Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

De Boer: Welstand en maatschappelijke verantwoordelijkheid

Datum nieuwsfeit: 24-09-1999
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

!!EMBARGO VRIJDAG 24 SEPTEMBER 1999, 14.00 uur!!

WELSTAND EN MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

TOESPRAAK MARGREETH DE BOER BIJ HET AFSCHEID VAN DE DIRECTEUR WELSTANDSZORG NOORD-HOLLAND 24 september 1999

'Afschaffen die handel' zei een bevriend kamerlid toen ik hem vertelde uitgenodigd te zijn om voor u hier vandaag mijn mening te geven over de Welstandscommissie.

'Ze houden alle groei in de architectuur tegen. Ze zijn uiterst conservatief'. Nu zie ik u denken: 'Ik kan mij feestelijker openingswoorden voorstellen bij een symposium dat georganiseerd wordt ter ere van de vertrekkende directeur van een Welstandscommissie'. Ik kan u geruststellen, het komt nog wel goed. Luister maar.

Sommige mensen genieten van het provoceren. Gewoon leuk voor het debat. De door mij opgevoerde spreker doet dat, maar meende overigens wel wat hij zei. Dat geldt ook voor de kritische uitspraken over het functioneren van welstandscommissies in het rapport 'Welstand op een nieuwe leest'. De titel geeft overigens al aan dat men daar tot een genuanceerder oordeel komt dan de spontane ontboezeming van mijn bevriend kamerlid.

Deze kritische uitspraken staan niet op zichzelf. In onze huidige maatschappij waar elke regelgeving en elke overheidsbemoeienis kritisch tegen het licht gehouden wordt, is een dergelijke houding niet opmerkelijk. Je mag als groenteman, pedicure en ja zelf als architect zelfstandig een bedrijfje beginnen. Maar als je met eigen verdiende centen je huis wilt bouwen dan sta je plotseling onder curatele van de Welstandscommissie. Afschaffen die handel dus?

Het paradoxale is dat wanneer je je verdiept in de literatuur die op dit moment verschijnt over de kwaliteit van de gebouwde omgeving of van het landelijk gebied, daar een grote behoefte aan kwaliteitsbewaking uit spreekt.

Ik zal alle namen niet opnoemen die het afgelopen jaar hebben gepleit voor kwaliteitsbewaking; het zijn er tientallen. Sterker nog, het zijn soms de pleitbezorgers voor het afschaffen van het welstandstoezicht die roepen om een versterkte kwaliteitsbewaking. En wat is de overigens vaak onterechte kritiek op de Vinexlocaties anders dan een vraag om meer kwaliteit.

Kennelijk denken veel mensen dat kwaliteit tot stand kan komen door het vaak te zeggen, door het als het ware af te roepen over de maatschappij.

Voor een deel is dat niet onjuist. Ik ben ervan overtuigd dat een publiek gevoerde discussie over de kwaliteit van de gebouwde omgeving en van het landelijk gebied bijdraagt aan het ruimtelijk en architectonisch bewustwordingsproces van de Nederlandse burger. Dat is wel een voorwaarde maar uiteraard geen garantie voor kwaliteit.

Ten grondslag aan de hernieuwde discussie over de functie van de welstandscommissie ligt de wens, de burger die zelfstandig een huis wil laten bouwen, zo weinig mogelijk obstructies in de weg te leggen.

Tijdens de regeerperiode van Paars-I was de Woningwet en het daarin vervatte welstandsbeleid een onderdeel van de z.g. MDW operatie. M.D.W.= Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit. Een interdepartementale onderzoeks-commissie nam bepaalde beleidsvelden onder de loep om te onderzoeken of het beleidsveld geschoond zou kunnen worden van overbodige regulering en wetgeving, opdat daarmee een betere marktwerking gegarandeerd kon worden

Het resultaat van deze operatie was niet een voorstel tot afschaffing van het welstandstoezicht, maar wel een voorstel om het toezicht meer te objectiveren; meer z.g. klein leed aan het loket bij de gemeente af te laten doen; en vooral de eindverantwoordelijkheid van B&W meer te benadrukken.

De huidige staatssecretaris en minister hebben op basis van deze besluiten een Wetsvoorstel gemaakt dat vorige week naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Wat mij bijzonder verheugt is dat het wetsvoorstel vrijwel geheel aansluit bij de aanbevelingen van het onderzoek 'Welstand op nieuwe leest' dat in opdracht van de Rijksbouwmeester Wytze Patijn in het begin van dit jaar gemaakt is. Dat rapport is enerzijds onbarmhartig kritisch t.a.v. het huidig functioneren van de welstandcommissies, (men gaat overigens wel wat voorbij aan de verbeteringen die inmiddels bij veel commissies al zijn aangebracht), maar de conclusie is dat er wel degelijk een maatschappelijke behoefte is aan een welstandstoezicht.

Alleen, en dat is de crux van het rapport, een dergelijke commissie kan slechts optimaal functioneren wanneer het advies gestoeld is op het expliciete welstandsbeleid van de gemeente aan wie men het advies uitbrengt. Er moet dus een politiek-bestuurlijk referentiekader zijn. Hier wordt dus een hele duidelijke verantwoordelijkheid neergelegd bij het lokaal bestuur. Dat er veel meer moet veranderen in welstandsland is duidelijk. Daar kom ik in de rest van mijn verhaal nog op. De relatie welstandscommissie en politiek bestuur is echter nog nooit zo duidelijk verwoord. Dat vinden we ook terug in het wetsvoorstel.

Het debat over het wetsvoorstel heeft uiteraard nog niet plaatsgevonden. De eerder door mij aangehaalde uitspraken van Kamerleden hebben dan ook niet meer dan de status een bepaalde stroming in de wereld van ruimtelijke ordenaars weer te geven. Ik ga ervan uit dan na bestudering van het wetsvoorstel en de onderliggende rapporten het voorstel redelijk ongeschonden door de Kamer zal komen.

Als ik naast het wetsvoorstel de splinternieuwe Beleidsnota van de Welstandscommissie Noord Holland leg en constateer dat deze nota naadloos aansluit op de aanbevelingen van het onderzoek van de Rijksbouwmeester en op het wetsvoorstel dan zou je kunnen zeggen, niemand hoeft zich meer zorgen te maken. De Welstandszorg is in Nederland voor de verdere toekomst weer perfect geregeld. Een dergelijke zelfingenomen houding verwacht ik niet bij u. En terecht niet. Want wat er nu gebeurd is, is niet meer maar ook niet minder dan het zetten van de eerste voorzichtige stappen naar wat ik zou willen noemen een integraal gebiedsgericht ruimtelijk welstandsbeleid.

Er is nog een reden waarom de tijd van genoegzaamheid nog niet is aangebroken. Uit de Memorie van Toelichting krijg ik, ietwat tussen de regels doorlezend, de indruk dat het Kabinet graag de vinger aan de pols wil houden. Nou kan dat duiden op een grote betrokkenheid bij dit onderwerp en dat stemt tot vreugde. Het kan ook voortkomen uit de wel vaker optredende contradictie dat het kabinet graag wil terugtreden, maar aan de andere kant bevoegdheden wil centraliseren. Aanleiding voor deze wellicht onjuiste vermoedens zijn de uitspraken over de nadere regels die het Rijk wil stellen t.a.v. de maximale overschrijding van het bebouwingsoppervlak, bouwhoogte, afstand tot de rooilijn etc., in het bestemmingsplan (blz. 6 en 7), de eventuele nadere regelgeving over de toepassing van de welstandscriteria (blz. 24), en de uitspraak over de maximale zittingstermijn van de leden der welstandscommissie (4 jaar).

Het is typisch een wetsvoorstel van het eind der negentiger jaren. Bij voorbeeld de toename van het aantal vergunningvrije bouwwerken en bouwwerken waar slechts een lichte bouwvergunning voor nodig is. Als ik het goed berekend heb betreft het hier 60% van de huidige bouwwerken. B&W hebben de vrijheid om de aanvragen voor lichte bouwvergunningen al dan niet voor advies aan de Welstandscommissie voor te leggen. Indien zij besluiten niet zo'n advies te vragen, zullen zij als B&W zelf moeten beoordelen of het betreffende bouwwerk aan redelijke eisen van welstand voldoet (blz. 9 MvT). Het Kabinet stelt dat in z'n algemeenheid niet hoeft te worden gevreesd dat het vergunningsvrij maken van bouwwerken in de praktijk gepaard gaat met een lagere ruimtelijke kwaliteit. Daartoe zijn een aantal voorwaarden ingebouwd (blz. 6 e.v. MvT). Ten eerste zullen op zichzelf vergunningvrije bouwwerken in beschermde dorps- en stadsgezichten altijd preventief getoetst moeten worden. Ten tweede zullen gemeenten repressief op kunnen treden als er een ernstige schending van welstand plaats vindt. Men kan zelfs tot afbraak overgaan. Ik zie dat overigens in onze Nederlandse bestuurscultuur niet zo gauw gebeuren. Mijn eindoordeel over het wetsvoorstel is positief ook al vind ik het af en toe nog op twee gedachten hinkend. De paragrafen over het welstandstoezicht nieuwe stijl vind ik uitdagend en inspirerend.

Veel welstandscommissies functioneren al min of meer zoals dat nu door de Rijksoverheid gewenst wordt. D.w.z. in openbaarheid, met heldere inzichtelijke adviseringen, zoveel mogelijk op basis van objectieve criteria. Ik vind die aanpak ook overduidelijk terug in uw beleidsnota. Als de welstandscommissies inderdaad willen functioneren als het orgaan dat deskundige en gewaardeerde welstandsadviezen voor de ruimtelijke kwaliteit wil afgeven, dan zal dat een bredere taak gaan betekenen voor de inhoud van het werk en voor de organisatie.

Over die inhoud en organisatie wil ik nu iets zeggen.

Het is niet mijn taak vandaag in te gaan op de inhoud van de architectonische adviezen. Dat hebt u terecht bij Ids Haagsma gelegd. Wel wil ik ingaan op drie klassieke begrippen in de ruimtelijke ordening die alle drie beleidsinhoudelijk en dus bestuurlijk zo belangrijk zijn. U kent ze. Belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Als ergens het werken met deze begrippen centraal staat dan is het wel bij de welstandscommissies.

Juist vanwege de belevingswaarde is een integrale beoordeling van bouwplannen noodzakelijk. Een bouwplan bekijken zonder de ruimtelijke context daarbij te bekijken heeft meer met l'art pour l'art te maken dan met een serieuze afweging van de welstandelijkheid van het object in zijn omgeving. Welstandszorg is dan ook een kernactiviteit die moet leiden tot meer ruimtelijke kwaliteit.

Een huis, een gebouw heeft een invloed op de omgeving. Heeft dus een invloed op de belevingswaarde van alle andere burgers. Voegt dus toe aan het gevoel van welbevinden van anderen dan alleen aan dat van de eigenaar/bewoner. Dat is de reden dat de overheid zich met de welstand van een individueel huis of gebouw mag bezighouden. Daar kristalliseert zich de vrijheid van de eigenaar in de gebondenheid of beter gezegd in de verantwoordelijkheid voor de naaste omgeving.

Vanuit deze zorg voor ruimtelijke kwaliteit in de gebouwde omgeving mag van de Welstandscommissies ook verwacht worden dat zij zich een oordeel kunnen aanmeten over plannen, voornemens t.a.v. de algehele ruimtelijke inrichting. Ik zou er dan ook een groot voorstander van zijn dat het als volstrekt vanzelfsprekend wordt geacht dat u uw inbreng hebt bij de gemeentelijke, regionale of provinciale ruimtelijke planvorming. Dat geldt voor bestemmingsplannen met bedrijfsterreinen, voor het landelijk gebied, voor een recreatienota en uiteraard voor woningbouwlocaties. U wordt later geacht op basis van deze stukken tot advisering over bouwaanvragen te komen. Het is uitermate nuttig voor het gemeentebestuur om in dat vroege planstadium uw opvattingen over de mate en mogelijkheden die dat plan biedt voor een gebouwde invulling die kan voldoen aan criteria van schoonheid en functionaliteit te horen. Daar waar een gemeentelijke verordening over een dergelijke taak van de welstandscommissie niet zou reppen, zou u in ieder geval een beroep moeten kunnen doen op de mogelijkheid van gevraagde en ongevraagde advisering. U zult begrijpen dat in het verlengde van de integrale verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit ik het zeer aanbevelenswaardig acht dat alle activiteiten op gebied van welstand, monumentenzorg, landschapsbescherming zoveel mogelijk geïntegreerd worden in een institutioneel platform.

De gebruikswaarde stelt ons voor aparte problemen. De meeste particuliere wensen tot verbouw of nieuwbouw ontstaan omdat de huidige situatie niet meer aan de gebruikseisen voldoet. Ik heb wel eens de indruk dat u een van de eerste instanties bent die geconfronteerd worden met onze veranderende ruimtelijke en fysieke bouwbehoefte. Dat zijn vaak moeilijke afwegingen met een groot afbreukrisico ten aanzien van de kwaliteit van de omgeving en de pers. Het zijn niet zelden deze problemen die het imago van de welstandscommissie bepalen. Denk maar aan de zonnepanelen die om welstandsredenen niet geplaatst mochten worden. Of denk aan de soms zeer detonerende nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen die om economische redenen wel geplaatst mochten worden. Verdere voorbeelden te over: de schotelantennes, de dakramen in de rieten kap van een stolp boerderij, etc. Geen gemeentebestuur ontkomt aan dergelijke aanvragen. Je kunt de ontwikkelingen niet ontkennen en we kunnen de behoefte niet ontkennen. Het is goed dat welzijnscommissies of de Federatie van Welzijnsinstellingen inpassingsvarianten tracht te ontwerpen die aan 'een zekere mate van welstand voldoen'. Ook al zal het in de meeste zaken vergunningvrije bouwwerken betreffen dan juist zal een pro-actief adviserend beleid t.a.v. dergelijke maatschappelijke ontwikkelingen het beeld van Welstand als modern adviesapparaat versterken.

In de Memorie van Toelichting (blz. 14) las ik dat de eindverantwoordelijkheid van B&W voor welstandstoezicht aangescherpt dient te worden omdat B&W expliciet de bevoegdheid hebben het welstandsadvies om b.v. economische redenen naast zich neer te leggen. Ik vind dat de eindverantwoordelijkheid van het lokaal bestuur versterkt moet worden, vooral om de kwaliteitstoetsing onderdeel te laten zijn van het algehele beleid. De door het Kabinet gehanteerde argumentatie doet mij afvragen of de opstellers het eigen voorstel goed doorgrond hebben.

Immers, je kunt je vele situaties voorstellen waar er sprake is van een dergelijk conflict. Maar ik kan me niet voorstellen dat een dergelijk conflict ontstaat als je te maken hebt met een welstandscommissie die zich op basis van gemeentelijke en provinciale plannen met welzijnsadvisering bezig houdt. En ik kan me niet voorstellen dat die situatie zich voordoet bij een gemeentebestuur dat een toekomstgericht ruimtelijk economisch beleid voert. Om een kwart pagina in de Memorie van Toelichting te besteden aan iets waarvan ook het Kabinet vindt dat het een absolute uitzondering zou moeten zijn vind ik opmerkelijk. Toch weer die twee gedachten.

Een ander aspect van toekomstwaarde houdt nauw verband met de wens van het Kabinet burgers meer dan ooit in staat te stellen zelf een huis te bouwen. Ik refereer hierbij aan de discussienota van Staatssecretaris Remkes, over het woonbeleid in de 21e eeuw. Wanneer wij het zelf bouwen willen bevorderen dan heeft de bouwer zelf de grootste baat erbij dat het huis waarin hij zoveel geld investeert, een behoorlijke economische toekomstwaarde heeft. Dat zelf gebouwde huis zal ook over 25 jaar zijn waarde nog moeten hebben en daarvoor zal de lokatie dan ook nog steeds heel aantrekkelijk gevonden moeten worden.

Kortom het bevorderen van welstandstoezicht past in de filosofie van het bevorderen van het eigen woningbezit. Het is in het belang van zowel de individuele burger als van de overheid.

Ik heb zoëven de woorden schoonheid en functionaliteit laten vallen. Dat klinkt alles behalve objectief. Zeker zo'n woord schoonheid zal menigeen te pretentieus en te weinig objectief vinden. De Jaarverslagen van de Welstandszorg Noord-Holland, de publicaties van de Federatie Welstandstoezicht en van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting, het alweer wat oudere geschrift 'Architectonische kwaliteit als opdracht voor het openbaar bestuur' preciseren het begrip kwaliteit naar het onderdeel schoonheid. Daaruit blijkt dat het niet zo zeer gaat om het gebruik van objectieve termen als wel in communiceerbare termen. Het beeldkwaliteitplan is een concretisering van het aspect omgevingsferen. De aanbeveling en de handleiding (denk aan de kleurenadviezen) om aan te sluiten bij de karakteristieken van de regionale identiteit is een soortgelijk voorbeeld. Mij is niet gevraagd een aandeel te leveren in die discussie dus zal ik mij met moeite daarvan weerhouden.

Heel veel aandacht gaat in zowel het wetsvoorstel als in uw beleidsnota uit naar het verbeteren en verbreden van het functioneren van de Welstandscommissie. Terecht dat daarbij ook aandacht gevraagd wordt voor de communicatieve aspecten van de beoordelende architecten en overige adviseurs. Er zal ook het een en ander moeten veranderen binnen het gemeentelijk bestel. De vermaatschappelijking van het welstandstoezicht zal niet vanzelf komen. Het expliciet maken van het beoogde welstandsbeleid is voor veel gemeenten een nieuwe taak. In de aanbiedingsbrief bij het wetsvoorstel wordt gesproken van een model welstandsnota. Ik neem aan dat de VNG en de Federatie Welstandstoezicht daartoe een initiatief zullen nemen. De regionale of provinciale welstandscommissies zouden dan een voorzet kunnen geven voor de gebiedsgerichte uitwerking van zo'n modelnota. Ik zou u dat zeer willen aanbevelen.

In mijn optiek zou de relatie Welstandscommissie Gemeentebestuur er een zijn zoals de Vromraad ten opzichte van de minister van Vrom. Zo'n relatie is alleen vruchtbaar voor beide partijen als er respect voor elkaars werk bestaat. De Welstandscommissies zullen daarvoor nog aan gezag moeten winnen. En dat kan alleen met een hoge kwaliteit van werken. Alleen dan krijgen we een situatie dat een gemeentebestuur of een gemeenteraad een advies niet zomaar naast zich neer zal leggen maar zich verplicht zal voelen met een heldere eventueel afwijkende visie te komen.

Ook ten aanzien van de inhoud van de (overigens openbare) adviezen zou het goed zijn als er een nauwe relatie met de inhoudelijke advisering door de nationale adviesraden bestaat. Dat geldt uiteraard voor de Vromraad en de Raad voor de Monumentenzorg maar ook voor de Raad van het Landelijk gebied. Zo'n standpunt over de nieuwe landgoederen bijvoorbeeld vraagt om een verdieping van uw kant. Of hebt u zich daar al mee bezig gehouden?

Ik kom terug op het begin van mijn verhaal. Ik heb niet de illusie dat iedereen na dit wetsvoorstel het welstandstoezicht geheel omarmt. Er zullen altijd ontwerpers zijn die menen dat hun ontwerp als allerindividueelste kunstuiting niet ondergeschikt gemaakt kan worden als zoiets bureaucratisch als welstandtoezicht. Het zij zo. Er zullen ook altijd opdrachtgevers zijn die het met een oordeel niet eens zijn, ook al is dit nog zo goed gedocumenteerd. Het zij zo.

Waar het in wezen om gaat is dat op redelijk korte termijn welstand niet meer gezien wordt als een randverschijnsel in het openbaar bestuur, doch als een wezenlijke onderdeel van onze ruimtelijke cultuurpolitiek. Elke generatie zet zijn stempel op de inrichting van ons land. Dat geldt voor de gebouwde en ongebouwde omgeving. Als ik een stafkaart van mijn omgeving bestudeer dan zie ik daar referenties aan zeer verschillende tijden. Resten van de celtic fields, grafheuvels van ver voor de jaartelling, kloostermuren van het begin der Middeleeuwen, essen en brinken, boerderijen uit de afgelopen drie honderd jaar, statige burgerwoningen van het begin van deze eeuw. In onze dagelijkse leefomgeving is nog veel zichtbaar vanuit het naaste en verre verleden. En die is in Alkmaar of de Zaanstreek anders dan in Drenthe. Wij zullen ook weer door onze huidige fysieke inrichting een stempel drukken op de leefomgeving van onze kinderen. Alleen vrees ik dat het in de toekomst niet meer uitmaakt vanuit welke streek je in Nederland kijkt naar de omgeving omdat het overal hetzelfde is.

Architectuur heeft meer brede belangstelling dan het ooit in de afgelopen 100 jaar heeft gehad. Dat betekent nog niet dat het fenomeen welstand ook vermaatschappelijkt is. Daar zullen we nog aan moeten werken. Discussiebijeenkomsten, lessen op scholen, nog meer televisieaandacht, het zijn een aantal instrumenten die gebruikt zouden kunnen worden.

Kwaliteitsbesef kun je niet opleggen aan mensen. Maar je kunt wel aanmoedigen om mee te denken. Om het debat aan te gaan waarom het een wel kan en het ander niet. Dat betekent niet dat daarna de indieners van bouwplannen het altijd eens zullen zijn met het oordeel van een welstandscommissie. Maar het betekent wel dat ruimtelijke kwaliteit een element is waar burgers een meer gefundeerde mening over hebben. Dat men bereid is te accepteren dat een Tiroler boerderij mooi is in Oostenrijk maar niet in de Schermer. In de afgelopen jaren heb ik het werk van de welstandszorg in Noord-Holland niet meer kunnen volgen. Uit mijn tijd als gedeputeerde hier weet ik dat datgene wat nu hoog in het vaandel staat, n.l. het versterken van de eigenheid en diversiteit ook als inspiratie voor moderne stedenbouw en architectuur, hier al heel lang op veel steun kon rekenen.

Mag ik daarom deze toespraak afsluiten met een woord van dank aan de heer Gortzak voor wat hij heeft gedaan om Noord-Holland er te laten uitzien zoals het karakter van Noord-Holland altijd is geweest. Sober, robuust en toch ingetogen.

Tot slot, uit het voorgaande mag blijken dat ik van mening ben dat wanneer er geen welstandstoezicht zou zijn het vandaag ingesteld zou moeten worden.

Ik dank u voor uw aandacht.

13/13/
23-09-99

1

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie