Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA nota Kiezen voor kinderen

Datum nieuwsfeit: 22-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Nieuws : Kiezen voor kinderen

Kiezen voor kinderen

INLEIDING

Het kind centraal: een samenhangende visie.

De gedachtenvorming over de plek die kinderen in onze samenleving innemen vindt in de politiek slechts verbrokkeld plaats. Een coherente visie op de positie van kinderen en een consistent beleid gericht op ondersteuning van degenen die verantwoordelijkheid dragen voor de zorg voor en het opgroeien van kinderen is onvoldoende aanwezig. De CDA-Tweede-Kamerfractie wil met deze notitie het kind centraal stellen in het beleid van diverse departementen en zo een bijdrage leveren aan een meer consistent en coherent kindvriendelijk beleid.

De positie van kinderen en jongeren wordt meestal aan de orde gesteld als er zaken misgaan of al misgegaan zijn, en het beleid wordt dan gericht op de 'probleemgroepen'. Het CDA is van mening dat daarnaast op de langere termijn een consistent en structureel beleid dat ondersteuning biedt aan degenen die de feitelijke zorg voor kinderen dragen nodig is. Deze notitie levert daartoe bouwstenen doordat de positie van kinderen en hun ouders centraal gesteld wordt in discussies over inkomen, arbeid, zorg en onderwijs.

Enkele jaren geleden heeft het CDA als eerste nadrukkelijk het gezin op de politieke agenda gezet. De aandacht in de samenleving voor het gezin waarin kinderen opgroeien is sindsdien sterk toegenomen. De wens van de meeste mensen is om een dergelijk gezin in de loop van hun leven te realiseren en de meesten slagen daar ook in 1. Kinderen en jongeren zelf hebben een positief gezinsbeeld: zij vinden het gezin een goede plek om kinderen op te voeden en een prima manier van samenleven2. Als het goed gaat thuis, is het gezin de omgeving waarin kinderen veilig kunnen opgroeien, waarin de overdracht van waarden en normen plaatsvindt, waarin de voorwaarden voor het opgroeien tot evenwichtige en verantwoordelijke mensen aanwezig zijn. Voor de samenleving als geheel is het dus van groot belang om te waarborgen dat de voorwaarden voor dit gezin optimaal zijn.

Slechte randvoorwaarden en een geringe keuzevrijheid voor ouders, bv. in de combinatie van arbeid en zorg, werken als een boemerang op de opvoedingssituatie terug. Daarom is de CDA-fractie van mening dat een beleid dat het belang van het kind als uitgangspunt neemt als belangrijk doel de keuzevrijheid van gezinsleden dient te hebben. Opvoeders hebben recht op hun eigen opvoedingskeuzen. In deze notitie zullen wij dan ook een aantal maatregelen voorstellen die huidige beperkingen van die keuzevrijheid bestrijden en opheffen.

De CDA-fractie realiseert zich daarbij terdege dat de keuzevrijheid van de een in botsing kan komen met die van de ander: in moderne gezinsverhoudingen hoeven de wensen en belangen van mannen, vrouwen en kinderen niet altijd parallel te lopen. Dat is echter eens te meer een reden om het belang van het kind en de keuzevrijheid zo vorm te geven dat alle gezinsleden daarvan kunnen profiteren.

Hieronder specificeren wij onze voorstellen m.b.t. vier randvoorwaarden voor een kindvriendelijk beleid.:

de inkomenspositie van gezinnen

de combinatie van ouderschap en betaalde arbeid

mede-opvoeders (onderwijs, omgeving, media)

kinderzorg en jeugdbegeleiding

KINDEREN EN INKOMEN

Kinderdal: de koopkrachtachteruitgang van gezinnen

De aanwezigheid van kinderen in een huishouden heeft grote gevolgen voor de koopkracht. Er is sprake van een "inkomensdal" vanaf het moment dat er kinderen komen. Voor lagere inkomens is zelfs sprake van absolute achteruitgang in welvaartspeil.
Zowel de Nederlandse Gezinsraad (NGR) als het SCP hebben onderzoek gedaan naar de inkomenspositie van gezinnen met kinderen. Ondanks de kinderbijslag en andere regelingen daalt de koopkracht bij de komst van het eerste kind met 18,4 % en dit kan oplopen tot meer dan 25 procent bij gezinnen met drie kinderen. Extra zorgwekkend daarbij is dat in de afgelopen jaren de welvaartsstijging vooral ten goede lijkt te komen aan de huishoudens zonder kinderen, waarbij het overheidsbeleid een belangrijke rol speelt door de kosten van kinderen steeds meer te 'privatiseren'. Uit een aantal voorbeelden die wij hieronder presenteren blijkt dat voor middeninkomens soms maar een paar cent per extra verdiende gulden overblijft. Eenoudergezinnen hebben het verreweg het moeilijkst. Gezinnen met een inkomen op minimumniveau gaan door de aanwezigheid van kinderen een bestaan leiden dat onder het minimum ligt 3. De kinderbijslag dekt slechts een klein deel van de kosten 4. Het eerste kabinet Kok heeft de kinderbijslag ook nog eens verlaagd.

Gezinnen met kinderen hebben te maken met verschillende problemen. Met name voor de gezinnen met lage inkomens is de koopkracht erg laag. Verder hebben de verschillende inkomensafhankelijke regelingen tot gevolg dat er bij de inkomens net boven het minimum en bij de middeninkomens "armoedevallen" ontstaan. Financiële ondersteuning van gezinnen moet in de visie van het CDA leiden tot ondersteuning in hun zelfstandigheid en in hun verantwoordelijkheid. Daarom volgen hieronder enkele voorstellen om de positie van gezinnen met kinderen te verbeteren. Allereerst is het van belang een beschrijving van de huidige lasten van gezinnen te geven.

Kosten van kinderen: normkosten en kinderbijslag

Het NIBUD heeft in 1997 een berekening gemaakt van de gemiddelde kosten van kinderen. Het blijkt dat de kosten van kinderen afhankelijk zijn van: het aantal kinderen per huishouden en de hoogte van het inkomen. Als uitgangspunt kiezen we daarom de basiskosten van kinderen die te vinden zijn op en net boven het minimumloon. Daarboven zijn de kosten van kinderen een afspiegeling van de welstand van het huishouden.
De kinderbijslag dekt deze basiskosten in geval van één kind voor 40%. De nettokosten laten zien dat het beslag op het besteedbaar inkomen niet gelijk verloopt. Bij een gezinsuitbreiding na het eerste kind treedt een armoedeval op. De totale kosten die aan de kinderen besteed worden nemen met een derde toe. Bij de komst van een derde of vierde kind is dit niet het geval, maar blijven de totale kosten met aftrek van de kinderbijslag, gelijk. In de oude kinderbijslagwet tot 1995 werd deze armoedeval nog gecompenseerd door hogere bedragen per kind. Op grond van deze berekeningen is de conclusie dat een gezin met twee of meer kinderen f 300,- per maand aan extra kosten kwijt is. Bij het eerste kind ligt dit f 75,- per maand lager.

Studiekosten van kinderen

Voorbeeld van een armoedeval zijn de hogere studiekosten. Lesgeld, kosten van boeken en andere studiekosten betekenen een forse uitgave, zo aan het eind van de zomer.
Op grond van de WTS (Wet Tegemoetkoming Studiekosten) krijgen bepaalde inkomensgroepen een tegemoetkoming in deze kosten. Echter vooral huishoudens met een middeninkomen worden geconfronteerd met een enorme armoedeval. Het is overigens de vraag of de vergoede kosten, m.n. voor de inkomens tot 40.000,-, de kosten ook werkelijk dekken. Het Ministerie van OCW heeft inmiddels erkend dat bv. het studiehuis voor ouders duurder uitpakt dan gedacht.

De komende schooljaren 1999-2000 en 2000-2001 zijn overgangsjaren in de WTS.

Dit jaar krijgen de ouders met een hoger belastbaar inkomen dan f 52.023,- per jaar voor hun 16- of 17-jarig kind in het voortgezet onderwijs te maken met f 2743,- extra uitgaven. Gaat hun kind naar het MBO dan zijn de extra uitgaven f 3224,-. Deze extra uitgaven betreffen de studiekosten en het lesgeld. Bij een belastbaar inkomen tot fl. 52.023 krijgen de ouders al deze extra uitgaven vergoed. Een belastbaar inkomen van f 52.023,- per jaar betekent (in geval van een alleenverdiener) een netto inkomen per maand van f 2965,-. Kortom, zodra het gezinsinkomen boven deze grens komt, moeten zij een bedrag ter grootte van hun vakantiegeld besteden aan extra studiekosten voor het schoolgaande kind.

De definitieve regeling is echter ook een toonbeeld van een armoedeval.
Deze zomer heeft het kabinet in een nota 5 voorstellen aangekondigd die de ouderdraagkracht in de WTS en de WSF gelijk te willen trekken. De ouderbijdrage boven de grenswaarde van f 52.023,- voor een studerend kind van 12 - 18 jaar moet geleidelijker aflopen. Dit betekent echter dat van elke gulden die men boven deze grens verdient 25 cent aan ouderbijdrage gevraagd wordt (boven op de 50 cent die men aan belastingen en premies betaalt). Van elke gulden houdt men dan 25 cent over. Wanneer het ouderlijk inkomen in de tweede schijf valt als regel bij eenverdieners is de aanslag op het besteedbaar inkomen nog groter: Men houdt slechts 12 cent van elke gulden over. Weliswaar gaat het nieuwe voorstel uit van een afbouw van de tegemoetkoming, maar deze afbouw is zodanig steil dat de verbetering marginaal is.
Wel wordt een oplossing geboden voor gezinnen met meerdere kinderen in de leeftijd van de WTS. De afbouw van de tegemoetkoming vindt hier geleidelijker plaats.
Deze voorstellen zijn in de ogen van het CDA onvoldoende. Wij doen dan ook een aanvullend voorstel.

Opeenstapeling van verschillende inkomensafhankelijke regelingen en armoedevallen

Daarnaast zijn er meer inkomensafhankelijke subsidieregelingen die gevolgen hebben voor gezinnen met kinderen.
De huursubsidiewet bevat sinds de verlaging en vereenvoudiging van de kinderbijslag een kindertoeslag 6. De Ziekenfondswet geeft aan de ouders die verplicht in het ziekenfonds verzekerd zijn een vrijstelling, een subsidie dus eigenlijk, ter grootte van de kinderpremie van f 600,- per jaar (zonder werkgeversdeel) voor maximaal twee kinderen. Zodra een van beide ouders particulier verzekerd is, vervalt de gratis ziektekostenverzekering voor het kind en moeten de ouders dus gewoon premie betalen voor hun kind(eren).

Dit leidt tot de volgende lastenverdeling voor gezinnen

Tabel Huidige lastenverdeling kinderkosten

Kinderkosten voor 1e kind 1999

Huishoudinkomen

29.456

<47.751

< 52.023

<60.751

73.233

Grenzen

Minimumloon

Huursubsidie-wet

Wet Tege-moetkoming Studiekosten

Ziekenfonds-wet

Werknemers-verzekerin-gen

Normkosten


-7.943


-7.943


-7.943


-7.943


-7.943

Kindertoeslag uit de Huursubsidiewet

+ 384

+384

0

0

0

Vrijstelling kinderpremie Ziekenfondswet

+ 600

+ 600

+ 600

+ 600

0

Wet Tegemoetkoming Studiekosten

+ 2.743

+ 2.743

+ 2.743

+ 1.775

0

Kinderbijslag (40%

+ 1.840

+ 1.840

+ 1.840

+ 1.840

+ 1.840

Nettokosten per jaar


2.376


2.376


2.760


3.728


6.103

Netto maandinkomen (zonder vakantie toeslag)


2.014


2.827


3.028


3.434


4.490

Nettokosten als percentage van het besteedbaar inkomen (eerste kind 12 jr. en ouder)


9.8%


7.0%


7.5%

12,0%

<11.3%

Enkele conclusies zijn uit deze tabel te trekken:

Met name gezinnen aan de onderkant en de middeninkomens voelen door de versnipperde lastendruk de kosten van kinderen het sterkst.

De verschillende kindertoeslagen en -tegemoetkomingen zijn slecht op elkaar afgestemd.

Verder blijkt dat het modale gezin met 2 kinderen ouder dan 15 jaar bij een lichte inkomensverbetering te maken krijgt met armoedevallen. Daardoor blijft er slechts een schijntje van een inkomensverbetering over. Ook het gezin met een middeninkomen en twee studeren kinderen komt terecht op een fors lager bestedingsniveau.

Delen van de kosten: ouders, overheid en samenleving

Is de bovenstaande lastenverdeling aanvaardbaar? Ondersteunt het ouders in hun zelfstandigheid om keuzes te maken voor hun kinderen en voor de taakverdeling in hun gezin? En ondersteunt het ouders in hun verantwoordelijkheid zorg te dragen voor zichzelf en hun kinderen? Het CDA vindt van niet. Ouders krijgen te maken met onverwachte armoedevallen en aan de onderkant van het inkomensgebouw leiden de kosten van kinderen tot een bestaan onder het minimumniveau. Het CDA stelt in het inkomensbeleid de draagkracht van huishoudens centraal, waarbij vooral rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van kinderen, en niet de individuele draagkracht.

Het CDA heeft daarom reeds vorig jaar voorstellen gedaan om deze armoedevallen af te vlakken en de inkomenspositie van gezinnen met kinderen te verbeteren 7. In het komend jaar wil het CDA op grond daarvan de volgende voorstellen doen.

1. Verhoging van de kinderbijslag
De kinderbijslag dekt slechts voor een klein deel de kosten van kinderen. Door verhoging van de kinderbijslag met f 500,- per kind wordt bereikt dat het inkomensdal waarmee gezinnen te maken krijgen minder diep wordt. Dit zal in twee stappen ingevoerd moeten worden. Voor het komend jaar betekent dat een verhoging van f 250,-. Hiermee wordt zowel de positie van de gezinnen die het het moeilijkst hebben (nl. aan de onderkant van het inkomensgebouw en de middeninkomens) versterkt.
De kosten hiervan bedragen voor 2000: 400 mln. extra, bovenop de verhoging die het kabinet als voornemens is.
2. WTS

A De bestaande regeling moet zo snel mogelijk vervangen worden door de nieuwe voorstellen: per komend schooljaar 2000 / 2001 dus B Daarbij wordt niet het afbouwpercentage van 25 (zoals het kabinet wil), maar van 10% gehanteerd. De enorme armoedevallen worden dan afgevlakt en gezinnen houden weer iets over van een inkomensverbetering. C De vergoeding van kosten van boeken en lesgeld in het voortgezet onderwijs wordt verhoogd met f 200,- per leerling. De kosten bedragen voor 2000: 125 mln.

OUDERSCHAP EN WERK

Economische zelfstandigheid: de ideologie van de jaren 80 en 90

Het emancipatiebeleid staat sinds enkele decennia in het teken van economische zelfstandigheid van vrouwen. Het CDA ondersteunt het beleid dat erop gericht is dat vrouwen op dezelfde wijze toegang hebben tot betaalde arbeid en sociale zekerheid als mannen. Er mag niet uit het oog verloren worden dat veel mensen, mannen en vrouwen, ervoor kiezen om hun leven te delen en daarmee ook gezamenlijk de taken m.b.t. betaalde arbeid en zorg (voor kinderen) te verdelen. Deze keuze moet in vrijheid gemaakt kunnen worden.

De schaduwzijde van het streven naar economische zelfstandigheid voor iedereen is juist een grotere achterstand voor ouders die ervoor kiezen niet beiden tijdens de opvoedingsperiode economisch zelfstandig te zijn. Zo is de toegang tot de sociale zekerheid voor mensen die geen of een klein arbeidsverleden hebben door het eerste kabinet Kok fors beperkt. Ook in de fiscaliteit wordt het moeilijker gemaakt de keuze te maken een bepaalde tijd gedurende de levensloop geen betaald werk te verrichten. Zo wordt het voor ouders steeds moeilijker om in vrijheid te kiezen op welke wijze zij hun kinderen willen opvoeden.

Het moderne gezin: Zorg echt delen

Jongeren geven aan dat zij als een van de knelpunten binnen het gezin waarin zij leven het gebrek aan tijd van hun ouders zien. Veel mannen zouden meer tijd willen vrijmaken om zorg en aandacht aan de kinderen te besteden. Een van de grootste problemen waarmee jonge gezinnen kampen is de verdeling en combinatie van betaalde arbeid en zorg. Allereerst is het aan de ouders zelf de keuzes te maken die zij vanuit hun verantwoordelijkheid voor hun kinderen het beste vinden. De overheid dient ervoor te zorgen dat ouders deze keuze in vrijheid kunnen maken. Het CDA kiest er daarom voor in het inkomensbeleid te kijken naar de draagkracht van het huishouden en het vermijden van het inkomensdal. Ook een vraaggestuurde kinderopvang, waarbij ouders het weer voor het zeggen krijgen is een duidelijke keuze. Er is echter meer nodig. Meer mogelijkheden voor deeltijdarbeid, zorgverlof en uitbreiding van het ouderschapsverlof zijn voorwaarden voor een betere combinatie van zorg en arbeid en voor een grotere keuzevrijheid van ouders.
Dit sluit aan overigens aan bij de wensen die leven onder de bevolking, van zowel mannen als vrouwen. Het meest recente onderzoek op dit terrein (OSA, zie NRC) laat zien dat sommigen korter, anderen langer willen werken. Eerder onderzoek liet zien dat de ideaalverhouding die veel mannen en vrouwen op dit moment zelf hebben 4 dagen voor de man en 3 voor de vrouw is, maar ook hier geldt voortdurend dat in een maatschappij die de diversiteit en pluriformiteit van leefverbanden erkent, de interne taakverdeling over gelaten moet worden aan de burgers zelf. Zodat zij de ontwikkeling naar een gelijker taakverdeling - door verreweg de meeste burgers al gewenst - in hun eigen tempo en vooral op hun eigen voorwaarden kunnen doormaken.

De arbeidsparticipatie van moeders in eenoudergezinnen verschilt zeer weinig van de arbeidsparticipatie van moeders in een twee-oudergezin (42% om 47%). Moeders in eenoudergezinnen werken echter veel meer uren. De sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders in de bijstand is dus feitelijk overbodig en werkt onnodig discriminerende (en stigmatiserend). Bovendien maken vrijwel alle gemeenten gebruik maken van de mogelijkheid om toch vrijstelling te verlenen. Bovendien wordt de keuzevrijheid, ook voor deze ouders, om zelf meer zorg en tijd aan de opvoeding van hun kinderen te besteden er door beperkt. Het CDA wil in ieder geval dat er geen sollicitatieplicht is voor alleenstaande ouders in de Bijstand met kinderen tot 12 jaar.

Kinderopvang: huidige situatie

Ouders vinden het belangrijk dat de situatie in de kinderopvang aansluit bij de thuisomgeving. Waarden en normen die zij thuis willen overdragen, moeten ook in de kinderopvanginstelling gelden. Op dit moment zijn er weinig instellingen met een pedagogische opdracht of levensbeschouwelijke grondslag.
De wachtlijsten voor de kinderopvang zijn erg lang. Ouders hebben ook daardoor weinig te kiezen. Oorzaken daarvan zijn o.a. de aanbodfinanciering (de instellingen zelf worden gesubsidieerd) en de (centrale) planning van instellingen.

Naast kinderopvang is er behoefte aan goede voor-, na- en tussenschoolse opvang. In het hoofdstuk over onderwijs zal hierop nader teruggekomen worden.

Via het Gemeentefonds wordt geld ter beschikking gesteld aan gemeenten die daaruit instellingen subsidiëren. Ook verzorgen gemeenten de planning van deze voorzieningen. Gemeenten houden ook, uitgaande van certificeringseisen, kwaliteitstoezicht op alle kinderopvanginstellingen

Daarnaast dragen werkgevers in sommige gevallen bij aan de kosten van kinderopvang. Ook bestaan er particuliere (niet winstbeogend: verenigingen en stichtingen) en commerciële kinderdagverblijven. Uiteindelijk zijn er dus drie vormen van kinderopvang (particulier, commercieel en gemeentelijk)
Voor ouders met middeninkomens is de kinderopvang erg duur geworden door de snel oplopende eigen bijdrage. Voor de gesubsidieerde kinderopvang gelden VNG-advies-tabellen ouderbijdragen voor hele en halve dagen. De ouderbijdragen worden op basis van het gezamenlijk netto inkomen geheven. De minimumbijdrage voor het eerste kind per hele dagopvang loopt op van f 228,- per jaar tot f 2.604,- per jaar.

De lastendruk tussen het minimum- en maximuminkomen is progressief, waardoor de lasten per kind per dag volle dagopvang oploopt van 0,9 tot 2,7% van het inkomen en bij 5 dagen volle dagopvang van 4,5 tot 13,5%. Bij elk volgende kind stijgt de lastendruk nog sterker.

Alternatief: ouders kiezen

Het CDA wil ook in de kinderopvang de keuzevrijheid van ouders voorop stellen in het belang van het kind. Daarom moet de kinderopvang vraaggestuurd gaan werken. Ook moet aan de zeer steil oplopende lastendruk een einde gemaakt worden. Dit komt de keuzevrijheid van ouders om al dan niet te kiezen voor een betaalde baan ten goede 8. Daarom zal het CDA voorstellen ontwikkelen om te komen tot een wettelijk recht op kinderopvangsubsidie. De publieke middelen die nu veelal via de gemeenten aan de instellingen verstrekt worden, worden dan de ouders gegeven.
De eigen bijdrage van ouders wordt dan gemaximeerd aan een bepaald percentage van het inkomen, zodat armoedevallen vermeden worden. Voor werkende ouders wordt gerekend met een evenhoge bijdrage van de werkgevers. Werkgevers kunnen gebruik blijven maken van de huidige fiscale regelingen. Voor mensen die een uitkering hebben en bv. scholing volgen, zou de uitkeringsinstelling de werkgeversbijdrage moeten verzorgen. Uitgangspunt is verder een financiering voor opvang van een kind voor drie dagen per week. Zo wordt tegemoet gekomen aan de wens om arbeid en zorg te verdelen. Zo vervalt ook de progressiviteit in de lastendruk, waardoor kinderopvang voor alle inkomens betaalbaar is.
Voor alleenstaande ouders zou uitgegaan moeten worden van vier dagen opvang per week.

Voordelen van de kinderopvangsubsidie

Met name voor de middeninkomens betekent het een grote verbetering. Bovendien wordt de keuzevrijheid van ouders vergroot. Zij kunnen ook voor andere (erkende) opvangmogelijkheden kiezen. Er zal meer en pluriformer aanbod ontstaan. De subsidiëring en planning van het aanbod wordt vervangen door vraaggestuurde financiering. De inzet van middelen wordt in dit voorstel verplaatst naar de ouders. Het betreft een verschuiving van aanbodsturing naar vraagsturing, waardoor het per saldo niet hoeft te leiden tot extra kosten, meer dan het kabinet nu voorstelt.
De fiscale aftrek voor de werkgever blijft gehandhaafd.

Deeltijdarbeid en zorgverlof

Deeltijdarbeid en zorgverlof liggen op het terrein van de arbeidsvoorwaarden. Organisaties van werkgevers en werknemers bepalen hier de spelregels. Er is op dit terrein al veel gebeurd. Sociale partners hebben wel degelijk hun verantwoordelijkheid op dit terrein genomen. Dit proces is echter verstoord door politieke onduidelijkheid over het opleggen van eenzijdige rechten aan de werknemer. Hierdoor werd de noodzaak om tot regelingen op maat in het arbeidsvoorwaardenoverleg te komen minder gevoeld. De overheid kan deze regelingen niet opleggen; zij kan slechts een wettelijke norm vastleggen, die vrijwel altijd minder op maat gesneden en passend is dan een regeling gesloten door partijen zelf. Nog afgezien van een gedeelde financiering die bij zelf gekozen regelingen vrijwillig tot stand kan komen.
Er is wel degelijk een noodzaak om te komen tot deze regelingen op maat. Juist vanuit de wens van veel gezinnen om meer tijd en aandacht, tijdelijk of gedurende langere tijd, te kunnen besteden aan de opvoeding van kinderen is het van belang te komen tot regelingen die hierin voorzien. Het CDA vindt dat eerst en vooral deze regelingen in bedrijven en bedrijfstakken zelf tot stand moeten komen. Het CDA staat een wettelijke regeling voor die de verantwoordelijkheid van sociale partners respecteert en stimuleert, een regeling die uitvoerbaar is ook voor kleine bedrijven en die toegankelijk is voor iedereen.

De tijd is rijp

De politieke onduidelijkheid van de afgelopen tijd over deeltijd werd veroorzaakt door onenigheid binnen het kabinet en tussen de coalitiepartijen en door een ingediend wetsvoorstel dat door iedereen anders wordt geïnterpreteerd. Dat miskent de door velen geuite wens om nu eindelijk te komen tot goede regelgeving op het terrein van arbeid en zorg. De tijd is er rijp voor.
In het regeerakkoord staan vele voornemens. Ook de verkenning daarvan in de nota Arbeid en Zorg bevat vele goede elementen. De Tweede Kamer heeft daarover reeds gesproken en tevens een flink aantal moties aangenomen. Het kabinet is nu aan zet om er werk van te maken en concrete voorstellen aan de Kamer voor te leggen.

Het CDA wil aanvullend op de kabinetsvoornemens voorstellen:


1. Uitbreiding en flexibilisering ouderschapsverlof
2. Geen sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met een uitkering, in elk geval niet als zij kinderen onder de twaalf hebben.

MEDEOPVOEDERS

Verantwoordelijk voor kinderen: ouders, overheid en samenleving

Naast de ouders in het gezin zijn er vele anderen die invloed hebben op het opgroeien van kinderen en er ook deels verantwoordelijk voor zijn. Kinderen gaan naar kinderopvang, school, spelen in de buurt, zijn lid van een sportvereniging, gaan naar de kerk. De omgeving waarin kinderen opgroeien en opgevoed worden, houdt niet op bij het gezin.
Ook de overheid heeft een rol hierin. Het gaat dan om het scheppen van de voorwaarden, zodat ouders samen met anderen in de samenleving ten volle hun verantwoordelijkheid voor opvoeding en opgroeien van hun kinderen kunnen nemen

Het CDA doet hieronder voorstellen die de voorwaarden voor het veilig en evenwichtig opgroeien van kinderen ook buiten het gezin te verbeteren

Veiligheid en de ontwikkeling van kinderen

Het CDA is bezig met een brede discussie over de notitie "Samen Nederland veiliger maken". In deze nota enkele punten hieruit, vooruitlopend de uitkomst van de discussie.
Veiligheidsontwikkeling begint bij kinderen. Overdracht van waarden en normen, het aanleren van gedragsregels start op jonge leeftijd. Allereerst in het gezin. Ouders leven gedragsregels voor, kinderen leren van het voorbeeld van hun ouders. Daar moet wel tijd voor zijn. Kinderen en jongeren zelf vinden het belangrijk dat hun ouders tijd voor hen hebben. Een goed en modern gezinsbeleid is een van de eerste voorwaarden voor een veiliger samenleving. Het gaat dan om een gezinsbeleid dat het combineren van arbeid en zorg goed mogelijk maakt en ouders de gelegenheid geeft zelf te kiezen hoe zij de zorg voor hun kinderen willen vormgeven.

Uit de rubrieken in kranten en programmas op tv blijkt dat ouders meer en meer op zoek zijn naar adviezen voor de opvoeding. Het CDA wil opvoedingsondersteuning in de vorm van cursussen stimuleren.

Ouders staan er echter niet alleen voor. School en kinderopvang moeten in het verlengde staan van de thuissituatie. Waarden en normen en leefregels die kinderen van huis uit meekrijgen zouden daar ook moeten gelden. Daarom is het belangrijk dat ouders meer te zeggen en te kiezen hebben m.b.t. de school. Het CDA heeft hiertoe al eerder voorstellen 9 gedaan.

Ook de sociale en woon- en leefomgeving van kinderen is een factor in de ontwikkeling van kinderen. Een buurt die verloederd is, waarin niemand op elkaar let of waarin sprake is van economische achterstand roept verkeerd gedrag op. De overheid en de politie hebben daar vanzelfsprekend een taak. Het CDA wil vooral de rol van de wijkagent versterken. Van de extra politieagenten moet een groot deel ingezet worden in de wijken. Zij kennen de buurt en de bewoners en kunnen dan eerder preventief optreden. Zo ontstaat er draagvlak en betrokkenheid in een buurt. Voor kinderen is het goed als er in de buurt op hen gelet wordt; zo wordt verkeerd gedrag voorkomen. Maar van groter belang is het dat gestimuleerd wordt dat bewoners in een buurt zelf initiatieven nemen om hun buurt leefbaarder en veiliger te maken. Om dat verder te ondersteunen heeft het CDA al eerder het instellen van een jeugdcoördinator voorgesteld. De jeugdcoörinator kan het aanspreekpunt vormen voor jongeren en ouders als het gaat om school, maatschappelijk werk, gemeente en politie.

Nog te vaak worden kinderen nu in hun woon- en speelomgeving geconfronteerd met onveiligheid en geweld. Via de televisie komt er veel geweld de huiskamer binnen. Ook zijn er veel computergames op de markt die soms zeer gewelddadige spelletjes bevatten. Voor de ontwikkeling van kinderen kan dit schadelijk zijn. Ouders zouden meer zeggenschap moeten hebben over welke programmas hun huis binnen komen. De discussie over wat er vóór de decoder te zien moet zijn, zou omgedraaid moeten worden: wat moet er achter de decoder? Gestimuleerd moet worden dat in de keuze voor een zenderpakket er meer flexibiliteit komt, zodat ouders bepaalde zenders kunnen weren van hun tv.

In de omgeving levert met name het verkeer nog veel onveiligheid op. Rondom plaatsen waar veel kinderen komen, kan zeker nog het een en ander verbeteren, hoewel er reeds veel is gedaan. Kinderen kan daarom niet vroeg genoeg geleerd worden hoe ze zich in het verkeer moeten gedragen en wat de gevaren zijn. Het gedrag van kinderen blijft echter onvoorspelbaar. Daarom dienen er ook verkeersmaatregelen genomen te worden die hen beschermen.

Concreet stelt het CDA voor:

1. Scholen worden gestimuleerd leerlingen reeds vroeg verkeersopvoeding te geven. In samenwerking met de wijkagent kan ook op andere terreinen aan veiligheidsopvoeding gewerkt worden.
2. De overheid stimuleert dat het aanbod van zenderpakketten op de kabel flexibeler wordt, zodat ouders meer keuzevrijheid hebben om bepaalde zenders te weren van hun tv.

3. De 30 km-campagne wordt geïntensiveerd. Schoolroutes en wegen rondom speelplaatsen worden in elk geval 30 km zones.
4. Na herstel van het specialisme zedenpolitie ook de Jeugdpolitie herinvoeren.

Sport en spel

Kinderen spelen thuis, maar ook in de buurt op straat. Voor de ontwikkeling van kinderen is het van belang dat zij samen met andere kinderen kunnen spelen. Het blijkt dat kinderen die niet buiten (kunnen) spelen een achterstand oplopen in hun motorische en sociale ontwikkeling. Kinderen die vaker buiten spelen hebben ook veelal een betere conditie en hebben meer ervaring met intermenselijke contacten. Een veilige speelomgeving is daarom voor kinderen essentieel, maar niet vanzelfsprekend. Het aantal vierkante meters speelruimte per kind neemt steeds verder af. In sommige steden speelt een groot deel van de kinderen vrijwel nooit buiten. Projectontwikkelaars en architecten hebben niet altijd genoeg oog voor de wensen van kinderen.

Een belemmering voor een goede speelomgeving is bijvoorbeeld druk verkeer. Ook te weinig speelruimte levert problemen voor de kinderen op. Of een verkeerde keuze voor vormgeving van de speelruimte leidt tot verminderde belangstelling van kinderen om buiten te spelen. Dure speeltoestellen zijn naar de mening van kinderen lang niet altijd nodig. "Speelaanleidingen" in "vrije veldjes", waar de creativiteit van kinderen gestimuleerd en kinderen uitgenodigd worden te spelen zijn eveneens nodig.

Er zijn in verschillende gemeenten goede voorbeelden te noemen, waar wel rekening gehouden wordt met de wensen van kinderen en hun ouders en de noodzaak van voldoende goede speelruimte op straat. Maar als een gemeente er niet voldoende aandacht voor heeft, is er niets aan te doen.

In Nederland is wettelijk geregeld hoeveel parkeerplaatsen er per woning moeten zijn. Voor speelruimte is echter niets geregeld. Het aanleggen van een speelplaats kost de gemeente alleen maar geld, het levert geen geld op, zoals winkelcentra. Op veel VINEX-locaties wordt beknibbeld op speelruimte.

Daarom wil het CDA komen tot normen voor:

Minimale omvang speelruimte per wijk, afhankelijk van het aantal bewoners en de samenstelling bevolking

De voorwaarden waar verschillende soorten speelruimte aan moeten voldoen, zoals - De afwezigheid van drukke wegen
- De spreiding over de wijk van met name speelplaatsen voor kleine kinderen (deze mogen niet te ver van hun huis afliggen).

De inspraak van kinderen en jongeren om zo de aansluiting tussen speelaanbod en de belevingswereld van kinderen te verbeteren.

Een bepaald percentage van het budget voor een wijk wordt gereserveerd en rechtstreeks ter beschikking gesteld aan een aantal bewonersgroepen ter besteding in de wijk.

In de nieuwe VINEX-contracten moeten deze normen vastgelegd worden. Ook bij de toetsing van ontwikkelingsplannen voor herstructurering van wijken in het kader van het ISV kan het Rijk deze normen betrekken. De VNG zou een ondersteunende rol kunnen spelen. Als uiterste noodzaak staat het CDA een Wet op de speelruimte voor.

We gaan ervan uit dat partijen zelf tot normstelling op dit terrein kunnen komen. Ouderverenigingen, scholen, gemeenten, projectontwikkelaars, kinder- en jongerenraden kunnen in overleg hiervoor zelf oplossingen op maat bedenken.

School aan de ouders

In het leven van kinderen neemt de school een belangrijke plek in. De vorming en opvoeding van kinderen vindt vanaf het vierde jaar voor een groot deel op school plaats. Het karakter van de school moet dan ook goed aansluiten op de opvoeding thuis. Voor kinderen en ouders is het het beste dat de waarden en normen die thuis worden overgedragen ook op school gelden. Daarom hecht het CDA aan de keuzevrijheid van ouders voor een school die aansluit bij hun wensen. Door recente publicaties in Trouw wordt de onderlinge vergelijkbaarheid van scholen op bepaalde punten verbeterd. Ouders kiezen echter niet alleen op grond van deze statistische cijfers voor een school.
Als ouders gekozen hebben voor een bepaalde school voor hun kind, willen zij in veel gevallen ook invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de school.

Door een te enge regulering van het begrip richting en hoge stichtingsnormen is het erg moeilijk geworden nieuwe scholen op grond van bv. sociaal pedagogische wensen op te richten. Het CDA wil de vrijheid en verantwoordelijkheid van ouders respecteren door hen in staat te stellen onderwijs te organiseren dat voorziet in de maatschappelijke behoefte en dat voldoet aan de eisen van kwaliteit en toegankelijkheid.

De werkelijk autonome school kan dan een echt verantwoordelijke en ondernemende school zijn waarin alle partners het onderwijs nieuwe impulsen en de school een eigen identiteit, een eigen profiel kunnen geven. Werken aan identiteit is werken aan kwaliteit. Een verantwoordelijke, ondernemende school is een open school die niet alleen een kenniscentrum vormt, maar een middelpunt van de buurt, de gemeenschap, van waarden- en normenoverdracht. De ondernemende school is niet alleen naar binnen gericht, maar kent een sterke interactie/uitwisseling met de omgeving. Hierin past het concept van de brede school. Misschien zegt "vensterschool" het nog beter: Je kunt er door naar binnen en naar buiten kijken.

Verwachtingen van het onderwijs

De school krijgt veel extra verantwoordelijkheden op het bordje: kinderen voorlichten over drugs, veiligheid, het bijbrengen van waarden en normen. Het onderwijs is van aanbodgestuurd voor een belangrijk deel al vraaggestuurd gaan werken. Soms tegen wil en dank: er zijn vragen die niet op het terrein van de leerkracht en de school liggen, zoals de enorme sociaal-emotionele problematiek van kinderen: de school moet niet de opvoeding hoeven overnemen.

Voor ouders die met deze vragen naar de school komen en voor kinderen die met deze problemen in de klas zitten in de school niet voldoende toegerust. Er zijn in veel plaatsen al initiatieven op gang gekomen die inhouden dat er meer samenwerking tot stand komt tussen school en jeugdhulpverlening. Het probleem is echter dat de financiering uit te veel potjes komt. Ook vindt er vaak op een te laat moment verwijzing naar professionele hulpverlening plaats, omdat de docent niet voldoende toegerust is om de problemen te signaleren. Er is dan ook meer nodig dan wat bijscholing van docenter. Specifieke kennis en deskundigheid over sociaal-emotionele stoornissen en pedagogische en psychologische kennis zijn vereist.
Dit was te vinden in het vroegere schoolmaatschappelijk werk. Een professional de school, ouders en kinderen helpt bij hun vragen en problemen. De docenten kunnen hun tijd en energie besteden aan hun eigenlijke taak en problemen worden in een vroegtijdig stadium onderkent. Dit raakt echter verschillende beleidsterreinen: welzijnsbeleid, maar ook volksgezondheid en onderwijs.

Kinderen scholen we voor meer dan alleen maar de productiefactor arbeid. Het is niet alleen van belang dat het kind een "papiertje" haalt zodat het later in het eigen onderhoud kan voorzien en bijdraagt aan het BNP. Het gaat er vooral ook om dat het kind een sociaal-emotionele ontwikkeling kan doormaken die het voorbereidt op een plaats in onze samenleving. Het getuigt van respect voor het kind om het te zien in al zijn mogelijkheden en kansen, als compleet mens en de scholing daar op te richten.
De wereld om ons heen wordt steeds ingewikkelder. Aandacht voor gesprekken, discussie, groepsprocessen, filosofie en godsdienstleer en sociale vaardigheden is daarom van groot belang. Vooral de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen staat onder druk doordat scholen steeds meer 'afgerekend' worden op kennis en leerprestaties, via Citotoetsen en de Kwaliteitskaart. De samenleving wordt steeds ingewikkelder en eist steeds meer van kinderen terwijl het onderwijs zich lijkt te verengen tot kennisfabriek.

Kinderen verdienen betrokkenheid bij de samenleving zodat zij hun verantwoordelijkheden kunnen gaan dragen. En de volwassen samenleving verdient het om betrokken te zijn bij kinderen: ze kunnen je heel veel leren.

Tussenschoolse opvang

Van overheidswege zijn scholen op dit moment verplicht zorg te dragen voor tussenschoolse opvang. Veelal wordt dat ingevuld door ouders in te zetten als overblijfkracht, tegen een kleine onkostenvergoeding welke wordt opgebracht door de ouders. Deze zijn daar echter niet voor opgeleid, hetgeen meer en meer een zichtbaar probleem wordt. Kinderen hebben daar onder te lijden.
Een oplossing zou kunnen zijn de vrijwillige bijdrage voor overblijven op te hogen, zodat daaruit scholing voor de overblijfouders kan worden gefinancierd. De mogelijkheid die het CDA voorstaat is om de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor tussenschoolse opvang op te heffen, en deze vorm van opvang gelijk te stellen met voor- en naschoolse opvang: kinderopvang dus. Gekoppeld aan het CDA-voorstel voor kinderopvangsubsidie en gegeven de bestaande fiscale aftrekmogelijkheden kunnen ouders dan zelf kiezen voor de wijze van overblijven. Ook scholen kunnen dan zelf opvang regelen die wel aan kwaliteitseisen voldoet, als ouders daarvoor kiezen.

Vakantiespreiding

Op dit moment zijn alle schoolvakanties in Nederland gespreid. Het land is ingedeeld in drie regios en per afzonderlijke regio worden de vakanties vastgesteld door het Ministerie van OCW. De zomervakantie en kerstvakantie in de regios overlappen elkaar. Voor korte vakanties van een week (bv. de herfstvakentie en vakanties in het voorjaar) geldt dit niet. Families die verspreid over het land wonen, worden geconfronteerd met heel andere vakantiedata van de neefjes en nichtjes. Terwijl dit toch juist de periodes zijn waarin de familiebanden door logeerpartijen over en weer worden aangehaald. Dat is nu slechts mogelijk in de langere vakanties en dan alleen nog in de overlapperiode. Voor gezinnen die vlak bij de regiogrens levert de huidige vakantiespreiding ook problemen op. Als hun kinderen in verschillende plaatsen naar school gaan, lopen ze de kans dat de korte vakanties in het geheel niet samenvallen.

Concreet

Het is in het belang van het kind om duidelijke afspraken te maken tussen school en ouders. De school laat zien waar ze voor staat en wat ze te bieden heeft en wat er van de ouders verwacht wordt (identiteit / kwaliteit) en de ouder (+ leerling) gaat bewust het committment aan. Dit kan resulteren in een schoolcontract.

De kosten van tussenschoolse opvang evenals die van naschoolse opvang worden op dezelfde wijze behandeld als de kosten van kinderopvang. Op deze wijze kan de kwaliteit van deze vormen van opvang verbeteren en kunnen ze ook beter aansluiten bij de door de ouders gewenst wijze van overblijven.

Het schoolmaatschappelijk werk wordt weer ingevoerd. Zo kan de school zich aan de eigenlijke taken wijden en kunnen problemen van sociaal-emotionele aard bij kinderen tijdig en effectief worden aangepakt.

De vakantiespreiding voor de korte vakanties wordt afgeschaft. De korte vakanties als herfstvakantie en vakanties in het voorjaar dienen weer gelijk te vallen in het hele land.

KINDER- EN JEUGDBEGELEIDING

Over kinder- en jeugdbegeleiding is een discussie gaande tussen hulpverleners en wetenschappers, tussen degenen die aan de basis het werk doen en degenen die het van bovenaf analyseren. De laatste groep produceert geruststellende cijfers: het gaat goed met de grote meerderheid van de kinderen. De eerste groep, de mensen in de praktijk, hebben het gevoel dat ze dweilen met de kraan open. Feit is dat veel mensen - ook ouders - minstens het gevoel hebben dat veel dingen moeilijker zijn geworden. Feit is ook dat de vraag naar hulpverlening dusdanig toeneemt dat er lange wachtlijsten ontstaan. Bijzonder verontrustend is naar de mening van de CDA-fractie dat er in toenemende mate een grijs gebied is voor wat betreft de ondersteuning aan ouders die met problemen te maken krijgen. Bestaande voorzieningen als het consultatiebureau worden voortdurend getroffen door bezuinigingen en er is geen sprake van een goed georganiseerd en systematisch aanbod voor ouders van wat oudere kinderen.

Consultatiebureaus

Een goede start is voor een kind essentieel. Consultatiebureaus hebben in het kader van de ouder- en kindzorg, voor kinderen tussen 0 4 jaar, een belangrijke functie. De bereikbaarheid en toegankelijkheid van consultatiebureaus en de kwaliteit van deze zorg moet verzekerd zijn. In een recent onderzoek door de Inspectie voor de Volksgezondheid wordt een zorgelijke situatie geschetst. Er zou sprake zijn van een algemeen beeld van achteruitgang op vele fronten. De preventieve zorg voor zuigelingen en peuters is onder de maat. Zo is er een gebrek aan goede registratie. Als gevolg daarvan raken kinderen uit het zicht van de hulpverlening. Vooral de kwetsbare groepen worden daarvan de dupe. Er ontbreekt een beleidsmatige afstemming tussen de ouder- en kindzorg (onder verantwoordelijkheid van de thuiszorginstellingen) en de jeugdgezondheidszorg voor kinderen van 5 19 jaar (onder verantwoordelijkheid van de gemeenten bij de GGDs). Verder zijn er door bezuinigingen en fusies bij thuiszorginstellingen, waar de consultatiebureaus onderdeel van uitmaken, vele consultatiebureaus gesloten. Sinds 1996 is bijna 20% van de in totaal naar schatting 1900 locaties gesloten en het proces van sluitingen gaat ook in dit jaar door. Uiteindelijk betekent dat dat er in 2000 in vergelijking met 1996 naar schatting één op de drie locaties is gesloten. Kortom, de ouder- en kindzorg verschraalt in rap tempo.

Het CDA vindt dat ontwikkelingsstoornissen bij kinderen zo vroeg mogelijk moeten worden opgespoord; voorkomen is beter dan genezen. Dit kan een hoop problemen in de verdere ontwikkeling van het kind voorkomen. De ouder- en kindzorg moet dan ook zo snel mogelijk op een kwalitatief voldoende niveau worden gebracht. Het kan niet zo zijn dat kinderen in hun meest kwetsbare periode van hulpverlening blijven verstoken c.q. daarop onvoldoende deskundig wordt ingespeeld. De samenleving zal daar vroeg of laat de rekening voor gepresenteerd krijgen. Ook dient een halt te worden toegeroepen aan de voortgaande sluiting van consultatiebureaus. Juist deze zorg moet dichtbij de mensen, lokaal, plaatsvinden. Forse reisafstanden, met name op het platteland, met een bezuinigend openbaar vervoer, zetten zorg enerzijds en ouder en kind anderzijds op afstand van elkaar en belemmeren een goede bereikbaarheid. Met het consultatiebureau in de eigen gemeente, als het ware "om de hoek", is de bereikbaarheid maximaal verzekerd en kan makkelijker worden voorkomen dat kinderen uit het zicht van de hulpverleners raken. Een betere samenhang en afstemming tussen de ouder- en kindzorg en de jeugdgezondheidszorg kan voorkomen dat in een later stadium het kind alsnog uit het zicht verdwijnt.

Ook vaders vinden het belangrijk betrokken te zijn bij de ontwikkeling van hun kind in de eerste levensjaren. De openingstijden laten echter veelal niet toe dat vaders met een volledige of grote deeltijdbaan met hun kind naar het consultatiebureau gaan. Daarom zouden de openingstijden verruimd moeten worden, zodat ook in de avonduren en weekeinden de consultatiebureaus bezocht kunnen worden. Eerdere experimenten in Vught waren al een succes.

Concreet stelt het CDA voor:

Een verantwoorde spreiding van consultatiebureaus, ook op het platteland, zodat de bereikbaarheid optimaal is.

De aansluiting tussen ouder- en kindzorg (0 4 jaar) en de jeugdgezondheidszorg (5 19 jaar) moet verbeterd worden. De "overdracht" van het kind naar de jeugdgezondheidszorg dient naadloos te zijn. Vooral het overdragen van gegevens is van belang, zodat de ontwikkelingsgang van het kind goed gevolgd kan worden.

Verruiming van de openingstijden van consultatiebureaus naar de avonden en de weekeinden.


7.2 Opvoedingsondersteuning en ouderbetrokkenheid

Ouders zitten vaak met veel vragen rondom het opvoeden en opgroeien van kinderen. Zij weten veelal niet waar zij terecht kunnen en proberen het via familie en kennissen te weten te komen. Sommige gezinnen kunnen het echter niet op eigen kracht redden. Er ontstaan problemen die de ouders niet zelf kunnen oplossen. Helaas bestaat er geen goede infrastructuur waar ouders terecht kunnen. Er is weliswaar een veelheid aan initiatieven, maar dat veroorzaakt tegelijk een doolhof. Bovendien zijn de voorzieningen vaak hoogdrempelig. Het is zaak dat hierin verbetering komt. Met name de signalering en onderlinge overdracht van kennis tussen hulpverleners moet verbeterd worden.

De CDA-Tweede-Kamerfractie heeft in deze notitie geschetst hoe ze tegen het kind in gezin en samenleving aankijkt. Kinderen moeten kansen hebben; er moeten daarbij keuzes openstaan voor hen en hun ouders. Het belang van het kind, maar ook van de samenleving, vraagt echter ook om een overheid die ervoor waakt dat keuzevrijheid verwordt tot vrijblijvendheid. Helaas blijkt veel crimineel gedrag van jongeren terug te voeren op de opvoeding. Terugkijkend moet dan vaak worden gesignaleerd dat dit te laat is gesignaleerd.
Het kunnen signaleren heeft ook te maken met de schaal van de samenleving: het ontbreken van de wijkagent, de mammoetschool waarop de leerling verwordt tot een nummer. Het CDA stelt zich ten doel de samenleving met de menselijke maat te herstellen.

In het signaleren kan ook de jeugdcoördinator een belangrijke rol spelen. Geconstateerd vandalisme en/of spijbelgedrag moeten dan leiden tot actie. Die actie kan bestaan uit het aanbieden van opvoedingsondersteuning. Een tweede fase kan bestaan uit het maken van opvoedingsafspraken, zoals het zorgdragen voor het naar school gaan of het beter handhaven van de tijd waarop het kind s avonds binnen moet zijn.
Bij het ingebreke blijven moet kunnen worden besloten tot het verplicht volgen van een opvoedingscursus. In het uiterste geval kan conform de Leerplichtwet een boete worden opgelegd. Dit alles met de bedoeling de verantwoordelijkheid van ouders meer in beeld te brengen en het "van kwaad tot erger" te voorkomen.

SAMENVATTING

In deze notitie wordt op een aantal manieren de positie van kinderen en ouders verbeterd. Juist omdat kinderen de toekomst hebben is dat van groot belang.

Samenvattend doet het CDA in deze nota de volgende voorstellen:

Inkomen

Verhoging van de kinderbijslag

Verhoging van de kinderbijslag met f 250,- per kind.
2. WTS

Per komend schooljaar 2000 / 2001:

a. Wordt in de tegemoetkoming studiekosten een afbouwpercentage van 10% gehanteerd.

b. Wordt de vergoeding van de kosten voor boeken en lesmateriaal met f 250,- verhoogd.

Kinderopvang

Het CDA stelt een wettelijk recht op kinderopvangsubsidie voor. Ouders besteden maximaal een bepaald percentage van hun inkomen aan kinderopvang, als zij voor hun kinderen drie dagen kinderopvang nodig hebben. De publieke middelen die nu veelal via de gemeenten aan de instellingen verstrekt worden, worden in het CDA-voorstel aan de ouders gegeven.

Arbeid en zorg

1. Uitbreiding en flexibilisering ouderschapsverlof
2. Geen sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders in de Bijstand met kinderen onder de twaalf jaar.

Speelplaatsen

Er moeten normen komen voor speelplaatsen m.b.t :
1. Minimale omvang

2. De voorwaarden waar verschillende soorten speelruimte aan moeten voldoen, zoals de afwezigheid van drukke wegen.
3. De spreiding over de wijk.

4. De inspraak van kinderen en.

Bovendien wordt een bepaald percentage van het budget voor een wijk gereserveerd en rechtstreeks ter beschikking gesteld aan een aantal bewonersgroepen ter besteding in de wijk.

Veiligheid

1. Scholen worden gestimuleerd leerlingen reeds vroeg verkeersopvoeding te geven. In samenwerking met de wijkagent kan ook op andere terreinen aan veiligheidsopvoeding gewerkt worden.
2. De overheid stimuleert dat het aanbod van zenderpakketten op de kabel flexibeler wordt, zodat ouders meer keuzevrijheid hebben om bepaalde zenders te weren van hun tv.

3. De 30 km-campagne wordt geïntensiveerd. Schoolroutes en wegen rondom speelplaatsen worden in elk geval 30 km zones.


4. Na herstel van het specialisme zedenpolitie, wordt ook Jeugdpolitie weer ingevoerd.

Onderwijs

1. Het is in het belang van het kind om duidelijke afspraken te maken tussen school en ouders. Dit kan resulteren in een schoolcontract.
2. De kosten van tussenschoolse opvang worden op dezelfde wijze behandeld als de kosten van kinderopvang.

3. Het schoolmaatschappelijk werk moet weer worden ingevoerd.
4. De vakantiespreiding voor de korte vakanties wordt afgeschaft.

Zorg

1. Een verantwoorde spreiding van consultatiebureaus, ook op het platteland, zodat de bereikbaarheid optimaal is.
2. De aansluiting tussen ouder- en kindzorg (0 4 jaar) en de jeugdgezondheidszorg (5 19 jaar) moet verbeterd worden. Verruiming van de openingstijden van consultatiebureaus naar de avonden en de weekeinden.

Opvoedingsondersteuning

1. Opvoedingscursussen moeten eventueel verplicht kunnen worden aangeboden.

2. Opvoedingsafspraken inzake schoolgang en tijd van thuiskomen worden met ouders gemaakt waarvan de kinderen in aanraking (dreigen te) komen met justitie.

3. Het niet nakomen van de opvoedingsafspraken kan als consequentie een verplichte opvoedingscursus en in het uiterste geval een boete hebben.

Financieel kader

Het CDA zet de middelen van de voorgestelde verhoging van het arbeidskostenforfait op een andere wijze in. Het wegwerken van onverwachte en onfatsoelijke armoedevallen heeft naar de mening van het CDA op dit moment meer zin. Ook de positie van gezinnen met kinderen, met name gezinnen met een laag of een middeninkomen vraagt om extra ondersteuning.
Daarom wordt een deel van deze 800 mln. op de volgende wijze ingezet: Verhoging Kinderbijslag: 400 mln.
Wegwerken armoedeval WTS en verhoging tegemoetkoming boeken en ander lesmateriaal: 125 mln.
De voorstellen m.b.t. Kinderopvang betreffen een verschuiving van de inzet van de middelen van instellingen naar de ouders. Dit zal geen extra kosten met zich meebrengen.

Noten:

1 SCP-Cahier 143: Het Gezinsrapport, 1998
2 Jeugdig gezinsbeleid, visies van jingeren op het gezin, de opvoeding en het gezinsbeleid, en wat de overheid daarmee zou kunnen doen. Beleidsadvies aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, maart 1998.
3 SCP-Cahier 143: Het Gezinsrapport, 1998
4 Volgens het SCP-rapport dekt de kinderbijslag gemiddeld 26% van de kosten.
5 Nota Uitbreiding tegemoetkoming studiekosten dd. 2 juli 1999 - kamerstuk 26 662
6 f. 384,- per jaar voor het eerste kind en f. 584,- per jaar voor twee of meer kinderen
7 De moeite waard, april 1998
8 In de Sociale Nota 2000 wordt gesteld dat een verlaging van de ouderbijdrage zeer effectief is. Bij een alleenverdiener met een inkomen beneden modaal belopen de kosten van kinderopvang een kwart van het nettoloon; boven tweemaal modaal is dit 45%, zo staat in de Sociale Nota...
9 "De school aan de ouders", Drs. C.I.J.M. Ross-van dorp en Mr. ing. W.G.J.M. van de Camp in CD Verkenningen, januari 1999

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie