Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Arrest Europese Hof AML van Rooij tegen waterschap De Dommel

Datum nieuwsfeit: 29-09-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Week van 27 september tot 1 oktober 1999

nr. 24/99


Zaak C-231/97

A. M. L. van Rooij/Dagelijks bestuur van het waterschap de Dommel

Milieu en consumenten

29 september 1999

Prejudiciële zaak

"Milieu · Richtlijn 76/464/EEG · Begrip lozing · Mogelijkheid dat lidstaat ruimere definitie van begrip lozing dan in de richtlijn vaststelt"

(Zesde kamer)

Bij uitspraak van 17 juni 1997 heeft de Nederlandse Raad van State drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976.

Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep dat door A. M. L. van Rooij is ingesteld tegen het besluit waarbij het Dagelijks bestuur van het waterschap de Dommel (hierna: "bevoegde autoriteit") het bezwaar heeft afgewezen dat hij had ingediend tegen een eerder besluit van deze autoriteit waarbij zij weigerde bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter bescherming van oppervlaktewater.

Gebr. Van Aarle BV (hierna: "bedrijf Van Aarle"), gevestigd te Sint-Oedenrode, exploiteert een houtimpregneerbedrijf. Om hout te verduurzamen wordt in het bedrijf een stoomfixatiemethode toegepast, waarbij gebruik wordt gemaakt van een "superwolman"-zoutoplossing. Het beschikt daartoe over een op grond van de Wet milieubeheer verleende vergunning.

Van Rooij woont naast het bedrijf Van Aarle. Aangezien volgens hem de stoom was verontreinigd met arsenicum, koper en chroom, diende hij een klacht in over de verontreiniging van de sloot en verzocht hij de bevoegde autoriteit om op grond van artikel 24 WVO ten aanzien van dit bedrijf bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

De bevoegde autoriteit wees dit verzoek af bij besluit van 29 december 1994; het daartegen door Van Rooij ingediende bezwaar wees zij vervolgens af bij besluit van 21 april 1995. Daarop stelde Van Rooij tegen de afwijzing van zijn bezwaar beroep in bij de Raad van State.

Van oordeel dat voor het geding het begrip "lozing" in de zin van richtlijn 76/464 diende te worden uitgelegd, heeft de Nederlandse Raad van State besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof prejudiciële vragen voor te leggen.

Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechterlijke instantie in wezen te vernemen, of het begrip "lozing" in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464 aldus dient te worden uitgelegd, dat de emissie van verontreinigde stoom die op oppervlaktewater neerslaat, daaronder valt, en/of de afstand tussen de plaats waar deze stoom wordt uitgestoten en het water waarop hij neerslaat, daarbij relevant is.

Het begrip "lozing" wordt in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464 omschreven als "iedere handeling waarbij de in lijst I of lijst II van de bijlage genoemde stoffen in de in lid 1 bedoelde wateren worden gebracht".

Het begrip "lozing", dat in artikel 1, lid 2, van richtlijn 76/464 wordt omschreven, dient aldus te worden opgevat, dat het ziet op elke aan een persoon toe te schrijven handeling waarbij een van de in lijst I of lijst II van de bijlage bij deze richtlijn genoemde stoffen direct of indirect in de wateren waarop deze richtlijn van toepassing is, worden gebracht.

Wat de feiten van het hoofdgeding betreft, wordt niet betwist, dat de emissie van stoom wordt veroorzaakt door een aan een persoon toe te schrijven handeling, namelijk het proces waarmee het hout door personeel van het bedrijf Van Aarle met een verduurzamende zoutoplossing wordt geïmpregneerd, waarbij een stoomfixatiemethode wordt toegepast, noch dat de uitgestoten stoom arsenicum, koper en chroom bevat, welke stoffen voorkomen in lijst II van de bijlage bij richtlijn 76/464, en evenmin dat deze stoom neerslaat op onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallend oppervlaktewater, wanneer de achter het bedrijf Van Aarle gelegen sloot niet droogstaat.

De Franse regering betwist evenwel, dat de emissie van stoom in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, als een lozing in de zin van richtlijn 76/464 kan worden aangemerkt.

Dienaangaande zij opgemerkt, dat zo de term "déversées" in de Franse titel van richtlijn 76/464 in het algemene spraakgebruik lijkt te pleiten voor de door de Franse regering voorgestane uitlegging, deze term niettemin niet uitsluitend wordt gebruikt voor handelingen met vloeibare stoffen en eveneens kan gelden voor vaste stoffen. Ook wordt in de Nederlandse, de Deense en de Griekse versie van de richtlijn een term gebruikt · respectievelijk "geloosd", "udledning", "åê÷Ýïíôáé" · die inhoudt, dat de betrokken stof in vloeibare staat verkeert. Niettemin wordt een dergelijke uitlegging niet bevestigd door de titel van de

richtlijn in de andere taalversies. De termen "discharged" (Engelse versie), "Ableitung" (Duitse versie), "vertidas" (Spaanse versie), "scaricate" (Italiaanse versie), "lançadas" (Portugese versie), "utsläpp" (Zweedse versie) en "päästettyjen" (Finse versie) houden niet noodzakelijkerwijze in, dat de betrokken stof in vloeibare staat verkeert.

Gelet op deze semantische verschillen, moet worden onderzocht, of de door de Franse regering voorgestane uitlegging in overeenstemming is met het doel van de richtlijn.

Een uitlegging die de werkingssfeer van richtlijn 76/464 zou beperken tot de lozing van gevaarlijke stoffen in vloeibare staat, zou indruisen tegen het door de richtlijn nagestreefde doel, namelijk, zoals blijkt uit de eerste overweging van de richtlijn, het verzekeren van de bescherming van het aquatisch milieu van de Gemeenschap tegen verontreiniging, met name door bepaalde stoffen die persistent, toxisch en bioaccumuleerbaar zijn.

Het is namelijk niet aannemelijk, dat deze stoffen, die in de bijlage bij de richtlijn worden genoemd, enkel in vloeibare staat gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu van de Gemeenschap.

Daaruit volgt, dat richtlijn 76/464 betrekking heeft op de lozing van alle in de bijlage daarbij genoemde gevaarlijke stoffen, ongeacht de staat waarin zij verkeren.

Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechterlijke instantie in wezen te vernemen, of het begrip "lozing" in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464 aldus dient te worden uitgelegd, dat de emissie van verontreinigde stoom die eerst neerslaat op terreinen en daken en vervolgens via een hemelwaterriool in het oppervlaktewater terechtkomt, daaronder valt, en of het wat dat betreft van belang is dat het desbetreffende hemelwaterriool aan de betrokken inrichting dan wel aan een derde toebehoort.

Vastgesteld moet worden, dat de omstandigheid dat de verontreinigde stoom na op terreinen en daken te zijn neergeslagen via een hemelwaterriool dat aan de betrokken inrichting of aan een derde toebehoort, in het oppervlaktewater terechtkomt, niet belet dat de verontreiniging van dit oppervlaktewater het gevolg is van een aan een persoon toe te schrijven handeling, namelijk de door het bedrijf Van Aarle verrichte impregnatie van hout.

Het Hof verklaart voor recht:

"1) Het begrip 'lozing` in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, dient aldus te worden uitgelegd, dat de emissie van verontreinigde stoom die op oppervlaktewater neerslaat, daaronder valt. De afstand tussen het oppervlaktewater en de plaats van uitstoot van de verontreinigde stoom is slechts relevant voor de vraag of het uitgesloten dient te worden geacht dat de verontreiniging van het water volgens de algemene ervaringsregels als voorzienbaar kan worden beschouwd, hetgeen zou beletten dat deze verontreiniging wordt toegeschreven aan de veroorzaker van de stoom.

2) Het begrip 'lozing` in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464 dient aldus te worden uitgelegd, dat de emissie van verontreinigde stoom die eerst neerslaat op terreinen en daken en vervolgens via een hemelwaterriool in het oppervlaktewater terechtkomt, daaronder valt. Wat dit betreft is het niet van belang of het desbetreffende hemelwaterriool aan de betrokken inrichting dan wel aan een derde toebehoort."

Advocaat-generaal A. Saggio heeft ter terechtzitting van de Zesde kamer van 25 februari 1999 conclusie genomen.

Hij gaf het Hof in overweging te antwoorden als volgt:

"1) Het begrip 'lozing` in artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, omvat de emissie van verontreinigende stoom die op oppervlaktewater neerslaat. De afstand tussen de plaats waar de stoom wordt geproduceerd en de plaats waarop zij op het oppervlaktewater neerslaat, is voor het antwoord op deze vraag niet van belang, behoudens binnen de grenzen waarin, feitelijk en volgens de ervaringsregels, met inachtneming van deze factor wordt beoordeeld, of degeen die de stoffen in het water heeft gebracht, op de hoogte was van het risico dat dit voor het water had en om die reden verplicht was vooraf een 'lozings`-vergunning aan te vragen; dit dient de nationale rechter te beoordelen.

2) Het begrip 'lozing` in vorengenoemde richtlijn 76/464/EEG omvat de emissie van verontreinigende stoom die eerst neerslaat op terreinen en daken en vervolgens via een hemelwaterkanaal van een industriële inrichting, woonhuis of andere gebouwen in oppervlaktewater terechtkomt. Dienaangaande is het niet van belang of de verontreinigde stoom via het hemelwaterriool van de betrokken inrichting dan wel via een hemelwaterriool van een derde in het oppervlaktewater terechtkomt.

3) De lidstaten mogen in hun rechtsorde een ander, meer omvattend begrip 'lozing` invoeren dan dat van richtlijn 76/464/EEG, mits dit verenigbaar is met de verdragsbepalingen."



1: Dit overzicht, opgesteld door de Afdeling Pers en Voorlichting van het Hof van Justitie (L-2925 Luxemburg), heeft tot doel snelle informatie te verschaffen over de werkzaamheden van het Hof en het Gerecht. Alleen de tekst van de arresten en conclusies, die later wordt gepubliceerd in de "Jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg", is echter officieel. De inhoud van dit weekoverzicht kan zonder toestemming, doch met vermelding van de bron, worden overgenomen.

Vertaald uit het Frans.

Kopij afgesloten op 1 oktober 1999

Catalogusnummer: DX-AC-99-0024-NL-C

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie