Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng PvdA nader verslag bij de mijnbouwwet

Datum nieuwsfeit: 20-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 16 september 1999

INBRENG PVDA-FRACTIE T.B.V. HET NADER VERSLAG BIJ DE MIJNBOUWWET (26 219) Woordvoerder: Tineke Witteveen-Hevinga

(bij paginaverwijzingen wordt uitgegaan van de gestencilde versie van de nota naar aanleiding van het verslag, en dus niet de gedrukte versie)

Algemeen
Zoals bekend toetsen de leden van de PvdA-fractie het wetsontwerp vooral aan de vereenvoudigingsdoelstelling, kwaliteitsverbetering, transparantie, de democratische inbedding, de bescherming van natuur- en milieuwaarden, zorgvuldig beheer van bodemschatten, de positie van burgers die gedupeerd zijn wegens schade door mijnbouwactiviteiten en het belang van een goed mijnbouwklimaat. Op basis van deze toetsen komen deze leden tot conclusie dat nadere, fundamentele discussie met de regering nodig is. De regering lijkt immers vast te houden aan het eerste concept, en op bepaalde punten is volgens deze leden zelfs sprake van een relatieve verslechtering. Zij verwijzen daarbij naar het schrappen van art. 7 en 119 (sluiting van kwetsbare gebieden voor mijnbouw). Bovendien blijft de op stapel staande liberalisatie van de gasmarkt buiten beschouwing.

De voornaamste problemen die de leden van de PvdA-fractie met het wetsvoorstel hebben richten zich vooral op de volgende punten:
- Het ontbreken van een heldere visie van de regering op het Nederlands aardgasgebouw . Zij verzoeken deze alsnog te formuleren ook in samenhang met de Gaswet. Beide wetten zijn immers de uitdrukking van de visie van de regering op het aardgasgebouw.
- Het ontbreken van een heldere visie van de rol van de overheid c.q. ministeriele verantwoordelijkheid, c.q. parlementaire controletaak en die van de markt in het kader van het Nederlands aardgasgebouw. Op de daarvoor in aanmerking komende onderdelen bereiden deze leden amendementen voor. Is de regering bereid zo helder mogelijk te formuleren wat precies de rol van de overheid is en wat de rol van de markt is? Met andere woorden: waar kan de burger de overheid op aanspreken en waar kan de Tweede Kamer de regering op aanspreken? De 100% staatsdeelneming van de EBN in de productieactiviteiten op een 40 a 50% basis in de exploitatieactiveiten en de 50% staatsdeelneming van de Gasunie speelt daarin vanzelfsprekend een belangrijke rol.
- Het onbenut laten van de mogelijkheden om een goed mijnbouwklimaat te stimuleren. Het kleine veldenbeleid dreigt in de knel te komen, waardoor het regeringsbeleid om het Slochterenveld zoveel mogelijk te sparen niet meer uitgevoerd kan worden gedurende de huidige periode van het Plan van gasafzet. Wanneer ontvangt de Kamer het aangekondigde aanvullende stuk over het kleine veldenbeleid zoals aangekondigd in het wetsontwerp Gaswet; mogen deze leden ervan uitgaan dat het kleine veldenbeleid niet ter discussie komt te staan? Ook zorgwekkend is dat de off shore industrie voor een lange periode dreigt in te zakken. Deze leden bereiden een amendement voor opdat artikel 18 van de huidige Mijnwet in een verfijnde vorm in de nieuwe wet gestalte krijgt. Het alternatief is, zo menen deze leden, dat er geen nieuwe kleine velden op de Noordzee meer opgespoord zullen worden en dat het gas van de reeds te exploiteren Noordzeevelden in de grond blijft zitten. Volgens deze leden zal de eventuele uitvoering van het door hen in te dienen amendement een positief saldo opleveren voor zowel de positie van de off shore industrie en de daarmee verbonden andere voordelen zoals behoud c.q. herstel van kennis en werkgelegenheid als voor de staatskas. Hebben deze leden het goed begrepen dat het inmiddels een hoeveelheid gas van 90m3 betreft? En de nog te exploreren reserves in zijn geheel volgens huidige schattingen rondom de 250m3 miljard liggen? Het juridische argument dat de regering hanteert om artikel 18 (weer) te schrappen spreekt deze leden onvoldoende aan. Zijn er overigens productiemaatschappijen geweest die op die grond bezwaar hebben gemaakt tegen artikel 18 van de huidige wet? Deze leden zijn zich ervan dat de wereldmarktprijzen van gas en olie en de door de exploitanten en toeleveranciers gevoelde noodzaak fors te reorganiseren vanwege de internationale concurrentie (zie recente berichten over de ontslagen bij de NAM). Dat neemt niet weg dat de regering het Nederlandse mijnbouwklimaat zo goed mogelijk gestalte moet geven; daarin past geen afschaffing van goede instrumenten en zeker niet wanneer het onnodig ten koste gaat van de staatsfinanciën. De leden van de PvdA-fractie roepen de regering op om een groen nationaal off shore overleg op te richten waarin draagvlak gecreëerd wordt voor een goed mijnbouwklimaat gerelateerd aan een verantwoord natuur- en milieubeleid.
- voorts menen de leden van de PvdA-fractie dat de mogelijkheden voor vereenvoudiging en transparantie onvoldoende benut worden. Hoe valt dat de rijmen met het feit dat dit uitgangspunten voor het regeringsbeleid zijn? Door handhaving van dubbele procedures m.b.t. seismologisch onderzoek, opsporings- en winningsvergunningen enerzijds en natuur- en milieuvergunningen anderzijds gebeurt het tegenovergestelde. Deze leden bereiden amendementen op daarvoor in aanmerking komende onderdelen voor. O.a. moet het afwegingskader van de Habitatrichtlijn en de toets op de Vogelrichtlijn sluitend geregeld worden.
- de positie van burgers die schade ondervinden door het winnen van delfstoffen (aardschokken, bodemdalingen) is beter, maar niet afdoende geregeld. De leden van de PvdA-fractie blijven vasthouden aan het beginsel van de omkering van de bewijslast: de producent moet bewijzen dat delfstoffenwinning niet de oorzaak is van de schade. Het is gebleken dat burgers zich niet kunnen verzekeren voor de kosten van rechtsbijstand bij schade door delfstoffenwinning. Hier moet de overheid in voorzien. Verder moet de geleden schade worden betaald via een door de overheid in te stellen schadefonds door de producenten; een en ander te regelen tussen overheid en exploitanten. Deze leden bereiden amendementen op deze onderdelen voor. De nieuw ingestelde Technische Commissie Bodemdaling kan hierin een rol vervullen inzake te bieden deskundigheid. De status, taken en positie van deze Commissie verdient echter veel nadere uitwerking. De leden van de PvdA-fractie zullen onderzoeken of er voldoende steun in de Tweede Kamer is voor een initiatiefwetsvoorstel dat voorziet in het dekken van gelden schade. Daarvoor is nu immers niks (meer) geregeld.

Er zijn nog vele andere punten, zoals de kwestie openbaarheid commerciële gegevens in relatie tot parlementaire controle en de positie van belangstellende en gedupeerde burgers, het beschikken over onafhankelijke gegevens door de overheid, de problematiek van ondergrondse opslag, invoering adviesrecht- of plicht provincies, inspraak burgers, samenstelling en belang handhaving Mijnraad en Technische Commissie Bodembeweging, waar deze leden nader op in zullen gaan en waar al naar gelang de reactie van de regering amendementen worden overwogen.

De leden van de PvdA-fractie realiseren zich dat het amenderen van bovengenoemde onderdelen wijzigingen van een substantieel aantal artikelen met zich meebrengt. Zij beraden zich op de vraag op welke wijze dit probleem van wettechnische c.q. procedurele aard het beste aangepakt kunnen worden.

Ad 2. Liberalisatie gasmarkt, aansluiting op de Gaswet De leden van de PvdA-fractie zijn verbaasd over het standpunt van de regering dat relatie tussen de Gaswet en Mijnbouwwet beperkt zou zijn. Zij sluiten zich aan bij de reactie van de Nogepa (brief aan de Voorzitter van de vaste Commissie voor Economische Zaken d.d. 7 september 1999). De regering stelt dat de opbrengstprijs voor de winner van gas niet wezenlijk zal veranderen (blz. 5). De argumenten die de regering daarvoor aanvoert, kunnen de leden van de PvdA-fractie niet overtuigen. Een structurele wijziging zou niet in de rede liggen vanwege het oligopolistische karakter van de Europese gaswinning en het feit dat de kosten van het marginale veld in belangrijke mate de prijsvorming zou blijven bepalen. De leden van de PvdA-fractie kunnen niet inzien waarom het oligopolistische karakter van de gassector een neerwaartse druk op de gasprijs teniet zou doen. Deze leden nemen aan dat de regering niet doelt op eventuele, overigens niet toegestane, onderlinge prijsafspraken tussen mijnbouwmaatschappijen. Kan de regering hierop ingaan?

Kan de regering een schets geven van het concurrentieprofiel dat zij verwacht na invoering van de Mijnbouwwet en de Gaswet? In welke mate zal er sprake zijn van marktwerking, en op welke punten zal sprake zijn van concurrentie (prijs, kwaliteit, andere zaken)? Hoe intensief zal deze concurrentie zijn?

Ook het tweede argument dat de kosten van het marginale veld in belangrijke mate de prijsvorming bepalen, overtuigt niet. Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat in een markteconomie vooral vraag en aanbod de prijsvorming bepalen. De op die manier ontstane prijs bepaalt dan op zijn beurt weer of een veld al dan niet bedrijfseconomisch marginaal is, lijkt deze leden. Hebben deze leden goed begrepen dat het causale verband tussen prijsvorming en de kosten van het marginale veld precies andersom ligt dan in de nota wordt geschetst?

De leden van de PvdA-fractie krijgen geen helder beeld van de prijsontwikkeling van gas op lange termijn. Het is met name deze prijsontwikkeling die deze leden ertoe brengt samenhang te zien tussen de Mijnbouwwet en de Gaswet. De mate waarin de gasprijs zal stijgen of dalen, en de mate waarin de volatiliteit van deze gasprijs zal toenemen zouden hun gevolgen moeten hebben voor het afdrachtenregime, zo komt de leden van de PvdA-fractie voor. Een toenemende volatiliteit van de gasprijs kan immers ook tot een toenemende volatiliteit van de bedrijfswinst leiden, en daarmee het investeringsrisico verhogen. Eén en ander komt ook het kleine veldenbeleid niet ten goede. Deelt de regering deze mening? De leden van de PvdA fractie zouden de regering nogmaals willen vragen een zo concreet mogelijke verwachting te formuleren van de ontwikkeling van de gasprijs, zowel qua hoogte als qua volatiliteit, en deze beide uit te drukken in cijfers. Voorts zouden deze leden van de regering willen weten hoe de ontwikkelingen, nu en in het verleden, op deze twee punten zijn in landen waar het liberaliseringsproces in een veel verder stadium is, zoals in de Verenigde Staten. Kan de regering hierover helderheid verschaffen? Relevant in dit kader is ook de ontkoppeling tussen gasprijs en olieprijs (blz. 6). Kan de regering aangeven wanneer en hoe deze in zijn werk zal gaan en welke gevolgen dit zal hebben voor de prijsvorming in de gassector?

De leden van de PvdA-fractie achten evenzeer het volgende relevant. De regering stelt op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het verslag dat concurrentie vooral zichtbaar zal worden in de transport- en distributiemarges. Tegelijkertijd stelt de regering op pag. 6 van de memorie van toelichting van de Gaswet dat liberalisering tot lagere prijzen kan leiden. Deze leden menen te weten dat de prijs die de producent van de Gasunie ontvangt als volgt wordt vastgesteld: als basis wordt genomen de prijs op de wereldmarkt. De Gasunie ontvangt deze prijs namens de producent. Deze producent ontvangt vervolgens een bedrag dat als volgt is vastgesteld: de kosten van de Gasunie plus de vastgestelde winst worden afgetrokken van de prijs die de Gasunie heeft ontvangen. Is het dan zo dat de door de concurrentie lagere kosten zullen leiden tot een hogere nettowinst voor de producent? Of zal het voordeel aan de consument toevallen?

Vooralsnog begrijpen de leden van de PvdA-fractie de stelling van de regering niet dat de gasliberalisatie geen invloed heeft op de gasopbrengsten voor de producent. Zij menen dat de regering tot op zekere hoogte tegenstrijdig is. Op pag. 7 van de memorie van toelichting van de Gaswet wordt gesteld dat ?druk op de prijzen en meer algemeen de grotere onzekerheid over de ontwikkeling van de markt tot grotere voorzichtigheid kan leiden bij exploratie en winning. Een dergelijke terughoudendheid van producenten heeft ook effecten op de welvaart, enz." Volgens deze leden zal de liberalisering toch zeker een grotere onzekerheid over de ontwikkeling van de markt met zich meebrengen. Kan de regering hierop ingaan? Ook op blz. 4 van de nota naar aanleiding van het verslag van de Mijnbouwwet wordt gesteld dat in een geliberaliseerde markt geen sprake zal zijn van één op één relatie tussen Gaswet en Mijnbouwwet.

Wat deze leden wel duidelijk is, is dat de liberalisatie concurrentie op de transport- en distributiefunctie met zich meebrengt. Houden de ontslagen, die bij de Gasunie aan de orde zijn, verband met bevordering van efficiëntie en afname van monopoliewinsten door liberalisering? Kan de regering hierop een toelichting geven?

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de verwachting omtrent de ontwikkeling van het productieniveau verwijst de regering naar het Energierapport, dat in de herfst van dit jaar zal verschijnen (blz. 6). Aangezien de Mijnbouwwet nu juist de voorwaarden schept waaronder deze productie al dan niet plaatsvindt, achten de leden van de PvdA-fractie het van groot belang dat de regering reeds nu, dus in samenhang met het onderhavige wetsvoorstel, haar visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van het productieniveau. Kan de regering hierop ingaan? Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat een inschatting mogelijk moet zijn op basis van de lopende contracten van Gasunie, en de strategische beleidsvoornemens van de mijnbouwmaatschappijen. Deze inschatting is ook van belang voor het inschatten voor de inkomsten voor de staat, gezien de progressiviteit van het staatswinstaandeel.

De leden van de PvdA-fractie kunnen in principe instemmen met de uitleg van de regering inzake art. 59, lid 7. Bij de uitleg van het begrip 'at arm's length' wordt in de memorie van toelichting echter verwezen naar een OESO-rapport (MvT, blz. 75). De leden van de PvdA-fractie zouden liever zien dat de betekenis van dit begrip expliciet in de MvT opgenomen wordt. Kan de regering hierin voorzien? Verder blijven de leden van de PvdA-fractie grote moeite houden met de formulering en inhoud van de laatste zin in art. 59, lid 7. Met name het gebruik van de woorden 'omzet' enerzijds en 'eenheden' die "niet zijn verkocht" anderzijds roept bij deze leden vragen op. Over het algemeen wordt onder omzet verstaan het aantal wél verkochte eenheden, vermenigvuldigd met de (gerealiseerde) prijs. De formulering van bedoelde bepaling lijkt in strijd te zijn met de uitleg in de nota naar aanleiding van het verslag (blz. 6 en 7). Kan de regering tot een herformulering komen? Deze leden overwegen een amendement. Het heffen van belasting over nog niet verkochte eenheden lijkt de leden van de PvdA-fractie overigens niet wenselijk. Zo wordt immers het investerings- en bedrijfsrisico op een onnodige manier vergroot. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarop de regering zich baseert, als zij stelt dat 'ring fencing' de ontwikkeling van kleine velden eerder blokkeert dan stimuleert. De uitleg in de nota naar aanleiding van het verslag (blz. 61 en 62) stemt deze leden niet tot tevredenheid. Dit neemt niet weg dat de leden van de PvdA-fractie de flexibilisering door middel van de verruimde mogelijkheid tot consolidatie uiteraard toejuichen. Deze leden begrijpen dat 'ring fencing' kan leiden tot separatie van bedrijfsresultaten. Dit is voor deze leden overigens geen noodzaak. Deze leden kunnen zich een afdrachtensysteem voorstellen waarbij 'ring fencing' wordt toegepast en toch de resultaten kunnen worden geconsolideerd met die van andere velden. Het zou zo kunnen zijn dat voor een bepaald veld een speciaal afdrachtenregime zou gelden. Na toepassing van dit afdrachtenregime blijft dan een winst of verlies over voor het betreffende veld. Dit resultaat kan dan vervolgens weer geconsolideerd worden met de resultaten van andere velden, die al dan niet ook onder een speciaal afdrachtenregime vallen. Deelt de regering deze visie? Zo ja, kan de regering haar beleid hierop afstemmen? De leden van de PvdA-fractie bereiden een amendement met deze strekking voor. Zij wensen graag een reactie van de regering.

'Ring fencing' zal vooral van toepassing zijn op marginale, en mogelijk zelfs onrendabele velden. Van tevoren is vaak niet duidelijk of een dergelijk marginaal veld al dan niet rendabel zal zijn; dit is immers een kenmerk van de marginaliteit van deze velden. De verruiming van de consolidatiemogelijkheden biedt geen soulaas voor een echte reductie van het investeringsrisico, en de stimulering van de ontginning van bedoelde kleine, marginale velden. Het verbaast de leden van de PvdA-fractie dan ook zeer dat de regering op blz. 77 van de nota naar aanleiding van het verslag uitgerekend het staatswinstaandeel aanhaalt als argument tegen 'ring fencing'. Ten eerste is het staatswinstaandeel alleen verschuldigd als een winstmarge van 25% of hoger is geboekt. Velden met een dergelijke winstmarge zullen over het algemeen niet onder de noemer 'klein en marginaal' vallen. Daarnaast is het staatswinstaandeel helemaal niet geschikt om 'ring fencing' gestalte te geven. Het staatswinstaandeel is immers gerelateerd aan de hoogte van de winst. Met het staatswinstaandeel kan de marginaliteitsgrens van een veld dus niet verlaagd worden. Dit kan wel door het, per veld, verlagen van belastingen die niet direct gerelateerd zijn aan de winst. Het ligt volgens de leden van de PvdA-fractie dan voor de hand om 'ring fencing' toe te passen door middel van per marginaal veld aangepaste tarieven voor de cijns, het oppervlakterecht, en eventueel een speciaal afschrijvingsregime. Kan de regering hierin voorzien? Deze leden bereiden een amendement voor.

Ad 3. Visie op energievoorziening op lange termijn De leden van de PvdA-fractie constateren dat de berekeningen van het NITG voor wat betreft de 'futures' in het deel van het Waddengebied, dat is gelegen in de concessies Groningen en Noord- Friesland, afwijken van die van de regering en de NAM. De regering (zie brief 13 december 1993 aan de Tweede Kamer:72- 221 mrd m3 in het kader van de besluitvorming het moratorium te beëindigen en de PKB wel of niet te herzien; ook de NAM (brochure proefboringen Waddenzee: 200 mrd m3) heeft tot op heden hoeveelheden in de orde van grootte van 75 m3 tot 220 mrd m3 becijferd.

Het NITG, zo schrijft de regering, komt echter nu op een te verwachten hoeveelheid van 48 m3 tot 101 m3 miljard, met een verwachte hoeveelheid van 73 mrd m3.Hoe moet dit verschil worden verklaard? Welke cijfers zijn voor de regering op dit moment het uitgangspunt? Waar baseert de regering haar cijfers op? Op welke is de onafhankelijkheid van deze cijfers gegarandeerd? Kan ervan worden uitgegaan dat de cijfers van het NITG een hogere mate van onafhankelijkheid garanderen dan die van de NAM? Hebben de leden van de PvdA-fractie het dus goed begrepen dat de mogelijke opbrengsten aanzienlijk lager zijn dan de regering en de NAM hebben geschetst, zeker als de kosten van b.v. zandsuppletie, voor het 'compenseren' van de gevolgen van de bodemdaling, hierbij worden betrokken? Het zal duidelijk zijn dat de leden van de PvdA-fractie zich door deze nieuwe cijfers gesterkt voelen in hun standpunt dat de maatschappelijke noodzaak voor boringen in het Waddengebied ontbreekt. Ad 4. Toezenden adviezen, betrokkenheid bij voorbereiding Op welke wijze heeft de regering het genoemde advies van de Wadden Advies Raad meegewogen in de nota naar aanleiding van het verslag?

Ad 5. Aansluiting en controle door parlement
Kan inzicht worden gegeven over de wijze waarop de onafhankelijkheid van het NITG is gegarandeerd? Ontvangt het NITG alle vertrouwelijke gegevens van de productiemaatschappijen? Geldt dat ook voor de Technische Commissie Bodemdaling?

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat het winningsplan vanuit het algemeen belang gezien cruciale gegevens bevat met betrekking tot het algemeen belang en de rol van de overheid. Het bevat gegevens over doelmatige en optimale winning van delfstoffen, en over aspecten als bodembeweging. Echter, zo stelt de regering, deze winningsplannen zullen beperkt openbaar zijn. Graag zouden deze leden door de regering toegelicht zien welke gedeeltes van het winningsplan wel, en welke niet openbaar zijn. Hoewel deze leden begrijpen dat sommige gegevens commercieel gevoelig zijn, achten zij het van groot belang dat gegevens die gevolgen kunnen hebben voor zaken als bodemdaling, milieu, natuurontwikkeling en ruimtelijke ordening toch zoveel mogelijk openbaar zijn. Kan de regering hierin voorzien? Deze leden overwegen een amendement. Hoe kunnen parlement en kritische burgers optimaal betrokken worden bij de winningsplannen? Wat is de verbetering ten opzichte van de huidige situatie?

Op blz. 56 wordt gesproken over het belang van onafhankelijke informatievoorziening door deskundigen (Technische Commissie Bodembeweging). In het kader van schade door delfstoffenwinning. Deelt de regering de visie dat ook deskundigen, zoals van leden van de Technische Commissie Bodembeweging en onderzoekers van NITG, gelet op de vertrouwelijkheid van informatie van productiemaatschappijen in verband met de commerciële waarde nooit onafhankelijke informatie kunnen krijgen over de geologische structuur van de ondergrond, gesteente-eigenschappen ed.? Is het juist dat dus nooit sprake kan zijn van optimale onafhankelijkheid? Hier ligt volgens de leden van de PvdA-fractie een spanningsveld. Ook de overheid zelf kan deze onafhankelijkheid niet geheel garanderen. Bovendien is de Staat zelf mede-explorant dan wel mede-exploitant via de EBN.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening van de regering dat de uitwerking van de regeling omtrent openbaarheid van vertrouwelijke gegevens over de ondergrond met behulp van een algemene maatregel van bestuur kan plaatsvinden. Wel dienen er in de Mijnbouwwet enige uitgangspunten te worden vastgelegd. Hierbij valt te denken aan openbaarmaking zo spoedig mogelijk nadat een veld leeg is, dan wel de winning is gestopt. Deze leden verzoeken deze AMvB van tevoren aan de Kamer toe te zenden. Zij dringen erop aan dat de duur waarop vertrouwelijkheid rust zo kort mogelijk is, opdat gedupeerde burgers zo spoedig mogelijk van die gegevens gebruik kunnen maken. Bovendien is dit belangrijk omdat schade door delfstoffenwinning eerst 30 jaar na afloop kan blijken. Ook daarom dient deze vertrouwelijkheid zo kort mogelijk te zijn. Kan de regering hierop ingaan? Is het juist dat de Wet Openbaarheid van Bestuur geen regeling kent voor vrijgave van gegevens die aan de overheid verstrekt zijn?

In een rechtszaak is de beschikking over goede contra-expertise en de daarbij behorende gegevens van belang. Is de verwachting juist dat het nog enige tijd zal duren voordat dit goed geregeld is via bovengenoemde AMvB? Zo ja, kan de regering een indicatie geven van de tijd die benodigd is voor de realisering van deze AMvB? Ook daarom lijkt het de leden van de PvdA-fractie van belang dat er in de tussentijd een goede schaderegeling wordt gevonden. Hoe staat de regering hier tegenover? Mede gelet op het feit dat de overheid in meerdere opzichten geconfronteerd wordt met de grenzen van openbaarheid, verdient de positie van de burger extra aandacht. De burger moet zelf zo vrij mogelijk zijn om - in zijn ogen - onafhankelijke deskundigheid in te huren. Het instrument van omkering van de bewijslast draagt daaraan bij. Immers, door het voeren van procedures zal er een druk op de markt komen om meer contra-expertises te voeren buiten de bestaande circuits om Overigens zou dat goed aansluiten bij de behoefte van de leden van de PvdA-fractie om meer onafhankelijke expertise te hebben voor een goede afweging van het mijnbouwbelang enerzijds, en andere belangen zoals het natuur- en milieubelang. Kan de regering hierop ingaan? Wellicht zouden aan de burger ook langs andere wegen middelen moeten worden verschaft om onafhankelijke expertise in te huren. Kan de regering hierop ingaan? Het is dan ook de vraag op welke wijze de overheid de burger dient om voor zijn belang op te komen. Een positie van afhankelijkheid van nieuwe commissies, zoals de TCBB, is daarin geen goede weg. De burger zou zelf in staat gesteld moeten worden om te beoordelen hoe hij aan zijn expertise komt. Men zou kunnen denken aan een variant waarbij de overheid de proceskosten dekt. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden bereiden een amendement voor. Een andere vraag die de leden van de PvdA-fractie bezig houdt is hoe de Mijninspectie aan zijn cijfers komt. Daarnaast zouden deze leden willen weten of de Mijnraad wel met geheime gegevens werkt. Kan de regering hierop ingaan?

De regering meldt dat van een beschikking tot verlening van een vergunning in de Staatscourant melding wordt gemaakt (blz. 11). De leden van de PvdA-fractie juichen dit uiteraard toe. Deze leden menen echter dat een mededeling achteraf te weinig mogelijkheden biedt tot democratische controle en aansturing. Kan de regering overwegen om ook van de aanvraag van een vergunning in de Staatscourant melding te maken? Ook over de toepassing en weging van de criteria, zoals genoemd in art. 8 t/m 17 zou verantwoording moeten worden afgelegd, zo menen de leden van de PvdA-fractie. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 6. Stabiel mijnbouwklimaat, rechtszekerheid
Kan de regering nadere informatie geven over de verbondenheid tussen de Shell als 50% aandeelhouder van de NAM als het gaat over de recente alarmerende berichtgevingen over de ontslagen bij de NAM? In deze berichtgeving komt diverse keren aan de orde dat de moeilijke situatie bij Shell verband zouden houden met deze ontslagen. Deze leden menen dat op zichzelf een dergelijke moeder - dochter relatie niet zulke gevolgen zou hoeven te hebben. Is die berichtgeving juist en kan de regering een schets geven van de onderlinge financiële relatie tussen Shell en de NAM en hoe ze elkaar wederzijds beïnvloeden? Is de NAM een structuurvennootschap en heeft de directie van Shell invloed op de bedrijfsvoering van de NAM? Hoe zelfstandig is de NAM? Gaat zo in Nederland niet veel kennis op het gebied van de off shore teloor?

De regering stelt dat regels omtrent de afdrachten nu in de wet, en dus generiek, geregeld zullen worden, in plaats van via overeenkomsten bij concessies en vergunningvoorschriften. Hebben de leden van de PvdA-fractie daarmee goed begrepen dat de eventuele invoering van 'ring fencing', nu of in de toekomst daarmee nagenoeg onmogelijk wordt? Dit zouden de leden van de PvdA-fractie namelijk betreuren. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden bereiden een amendement voor.

7. Integrale mijnbouwwetgeving, samenhang met andere wetgeving De leden van de PvdA-fractie betreuren het dat de regering wet- en regelgeving onnodig ingewikkeld maakt en afziet van een integratie van natuur- en milieuwetgeving en mijnbouwwetgeving. Hebben de leden van de PvdA-fractie goed begrepen dat de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (art. 16) zal worden geïncorporeerd in de (mijnbouw)milieuvergunning? Hoe verhoudt zich dit met het feit dat gedeputeerde staten in principe bevoegd gezag zijn? Hoe is de stand van zaken met de algemene maatregel van bestuur die de bevoegdheid op het niveau van de centrale overheid zou leggen? Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie zijn vooralsnog van mening dat de toets voor vereenvoudiging en transparantie nog niet optimaal is gerealiseerd; zij vragen zich af of het niet wenselijk is om de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet, en de (mijnbouw)milieuvergunning niet ook (gedeeltelijk) te incorporeren in de opsporingsvergunning, teneinde onnodige kosten en procedures te voorkomen. Hoewel deze leden weten dat genoemde vergunningen een ander aangrijpingspunt hebben (concreet object in plaats van ruimtelijk blok) zou de mogelijkheid overwogen kunnen worden om in de vergunning voor seismologisch onderzoek en in de opsporings- en eventueel de winningsvergunning een natuurbeschermings- en milieutoets op te nemen. Op deze manier wordt voorkomen dat eerst onnodige kosten voor seismologisch- en/of opsporings- onderzoek worden gemaakt, en daarna om redenen van natuurbescherming of milieu alsnog niet gewonnen kan worden. Deze leden overwegen op deze onderdelen een amendement in te dienen. Kan de regering hierop ingaan?

Kan de regering ingaan op de invulling van de MER-plicht op het continentaal plat? In welke mate verschilt deze van de MER-plicht op het territoir? Hebben de leden van de PvdA-fractie goed begrepen dat de MER-plicht op het continentaal plat niet meer in de Mijnbouwwet zelf zal worden verwerkt?

Ad 9. Opslag, algemeen
Wanneer kan duidelijkheid worden verwacht over de aard en omvang van de afdrachten aan de rijksoverheid en de provincie die verband houden met opslag? Kan de regering nader ingaan op de manier waarop zij verwacht dat geld verdiend kan worden met opslag, zoals gesuggereerd wordt in art. 78 lid 2? De leden van de PvdA-fractie zijn in het bijzonder geïnteresseerd in de eigendomsverhoudingen wat betreft gasopslag, ook al in verband met de liberalisatie. Kan de regering daarbij onderscheid maken in de verschillende doeleinden van ondergrondse opslag, te weten voor handelsdoeleinden en voor capaciteitsactiviteiten? Zij stellen deze vraag ook tegen de achtergrond van de mededeling van de regering dat opslag en winning tegelijkertijd op dezelfde locatie kan plaatsvinden. Hoe is dit geregeld in Duitsland en Engeland? Wat is de stand van zaken met betrekking tot studies naar opslag van CO2 in de diepe ondergrond? Wanneer kan de Tweede Kamer de eerste rapportage verwachten? Wat is de stand van zaken van studies naar de opslag van kernafval in de diepe ondergrond? Lopen er nog studies naar opslag van andere stoffen in de diepe ondergrond? Zo ja, welke?

Ad 10. Technische commissie bodembeweging
De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het initiatief van de regering tot het onstellen van een Technische Commissie Bodem Beweging (TCBB) van harte. Ook de voortvarendheid waarmee de Commissie van start is gegaan verdient alle lof. Toch is het van belang dat in deze complexe, gevoelige materie waarin de Staat volop medebelanghebbende een zo zorgvuldig mogelijke aanpak. Zij lichten dat als volgt toe.

Met genoegen stellen de leden van de PvdA-fractie vast dat burgers die schade menen te hebben door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten advies mogen inwinnen bij de technische commissie bodembeweging. Dat de rijksoverheid deze advisering wil financieren is ook toe te juichen. Deze leden menen echter tegelijkertijd dat burgers keuzevrijheid zouden moeten hebben bij de vraag door welke (eventueel buitenlandse) deskundigen ze zich willen laten bijstaan in (juridische) procedures over schadeclaims. Garanties voor onafhankelijkheid spelen in dit soort zaken een belangrijke rol, zo heeft de ervaring inmiddels uitgewezen. Deze leden achten het daarom zeer wel voorstelbaar dat burgers moeite zullen hebben, zich door een commissie te laten adviseren die tevens de regering adviseert. In veel gevallen is immers de staat als 100% aandeelhouder van de EBN als 40% - mede-exploitant en ook gasopslagondernemer, bijvoorbeeld door het 50% aandeelhouderschap van de Gasunie. Zien de leden van de PvdA-fractie dit juist? De staat is op deze manier bij verschillende schadeveroorzakende activiteiten medebelanghebbende. Hoe staat de regering tegenover de suggestie deze commissie op een grotere afstand van de overheid c.q. het ministerie van Economische Zaken te plaatsen?

De adviezen van de commissie zullen door de rechter dan moeilijk gewogen kunnen worden. Dit geldt des te meer indien beide partijen zich door dezelfde commissie zouden laten bijstaan. Kan de regering hierop ingaan? Burgers die zich willen laten bijstaan door andere deskundigen in juridische procedures verdienen dan evenzeer vergoeding van de rijksoverheid bij de in te winnen adviezen. Kan de regering hierop ingaan?

Het is voor de leden van de PvdA-fractie vooralsnog onduidelijk wat precies de taken zijn van de commissie. Zij achten de mogelijke dubbelfunctie van advies richting regering en richting burger moeilijk met elkaar verenigbaar vanwege de reeds bovenaan gegeven redenen. Indien de TCBB puur een adviesfunctie richting burger zou krijgen, dan zou ook inspraak bij de samenstelling van, dan wel deelname aan de commissie voor de hand liggen. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen te amenderen.

Indien de TCBB slechts een adviestaak krijgt voor de regering over het oorzakelijk verband tussen winning en bodemdaling, dan ligt wellicht een deelname uit andere geledingen minder voor de hand. De vraag rijst dan echter wel waarom de Mijnraad die adviestaak niet zou kunnen vervullen. Kan de Mijnraad daar niet in voorzien? Tevens vragen deze leden of in de commissie ook zitting hebben de disciplines van structuurgeologen, steenmechanici en deskundigen op het gebied van kustmorfologie. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie zetten dus nog steeds grote vraagtekens bij de samenstelling van de commissie. Zij prefereren een samenstelling waarin ook gedupeerden, milieuorganisaties, lagere overheden en bijvoorbeeld het Onafhankelijk Geologenplatform vertegenwoordigd zijn. Met name lijkt het de leden van de PvdA-fractie wenselijk om vertegenwoordigers van de lokale en provinciale overheid in de commissie op te nemen. Dit vanwege hun ervaring met vragen en knelpunten bij gedupeerden in de praktijk, en hun kennis van de gevoelens die bij de lokale bevolking leven. Deze leden overwegen een amendement in te dienen.

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het wenselijk is dat de commissie haar eigen criteria opstelt ten aanzien van het al dan niet in behandeling nemen van adviesverzoeken van burgers. Het opstellen van deze criteria lijkt deze leden eerder een taak van de regering en de Tweede Kamer. Deze leden menen dat over bedoelde criteria geen onduidelijkheid zou mogen ontstaan. Kan de regering hierover meer duidelijkheid scheppen? Deze leden overwegen een amendement.

Deze leden menen dat deze adviezen in ieder geval openbaar zouden moeten zijn. Wat dat betreft vragen zij zich af of zij toegang hebben tot de vertrouwelijke gegevens van de NITG en de gas- en oliemaatschappijen zoals die bij de staat bekend zijn.

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het standpunt van de regering dat de adviezen van de commissie gratis, en voor iedere burger toegankelijk zijn. Deze leden zouden echter nog willen weten of adviezen in individuele gevallen openbaar zijn. Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie staan eveneens positief tegenover het voorstel voor een jaarlijkse rapportage door de commissie. In welke mate verwacht de regering dat de rechter zich zal laten leiden door de adviezen van de commissie? Deze leden zouden ook willen weten of de commissie over een vast, dan wel een flexibel budget beschikt, en wat de omvang van dit budget is. Kan de regering hierop ingaan? Daarnaast zou de commissie betrokken kunnen zijn bij de opstelling van richtlijnen met betrekking tot het vastleggen van uitgangssituaties, en monitoring van bodembeweging, zodat deze beter geregistreerd kan worden. Kan de regering hierop ingaan? Wat is de relatie tussen de Commissie, de Mijnraad en het Staatstoezicht op de Mijnen en het NITG?

Al met al hebben de leden van de PvdA-fractie de indruk dat de regering welwillend met de instelling van de commissie van start is gegaan, maar dat vraagstukken omtrent de ministeriele verantwoordelijkheid, de rol van de overheid, status, taken, functie en samenstelling nog meer denkwerk vereisen. Kan de Commissie ook onderzoek verrichten voor de Tweede Kamer?

Gelet op alle verzoeken van de Pv/dA-fractie vragen deze leden de regering om een notitie waarin alle aspecten met betrekking tot de taken en functies van deze belangrijke commissie in hun onderlinge samenhang besproken toegelicht worden opdat er een gerichte gedachtewisseling tussen de regering en de Tweede Kamer kan plaatsvinden. Is de regering daartoe bereid?

Ad 11. Mijnraad
De leden van de PvdA-fractie blijven op het standpunt staan dat ook de Tweede Kamer advies moet kunnen vragen aan de Mijnraad. Kan de regering dit nogmaals overwegen? Deze leden delen de visie van de regering dat bij de samenstelling van de Mijnraad moet worden gelet op de diversiteit van belangen die bij de mijnbouw aan de orde zijn. Om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk sprake is van 'diversiteit van belangen' moet er inzicht komen over hoe de regering daar uitvoering aangeeft. Deze leden menen dat een diversiteit van belangen in ieder geval vereist dat er sprake is van deskundigen uit de mijnbouwwereld, natuur- en milieuwereld en uit de wereld van consumentenbelangen. Welke criteria hanteert de regering? Zouden deze criteria niet in de wet moeten worden opgenomen?

Het feit dat de Tweede Kamer er destijds mee heeft ingestemd dat de Mijnraad niet zou worden aangemerkt als adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges is voor deze leden onvoldoende reden om de positie van de Mijnraad niet nog eens kritisch tegen het licht te houden, juist nu een gemoderniseerde mijnwetgeving op stapel staat. Bovendien is de situatie rondom de schadeclaims door burgers in een dermate hoge versnelling geraakt dat het leggen van een relatie naar de Commissie Bodembeweging gerechtvaardigd is. Dubbel werk moet worden voorkomen. Ook hebben alle ervaringen rondom de gasopslag bij Langeloo en de boringen in het Waddengebied geleerd hoe belangrijk het is dat alle betrokken partijen het zoveel mogelijk eens zijn over de feiten betreffende bodembeweging, en de gevolgen voor natuur en milieu enz. De leden van de PvdA-fractie merken op dat zij nogal eens het signaal krijgen dat kennis over mijnbouwactiviteiten gemonopoliseerd wordt door betrokken maatschappijen; soms wordt ook het ministerie van Economische Zaken - al of niet terecht - daarmee ook in één adem meegenoemd vanwege de situatie dat de Staat medebelanghebbende is bij mijnbouwactiviteiten. Een onafhankelijk adviescollege dat zijn adviezen in de volle openbaarheid geeft zou wellicht een nuttig instrument kunnen zijn om de positie van de burger(s) en de Tweede Kamer te versterken. Een nieuwe discussie over de 'oude' en nieuwe adviescolleges is van hieruit gezien alleszins de moeite waard. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 12. Eigendom van delfstoffen
De leden van de PvdA-fractie kunnen instemmen met de uitleg van de regering inzake de eigendom van delfstoffen. Zij staan op het standpunt dat de in de bodem aanwezige rijkdommen toekomen aan de gemeenschap, en niet aan de toevallige eigenaar van de bovengrond. De regering constateert terecht dat tevens geen sprake kan zijn van schadeloosstelling, aangezien geen sprake is van schade. Dit weer omdat de bovengrondeigenaar geen feitelijke beschikkingsrecht heeft over de delfstoffen, net zo min als een producent geen 'beschikkingsrecht' heeft als niet "alle lichten op groen staan" voor wat betreft alle benodigde vergunningen voor het winnen van gas.

Hebben de leden van de PvdA-fractie nog steeds goed begrepen dat de eigendom van delfstoffen pas overgaat op de vergunninghouder nadat deze gewonnen zijn, zoals in art. 3 lid 2 is gesteld? De uitleg in de nota naar aanleiding van het verslag waarin wordt gesteld dat de eigendom reeds na concessieverlening overgaat, lijkt hiermee in strijd te zijn. Kan de regering nogmaals uitgebreid ingaan op het moment waarop de eigendom precies overgaat op de producent?

Gelet op de discussies over eigendomsverhoudingen leiden de leden van de PvdA-fractie af dat de vraag van eigendomsverhoudingen met betrekking tot verleende concessies nog niet volstrekt helder is. In ieder geval kan wel vastgesteld worden dat, zo er al sprake mocht zijn van het overgaan van eigendom van de staat ofwel de boveneigenaar richting producent, deze de eigendom 'om niet' heeft verkregen. Kunnen zij ervan uitgaan dat dit ook de zienswijze is van de regering?

In hoeverre hebben grondeigenaren een 'vooraf verzekerde schadeloosstelling' ontvangen bij de ontginning van delfstoffen in Nederland? (steenkool, zout, olie en gas)?

Ad 13. Milieu als weigerings- en intrekkingsgrond
Deze leden weten dat mijnbouw gereguleerd kan worden door middel van andere wetgeving. Deze wetgeving heeft echter een generiek karakter, en is niet specifiek toegespitst op mijnbouw. Zij zouden graag nog een keer duidelijk zien dat de regering op een rij zet hoe genoemde regelingen en wetten uitpakken als het specifiek over mijnbouw gaat. Zo zullen in natuurmonumenten op grond van de Natuurbeschermingswet 'bepaalde handelingen' niet toegestaan zijn. Kan de regering dit bijvoorbeeld toespitsen op mijnbouw? Kan de regering ingaan op de mogelijkheid om de Natuurbeschermingswet op dit punt te wijzigen? Deze leden overwegen het indienen van een amendement.

De leden van de PvdA-fractie hebben kenbaar gemaakt van mening te zijn dat het milieubelang opgenomen zou moeten worden als weigeringsgrond in art. 10, en als intrekkingsgrond in art. 22. De argumenten van de regering kunnen de leden van de PvdA-fractie niet echt overtuigen. De regering stelt in de nota naar aanleiding van het verslag dat bij het wetsvoorstel twee uitgangspunten zijn gehanteerd: mijnbouwwetgeving zou een aanvullende rol moeten hebben, en herhaling van besluitvorming zou vermeden moeten worden. Op grond hiervan zou het milieubelang als weigeringsgrond niet in art. 10 opgenomen moeten worden. De leden van de PvdA-fractie kunnen zich niet verenigen met deze manier van redeneren. Allereerst zouden artikelen als bijvoorbeeld art. 7 en art. 119 zich slecht verhouden tot deze uitgangspunten. Daarnaast is het zo dat, hoewel de leden van de PvdA-fractie deze uitgangspunten in grote lijnen onderschrijven, deze uitgangspunten niet als een wet van Meden en Perzen kunnen worden opgevat. Aangezien genoemde uitgangspunten geen enkel wettelijk kader hebben, heeft de (mede)wetgever uiteraard de volle vrijheid hierop uitzonderingen te maken. Deze leden menen, na zorgvuldige afweging, aan milieu- en natuurwaarden een dusdanig groot belang te hechten, dat zij het risico van herhaling van besluitvorming voor lief nemen. Daarom pleiten deze leden ervoor om zowel het milieubelang als het natuurbelang expliciet in de Mijnbouwwet op te nemen als weigeringsgrond en intrekkingsgrond in de art. 10 en 22. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Overigens merken deze leden op dat een eventuele herhaling van besluitvorming ook nog afgewogen moet worden tegen het door hen, en anderen, geschetste scenario waarbij eerst een opsporings- en winningsvergunning wordt verleend, en vervolgens de (mijnbouw)milieuvergunning of de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet wordt geweigerd. Dit lijkt deze leden geen doelmatige besluitvorming. Kan de regering hierop ingaan? Het lijkt de leden van de PvdA-fractie juist dat het opnemen van een milieu- en natuurtoets bij de verlening van opsporings- en winningsvergunningen een vorm van vereenvoudiging is die zeer wenselijk is. Is het niet zo, dat dit zeer goed zou aansluiten bij de bestaande vereenvoudigingsdoelstelling?

Ad 15. Inspraak en advies bij vergunningen
De leden van de PvdA-fractie staan sympathiek tegenover de suggestie van het CDA om gedeputeerde staten een wettelijke adviesplicht te geven bij de besluitvorming omtrent een opsporingsvergunning, een winnings- of een opslagvergunning. De reactie van de regering bevredigt hen dan ook onvoldoende. Juist omdat hier sprake is van een hele specialistische materie is het van belang dat een provinciaal bestuur een algemene afweging kan maken waarbij naast vanuit de door de regering genoemde invalshoeken het advies van de Mijnraad een rol moet spelen. Gelet op de (informele) rol die provincies reeds nu op zich hebben genomen door contra-expertise in te schakelen voor een oordeel over de positie van mogelijk gedupeerde burgers door delfstoffenwinning zou dit een goede zaak zijn. Bovendien kan, indien de provincies een goede procedure daarvoor ontwikkelen, op die wijze ook de betrokkenheid van tevoren van burgers beter gestalte krijgen. Deze leden pleiten er dan ook voor dat het advies van de Mijnraad aan de start van het proces binnen een bepaalde termijn wordt gegeven, waarbij een zo groot mogelijke mate van openbaarheid wordt betracht. Zij verwijzen hierbij naar de bij punt 5 gestelde vraag over een heldere concretisering van welke gegevens wel en welke niet als bedrijfsgeheim moeten worden aangemerkt.

Ad 16. Veilen van vergunningen
De leden van de PvdA-fractie denken dat het een gemiste kans zou zijn indien de nieuwe Mijnbouwwet niet zo actueel mogelijk zou worden gemaakt. Waarop baseert de regering haar standpunt dat er nog een beperkt aantal gebieden zal zijn waarvoor eventueel vergunningen kunnen worden aangevraagd? Om hoeveel en welke gebieden gaat het? Het is ook mogelijk dat maatschappijen hun vergunning intrekken - al of niet gedwongen door de regering. Zo ontstaan er ook weer nieuwe gebieden die te veilen zouden zijn. Tevens hebben zij begrepen dat het niet uitgesloten is dat productiemaatschappijen op de Noordzee vergunningen zullen gaan teruggeven aan de Staat. Veel productiemaatschappijen hebben exploratieactiviteiten de afgelopen tijden gestaakt. Ook hier ontstaan dan in beginsel weer nieuwe gebieden. Wil de regering hier eens op ingaan? In welke gebieden wordt op dit moment seismologisch onderzoek gepleegd? Liggen er op dit moment aanvragen ter behandeling voor? Verwacht de regering nog nieuwe aanvragen voor seismologisch onderzoek?

Ook de opmerkingen van de regering op pagina 33 van de nota naar aanleiding van het verslag ondersteunen hun visie om het veilingsysteem wel op te nemen: daar maakt de regering gewag van de situatie dat het denkbaar is dat een vergunning voor wetenschappelijk onderzoek door meerdere (rechts)personen wordt aangevraagd. Kan de regering hier op ingaan?

Het onderdeel 'gasopslag' behoort verder bij de standpuntbepaling over een in te voeren veilingsysteem te worden betrokken. De leden van de PvdA-fractie achten het niet uitgesloten dat ook in Nederland meer locaties voor gasopslag waaronder cavernes, zullen komen. Wat is de visie van de regering en zijn er al concrete plannen bij de productiemaatschappijen, dan wel bij de afnemers? Deze leden willen graag weten of het veilen van gasopslaglocaties ten behoeve van handel ook tot de mogelijkheden behoort. Ook menen deze leden dat de vraag naar opslag van CO2 en andere stoffen in de ondergrondse holtes hierbij een rol spelen. Kan daarbij een veilingsysteem niet ook een waardevolle rol vervullen?

Ad 17. Onrendabele winning, ontginningsplicht
De leden van de PvdA-fractie wensen allereerst een onderscheid te maken tussen onrendabele winning binnen reeds in productie genomen velden en onrendabele winning van velden die nog niet in productie zijn genomen. Kan de regering aangeven in welke van de twee situaties van ontginningsplicht sprake zal zijn? Kan de regering ook aangeven onder welke omstandigheden sprake zal zijn van ontginningsplicht? Wie bepaalt eigenlijk wat de definitie is van 'onrendabele winning', met andere woorden: wanneer is er sprake van onrendabele winning? Bestaat er op dit punt overeenstemming tussen de overheid en de maatschappij? Wat betreft het winningsplan hebben de leden van de PvdA-fractie de volgende vraag: hoe kan de regering nu controleren of de hoeveelheid aangegeven gas daadwerkelijk de door een maatschappij weergegeven hoeveelheid is? Wat is de rol van NITG? Kan de regering vaststellen hoeveel er zich bevindt in velden die reeds in productie zijn genomen? Zij vragen dit tegen de achtergrond van het belang dat zij hechten aan het zo volledig mogelijk uitputten van velden waarbij goed beheer van bodemschatten in beginsel belangrijker moet worden geacht dan de vraag van rendabiliteit voor de maatschappijen. Veel kan het gaan om kleinere maatschappijen met mobiele platforms die relatief goedkoper kunnen opereren ook al omdat ze minder overheadkosten hebben. Wat is de visie van de regering hierover?

Hebben de leden van de PvdA-fractie goed begrepen dat een winningsplan slechts per voorkomen kan worden ingediend (blz. 37)? Zo ja, hebben deze leden dan eveneens goed begrepen dat mijnbouwmaatschappijen voor individuele, onrendabele voorkomens, binnen een al dan niet op zich winstgevend blok, geen winningsplan zullen indienen, en dus ook niet gehouden zullen zijn aan de uitvoering daarvan? De leden van de PvdA-fractie willen de regering vragen nogmaals duidelijkheid te geven over de vraag of, en onder welke omstandigheden, maatschappijen gedwongen kunnen worden om kleine, onrendabele velden te ontginnen in een op zich winstgevend blok. Deze leden stellen niet op voorhand tegen een dergelijke situatie te zijn. Hoewel de ontginning van net niet marginale, en dus licht verliesgevende velden, relatief weinig afdrachten op zullen leveren, en door de mijnbouwmaatschappijen als nadelig zal worden beschouwd, zijn er ook voordelen in de vorm van toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Met behulp van 'ring fencing' kunnen deze velden bovendien alsnog rendabel worden gemaakt. Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat het niet ontginnen van bijna rendabele velden zich ook slecht zou verhouden met de uitgangspunten van het planmatig beheer van delfstoffen. Kan de regering hierop ingaan?

Klopt het dat er op de Noordzee velden liggen die niet geheel worden leeggehaald worden omdat verdere exploitatie een weinig aantrekkelijke situatie in de kosten/ batenverhoudingen oplevert? Indien de regering een andere mening zou zijn toegedaan voorziet artikel 22 dan in een 'dwang' tot verdere exploitatie? Welke instrumenten staan de regering ter beschikking indien een maatschappij - om welke reden dan ook - nalaat om een verzoek tot intrekking van zijn vergunning te plegen? Behoort het terugtrekken van de EBN, in de functie van mede-explorant en of exploitant, als belangrijke aandeelhouder van de operator tot de mogelijke sanctie-instrumenten?
Welke sancties staan de regering in zijn algemeenheid ter beschikking om bij toepassing van artikel 22, lid 3 de maatschappij te 'dwingen' om tot verdere exploitatie over te gaan? Essentieel achten deze leden de criteria die door regering en maatschappijen gehanteerd worden voor kosten/batenverhoudingen ter bepaling van de vraag of er al of niet sprake is van 'onrendabele winning'. Kan de regering daar inzicht in geven?

Ad 18. Winning van olie in Schoonebeek
De regering stelde dat, gezien de olieprijs op het moment van beantwoording, economisch verantwoorde ontwikkeling niet te verwachten was. Gezien de inmiddels gestegen olieprijs vragen de leden van de PvdA-fractie of deze verwachting kan worden bijgesteld. Deze leden vragen zich ook af waarom het zo lang, namelijk 10-15 jaar, moet duren voordat een praktijkevaluatie kan plaatsvinden. Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie zouden willen weten of nog steeds dezelfde belangstellende partners op de markt zijn. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden is ter ore gekomen dat velden soms door bepaalde mijnbouwmaatschappijen slechts half worden leeggehaald, en vervolgens deze mijnbouwmaatschappijen geen toestemming geven aan andere mijnbouwmaatschappijen om deze velden helemaal leeg te halen. De maatschappelijke verliezen hiervan zijn evident. Kan de regering concreet aangeven hoe deze situatie kan worden voorkomen? Hoe vaak komt deze situatie voor? Als deze situatie voorkomt, is EBN hier dan ook bij betrokken? Deze leden zouden ook graag willen weten hoe de Raad van Commissarissen van EBN eruitziet? Is er sprake van dubbelfuncties met leden van de Mijnraad? Deelt de regering de visie van de heer Frikken dat zijn succesvol onderzoek naar diaklazen een mogelijk nieuwe exploitatie van dit voorlopig afgesloten veld Schoonebeek dichterbij brengt? (Nieuwsblad van het Noorden 10 september 1999)? Kan de regering hierover nadere informatie verschaffen? Wordt b.v. de visie gedeeld door het NITG?

Ad 19. Vergunning voor verkenningsonderzoek
Het antwoord van de regering op de vragen van de leden van de PvdA-fractie over het instellen van een vergunningsplicht voor seismologisch onderzoek achten zij niet toereikend. Aangezien er nu een ander systeem wordt ingevoerd met betrekking tot opsporings- en winningsvergunningen, menen zij dat het voor de hand ligt ook het vergunningenbeleid ten opzichte van seismologisch onderzoek aan te passen. Tot op heden vond het seismologisch onderzoek immers plaats binnen een concessiegebied. Afgifte van concessies behoort tot het verleden. Dat betekent dat afgifte van concessies niet meer de eerste stap is tot mogelijke winningsactiviteiten, maar het seismologisch onderzoek. Een vergunningsstelsel voor seismologisch onderzoek aan de start van een mogelijk opsporings- en winningsproces kan een waardevolle functie vervullen. Daarom pleiten de leden van de PvdA-fractie om niet alleen seismologisch onderzoek uit te zonderen van een gemoderniseerd stelsel van nieuw Mijnbouwrecht. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie zouden nog willen weten in welke mate Nederland geologisch al in kaart is gebracht, en dus hoeveel seismologisch onderzoek nog te verwachten is. Kan de regering hierop ingaan?

Is het juist dat Elf Petroland onlangs gestart is met seismologisch onderzoek in het Waddengebied nabij Harlingen?

Ad. 21 Betekenis concessie en vergunning
Deze leden menen dat het wetsvoorstel duidelijker moet aangeven de geldende systematiek tussen seismologisch onderzoek, opsporings- en winningsvergunningen en vergunningen voor opslagactiviteiten. Waarom worden de voor 1995 afgegeven uitgezonderd van de overgang naar winningsvergunningen?

Ad 22. Eeuwigdurende concessies, schadevergoeding bij intrekking De regering stelt dat de vraag van de leden van de PvdA-fractie over art. 7, vierde lid, in samenhang met de artikelen 12 en 13 zijn betekenis verloren heeft door het schrappen van artikel 7. Deze leden stellen echter op hun beurt dat dit geenszins het geval is. Ten eerste is het niet onmogelijk dat art. 7 op de één of andere manier terugkomt in het wetsvoorstel. Daarnaast is het zo dat de oorspronkelijke vraag nog steeds overeind staat. In art. 12 lid 2 en art. 13 wordt gesproken van tijdvakken die verlopen. Wat de leden van de PvdA-fractie willen weten is of, en zo ja op welke manier de in winningsvergunningen om te zetten 'eeuwige' concessies, aan deze verlopende tijdvakken onderhevig zullen zijn, of niet. Zo nee, waarom niet? Gezien het streven naar generieke voorwaarden lijkt het de leden van de PvdA-fractie voor de hand te liggen dat deze verlopende tijdvakken wel van toepassing zullen zijn. Kan de regering hier nu wel op ingaan?

Volgens de regering zullen concessies blijven voortleven als winningsvergunningen. Deze winningsvergunning kan echter ingevolge het wetsvoorstel worden ingetrokken, indien zij niet langer nodig is voor een goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af op welke wijze dit getoetst gaat worden en door wie. Kan de regering hierop ingaan? Betekent dit dat betrokken productiemaatschappijen alsnog een winningsplan moeten maken? Zij hebben begrepen dat het instrument winningsplan pas gestalte krijgt in het Mijnbouwbesluit. Hoe is een en ander geregeld tussen nu en de inwerkingtreding van het Mijnbouwbesluit? Hoe zit het dan precies met eigendomsverhoudingen? In het instrumentarium concessie werd eigendom van de delfstof door de staat of de bovengrondeigenaar aan de concessiehouder overgedragen. Op basis van het wetsvoorstel begrijpen deze leden dat de delfstoffen eerst eigendom van de producent worden na winning vanaf de daadwerkelijke winning. De eigendomsoverdracht vindt dus niet plaats na het verlenen van de winningsvergunning.

Worden er in de op pagina 41 en 42 voorgestelde systematiek niet een paar stappen overgeslagen, zoals - in de nieuwe situatie - de eerste stap van seismologisch onderzoek en de tweede stap van opsporingsvergunning? In welke fase moet een winningsplan worden ingediend? Kortom, het min of meer vanzelfsprekend overgaan van een concessie naar een winningsvergunning vertoont , voorzover deze leden dat nu kunnen beoordelen, forse hiaten. De rol van de met al die stappen samenhangende andere wetgeving, b.v. op het gebied van Ruimtelijke Ordening en Natuur en Milieu, is ook volstrekt niet inzichtelijk. Kan de regering hierin duidelijk inzicht verschaffen?

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie hoeveel concessies er voor 1965 zijn verleend, en waar deze zijn verleend. Hoe zal het proces van het omzetten van de concessies in het Waddengebied in winningsvergunningen verlopen?

De regering stelt op blz. 42 dat schadeloosstelling in concrete gevallen nihil zal kunnen blijven. Kan de regering aangeven om welke gevallen dit zal gaan? Was het doel van concessieafgifte niet vooral om aan de productiemaatschappij het alleenrecht te geven voor seismologisch- en opsporingsonderzoek alsmede voor het eventuele winnen? Met dien verstande dat de maatschappijen een monopolierecht verkregen. Aangezien zij begrijpen dat dit alleenrecht onaangetast blijft begrijpen zij niet waarom een schadevergoeding zou moeten worden gegeven. Maatschappijen hebben dat alleenrecht 'om niet' gekregen. Waarom dan wel een schadeloosstelling? Naar deze leden aannemen zal de intrekking van een winningsvergunning, voorheen concessie, plaatsvinden op basis van criteria op de wet gebaseerd. Het maakt nogal wat op basis van welke wetten dit zal plaatsvinden. Kan hierop een nadere toelichting worden gegeven? Wreekt zich hier ook niet dat het niet duidelijk is op welke wijze vergunningen voor seismologisch onderzoek, opsporingsvergunningen, winningsvergunningen en winningsplannen deel uitmaken van het systeem van overgang van concessie naar winningsvergunning? Zie hiervoor de elders in dit nader verslag gemaakte opmerkingen.

De leden van de PvdA-fractie willen verder graag verwijzen naar de redenering van de regering rondom eigendom van delfstoffen (punt 12). Nog afgezien van de vraag of het terecht dat destijds bij het verlenen van concessies de eigendom van delfstoffen is overgedragen, betwijfelen deze leden dat sprake zal kunnen zijn van schadeloosstelling bij intrekking van de vergunning op grond van art. 22 lid 1. De regering stelt immers op blz. 42 dat de economische waarde de maatstaf voor de hoogte van deze schadeloosstelling is. Zonder de benodigde vergunningen echter is de economische waarde van bedoelde delfstoffen nihil, menen de leden van de PvdA-fractie. Kan de regering hierop ingaan? Ook art. 40b van de Onteigeningswet stelt dat bij het bepalen van een eventuele schadeloosstelling de prijs bij verkoop in het vrije commerciële verkeer bepalend is. De regering stelt op blz. 28 en 29 van de nota naar aanleiding van het verslag dat hierbij wel betrokken moet worden of degene die in formele zin eigenaar is wel of geen feitelijke beschikkingsmacht of zeggenschap heeft. Zonder zeggenschap over de delfstoffen is de waarde ervan in het vrije commerciële verkeer nihil, aldus de regering. Kan de regering hierop ingaan? Op deze manier beredeneert de regering terecht dat de bovengrondeigenaar geen recht heeft op schadeloosstelling. De leden van de PvdA-fractie stellen dan ook dat zij een sterke analogie zien met de eigenaren in formele zin van delfstoffen op grond van eeuwigdurende concessies. Kan de regering hierop ingaan?

Ook artikel 7 lid 3 van het oorspronkelijke wetsontwerp lijkt in deze richting te wijzen. Een vergoeding wordt pas gegeven als aangetoond is dat er zich in de ondergrond een hoeveelheid delfstoffen bevindt die economisch winbaar is. De vergoeding, bij sluiting van het gebied, heeft slechts betrekking op de kosten van de aantoning van de gebieden, niet op de waarde van de delfstoffen zelf. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom hetzelfde principe niet van toepassing zou zijn op de zogenaamde eeuwigdurende concessies. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie reageren eveneens verheugd op de constatering van de regering dat het enkele feit dat een opsporings- of winningsvergunning is verleend, niet impliceert dat schadevergoeding moet worden gegeven als de beoogde activiteit door een andere publiekrechtelijke blokkade wordt getroffen (blz. 71).

Deze leden menen dat het hier om een zeer ingewikkelde kwestie gaat. Voor een gefundeerd, definitief oordeel achten deze het noodzakelijk deze materie nader door te lichten op basis van concreet voorliggende concessies. Zij verzoeken daarom de regering zo spoedig mogelijk de concessies Noord-Groningen en Friesland - al of niet vertrouwelijk - aan de Kamer doen toekomen. Kan de regering hierin voorzien?

Mocht het zo zijn dat er niet aan schadeloosstellingen te ontkomen is dan vragen deze leden zich in alle ernst af of het in die gevallen niet veel verstandiger is om daar de concessiesituatie te doen laten voortbestaan. Wat verzet zich daar dan tegen?

Ad 23. Algemene zorgplicht
De leden van de PvdA-fractie verenigen zich met de situatie dat art. 34 een actie uit onrechtmatige daad kan ondersteunen. Deze leden stemmen er ook mee in dat art. 34 een grond kan zijn voor bestuursrechtelijke handhaving door middel van bestuursdwang of een dwangsom.

Ad 24. Mijnbouwbesluit
De leden van de PvdA-fractie zien in dat het verstandiger is om de mijnbouwtechnische en milieutechnische voorschriften onder te brengen in een algemene maatregel van bestuur en in een ministeriële regeling. De grondslag die hiervoor gelegd wordt in art. 44 vinden deze leden wel erg ruim. Deze leden delen mee dat graag met de minister overleg te voeren over het ontwerp voor het eerste Mijnbouwbesluit. Wanneer kan de Tweede Kamer het nieuwe ontwerp voor het Mijnbouwbesluit verwachten?

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat het winningsplan een zeer belangrijk instrument zal zijn bij de uitvoering van de nieuwe Mijnbouwwetgeving. Het is een goede zaak dat er sprake moet zijn van 'planmatig beheer'. De leden van de PvdA-fractie juichen toe dat de regering van mening is dat er een relatie kan bestaan tussen de hoeveelheid en tempo van de winning, en de te verwachten bodemdaling, en dat het winningsplan een beschrijving zal moeten bevatten van de verwachte bodemdaling. Deze leden achten dat een goede zaak. Zij stemmen tevens in met de situatie dat in het winningsplan vermeld zal moeten worden wat de mijnbouwmaatschappij voor maatregelen zal nemen om deze schade te voorkomen. Deze leden menen dat voor een beoordeling van de winningsplannen de regering over een algemeen toetsingskader behoort te beschikken en over onafhankelijke informatie. Tot op heden vervulde het Plan van gasafzet van de regering en/of de Gasunie het toetsingskader voor 'planmatig beheer'. Straks zal dat in een geliberaliseerde gasmarkt anders zijn. Gaat de regering zelf een beleid ten aanzien van 'planmatig beheer' formuleren? Hoe kan schade door bodembeweging worden voorkomen? Op welke wijze toetst de regering of de in het winningsplan opgenomen gegevens over bodemdaling correct zijn? Is de regering voornemens om normen op te stellen m.b.t. het al of niet te aanvaarden aantal centimeters aan bodembeweging?

Tevens pleiten de leden van de PvdA-fractie voor een waarschuwingsplicht voor exploitanten met betrekking tot bodembeweging. Voor gebieden waar bodembewegingen mogelijk zijn, pleiten deze leden voor een monitoringsysteem dat ook wordt vastgelegd in het winningsplan. Bij het opzetten van het monitoringsysteem zou de technische commissie bodembeweging een rol kunnen spelen. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie kunnen in grote lijnen instemmen met de omschrijving van het begrip 'planmatig beheer van delfstoffen', zij het dat het enige normatieve gedeelte van de omschrijving 'een doelmatige en verantwoorde winning' is. Deze leden zouden graag zien dat de regering wat dieper inging op de betekenis van het begrip 'verantwoord' in dit geval. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden zouden ook willen weten wie uiteindelijk bepaalt wat verantwoorde en vooral rendabele winning is. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden stellen dat het winnen van delfstoffen bijvoorbeeld ook verantwoord zou moeten zijn in de richting van mogelijke gedupeerden door bodemdaling. Deze leden verkiezen dan ook de omschrijving 'een doelmatige en maatschappelijk verantwoorde winning' en zouden deze omschrijving in de memorie van toelichting verwerkt willen zien. Kan de regering hierop ingaan?

Mogen de leden van de PvdA-fractie ervan uitgaan dat het winnen via schuinboren onder of in gevoelige gebieden opgenomen wordt in het winningsplan? Voor deze leden is het belang van het winningsplan en de reactie van de regering daarop dermate groot dat zij aandringen op een zo groot mogelijke openbaarheid van het winningsplan en de regeringsreactie. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 25. De mijnbouwmilieuvergunning
Hoe wordt omgegaan met opsporingsinstallaties die via schuin proefboren activiteiten uitvoeren in gevoelige gebieden, zo willen de leden van de PvdA-fractie weten. Het lijkt deze leden vanzelfsprekend dat de MER-plicht dan ook van toepassing is, omdat zij begrijpen dat schuin proefboren relatief veel risico's met zich meebrengt. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 26. Metingen van bodembeweging
De leden van de PvdA-fractie ondersteunen van harte het regeringsstandpunt dat ook aardschokken onder de metings- en rapportageplicht zullen vallen. Deze leden zouden willen weten met welke frequentie moet worden gerapporteerd over nieuwe omstandigheden of nieuwe inzichten aangaande bodembeweging. Kan de regering hierop ingaan? Dienen nieuwe inzichten terstond gerapporteerd te worden? Welke gevolgen kan het afkeuren van een nieuw winningsplan hebben? Welke middelen staan de regering ter beschikking indien de maximale bodemdaling dreigt te worden overschreden? Indien de winningsvergunning wordt ingetrokken, ontstaat dan recht op schadevergoeding voor de mijnbouwmaatschappij? In art. 101 wordt bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegevens kunnen worden aangegeven die hun vertrouwelijkheid verliezen, en het tijdstip waarop dit gebeurt. Gezien de zeer ruime formulering zouden de leden van de PvdA-fractie willen vragen of de regering een indicatie kan geven van de gegevens waarover moet worden gerapporteerd, welke gegevens precies hun vertrouwelijkheid verliezen en op welk tijdstip dit gebeurt. Kan de regering hierop ingaan? Wanneer kan de bedoelde AMvB verwacht worden? Kan bespreking daarvan in de Tweede Kamer plaatsvinden?

Ad 27. Schade door bodembeweging
De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de regering opnieuw stelt dat de bodemdaling die in Nederland optreedt samenhangt met de winning van aardgas en zout. Maatregelen die worden genomen om de negatieve gevolgen van bodemdaling te voorkomen en te beperken, en schattingen van de omvang deze bodemdaling, dienen in het winningsplan te worden beschreven. De leden van de PvdA-fractie dringen er dan ook aan op zo veel mogelijk openbaarheid van deze winningsplannen, met name op het punt van de bodemdaling. Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie juichen toe dat het uitgangspunt in de nieuwe Mijnbouwwet wordt dat schade door bodembeweging als gevolg van delfstofwinning voor rekening van de winner komt, en dat deze aansprakelijk zal zijn op grond van art. 137 Mijnbouwwet en art. 177 van Boek 6 BW. De leden van de PvdA-fractie begrijpen ook dat de mijnbouwmaatschappij slechts door een beperkt aantal omstandigheden, zoals omschreven in art. 6:178 BW, ontheven kan worden van zijn aansprakelijkheid. Deze leden begrijpen daarnaast dat de gelaedeerden niet hoeven aan te tonen dat hun schade het gevolg is van een toerekenbare onrechtmatige gedraging. Deze leden twijfelen echter aan de verwantschap met bodemverontreiniging, en het mogelijke beroep op weerlegbare vermoedens. De kans op bodemverontreiniging door natuurlijke oorzaken of door bijvoorbeeld daling van het grondwaterpeil is immers vrijwel nihil. Kan de regering hierop ingaan? Waar het de leden van de PvdA-fractie om gaat is een andere verdeling of omkering van de bewijslast. De regering lijkt zich in de nota naar aanleiding van het verslag toch te veel achter bestaande wetgeving te verschuilen. De regering stelt dat het reeds nu mogelijk is dat de rechter de bewijslast anders verdeelt, of zelfs omkeert. De leden van de PvdA-fractie vragen zich echter af hoe vaak dit voorkomt, en hoeveel moeite er niet gedaan moet worden om de rechter hiertoe te bewegen. Kan de regering hierop ingaan? Het lijkt er immers op dat het in de praktijk geen gemakkelijke zaak is om de rechter zover te krijgen om tot bewijslastomkering over te gaan. Op verwante gebieden, zoals milieu-, product- en medische aansprakelijkheid moet vaak tot aan de Hoge Raad geprocedeerd worden om die regel toegepast te krijgen. Kan de regering hierop ingaan? Het gebruik van de mogelijkheid van de mogelijkheid van art. 177 Rv op het terrein van onrechtmatige daad stuit in de kringen van sommige juristen, zoals bijvoorbeeld W.H.D. Asser, zelfs op bezwaren. Kan de regering hierop ingaan? Is het niet zo, dat in lopende procedures het soms al verkeerd gelopen is wat betreft de omkeringsmogelijkheid? De leden van de PvdA-fractie refereren dan bijvoorbeeld aan de zaak met de boerderij in Dwingelo. Kan de regering hierop ingaan? De omkeringskwestie kan ook zelf inzet worden van een jarenlange procedure. Deze leden refereren aan de zaak van de 38 boeren te Grouw tegen Elf Petroland. Dergelijke ontwikkelingen achten deze leden niet wenselijk. Kan de regering hierop ingaan?

Hoewel bij de leden van de PvdA-fractie het beginsel van de omkering van de bewijslast centraal staat in deze discussie, willen deze leden toch nader ingaan op de opmerkingen die de regering over het buitenland maakt. De leden van de PvdA-fractie zetten ook vraagtekens bij de opmerking van de regering dat omkering van de bewijslast "elders op de wereld niet voorkomt". In Duitsland zou slechts sprake zijn van 'vestiging van een vermoeden'. Deze leden nemen aan dat het ook de regering bekend is dat het in het spraakgebruik gaat om begrippen met een vergelijkbare juridische werking. Kan de regering hierop ingaan? Verder stelt de regering dat de Duitse regeling niet van toepassing zou zijn op gas- en oliewinning. Is de regering ermee bekend dat in Duitsland de benodigde AMvB nog ontbreekt aangezien gas- en oliewinning in Duitsland slechts op beperkte schaal plaatsvindt en er nog geen noodzaak was bedoelde AMvB van kracht te doen zijn? Deze leden menen dat indien dit wel zo zou zijn geweest, de omkering van de bewijslast ook op gas- en oliewinning van toepassing zou zijn. Kan de regering hierop ingaan?

Deze leden zetten grote vraagtekens bij de stelling van de regering dat zonder expliciete wettelijke omkering van de bewijslast tot hetzelfde resultaat kan worden gekomen. Deze leden maken tevens bezwaar tegen de redenering dat door omkering van de bewijslast de rechter 'gehinderd' wordt in een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast. Hiermee impliceert de regering dat de rechter de bewijslast zou moeten verdelen, en niet de wetgever. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe dit zich verhoudt tot onze staatsrechtelijke verhoudingen. Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie hechten belang aan heldere wetgeving. Dit verhoudt zich slecht met overjuridisering in de vorm van een (gedeeltelijke) invulling van wetgeving door de rechter. Heldere wetgeving achten deze leden ook in het belang van de rechtszekerheid. De leden van de PvdA-fractie wijzen ook op het gestelde op blz. 76 van het Regeerakkoord inzake juridisering. Kan de regering hierop ingaan? Teneinde de discussie over de regelgeving met betrekking tot het omkeren van de bewijslast zo goed mogelijk te kunnen voeren bereiden deze leden een amendement voor. Zij vernemen graag de reactie van de regering. De leden van de PvdA-fractie juichen toe dat bij schade door toedoen van meerdere exploitanten tegelijk hoofdelijke aansprakelijkheid van toepassing zal zijn. Deze hoofdelijke toepassing zal echter niet van toepassing zijn als aangetoond kan worden welke exploitant welk deel van de schade heeft veroorzaakt. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af wie bepaalt of van dit 'aantonen' wel of geen sprake is, en hoe precies aangetoond moet worden of het wel of niet mogelijk is om te bepalen wie welk deel van de schade heeft veroorzaakt. Kan de regering hierop ingaan?

Het gaat de leden van de PvdA-fractie er vooral om de ministeriële verantwoordelijkheid, de rol van de overheid en de parlementaire controle zo scherp mogelijk te markeren. In het antwoord van de regering komt de democratische legitimiteit en controle van het mijnbouwbeleid onvoldoende uit de verf. Op welke punten komt de Tweede Kamer in beeld? Voor een verdere verdieping in dit vraagstuk is in ieder geval een visie noodzakelijk over de relatie tussen de staat en de productiemaatschappijen. Zij vragen de regering om een oordeel over de volgende benadering.

De leden van de PvdA-fractie menen dat ook een regeling naar analogie van art. 40 Grondwaterwet meer rechtszekerheid zou bieden. Als de overheid in eerste instantie de schade zou vergoeden, hoeft de burger niet belast te worden met de gecompliceerde rechtsgang. Dat bedoelde regeling van de Grondwaterwet nog nooit in de praktijk is toegepast, doet niet ter zake. Het gaat immers om de zeer reële gevolgen van bodemdaling . Deze leden overwegen een amendement. Dit betekent overigens niet dat de leden van de PvdA-fractie afzien van de omkering van de bewijslast. Wel willen zij aan zichzelf en de regering ook een andere optie in overweging geven. Bij deze optie kan uitgegaan worden van de volgende uitgangspunten. Ten eerste geniet de staat in grote mate het economisch voordeel van de ontginning van de delfstoffen; er is dus sprake van collectieve baten. Ten tweede oefent de staat grote invloed uit op de wijze van ontginning, namelijk via het verlenen van een winningsvergunning en in het bijzonder via het door de minister goedgekeurde winningsplan. Ten derde wordt de mijnbouwonderneming door de staat ingeschakeld om de delfstoffen te ontginnen. Feitelijk zou men kunnen zeggen dat er sprake is van een situatie waarbij de mijnbouwonderneming als onderaannemer van de staat optreedt. Men zou dan ook kunnen zeggen dat de mijnbouwonderneming in ruil voor verleende diensten een redelijke beloning een redelijke beloning ontvangt. Ten vierde wordt de particulier buiten zijn invloed om geconfronteerd met de nadelige gevolgen van de mijnbouwactiviteiten, waar hij geen enkel direct belang bij heeft. Het is dan ook niet redelijk dat de particulier achterblijft met schade en kosten die niet worden vergoed. Schadevergoeding zou door de particulier, als gedupeerde, op eenvoudige wijze moeten worden verhaald. Op basis van deze uitgangspunten zou men kunnen komen tot het volgende systeem. Ten eerste zou de particulier zich kunnen wenden tot de Technische Commissie Bodembeweging die gratis advies uitbrengt over het causaal verband. Dit advies zou niet alleen het causaal verband tussen mijnbouw en bodembeweging moeten behelzen, maar ook dat tussen de bodembeweging en de schade. Ten tweede zou de gedupeerde met het advies van de commissie, inclusief schadebedrag, zich tot de staat kunnen wenden, met het verzoek om schadevergoeding. De staat zou dan gehouden zijn om het bedrag uit te betalen. Indien mocht blijken dat de bodemdaling is veroorzaakt door de schuld van vergunninghouder, zal de staat het bedrag op de vergunninghouder kunnen verhalen. Kan de regering hierop ingaan?

Zij verzoeken de regering tevens om een reactie op het advies van de Waddenadviesraad (Advies over de wijziging van de Mijnbouwwet, gericht aan de minister van Economische Zaken, vastgesteld in de plenaire vergadering van de Waddenadviesraad van 10 februari 1999).

Waar de leden van de PvdA-fractie ook aan hechten is de mogelijkheid voor gedupeerden van bodembeweging wegens delfstoffenwinning om eventueel als groep een rechtszaak aan te spannen. Is dit bij het huidige wetsvoorstel reeds mogelijk? Zo nee, kan de regering hierin voorzien?

Overigens zij opgemerkt, dat behalve een regeling naar analogie van de Grondwaterwet, en de omkering van de bewijslast, de leden van de PvdA-fractie nog steeds een initiatiefwetsvoorstel overwegen. Dit om een voorziening te treffen tot het moment van invoering van de nieuwe wet. De leden van de PvdA-fractie vermoeden namelijk dat het van kracht worden van nieuwe mijnbouwwetgeving nog wel even op zich zal laten wachten. Het gaat de leden van de PvdA-fractie dan om een herinvoering van art. 15 Mijnwet 1810. Behalve in een waarborg voor schadevergoeding voorziet dit artikel, in combinatie met een arrest van de Hoge Raad (HR 31 dec. 1920, NJ 1921, 230, Kasteel Strythagen), in een vermoeden van schuld, in combinatie met een vorm van omkering van de bewijslast. In Frankrijk en België, waar men in beginsel dezelfde Mijnwet heeft, is immers al meer dan een eeuw de risicoaansprakelijkheid gebaseerd op art. 15. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden zullen in overleg treden met andere fracties in de Tweede Kamer om te bezien of er steun voor een initiatiefwetsvoorstel terzake. De regering gaat niet in op de suggestie van een financiële zekerheidsstelling van 30 jaar. Hoogte en duur van de zekerheidsstelling zijn ter beoordeling van de minister. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de rechten van (potentiële) gedupeerden hiermee voldoende gewaarborgd zijn. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden vragen zich tevens af, waarom de regering hieruit de conclusie trekt, dat schadefondsen niet nodig zouden zijn. Kan de regering ingaan op het nut en de noodzaak van schadefondsen ten opzichte van financiële zekerheidsstelling?

De regering stelt dat de mogelijkheid van aardschokken als criterium voor het weigeren van een milieuvergunning nauwelijks toepasbaar is. De leden van de PvdA-fractie zouden willen weten of aardschokken wel een intrekkingsgrond kunnen zijn. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie hebben nog een vraag over de maximumduur van de zekerheidstelling in Oostenrijk en Duitsland. Hebben deze leden het goed begrepen dat het bekend worden van de schade op een veel later tijdstip plaats kan vinden dan het optreden van de schade zelf? Als dit zo is, hoe wordt het tijdstip van het optreden van de schade dan bepaald? Wat het onderhavige wetsvoorstel betreft, hebben deze leden het goed begrepen dat de termijn van vijf jaar geldt voor het in gang zetten van een schadeclaim, zodat de aansprakelijkheid niet verjaart gedurende de behandeling ervan bij de rechter?

De leden van de PvdA-fractie hebben nog enige vragen met betrekking tot de brief van EZ aan de Vereniging van Gedupeerde Eigenaren van 13 juli 1999. Hoe interpreteert de regering het feit dat verzekeringsmaatschappij DAS niet bereid is dekking te geven voor eventuele geschillen met de NAM in verband met schadekwesties rondom Roswinkel? Hebben de leden van de PvdA-fractie het goed begrepen dat de kans op nieuwe conflicten, en dus bodembeweging en aardschokken, blijkbaar aantoonbaar groot is? Zou de weigering van DAS te maken kunnen hebben met de onvoorspelbaarheid van de hoogte van de proceskosten, ook gezien de complexiteit van het causaliteitsvraagstuk? Deze leden vragen zich af of deze zaak niet anders zou liggen als er sprake was van omkering van de bewijslast. Kan de regering hierop ingaan?

Een andere mogelijkheid die de leden van de PvdA-fractie zien is dat de overheid de proceskosten van de gedupeerde burgers op zich zou nemen. Deze zou, al naar gelang de uitkomst, weer verhaald kunnen worden bij de productiemaatschappijen. Deze leden denken hierbij onder andere aan de kosten van het inschakelen van deskundigen voor het verlenen van rechtsbijstand. Dat zou de in de benadering van de leden van de PvdA-fractie de Technische Commissie Bodemdaling kunnen zijn, maar, zoals deze leden bij punt 10 hebben bepleit zou de burger daar vrij in moeten zijn. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 28. Zekerheid voor schade door bodembeweging
De regering stelt dat een zekerheidstellingperiode van 5 jaar voor bodemtrillingen voldoende is. De leden van de PvdA-fractie achten deze periode te kort. Ook de NAM heeft immers gesteld dat lang, mogelijk zelfs tientallen jaren na het beëindigen van winningsactiviteiten, nog trillingen mogelijk zijn. Kan de regering verlenging van de bedoelde termijn naar 30 jaar, of het schrappen ervan, en dus zekerheidsstelling voor onbepaalde tijd overwegen? Deze leden overwegen op dit punt te amenderen. Voor de termijn van 30 jaar kan aansluiting gevonden worden bij de regeling voor 'verontontreiniging van lucht, water en bodem' en gevaarlijke stoffen van art. 3:310 lid 2 BW, die gebaseerd is op het Verdrag van Lugano van 1993 inzake milieugevaarlijke activiteiten.
De leden van de PvdA-fractie pleiten ook voor vervangende aansprakelijkheid van de staat in het geval dat een exploitant geen verhaal biedt. De staat ontvangt immers veel inkomsten uit delfstoffenwinning, en is beter in staat om dergelijke lange termijnrisico's op te vangen. Een regeling zou in het leven kunnen worden geroepen naar analogie van het Franse stelsel van de Mijnwet 1994. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen op dit punt te amenderen.

De leden van de PvdA-fractie blijven twijfels houden bij het facultatieve karakter van de zekerheidsstelling. Een dergelijke facultatieve zekerheidsstelling roept met name vragen op in het geval van kleine bedrijven, met beperkte ervaring in de mijnbouw, en met een onzekere toekomst. Hoewel deze leden het bedrijf Frima in Harlingen niet noodzakelijkerwijs in deze termen wensen te kenschetsen, baart het hen toch zorgen dat bij de concessieverlening aan Frima de minister geen zekerheidsstelling noodzakelijk achtte, en dat deze pas na ingrijpen door de rechter tot stand kwam.

Ad 29. Sluiting van gebieden, de Waddenzee
De regering stelt dat artikel 7 is geschrapt, aangezien de extra mogelijkheid om een gebied voor mijnbouw te sluiten, strijdig zou zijn met het beginsel dat dubbele besluitvorming moet worden voorkomen. De leden van de PvdA-fractie stellen dat men dit ook anders kan zien. Deze leden stellen dat juist het sluiten van een bepaald gebied ? waaraan overigens nadelen kleven wegens gebrek aan flexibiliteit - voor opsporings- en winningsvergunningen dubbele besluitvorming kan voorkómen. Immers de procedures voor het aanvragen van deze opsporings- en winningsvergunningen, alsmede overige vergunningen hoeven niet meer te worden doorlopen bij sluiting van een gebied. Ditzelfde geldt voor de procedures rondom de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet en de (mijnbouw)milieuvergunning. Sluiting op grond van artikel 7 schept een duidelijke situatie, die ook in het belang kan zijn van de mijnbouwmaatschappijen. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie betreuren dat de regering artikel 119 heeft geschrapt. De regering stelt immers op blz. 68 van de nota naar aanleiding van het verslag zelf dat een PKB Waddenzee slechts beperkte juridische gevolgen heeft. Daarnaast zullen de uitgangspunten van de PKB nog verwerkt moeten worden in streek- en bestemmingsplannen, hetgeen tot vertragingen en onduidelijkheid kan leiden. De leden van de PvdA-fractie pleiten dan ook voor een meer solide juridische basis. Deze leden pleiten dan ook voor handhaving van het op de Wet opsporing delfstoffen gebaseerde artikel 119, dat ervoor zorgt dat de huidige PKB, tot er een nieuwe PKB is, rechtstreeks doorwerkt bij de vergunningverlening op grond van de Mijnbouwwet. Tevens pleiten deze leden ervoor om art. 119 ook van toepassing te doen zijn op winningsvergunningen. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Kan de regering ingaan op de visie van de Waddenadviesraad inzake artikel 7 en het sluiten van gebieden?

De leden van de PvdA-fractie zetten ook vraagtekens bij de stelling van de regering dat de sluitingsmogelijkheid van kwetsbare gebieden op grond van art. 7 overbodig is, omdat de toepassing van de Wet Milieubeheer en de Natuurbeschermingswet het natuurbelang voldoende waarborgt. Deze leden hebben namelijk de indruk dat de voor mijnbouwactiviteiten in natuurmonumenten vereiste verklaring van geen bezwaar op grond van art. 46 van de Natuurbeschermingswet jo. art. 8.39b van de Wet milieubeheer geen waarborg biedt dat de criteria van art. 6 van de Habitatrichtlijn worden toegepast. Kan de regering hierop ingaan? Hebben de leden van de PvdA-fractie het dus goed begrepen dat in de gevallen dat een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer (bijna alle gevallen dus) vereist is, geen vergunning op grond van art. 16 Natuurbeschermingswet vereist is, maar slechts een verklaring van geen bezwaar op grond 46 Natuurbeschermingswet?

De verklaring van geen bezwaar, die geregeld is in art. 8.39a e.v. van de Wet Milieubeheer, bepaalt dat het bevoegd gezag zich daarbij beperkt tot een beoordeling van de vraag of er reden is de verklaring 'in het belang van de bescherming van natuur en landschap' te weigeren. Deze norm c.q. toets vinden de leden van de PvdA-fractie te vaag; het natuurbelang is hiermee volgens deze leden niet voldoende gewaarborgd. In tegenstelling tot art. 16 wordt bijvoorbeeld bij art. 46 geen rekening gehouden met het voorzorgsbeginsel. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie pleiten er daarom voor dat in het systeem van de verklaring van geen bezwaar de criteria van art. 6 van de Habitatrichtlijn steeds worden toegepast, bijvoorbeeld door een wijziging van de Natuurbeschermingswet. Kan de regering hierin voorzien?

Een bezwaar aan het geschrapte artikel 7 was de onnodig zware procedure, die wetgeving noodzakelijk maakte. Een andere oplossing om het natuurbelang te waarborgen is dat de minister van EZ samen met de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij AMvB of ministeriële regeling gebieden kunnen sluiten. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Daarnaast denken deze leden aan het toevoegen van een toets op de Habitatcriteria aan art. 10. Ook op dit punt overwegen de leden het indienen van een amendement. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie stellen daarnaast vast dat veel gebieden die onder de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, nog altijd niet zijn aangewezen als natuurmonument. Wanneer kunnen deze leden de aanwijzing van al deze gebieden verwachten?

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat de regering de Noordzeekustzone als een erkend natuurgebied zullen aanwijzen in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998. Hoe moet het begrip 'schadelijke uitstraling' (blz. 70) precies worden opgevat? Wat is de visie van de regering op het advies van de Waddenadviesraad om de terminologie van (art. 119) van de nieuwe Mijnbouwwet op een aantal punten aan te passen aan die van de Wet op de oppervlaktedelfstoffen (WOD)?

Hoe is de positie van EBN met betrekking tot concessies en vergunningen in de Waddenzee- c.q. Noordzeekustzone concessiegebieden Noord-Friesland en Groningen"? Behoort de Noordzeekustzone tot het regime van het vaste land in plaats van tot het Continentaal Plat?

Ad 31. Kosten invoering nieuw financieel systeem
Wat zullen naar schatting extra baten, door extra productie, voor de overheid zijn, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Zullen die meer of minder dan de gederfde 10 miljoen zijn?

Ad 32. Mijnbouwklimaat, flexibel financieel systeem De leden van de PvdA-fractie wensen allereerst een vraag te stellen over het vergunningenstelsel, en de invloed hiervan op het mijnbouwklimaat. Deze leden sluiten zich aan bij de opmerkingen van FNV?bondgenoten over de te lange procedures die doorlopen moeten worden om marginale velden te kunnen ontginnen. Ziet de regering mogelijkheden om de procedures voor marginale velden in te korten?

Wat betreft het afdrachtensysteem, willen de leden van de PvdA-fractie allereerst verwijzen naar hetgeen zij onder punt 2 gesteld hebben. Zij zijn van mening dat het door hen voor te bereiden amendement voorziet in de behoefte aan een apart financieel regime voor specifieke gasvelden dat beter is afgestemd op specifieke economische omstandigheden.

De leden van de PvdA-fractie wijzen nogmaals op het belang dat zij aan flexibiliteit hechten. De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de regering bij de opstelling van het wetsvoorstel is uitgegaan het principe van algemeen geldende regels in plaats van voorwaarden in individuele vergunningsvoorschriften. Deze leden willen nogmaals benadrukken dat dit geen wet van Meden en Perzen kan zijn, en dat het uiteindelijk aan de wetgever is om te bepalen of op onderdelen geen uitzonderingen op dit principe zouden mogen worden gemaakt. Overigens merken deze leden op dat het argument van de regering, dat strikt zou moeten worden vastgehouden aan algemeen geldende beleidsregels hen sowieso niet overtuigt, aangezien de regering zich hier ook niet aan lijkt te houden. De financiële zekerheidsstelling bijvoorbeeld is immers ook facultatief, en dus ter beoordeling van de minister. Ook op blz. 93 van de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat soms van de hoofdregel moet worden afgeweken. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie onderstrepen het standpunt van de regering dat "permanente zorg is vereist voor het mijnbouwklimaat en de continuïteit voor de exploratie en exploitatie van de kleine en marginale velden" (pag. 60 nota naar aanleiding van het verslag). De wijze waarop de regering die zorg gestalte geeft achten deze leden onvoldoende. Zij bepleiten nogmaals het instellen van een groen nationaal off shore overleg, waarin regering, werkgevers- en werknemersorganisaties en natuur- en milieuorganisaties overleg plegen over het beleid en de daarbij behorende instrumenten.

Wat verzet zich tegen een grotere financiële flexibiliteit, zo vragen de leden van de PvdA-fractie? Deelt u overigens de visie van de FNV dat de Nederlandse off shore haar kennis kwijtraakt indien artikel 18 van de huidige Mijnwet zal vervallen? Om hoeveel ontslagen gaat het inmiddels bij de diverse productiemaatschappijen? Zal de werkgelegenheid weer aantrekken na verhoging van de olieprijs? Of is het dan al te laat? Wat is volgens de regering het minimumniveau dat we moeten handhaven om de productie op peil te houden? Als de productie uit kleine velden niet op peil blijft, zou een groter beroep op het Slochterenveld noodzakelijk zijn. Zien de leden van de PvdA-fractie dit juist? Hebben deze leden het goed begrepen dat het Slochterenveld nog 40 jaar mee kan zoals van ambtelijke zijde meegedeeld tijdens de briefing over de Gaswet voor de Tweede Kamer?

De regering noemt 3 elementen die voor flexibiliteit zouden moeten zorgen. Hebben de leden van de PvdA-fractie goed begrepen dat het eerste en het tweede element reeds bestaande middelen zijn? Hoe verhoudt de op blz. 75 genoemde regeling met betrekking tot willekeurige afschrijving voor de Vpb en het staatswinstaandeel zich tot de art. 18-regeling? Hebben deze leden tevens goed begrepen dat bedoelde regeling met betrekking tot willekeurige afschrijving niet specifiek gericht is op kleine en/of marginale velden?

Wat betreft het tweede element verwijzen de leden van de PvdA-fractie eveneens naar punt 2. De flexibiliteit van het staatswinstaandeel heeft naar de mening van deze leden geen effect op het al dan niet bedrijfseconomisch marginaal zijn van een veld. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de regering de mogelijkheden tot consolidatie verruimt. Hebben de leden van de PvdA-fractie het goed begrepen dat zowel op zee als op land de resultaten niet afzonderlijk zullen worden behandeld per regime? Deze leden zouden willen weten hoeveel aan gederfde afdrachten aan de staat dit gaat kosten. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden merken op dat de verruimde consolidatiemogelijkheden niet de marginaliteitverlagende werking hebben waar zij naar op zoek zijn. Zij overwegen het indienen van een amendement.

Hoe reageert de regering op de reactie van Nogepa dat de stelling van de regering, dat bij een winstmarge van lager dan 25% geen staatswinstaandeel zou worden betaald, niet waar zou zijn?

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de 75 velden die tot ontwikkeling zouden kunnen worden gebracht bij de juiste financiële flexibiliteit. Zij menen hierop geen afdoende antwoord te hebben gehad. Zij weten immers reeds dat ook andere factoren zoals de gasprijs hiervoor van belang zijn. Kan de regering de vraag alsnog beantwoorden? Ditzelfde geldt voor het effect op de staatsinkomsten van de exploitatie van deze kleine velden.

Hoeveel van de 75 velden worden volgens de regering niet tot ontwikkeling gebracht? (pag. 62) Waarom worden deze velden niet tot ontwikkeling gebracht? Is hierover overleg geweest met de FNV? Delen de FNV en Nogepa deze mening van de regering? Dat achten zij wel belangrijk omdat blijkbaar met "deze" ontwikkelingen in de rijksbegroting rekening wordt gehouden. Overeenstemming tussen betrokken partners lijkt de leden van de PvdA-fractie toch essentieel, vooral ook omdat het de basis is voor het Plan van gasafzet van de Gasunie. Kan de regering hierop ingaan? Een vraag die leeft bij de leden van de PvdA-fractie is of de EBN bij alle kleine velden op de Noordzee een rol speelt? Bij welke wel en welke niet? Wat is de visie van de regering over de suggestie om de EBN te doen laten participeren in de exploratieactiviteiten op de Noordzee? De leden van de PvdA-fractie zouden ook graag een uitvoerige reactie zien op de door Nogepa aangevoerde opmerkingen in de brief van 7 september 1999 aan de voorzitter van de vaste Commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer. Met name zien deze leden graag een reactie tegemoet op het punt van het in deze brief genoemde onderzoek naar de concurrentiepositie. Kan de regering hierop ingaan? Is de hoge succesratio bij exploratie een gevolg van regeringsbeleid? Heeft een en ander te maken met de kwaliteit van seismologische onderzoek? Op welke punten is sprake van een verbetering van het investeringsklimaat,zoals wordt gesteld op pag. 79?

Ad 33. Bonus, oppervlakterechten
In plaats van oppervlakterecht betalen houders van opsporingsvergunningen aan land geen oppervlakterecht, maar andere afdrachten zoals leges. De regering stelt dat, om lastenverzwaring te voorkomen, vastgehouden wordt aan de huidige situatie. Blijkbaar betalen zij dus minder dan op zee. Hebben de leden van de PvdA-fractie dit goed begrepen? Hoe verhoudt dit zich tot het op blz. 74 genoemde streven naar gelijke behandeling van vergunninghouders? Kan de regering een impressie geven van het verschil in afdracht per m3? De leden van de PvdA-fractie vragen zich af in welke mate deze afdrachten aan land een éénmalig karakter hebben. De regering stelt immers dat het jaarlijks te betalen oppervlakterecht mede tot doel heeft om mijnbouwmaatschappijen tot een voortvarende aanpak van activiteiten te bewegen. Juist op het territoir lijkt dit meer van belang dan op zee, gezien het beslag op het oppervlak. Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat éénmalige afdrachten geen bijdrage zullen leveren aan een voortvarende aanpak. Kan de regering hierop ingaan? Kan de regering overwegen om het oppervlakterecht ook voor opsporingsactiviteiten op het land van toepassing te doen zijn? Deze leden overwegen het indienen van een amendement.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat het antwoord op de vraag over pag. 73 van de memorie van toelichting van wetstechnische aard is, en dat de wettekst uiteraard prevaleert boven de tekst in de memorie van toelichting. Toch blijft het zo dat het gebruik van de term 'iedere vergunning' op pag. 73 in de memorie van toelichting zich niet verhoudt tot deze wettekst en dat dit wel zo zou moeten zijn. Kan de regering hierop ingaan?

De leden van de PvdA-fractie zouden graag willen weten wanneer de resultaten bekend worden van het onderzoek naar de mogelijkheden om de controle, de vaststelling en de invordering van afdrachten uit hoofde van de Mijnbouwwet, en dus het staatswinstaandeel, te laten plaatsvinden als waren het rijksbelastingen waarop de AWR en de Invorderingswet van toepassing zijn. Kan de regering hierop ingaan?

De regering stelt dat de aansluiting bij wijzigingen in de fiscale regelgeving is verbeterd, zodat nu ook de mijnbouwindustrie profiteert van fiscale faciliteiten. Welke faciliteiten bedoelt de regering hier?

De leden van de PvdA-fractie juichen toe dat technische en administratieve vereenvoudigingen zullen plaatsvinden met betrekking tot het staatswinstaandeel. In welke mate zullen deze leiden tot een versnelling van de procedure en het tijdsbeslag dat gemoeid is met de afwikkeling van het staatswinstaandeel?

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de invoering van een 'kosten up lift' van 10% voor de vergunninghouders onder KB'76 en KB'96 een voordeel oplevert. Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van de door de regering genoemde budgettaire neutraliteit? Hoeveel geld zal de staat aan inkomsten derven?

Ad 35 Staatsdeelneming, positie EBN
De leden van de PvdA-fractie hebben aarzelingen over de rol van de overheid bij exploratie en exploitatie in de positie van EBN waarvan de staat - juridisch - aandeelhouder is. Wat zou er gebeuren als de EBN zich terug zou trekken uit de projecten waarin zij participeert? Deze leden vragen zich bijvoorbeeld af in welke mate de minister en de Tweede Kamer invloed hebben of kunnen hebben op de verrichtingen van EBN. Hoe is de ministeriële verantwoordelijkheid geregeld met betrekking tot EBN? Wat is de rol van DSM precies? Kan de regering nog eens kort weergeven wat het belang is van handhaving van de EBN in de rol van eventuele mede-explorant en mede-exploitant? Tevens kan de EBN optreden als adviseur voor de regering bij de beoordeling over de financiële mogelijkheden van een vergunningsaanvrager (zie pag. 82, artikel 10). Zou de EBN ook gaan participeren in winningsactiviteiten bij Lauwersoog, Paesens en Moddergat? Participeert EBN in de schuine winningsboringen vanaf de Friese kust? Wat is de invloed van de EBN op activiteiten van een samenwerkingsverband of consortium van productiemaatschappijen waar de NAM de hoofdoperator is? Kan de EBN zich bijvoorbeeld tussentijds hieruit terugtrekken, en wat zijn de gevolgen hiervan. Kan de regering hierop ingaan? Heeft de EBN ook invloed op de uitvoering van opsporing en winning, en het opstellen van winningsplannen?

Wat betreft de regeringsvertegenwoordiger vragen de leden van de PvdA-fractie waarom deze er bij de EBN uit moet en die bij de Gasunie gehandhaafd moet blijven. Vanzelfsprekend raakt dit de visie van de regering m.b.t. de rol van de overheid en de ministeriele verantwoordelijkheid in het Nederlands aardgasbeleid. Kan de regering hier op ingaan?

Ad 36. Concessies van voor 1965
Wat is het belang dat concessies van voor 1965 in dit wetsvoorstel buiten de werking van dit wetsvoorstel worden geplaatst? Kan de regering hierop ingaan?

Ad 38 Rechtsbescherming
De leden van de PvdA-fractie zijn niet overtuigd door de argumenten van de regering om rechtspraak in twee instanties met betrekking tot de (mijnbouw)milieuvergunning af te schaffen. Het ontbreken van zeefwerking in het verleden mag volgens deze leden niet leiden tot een verslechtering van de rechtsbescherming. Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen een amendement.

Artikelgewijze behandeling

Ad 45 Economische winbaarheid(artikel 9)
Gezien het aantal door de regering genoemde factoren dat invloed heeft op de vraag of er al dan niet sprake is van economische winbaarheid, vragen deze leden zich af wie dan bepaalt of en voorkomen economisch winbaar is. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 46. Weigeringsgronden (artikel 10)
De leden van de PvdA-fractie kunnen in grote lijnen instemmen met de toelichting van de regering op de weigeringsgronden. Kan de EBN gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de regering over de financiële mogelijkheden van de aanvrager? Deze leden wensen nog een kanttekening te maken bij de formulering van art. 10 lid 1 sub c. Een vergunning kan worden geweigerd op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten onder een eerdere vergunning op grond van deze wet. De manier waarop deze bepaling is geformuleerd ('deze wet') heeft tot gevolg dat deze weigeringsgrond alleen van toepassing zal zijn op ongewenst gedrag na de invoering van de nieuwe Mijnbouwwet. Dit lijkt in strijd te zijn met de bedoeling van deze bepaling. De leden van de PvdA-fractie menen dat ook het ontginningsgedrag in de jaren voorafgaand aan de invoering van de nieuwe wet moet worden meegenomen in de beoordeling. Kan de regering een herformulering overwegen? Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Voorts menen deze leden dat niet alleen naar ontginningsgedrag met een vergunning op basis van Nederlandse wetgeving zou moeten worden gekeken, maar dat ook ontginningsgedrag in het buitenland bij de beoordeling betrokken zou moeten worden. Zij pleiten er dan ook voor om de zinsnede "bij activiteiten" te vervangen door "bij mijnbouwactiviteiten". Kan de regering hierop ingaan? Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Daarnaast menen de leden van de PvdA-fractie dat ook de tendens binnen het bedrijfsleven naar meer maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn vertaling zou mogen vinden in het wetsvoorstel. Deze leden menen dat mijnbouwmaatschappijen, dan wel dochtermaatschappijen of andere ondernemingen binnen de groep waartoe de mijnbouwmaatschappij behoort, hiervan, die er in het buitenland dubieuze praktijken op na houden, of zich maatschappelijk onverantwoord opstellen, voor weigering in aanmerking moeten kunnen komen. Deze leden pleiten er dan ook voor, om voor het woord 'verantwoordelijkheidszin' de term 'maatschappelijk' toe te voegen. Deze leden overwegen het indienen van een amendement. Zoals eerder gemeld bij punt 13 dringen de leden van de PvdA-fractie erop aan dat het milieubelang en het natuurbelang worden toegevoegd als weigering- en intrekkingsgrond. Verder valt het deze leden op dat het NITG dient als adviesorgaan met betrekking tot geologische kennis en dat de Staatstoezicht voor de Mijnen de regering adviseert over de technische kennis van de operator. Waarom heeft de Mijnraad hier geen taak? Kan de taak van de Mijnraad niet verricht worden door deze organen?

Ad 48 Beslistermijn(artikel 17)
De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of een termijn van 12 maanden voor het verlenen van een winningsvergunning niet wat lang is. Kan de regering hierop ingaan? De leden van de PvdA-fractie vragen zich tevens af waarom de aanvraag voor een vergunning niet wordt voorgelegd aan de technische commissie bodembeweging. Dit lijkt deze leden zeer wenselijk. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 55 Betekenis van begrip bodembeweging
De leden van de PvdA-fractie verbazen zich erover dat bodembeweging geen element is bij de beoordeling van aanvragen voor opsporings- en winnings- vergunningen. Bodembeweging speelt volgens de regering wel een belangrijke rol in de in te dienen winningsplannen. Als de elementen die in het winningsplan een rol spelen, vervolgens geen rol spelen bij het proces van vergunningsverlening, wat is dan precies de functie van deze winningsplannen? Kan zich de situatie voordoen dat de regering een winningsplan afkeurt, doch dat de maatschappij vervolgens wel een winningsvergunning krijgt?

Ad 58 Tweede kans bij staatsdeelneming
De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het standpunt van de regering inzake deelneming aan tweede en volgende velden. Deze leden vragen zich echter af of de staat in dat geval ook een inbrengvergoeding verschuldigd is voor het eerste veld. Kan de regering hierop ingaan?

Ad 62 Vertrouwelijkheid gegevens(artikelen 101 en 102) De leden van de PvdA-fractie waarderen de toezegging dat relevante gegevens kunnen worden ingezien door de leden van de Tweede Kamer opdat zij hun parlementaire controletaken kunnen uitoefenen. Zullen desbetreffende vertrouwelijke gegevens altijd desgevraagd ter vertrouwelijke kennisgeving aan de Kamer worden gezonden? Voorts verwijzen deze leden naar de punten 10 en 11.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie