Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

'Omroepbijdrage hoeft niet betaald te worden'

Datum nieuwsfeit: 29-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

De omroepbijdrage

Ik ben van mening dat de omroepbijdrage (bij de huidige inrichting van ons omroepbestel) niet verschuldigd is, en ik raad iedereen aan om in overweging te nemen die bijdrage niet te betalen. Ter toelichting moge het volgende dienen.

Enkele verschillen tussen ons publieke omroepbestel en het omroepbestel in andere EEG-landen Ons omroepbestel wijkt op een aantal punten af van de wijze waarop de zaken elders zijn geregeld.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn bij ons geen hoekstenen onder de publiek omroep (en op lokaal niveau bepaalt de politiek zelfs benoeming en ontslag van de leiding over de publieke omroep). In het Verenigd Koninkrijk daarentegen staat de onafhankelijkheid van de BBC in het statuut gegrift.

In Duitsland volstaan twee landelijke openbare TV-zenders (voor aanzienlijk meer inwoners dan bij ons), en in het Verenigd Koninkrijk ook. België heeft twee landelijke en openbare TV-zenders voor de Vlaamse bevolking. In ons land zijn drie publieke TV-zenders landelijk actief.

In sommige andere EEG-landen is reclame op de publieke zenders geheel verboden (Verenigd Koninkrijk, en ik dacht ook België en Denemarken) of ten zeerste beperkt (in Duitsland mag op de publieke zenders na 20.00 uur geen reclame
worden uitgezonden). Wie daarentegen in ons land wil kijken of luisteren naar de publieke omroep wordt dag en nacht met reclames bestookt, gedurende zeven dagen in de week. In 1996 werd door de landelijke publieke omroep gedurende
694.215 minuten TV uitgezonden (dat is meer dan 24 uur per dag), waarvan omstreeks 44.000 minuten door de STER. Dat wil zeggen: iedere 15 minuten TV-kijken gaat gepaard met 1 minuut reclame, en rond het avondnieuws van 20.00 uur mag dat laatste met 10 worden vermenigvuldigd.

Ons publieke omroepbestel is monopolistisch van opzet. Uitzending van reclame is voorbehouden aan de STER, die
daarmee een reclame-monopolie heeft op de publieke zenders. De feitelijke uitzending van de publieke programma's is ook in handen van een monopolist (de NOS). (3) Op lokaal niveau is de distributie van programma's veelal in handen
van kabelexploitanten, die feitelijk een monopolie hebben. (4) En niet de consument bepaalt welke programma's door
zijn kabelexploitant worden doorgegeven, maar de lokale overheid.

Ons publieke omroepbestel en het EEG-recht
Het Europese Hof heeft zo'n televisie-monopolie op zichzelf niet in strijd met het EEG-recht geoordeeld, mits dat
monopolie wordt gerechtvaardigd door niet-economische redenen van openbaar belang en geen discriminerende gevolgen
heeft ten nadele van programma's uit andere lidstaten. (Hof van Justitie EEG, arrest van 18 juni 1991, gepubliceerd in NJ 1993, 712).

Kan enerzijds het bestel an sich onder bepaalde voorwaarden kennelijk wel genade vinden in de ogen van het Hof,
heel anders is het vergaan met individuele maatregelen en regelingen die dat bestel beoogden te schragen:


- de gemeenteraad van Gouda heeft ooit getracht commerciële zenders te weren door de plaatselijke kabelexploitant
te verbieden reclame door te geven die van dergeljike zenders afkomstig was; om het mensen die alleen de Nederlandse
taal machtig zijn, zo lastig mogelijk te maken dergelijke zenders te volgen, verbood de gemeenteraad ook de
ondertiteling van commerciële zenders op de plaatselijke kabel door te geven; de verordening van de gemeenteraad
ging echter onderuit op grond van de overweging dat een reclameverbod en een ondertitelingsverbod, als vervat in de
kabelregeling Gouda, beperkingen opleverden op het vrij verrichten van diensten, welke beperkingen zijn verboden bij
art. 59 van het EEG-verdrag, terwijl die kabelregeling niet kon worden gerechtvaardigd uit hoofde van de openbare
orde, in de zin van art. 56 EEG-verdrag (HvJ EG, 26 april 1988, NJ 1988, 982, SEW 1989, p. 282 (M.v.Empel); TVVS
1988, p. 340 (MRM); IER 1988, p. 57);


- art. 66 Mediawet (oud) bevatte een reclame-verbod zonder onderscheid, van toepassing op zowel programma's die
vanuit het buitenland werden aangeboden als vanuit het binnenland; het Hof oordeelde dat de regeling leidde tot
bescherming van de inkomsten van de STER en oordeelde dat art. 66 lid 1 sub b tweede volzin Mediawet deswege een
beperking vormde van het vrij verrichten van diensten in de zin van art. 59 EEG-Verdrag, waarvoor geen
rechtvaardiging bestond in dwingende eisen van algemeen belang HvJ EG, 25 juli 1991, nr. zaak 288/89; NJ 1992, 523;
TVVS 1992, p. 75 (MRM); AA 1992, p. 41 (K.J.M. Mortelmans);


- het feit dat de Mediawet de omroepverenigingen deels verplichtte tot winkelnering in Nederland vond evenmin
genade in de ogen van het Hof, dat overwoog dat de verplichting tot winkelnering bij het NOB verder ging dan nodig
was, en wel omdat aan de pluriformiteit van het omroepbestel niet werd afgedaan wanneer de omroepverenigingen de
mogelijkheid zouden hebben zich te wenden tot dienstverleners in andere lidstaten (HvJ EG 25 juli 1992, NJ 1992,
524);


- in dezelfde zaak speelde voorts het verbod van art. 66 Mediawet (oud) aan kabelexploitanten om op Nederland
gerichte reclameboodschappen door te geven; ook dat verbod ging onderuit, deels op grond van een
proportionaliteitstoetsing ("Indien de Nederlandse regering dat pluriforme karakter in stand wenst te houden kan zij er zeer wel mee volstaan aan het statuut van haar eigen omroepinstellingen een passende vorm te geven.") en deels met een overweging die het effect van de regeling in strijd met het EEG-verdrag verklaarde ("Door de uitzending van
(reclameboodschappen) te reglementeren beperken die bepalingen evenwel de mogelijke concurrentie van buitenlandse
omroepinstellingen met de STER op deze markt. Zij leiden dan ook, zij het in mindere mate dan de Kabelregeling, tot
bescherming van de inkomsten van de STER en hebben dus hetzelfde doel als de vroegere regeling." Volgt de overweging
dat dat doel geen rechtvaardiging kan vormen voor beperkingen van het vrij verrichten van diensten.)

Wat deze arrresten aantonen is, dat ons omroepbestel op onderdelen kan en mag worden getoetst aan regels van
EEG-recht. Eén van die onderdelen is de financiering. Onze publieke omroep wordt bekostigd uit omroepbijdragen en
reclame-inkomsten. De verhouding tussen die beide is ruwweg 2 op 1. Anders gezegd: Nederland 1 en Nederland 2 kunnen
uit de omroepbijdrage worden betaald, zonder dat enige reclame behoeft te worden bedreven, als Nederland 3 zou
worden opgeheven.

Toepasselijke regels van EEG-recht
(a) het EEG-verdrag

Krachtens de artikelen 30 en volgende en krachtens de artikelen 59 en volgende van het EEG verdrag is het Nederland
verboden maatregelen te treffen en in stand te houden die de handel en diensten tussen de lidstaten belemmeren of
beperken (wetten daaronder begrepen; ook een wet is zo'n 'maatregel'). Het gaat dus om twee eisen: (1) beperking of
belemmering van handel en diensten, (2) met grensoverschrijdende gevolgen.

(1) beperking of belemmering van handel en diensten

Dat reclame op de publieke zenders negatieve gevolgen heeft voor de advertentie-inkomsten van andere media is een
uitgemaakte zaak. Bij de invoering van reclame op de publieke radio- en televisiezenders heeft de wetgever zich
namelijk uitdrukkelijk gerealiseerd dat de advertentie-inkomsten van de kranten-uitgevers zouden dalen, reden dat
destijds is besloten die uitgevers in de opbrengsten van de STER te laten delen. Van concurrentie met commerciële
radio- en televisiezenders was destijds nog geen sprake, want die waren er toen nog niet.

(2) handel en diensten tussen de lidstaten van de EEG

Sedert de komst van een aantal Luxemburgse zenders is dat laatste echter veranderd. Ons publieke bestel ondervindt
thans concurrentie van de Holland Media Groep (RTL4, RTL5 en Veronica), SBS6, Net5 en een aantal kleinere zenders.
Al die zenders concurreren om de aandacht van de kijkers en luisteraars te trekken, want de kijkdichtheid van een
programma bepaalt wat adverteerders bereid zijn om voor zendtijd te betalen. In de advertentie-wereld staat dat
bekend als CPM (cost per million), en daar zijn gangbare tarieven voor. Omdat het hier (ten dele) gaat om zenders
die gevestigd zijn in een andere lid-staat van de EEG, heeft de concurrentievervalsing door onze publieke omroep
grensoverschrijdend effect.

(b) het protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten

Op de financiering van de publieke omroep is voorts een aanhangsel bij het Verdrag van Amsterdam van toepassing
(het protocol), waarbij wat over de omroepbijdragen (zoals alle lidstaten die mogen heffen) is gezegd. Dat protocol is gepubliceerd in het Tractatenblad 1998, nr 11 (blz 114). Letterlijk luidt dat protocol:

De Hoge Verdragsluitende Partijen.


- Van oordeel dat het publieke-omroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische,
sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden,


- Hebben overeenstemming bereikt over de volgende interpretatieve bepalingen. die aan her Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke Omroep, voorzover deze financiering wordt verleend
aan omroeporganisaties voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd door
iedere lidstaat, en voorzover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de
mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang zou worden
geschaad, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van de opdracht van deze publieke dienst.

(c) jurisprudentie van het Hof

Bij het hiervoor vermelde arrest van 26 april 1988 ging het om de vraag of de regeling gerechtvaardigd was uit een
oogpunt van openbare orde; in de uitspraak van 25 juli 1991 (NJ 1992, 523) toetste het Hof aan het ruimere begrip
'dwingende eisen van algemeen belang.' Diezelfde dag wees het Hof ook een arrest waarin het een
proportionaliteitstoets aanlegde (HvJ EG 25 juli 1992, NJ 1992, 524); en bijna twee jaar later toetste het Hof aan
de vraag of de regeling noodzakelijk was om het beoogde doel te bereiken (arrest van 3 februari 1993, nr. C-148/91, NJ 1994, 29; TVVS 1993, p. 214 (MRM)). De meest algemene toetsing vinden wij echter in HvJ EG, 30 november 1995, NJ
1997, 53, waarbij het Hof heel in het algemeen overwoog: "Nationale maatregelen die de uitoefening van de in het
verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, moeten aan vier
voorwaarden voldoen: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, zij moeten hun rechtvaardiging vinden in
dwingende redenen van algemeen belang, zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te
waarborgen, en zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel."

Dat laatste arrest is, blijkens zijn formulering, beperkt tot nationale maatregelen. Welnu: geen enkele bepaling
van EEG-recht noodzaakt ons land een omroepbijdrage te heffen, of om met het publieke bestel commercie te bedrijven.
Bij beide gaat het om puur nationale maatregelen. Derhalve is ook de vierledige maatstaf van toepassing die dit
arrest geeft.

Omroepbijdrage niet verschuldigd?
Om de aandacht van de kijker te trekken moeten de zenders aantrekkelijke programma's maken, en dat kost geld. Om de programma-kosten te bestrijden ontvangen onze publieke omroepinstellingen een bijdrage van alle bezitters van een ontvangstinstallatie: de omroepbijdrage. De commerciële zenders daarentegen ontvangen zo'n bijdrage niet. Derhalve kunnen zij niet op gelijke voorwaarden de aandacht van het publiek trekken, en dus ook niet op gelijke voorwaarden
dingen naar advertentie-inkomsten. Indien ons publiek bestel geen commercie zou bedrijven, zou er van concurrentie
op de adverteerdersmarkt (tussen publiek en commercieel bestel) geen sprake zijn. Ons publiek bestel streeft die
advertentie-inkomsten echter uitdrukkelijk na (en wel dag en nacht, en op alle publieke zenders die in de lucht
zijn). De omroepbijdrage wordt (mede) geheven en besteed om die commercie mogelijk te maken. De effecten van deze
concurrentievervalsing -want dat is het- doen zich in andere lidstaten van de EG voelen.

De conclusie hiervan is dat de heffing van omroepbijdrage, gelet op het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, handel
en diensten binnen de lidstaten belemmert en bemoeilijkt en daarmee afbreuk doet aan de doelstellingen van de
gemeenschappelijke markt (en de reeds geciteerde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EEG wijst reeds die
richting uit). Deze strijd met het EEG-verdrag wordt door het protocol niet goed gemaakt. Weliswaar staat het
protocol financiering van de publieke omroep uit openbare middelen in beginsel toe, maar alleen als daarmee (o.a.)
de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig veranderen dat
het gemeenschappelijk belang zou worden geschaad, en aan die voorwaarde is nu juist niet voldaan.

Ook de mate waarin ons publieke omroepbestel commercie bedrijft overschrijdt de grenzen van het toelaatbare.
Nationale maatregelen die de uitoefening van de in het verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, moeten immers aan vier voorwaarden voldoen: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, zij moeten hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, zij moeten
geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel. Aan geen van die voorwaarden wordt voldaan.


1. De commerciële zenders worden gediscrimineerd. Zij ontvangen niets van de omroepbijdragen.

2. Geen enkele reden van algemeen belang brengt mee dat ons publiek bestel wordt gebruikt om commercie te
bedrijven, althans niet in de mate waarin dat geschiedt, laat staan dat die mate van commercie door dwingende
redenen van algemeen belang wordt gerechtvaardigd.
3. Die mate van commercie is niet geschikt om het beoogde doel (en dat is: pluriformiteit, zie de considerans van
het protocol) te waarborgen, sterker nog: er gaat geen enkele rechtens relevante waarborg van uit. Ik durf zelfs te
beweren dat geen zinnig denkend mens zal betogen dat commercie op onze publieke zenders de pluriformiteit van onze
media bevordert.

4. En die (mate van) commercie is ook niet noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken (getuige het feit dat
andere landen zeer wel in staat zijn een pluriform en bovendien onafhankelijk omroepbestel te handhaven zonder enige commercie te bedrijven).

Gelet op dit alles ben ik van mening dat de heffing en besteding van de omroepbijdrage in strijd is met dwingende
en rechtstreeks werkende bepalingen van het EEG-verdrag. De conclusie daarvan is, dat de omroepbijdrage niet
verschuldigd is.

Het standpunt van de Dienst Omroepbijdragen
Ik heb de omroepbijdrage deswege geweigerd, sedert 1997. Dat heeft tot gevolg gehad dat ik drie maanden later werd
aangemaand (dat staat zo geregeld in de wet), en vervolgens ben bedreigd met inbeslagname en verzegeling van mijn
radio- en televisie (ook dat staat zo geregeld in de wet) en met strafrechtelijke vervolging (want wanbetaling van
de omroepbijdrage is een strafbaar feit). Wanbetaling is normaal gesproken overigens geen strafbaar feit, maar als
het om een bijdrage aan de overheid gaat is dat meestal anders geregeld.

De Dienst Omroepbijdragen (dat wil zeggen: de Staat) heeft niet gedreigd met afsluiting van mijn kabelaansluiting, en dat zou ook niet kunnen, want daartoe heeft de Staat geen enkele bevoegdheid. Evenmin is de Staat bevoegd het
bedrag van mijn rekening te laten afschrijven. Om de bijdrage te kunnen innen zal de Staat mij moeten dagvaarden
voor de rechter. En dat geeft mij de gelegenheid mijn standpunt aan de rechter voor te leggen.

Tot op heden heeft de Staat echter geen maatregelen genomen. Wel heeft de Dienst Omroepbijdragen mij laten weten
mijn standpunt niet te delen. Letterlijk schreef de Dienst Omroepbijdragen mij bij brief van 16 augustus 1999 dat "... de EG-bepalingen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke Omroep." Dat standpunt is een woordelijk (maar onvolledig) citaat van het protocol.

Bij brief van 25 augustus 1999 heb ik de Dienst Omroepbijdragen geschreven dat ik bij mijn standpunt blijf en dat
ik de omroepbijdrage niet in der minne zal voldoen. Publieke financiering van een publiek bestel is prima, maar dan mag dat publieke bestel niet worden gebruikt om de concurrentie op de gemeenschappelijke markt te vervalsen.

Indien u de omroepbijdrage wilt weigeren.
Indien u de omroepbijdrage eveneens wilt weigeren staat het u uiteraard vrij uw standpunt te schragen door te
verwijzen naar deze tekst Voorts zou u de Dienst Omroepbijdragen in overweging kunnen geven mij te dagvaarden, opdat
zowel u als de Dienst zich kunnen beraden op het in mijn zaak te wijzen vonnis (als de Dienst Omroepbijdragen al tot
dagvaarding overgaat). Niet dat het tegen mij te wijzen vonnis in uw zaak enige verbindende kracht heeft: u bent
vrij de argumenten waarop u uw weigering baseert zelf te bepalen ( en misschien zitten daar wel argumenten bij die
door mij niet naar voren zijn gebracht in mijn zaak, als die al wordt aangespannen).

Indien u weigert de omroepbijdrage te betalen doet u er goed aan dit schriftelijk te laten weten aan de Dienst
Omroepbijdragen. Voor de goede orde vermeld ik daarom het adres:

Dienst Omroepbijdragen
Postbus 16160
2500 BD 's-Gravenhage.

Voor het geval u behoefte hebt aan een reactie of aanvulling vermeld ik voorts mijn E-mailadres:
(a.van.lokhorst@hccnet.nl)
Ik ben uiteraard benieuwd te vernemen of ook in andere landen van de EEG commercie op de publieke zenders aan
banden is gelegd, net als in België, Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Door tijdgebrek ben ik echter niet in staat uw E-mail of post te beantwoorden.

A. van Lokhorst
Karel Doormanstraat 183
3012 GH Rotterdam
PS: het auteursrecht op deze publicatie wordt niet uitgeoefend.

Rotterdam, 29 september 1999

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie