Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage Apostolou (PvdA) debat Drank- en Horecawet

Datum nieuwsfeit: 28-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 28 september 1999

Bijdrage van het lid Apostolou (PvdA) aan het debat over de wijziging van de Drank- en Horecawet (25 969).

MdV,
De fractie van de PvdA heeft zich bij de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Drank- en Horecawet beperkt tot de vraag in hoeverre met deze wetswijziging de suggestie dat de overheid een oplossing voor een maatschappelijk probleem biedt, gerechtvaardigd is. De vraag aan de regering was of de burger ervan uit kan gaan dat met deze wetswijziging daadwerkelijk de overlast ten gevolge van drankmisbruik, de problemen voor de drinkers zelf en de maatschappelijke kosten van alcoholmisbruik worden verminderd. Hoe wordt met deze wetswijziging gegarandeerd dat deze niet alleen normstellend is en een signaalfunctie heeft? Deze vraagstelling had te maken met de wijze waarop de fractie van de PvdA naar dit wetsvoorstel wil kijken. De PvdA-fractie wil de voorgestelde maatregelen bezien vanuit twee belangrijke invalshoeken, namelijk de mogelijkheden tot handhaving en de daadwerkelijk te verwachten effecten. De regering is uitvoerig op deze vragen van mijn fractie ingegaan en daarvoor wil ik mijn nadrukkelijke dank uitspreken.

Terecht stelt de regering dat dit wetsvoorstel beschouwd moet worden als een bijdrage aan de oplossing van het alcoholprobleem, maar niet dé oplossing is. Deze relativering is nodig, ook in de discussie met de alcoholbranche. Het is de overtuiging van mijn fractie dat een polarisatie tussen enerzijds door de overheid te nemen maatregelen en anderzijds de zelfregulering van de branche zelf ons geen stap verder helpt om effectief op te treden tegen alcoholmisbruik, alcoholverslaving en de schadelijke effecten daarvan voor het betrokken individu, zijn omgeving en de samenleving. Alle actoren -de betrokken individuen, de maatschappelijke organisaties, de alcoholbranche zelf en de overheid- dragen verantwoordelijkheid en dienen vanuit hun specifieke invalshoek een bijdrage te leveren. Wetgeving is niet in alle opzichten en in alle situaties beter dan zelfregulering, zoals zelfregulering niet in alle omstandigheden toereikend is om daadwerkelijk gedragsverandering teweeg te brengen en tastbare effecten te bereiken. Vanuit dit principe beoordeelt de PvdA-fractie de in deze wet voorgestelde maatregelen. In een aantal gevallen zullen we tegen de wens van de alcoholbranche in vóór wettelijke verankering pleiten en in andere gevallen een strak keurslijf van de wet afwijzen. Niet zelden wordt gehoord dat de politiek "steeds verder naast de maatschappelijke werkelijkheid staat", dat "de overheid de aansluiting met de samenleving kwijt is" en dat "in de politiek eindeloos gepraat en betrekkelijk weinig gedaan wordt". Wij dienen deze kritiek zeer serieus te nemen en er daar waar mogelijk werk van te maken. Toch past naar mijn mening ook een weerwoord op deze kritiek, wanneer het gaat om maatschappelijke problemen zoals het overmatig alcoholgebruik.

Er valt niet te ontkennen dat zakelijke belangen van de alcoholsector vaak niet te combineren zijn met de zorg van de overheid en de politiek voor een gezonde samenleving. Het klinkt aannemelijk te stellen "laat mensen op basis van informatie hun eigen verantwoordelijkheid nemen", maar de praktijk van alledag is dat die informatie niet zelden ingegeven is door commerciële belangen die ondersteund worden door zelfgefinancierd onderzoek en reclame. Iedere poging van de overheid om wettelijke grenzen te stellen is niet per definitie betuttelend en paternalistisch, maar een uiting van reële zorg voor negatieve effecten van bijvoorbeeld misbruik van alcohol. Met andere woorden, de fractie van de PvdA is voorstander van overheidsinterventie daar waar deze een stimulans kan betekenen voor activering van het eigen initiatief van organisaties en individuen ten gunste van het algemeen belang.

In de discussie over het alcoholmatigingsbeleid betekent dit dat de overheid met mate dient te interveniëren ten gunste van de volksgezondheid en de bescherming van de jeugd. Complementariteit van overheidsbeleid en zelfregulering is naar ons oordeel het motto dat we dienen te propageren en niet de exclusiviteit van het een boven het ander. Ik zou willen zeggen "betutteling met mate" zoals een columnist het uitdrukte, is een goed recept voor de bevordering van het alcoholmatigingsbeleid.

MdV,
Naast de overwegingen over zelfregulering en wettelijke voorschriften wil ik nog één algemene opmerking maken die essentieel is voor de positiebepaling ten aanzien van de voorgestelde maatregelen.

Alcoholhoudende dranken worden -zoals in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt gesteld- van oudsher door de mensheid gebruikt. Verslaving als één van de consequenties van overmatig gebruik is een kenmerk dat zowel alcohol als andere drugs met elkaar gemeen hebben. Ik denk echter dat diegenen die een wezenlijk onderscheid tussen alcohol en drugs maken wel een punt hebben. Het belangrijkste verschil zou kunnen zitten in het feit dat alcoholhoudende dranken in welvarende tijden bijna dagelijks werden en worden genuttigd door de meerderheid van de bevolking als een min of meer normaal voedingsmiddel, terwijl drugs hoofdzakelijk werden en worden gebruikt vanwege hun psychoactieve werking. In dit onderscheid ligt wellicht ook de verklaring voor het verschil in de maatschappelijke waardering voor alcohol en drugs. Het is niet toevallig dat ook de schrijver van één van de Psalmen de wijn samen met het brood noemt als hij stelt: "Er is wijn, die het mensenhart deugd doet en brood dat het mensenhart kracht geeft". Wellicht moeten we deze gedachte van de combinatie van voedsel en alcoholische drank meer dan nu het geval is in ons achterhoofd houden als we het hebben over alcohol en reclame.

MdV,
Het is dit legitieme en in onze cultuur geaccepteerde gebruik van alcohol dat een ambivalentie met zich meebrengt bij de keuze van maatregelen om misbruik tegen te gaan. Alleen appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid is niet voldoende, maar wij dienen ook niet door te schieten naar vormen van absoluut verbod en drooglegging.

Op grond van deze algemene opmerkingen zal ik een oordeel geven over enkele onderwerpen die in dit wetsvoorstel worden behandeld.

RECLAME
Allereerst artikel 2 met betrekking tot reclame.
De regering stelt een Algemene maatregel van Bestuur voor als "stok achter de deur". De code functioneert nu echter bijna tien jaar en de kritiek die het kabinet op de naleving van de code heeft is zeer krachtig. Ook de Stichting Alcoholpreventie spreekt krachtige taal, en uit stevige kritiek op de naleving van de code. Ook het overlegplatform Drank- en Horecawet schreef ons op 27 augustus jl. dat zij denken te komen tot een verzwaring en het frequenter opleggen van boetes bij overtreding van de code. Er is dus veel discussie over de code en met name de daadwerkelijke naleving daarvan. Toch is het kabinet uiteindelijk mild wanneer voorgesteld wordt opnieuw in overleg te treden met de gehele alcoholbranche om te komen tot een nieuwe, stevig aangescherpte zelfregulering, inclusief afspraken over een actief toezicht en duidelijker sanctionering. De fractie van de PvdA is voorstander van overleg met de alcoholbranche en ondersteunt de zienswijze van het kabinet om de Algemene maatregel van Bestuur met de Tweede Kamer te bespreken en vooraf de betrokken branches en sectoren te horen. Ter vaststelling en bevestiging van deze zienswijze staat de fractie van de PvdA sympathiek tegenover het amendement op stuk nr. 15 van collega Scheltema over een zogenaamde Voorhangprocedure van deze Algemene maatregelen van Bestuur.

Gezien echter de ervaringen in de afgelopen tien jaar zou de fractie van de PvdA er op willen aandringen dat de regering op korte termijn, ik denk hier aan de aan de Kamer toegezegde Alcoholnota, aangeeft welke nadere afspraken met de sector zijn gemaakt, wat de te verwachten effecten van deze afspraken zullen zijn en wat de toegevoegde waarde van een Algemene maatregel van Bestuur zal zijn. Kan de minister uiteenzetten wat het verschil in de praktijk zou zijn indien de bepalingen in de code voor alcoholhoudende dranken die reeds sinds eind jaren '80 functioneren in een Algemene maatregel van Bestuur zouden zijn opgenomen? Nu de branche zelf een aanscherping van de code bepleit: wat zou het bezwaar zijn om de inhoud van de nieuwe code als Algemene maatregel van Bestuur te presenteren? Een wettelijke verankering van bepalingen die identiek zijn aan de door de branche opgestelde code helpt ons allen, lijkt me, bij de consistente handhaving daarvan. Op dit punt zie ik een goed voorbeeld van complementariteit tussen zelfregulering en wettelijk voorschrift.

In dit verband wil ik, namens mijn fractie, nogmaals constateren dat de aandacht die besteed wordt aan tabak en drugs onevenredig groot is vergeleken met de aandacht die besteed wordt aan de gevaren die aan overmatig alcoholgebruik vast zitten. Ook ten aanzien van de reclamebepalingen is er een groot verschil. Zou de minister haar visie willen geven op dit verschil in benadering? Hoe wordt op Europees niveau op dit punt gedacht? Er bestaat nu een EU-richtlijn op tabaksreclame, komt er ook een soortgelijke richtlijn voor alcohol? De Stichting Alcoholpreventie stelt dat in veel Europese landen een geheel of gedeeltelijk verbod op alcoholreclame op radio en TV geldt. Welke landen zijn dat en kan er iets gezegd worden over de effecten van dit verbod?

Tenslotte wil ik op dit punt mijn instemming uitspreken met de kritiek van het kabinet op het punt van de sportsponsoring en de reclameboodschappen van de sponsors, de sponsoring van en reclame bij jongeren- en muziekevenementen, de sponsoring van televisieprogramma's, het voorgestelde beleid ten aanzien van de zogenaamde alcopops, de proeverijen in de detailhandel en de prijsreclame bij de "piekuren" en de "happy hours". Ten aanzien van deze twee laatste punten wordt gesteld dat het voor het kabinet een zwaarwegend punt is gezien de incidenten van misbruik en geweld. Wat betekent dit concreet? Gaat de minister een verbod op "happy hours" of een andere maatregel instellen? Het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie attendeert ons op het NIPO-onderzoek onder jongeren, waaruit blijkt dat veel jongeren van 15 t/m 24 jaar in Nederland voorstander zijn van een harde aanpak van het alcoholprobleem. Ook voor een verbod op "happy hours" schijnt veel steun te bestaan.

Wil de minister aangeven hoe zij haar kritiek op al de hierboven genoemde punten (van sponsoring tot "happy hours") in maatregelen gaat omzetten?

VERBOD OP VERSTREKKEN VAN ALCOHOL IN BEPAALDE LOKALITEITEN Ik kom nu over artikel 17a te spreken. In dit artikel wordt een wettelijke grondslag voor een Algemene maatregel van Bestuur voorgesteld inzake een verbod op het verstrekken van alcohol in voetbalstadions en andere aan te wijzen categorieën van sportaccommodaties, alsmede instellingen van gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sociaal-cultureel werk en onderwijs. De fractie van de PvdA vindt dit een verreikend voorstel, waarvan de consequenties, met name voor de sportverenigingen, niet zijn te overzien. Daarom heb ik een amendement op dit punt ingediend. Het betreft amendement op stuk nr.20, dit is een wijziging van het door mij al eerder ingediende amendement op stuk nr. 9

Mijn voorstel is om de reikwijdte van een Algemene maatregel van Bestuur te beperken tot instellingen als ziekenhuizen, scholen voor primair en middelbaar onderwijs en zwembaden. Naar mijn mening past een verbod op alcoholgebruik in deze categorieën van instellingen in het beleid van onverenigbaarheid van alcoholgebruik en de leeftijdscategorie van 16 jaar en jonger alsmede de aard van de activiteiten in deze lokaliteiten.

De motivatie voor de wijziging ten aanzien van de sportsector is gelegen in het feit dat voor een sportvereniging of een andere vereniging een verbod op alcoholhoudende drank een zware maatregel inhoudt, die de kern van het verenigingsleven zal raken. Uit werkbezoeken aan kantines van sportverenigingen constateer ik dat het toezicht en de sociale controle zodanig is dat hier, indien er zich incidenten voordoen, door de verenigingen zelf corrigerend kan worden opgetreden. Met deze sectoren zouden nadere afspraken gemaakt kunnen worden. Het voorgestelde bestuursreglement bevat bepalingen over voorlichting en sancties. Het is, naar ons oordeel, een goede basis om de sportverenigingen bondgenoot te maken in de preventiesfeer voor een verantwoord alcoholmatigingsbeleid en de strijd tegen alcoholmisbruik. Het is een grote verantwoordelijkheid van sportorganisaties en andere maatschappelijke organisaties om voor de jeugd in dit opzicht een goede leerschool te zijn. Uit gesprekken met collega woordvoerders van de andere politieke partijen heb ik gemerkt dat de formulering die op de zwembaden slaat op vragen stuit. Ik vind echter dat zwemmen en alcohol, zoals alcohol en verkeer niet te verenigen zijn. Ik hoor graag de reactie van de minister op dit punt.

Voorts wil ik stilstaan bij het amendement op artikel 5a. Het betreft amendement op stuk nr. 10 van collega Udo en ondergetekende. Het wijzigingsvoorstel komt meer overeen met de mogelijkheden die de sector daadwerkelijk kan implementeren. In een gesprek dat enkele collega's hadden met NOC-NSF afgelopen week kwam naar voren dat de vrijwilligers in de sportkantines wellicht een aangepaste opleiding of instructie sociale hygiëne zouden moeten krijgen willen de verenigingen aan de eisen van deze wet voldoen. De vraag aan de minister is of zij een aangepaste opleiding of instructie voor de barvrijwilligers in sportkantines positief beoordeelt. In de tweede termijn zal ik hierop terugkomen. Het komt mij als zeer redelijk voor dat in de vrijwilligersorganisaties een gedifferentieerd beleid gevoerd mag worden. Een verkorte opleiding en de bereikbaarheidseis zijn logische voorstellen. De fractie van de PvdA steunt voorts het voorstel om personeelskantines en bedrijfsrestaurants buiten de werking van deze wet te houden. Er ontstaan bij strikte toepassing van deze bepaling situaties die niet logisch lijken. Zo zou bijvoorbeeld in het restaurant van de Tweede Kamer of in bedrijven met ploegendiensten en/of flexibele werktijden geen wijn of bier geschonken kunnen worden. Is dit wat de minister beoogt en is zij het daarmee eens? Indien er een aanscherping en een meer consistente uitvoering noodzakelijk is, is het dan niet beter om deze in de Arbo-wet te regelen?

VERKOOPPUNTEN
Dan het punt van de verkooppunten.
De fractie van de PvdA is het eens met het kabinet dat er een verbod op het verstrekken van zwakalcoholhoudende dranken in benzinestations en daaraan verbonden winkels wordt ingesteld. De rechtvaardiging van deze maatregel zien wij ook, zoals het kabinet, in het volledig afwijzen van de combinatie verkeer en alcohol, alsmede in de heldere boodschap die van dit verbod uitgaat. De belangenvereniging tankstations, het overlegplatform Drank en Horecawet en de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie protesteren tegen het verbod van alcoholhoudende drank vanuit gemakswinkels in buurtbenzinestations. Als argument brengen ze naar voren dat de winkelsluitingswet deze tankstationwinkels gelijk stelt met alle andere winkels. Kan de minister op deze argumentatie reageren? Afhankelijk van de reactie van de minister zullen we ons definitieve standpunt in deze bepalen. Voorts onderschrijven wij de beperkingen die in artikel 15 worden voorgesteld ten aanzien van de verstrekking van alcoholhoudende drank met inachtneming van de daarbij genoemde uitzonderingen. Voorkomen dient te worden - zoals het kabinet stelt - dat de verkoop van alcohol zich uitbreidt tot allerlei bedrijven waarin alcohol nu nog een branchevreemd artikel is. In het verlengde van deze redenering hebben we aarzelingen in te stemmen met het amendement van de collega's Scheltema en Udo op stuk nr.18 waar zij pleiten voor de verkoop van alcohol in tabakswinkels. Ook op dit punt zouden we de reactie van de minister willen afwachten alvorens een definitief standpunt in te nemen.

DE HANDHAVINGSPROBLEMATIEK
De handhavingsproblematiek is één van de meest belangrijke punten bij de uitvoering van wetten in het algemeen en dus ook van deze wet. Dit kabinet heeft zich voorgenomen het alcoholmatigingsbeleid te intensiveren, maar de minister heeft vooralsnog - volgens de nota naar aanleiding van het verslag - niet voldoende dekking gevonden voor de financiering van het handhavingsplan. Mijn fractie vindt dat de minister op dit punt klare wijn moet schenken. Wat heeft het overleg met haar collega's van Economische en Binnenlandse Zaken opgeleverd en wat staat in de begroting 2000 over dit punt?

De controle berust bij gemeenteambtenaren en de politie, terwijl ook de inspectie gezondheidsbescherming zich extra zal inspannen en hiertoe met 50 formatieplaatsen zal worden uitgebreid, aldus de memorie van toelichting. Kan de minister aangeven wat de stand van zaken omtrent deze formatieplaatsen is?

Mijn fractie stemt in met de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de vergunningverleningen en de weigeringsgronden, de verplichte vaststelling van de vereiste leeftijden en de toegangseis van 16 jaar voor grote dansgelegenheden, zoals discotheken.

De fractie van de PvdA is echter niet gerust op de naleving van deze bepalingen in de praktijk. Niet dat dit niet zou kunnen, maar omdat we zien dat de voornemens met betrekking tot het handhavingsplan niet voortvarend worden uitgevoerd. Er is gesteld dat de extra inspanningen op dit punt jaarlijks 10 miljoen zouden kosten, maar zoals de minister zelf stelt is de dekking daarvoor nog niet gevonden. De minister zegt in de Memorie van Toelichting dat het "onwenselijk is wettelijke regels te hebben, die onvoldoende worden nageleefd". Deze zin -die overigens door de fractie van de PvdA volledig wordt onderschreven- schept verplichtingen. Nadrukkelijk nodig ik de minister uit haar zienswijze op het punt van de handhaving uiteen te zetten.

In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesproken over het voornemen een wetsvoorstel intensivering terugdringing overmatig alcoholgebruik in te dienen. Dit in verband met bestuurlijke boetes bij overtredingen van bepalingen van deze wet. Hoever is de regering daarmee en wanneer zal de Tweede Kamer dit wetsvoorstel ontvangen?

Dit wetsvoorstel geeft gemeenten ruimere mogelijkheden om op te treden tegen overmatig alcoholgebruik. De PvdA steunt deze verruiming. Enkele gemeenten nemen ook daadwerkelijk krachtige maatregelen om met name overlast door alcoholmisbruik te bestrijden. Een enkele gemeente heeft het verbod ingesteld dat geen alcohol genuttigd mag worden op straat. Overlast is daarmee drastisch gereduceerd. De PvdA-fractie zou de minister willen vragen dergelijke initiatieven te stimuleren en wellicht in het kader van het stedenbeleid ook financieel te ondersteunen.

SAMENHANGEND VOORLICHTINGSBELEID
MdV,
In de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel heeft de fractie van de PvdA gepleit voor een samenhangend voorlichtingsbeleid inzake alcohol, drugs en tabak. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesproken over voornemens voor een campagne in samenwerking met de alcoholbranche. Zijn sinds januari 1999 -toen de nota n.a.v. het verslag is uitgebracht- nieuwe ontwikkelingen te melden?

VERSLAVINGSZORG
MdV,
Graag wil ik nog een punt aan de orde stellen, namelijk de hulpverlening aan alcoholverslaafden. Al eerder heb ik opgemerkt dat een onevenredige aandacht bestaat voor drugs- en rookverslaving in vergelijking met de alcoholverslaving. Ook bij de hulpverlening is dit het geval. Uit het rapport "verslavingszorg herijkt" blijkt dat verslaafden aan alcohol nauwelijks met de hulpverlening in contact komen, van de 350.000 alleen maar 17.800 terwijl van de 27.000 drugsverslaafden 22.500 in contact staan met de hulpverlening en dat terwijl de maatschappelijke kosten van alcohol worden geschat op jaarlijks zes miljard gulden en de kosten van drugsverslaving op drie miljard gulden. Soortgelijke constateringen -met wat andere cijfers- zijn opgenomen in de voortgangsrapportage drugsbeleid 1997 -1999. Ziet de minister in deze cijfers aanleiding om maatregelen te nemen en meer aandacht te besteden aan de hulpverlening aan alcoholverslaving?

MdV,
In Elsevier van begin september van dit jaar werd onder de kop "nooit meer nuchter, drinkende ouders, zuipende kinderen: Nederland heeft een drankprobleem" een overzichtsartikel gepubliceerd, waarin enerzijds gesteld wordt dat volgens de statistieken en met name in vergelijking met andere Europese landen, Nederland geen drankprobleem heeft, anderzijds wordt vermeld, wat ook door veel onderzoeken wordt bevestigd, dat met name het alcoholgebruik onder jongeren zorgwekkend toeneemt. Nederland is de laatste jaren geconfronteerd met voor ons onbekende verschijnselen van geweldpleging en criminaliteit door jongeren die in verband staan met overmatig alcoholgebruik en drugs. Het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) heeft onlangs laten becijferen dat 86% van de geweldplegers in het uitgaansleven alcohol heeft gedronken en 14% zowel alcohol als drugs heeft gebruikt. Met dit wetsvoorstel wordt richting gegeven in de zoektocht naar oplossingen. Uit mijn inbreng moge duidelijk zijn dat de Partij van de Arbeid het kabinet steunt daar waar wettelijke instrumenten ingezet kunnen worden ten aanzien van reclame, de verplichte vaststelling van de vereiste leeftijden, de toegangseis van 16 jaar voor grote dansgelegenheden, de beperking van verkooppunten en de ruimere bevoegdheid van gemeenten. Het zijn met name de commercie en het uitgaansleven, die veel meer oog moeten krijgen voor de negatieve effecten van een mentaliteit die overmatig gebruik van alcohol stimuleert.

Wij steunen de voorgenomen maatregelen van het kabinet onder de nadrukkelijke voorwaarde van een consistente handhavingspraktijk. Overleg met de sector is en blijft noodzakelijk, maar wij blijven gescheiden verantwoordelijkheden houden. Wat de PvdA-fractie betreft, is zelfregulering een goede zaak, maar sluit het wettelijk aangegeven kaders niet uit.

De fractie van de PvdA volgt het kabinet niet daar waar wettelijke verboden worden voorgesteld voor beïnvloeding van het alcoholbeleid in het verenigingsleven, met name van de sportverenigingen. Wij moeten de talloze vrijwilligers in de sport en het sociaal-cultureel werk tot bondgenoot maken in de opvoedingstaak van een verantwoord en matig alcoholgebruik. Wij verwachten dat de ons in het vooruitzicht gestelde Alcoholnota ons spoedig zal bereiken met uitgewerkte voorstellen voor de implementatie van het wettelijk kader dat wij nu aan het vaststellen zijn. 1

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie