Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Arrest Europese Hof Arrest GIE Groupe Concorde e.a.

Datum nieuwsfeit: 28-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 27 september tot 1 oktober 1999

nr. 24/99


Bij het Hof van Justitie aanhangige zaken

Zaak C-440/97

GIE Groupe Concorde e.a./Kapitein van het schip "Suhadiwarno Panjan" e.a.

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen

28 september 1999

Prejudiciële zaak

"EG-Executieverdrag · Bevoegdheid ter zake van verbintenissen uit overeenkomst · Plaats van uitvoering van de verbintenis"

(Voltallig Hof)

Bij arrest van 9 december 1997, ingekomen bij het Hof op 29 december daaraanvolgend, heeft de Franse Cour de cassation krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 1, van dat verdrag, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (hierna: "Executieverdrag").

Die vraag is gerezen in een geding tussen enerzijds zeven verzekeringsmaatschappijen en GIE Groupe Concorde, hun hoofdassuradeur, gevestigd te Parijs (hierna samen: "verzekeraars"), en anderzijds de kapitein van het schip "Suhadiwarno Panjan", Pro Line Ltd (hierna: "Pro Line"), gevestigd te Hamburg (Duitsland), en vier andere verweerders, ontstaan naar aanleiding van de vaststelling van schade bij de levering van een over zee vervoerde lading dozen met flessen wijn.

In de haven van Le Havre (Frankrijk) werden dozen met flessen wijn in containers geladen aan boord van het schip "Suhadiwarno Panjan", met het oog op vervoer over zee naar de haven van Santos (Brazilië) door Pro Line. Ter bestemming bleken er goederen te zijn beschadigd en te ontbreken.

De verzekeraars stelden de geadresseerde schadeloos. Gesubrogeerd in diens rechten, dienden zij bij dagvaarding tegen de kapitein van het schip en Pro Line een schadevordering in bij het Tribunal de commerce du Havre, dat zich onbevoegd verklaarde.

Na betwisting door de verzekeraars bevestigde de Cour d'appel de Rouen de onbevoegdheid van de eerste rechter, onder meer op grond dat Le Havre niet de plaats van uitvoering van de vervoersovereenkomst was.

De verzekeraars stelden tegen dat arrest beroep tot cassatie in bij de Cour de cassation.

Deze rechter wenst in wezen te vernemen, of de uitdrukking "plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd", die in artikel 5, sub 1, Executieverdrag wordt gebruikt om een bijzondere bevoegdheid ter zake van verbintenissen uit overeenkomst vast te leggen, aldus moet worden uitgelegd, dat verwezen wordt naar het materiële recht dat krachtens de collisieregels van de aangezochte rechter van toepassing is, dan wel een autonome uitlegging moet krijgen.

Er zij aan herinnerd, dat het Hof zich voor de in het Executieverdrag gebruikte termen zoveel mogelijk uitspreekt ten gunste van een autonome uitlegging in plaats van te verwijzen naar nationaal recht, teneinde de volle werking van dit verdrag te verzekeren.

De uitdrukking "plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd" moet worden uitgelegd als verwijzend naar het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter op de betrokken verbintenis van toepassing is.

Er moet worden beklemtoond, dat het rechtszekerheidsbeginsel een van de doelstellingen van het Executieverdrag is.

Dat beginsel vereist onder meer, dat bevoegdheidsregels die van het algemene beginsel van het Executieverdrag afwijken, zoals artikel 5, sub 1, aldus worden uitgelegd, dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen.

Het bepalen van de plaats van uitvoering aan de hand van de aard van de verbintenis en de omstandigheden van het concrete geval, zoals door de verwijzende rechter in overweging wordt gegeven, blijkt echter, bij de huidige versie van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, onvoldoende om de met de toepassing van die bepaling verbonden problemen op te lossen.

Bepaalde problemen die in dat verband kunnen rijzen, zoals de aanwijzing van de contractuele verbintenis die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt, en, indien er meer dan één verbintenis is, het aanwijzen van de hoofdverbintenis, kunnen immers niet gemakkelijk worden opgelost zonder verwijzing naar het toepasselijke recht.

Bijgevolg zijn de door de verwijzende rechter in overweging gegeven criteria niet van dien aard, dat het aangezochte gerecht in het geheel niet hoeft vast te stellen, welk recht op de betrokken verbintenis van toepassing is, teneinde uitspraak te doen over zijn bevoegdheid krachtens artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

In die omstandigheden lijkt het niet gerechtvaardigd, de door de verwijzende rechter in overweging gegeven criteria in de plaats te stellen van de eerder door het Hof gegeven uitlegging, volgens welke de plaats van uitvoering moet worden bepaald volgens het recht dat op de betrokken verbintenis van toepassing is. Deze oplossing biedt bovendien het voordeel, het bevoegde gerecht te doen samenvallen met de plaats waar de betrokken verbintenis moet worden uitgevoerd volgens het recht dat erop van toepassing is. De in artikel 5, sub 1, Executieverdrag neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst was, om redenen van nuttige procesinrichting, ingegeven door de overweging, dat de plaats van uitvoering in de regel de nauwste band tussen het geschil en het bevoegde gerecht vertoont.

Het staat aan de nationale wetgever · de enige die op dit gebied bevoegd is · een plaats van uitvoering te bepalen die op billijke wijze rekening houdt, zowel met de belangen van een goede rechtsbedeling als met die van een voldoende bescherming van de particulieren. Voor zover het nationale recht hem daartoe machtigt, kan de rechter dus genoodzaakt zijn, de plaats van uitvoering te bepalen aan de hand van de door de verwijzende rechter in overweging gegeven criteria, dat wil zeggen door aan de hand van de aard van de verbintenis en de omstandigheden van het concrete geval te bepalen, waar de prestatie feitelijk is verricht of had moeten worden verricht.

Het Hof verklaart voor recht:

"Artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd, dat de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van deze bepaling, moet worden bepaald overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter op de betrokken verbintenis van toepassing is."

Advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer heeft ter terechtzitting van het Hof van 16 maart 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"Artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat onder plaats van uitvoering van een verbintenis uit overeenkomst moet worden verstaan, de plaats die aan de hand van de aard van de verbintenis en de omstandigheden van het concrete geval wordt aangewezen, met dien verstande dat wordt aangenomen dat deze plaats samenvalt met die waar de prestatie, die de betrokken rechtsbetrekking kenmerkt, is verricht of moet worden verricht. Indien meerdere plaatsen worden aangewezen, moet de plaats worden gekozen die het nauwst met het geschil verbonden is."



1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 1 oktober 1999

Catalogusnummer: DX-AC-99-0024-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie