over. Dat stelt mij in staat om dit verhaal te beëindigen met een algemene vraag die ik zoals u begrijpt voor mezelf al heb beantwoord: Wordt het dan niet eens hoog tijd dat we -het kan nog net in deze eeuw- daadwerkelijk een belangrijke stap zetten in de richting van het zichtbaar maken van ons aller cultureel vermogen?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie