Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen Miljoenennota 2000

Datum nieuwsfeit: 01-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Antwoorden op de kamervragen naar aanleiding van de Miljoenennota 2000, de Macro Economische Verkenning 2000, de ontwerpbegroting IX-A en de ontwerpbegroting IX-B

Directie Begrotingszaken

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

B/1999/791 M

1 oktober 1999

Onderwerp

Antwoorden op de kamervragen naar aanleiding van de Miljoenennota 2000, de Macro Economische Verkenning 2000, de ontwerpbegroting IX-A en de ontwerpbegroting IX-B

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van de Miljoenennota 2000, de Macro Economische Verkenning 2000 en de ontwerpbegrotingen IX-A en IX-B.

DE MINISTER VAN FINANCIËN

M I L J O E N E N N O T A 2 0 0 0
Vraag 1

Hoe verhoudt zich de constatering dat de werkgelegenheid in 1999 en 2000 blijft groeien en werkloosheid verder terugloopt tot de opmerking uit de Macro Economische Verkenning 2000 (blz. 16) dat de werkgelegenheid volgend jaar nauwelijks sneller zal groeien dan het arbeidsaanbod, zodat de werkloosheid in 2000 nog maar weinig daalt? (blz. 8).

Antwoord

De werkgelegenheidsgroei vlakt af in 2000 in lijn met de, verwachte, lagere economische groei in de jaren 1999 en 2000. Het arbeidsaanbod vertoont door de jaren heen een stabiele ontwikkeling. Dit betekent dat de snelle daling van de werkloosheid in de periode 1997-1999 plaatsmaakt voor een meer gematigde ontwikkeling in 2000.

1997

1998

1999

2000

Werkgelegenheid in personen (mutatie in % per jaar)

3,1

2,9

2 ½

1 ½

Arbeidsaanbod in personen (mutatie in % per jaar)

2,1

1,4

1 ½

1 ¼

Werkloosheid (in personen, ´ 1000)

438

348

290

280

Werkloosheid ( in % van de beroepsbevolking)

6,2

4,8

4

3 ¾

Vraag 2

Welke vorderingen zijn gemaakt bij de vergroting van het aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie? (blz. 15)

Antwoord

De vorderingen die zijn gemaakt bij de vergroting van het aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie komen tot uiting in de op vele punten verbeterde uitgangspositie van de Nederlandse economie zoals besproken in paragraaf 2.2 van de Miljoenennota. Door de hogere arbeidsparticipatie, het verminderde beroep op de sociale zekerheid, het lagere EMU-tekort, de verminderde EMU-schuldquote en de verbeterde solvabiliteitspositie van de marktsector is de schokbestendigheid van de Nederlandse economie aanmerkelijk verbeterd.

Vraag 3

Welke groepen hebben niet of minder van de hervormingen, die in Nederland op verschillende terreinen zijn doorgevoerd, geprofiteerd? (blz.16)

Antwoord

De aangehaalde passage heeft betrekking op de werkgelegenheidscreatie in ons land. In de afgelopen jaren is de arbeidsparticipatie van vrijwel alle voor de arbeidsmarkt relevante groepen gestegen. Desalniettemin is de arbeidsmarktsituatie van een aantal groepen nog onbevredigend. Het gaat daarbij met name om allochtonen, lager opgeleiden, ouderen en arbeidsgehandicapten, groepen die meer dan gemiddeld onvrijwillig buiten het arbeidsproces staan.

Vraag 4

De uitgaanspositie van de Nederlandse economie is ronduit gunstig. Daarbij wordt echter niet de inflatie besproken. Kan de regering daar nader op ingaan? (blz. 16, 17,18)

Antwoord

De positie van het Nederlandse uitgaansleven is inderdaad zeer gunstig te noemen. Het aantal uitgaansgelegenheden (onder andere cafés en restaurants) is de laatste vijf jaar met bijna 1.000 toegenomen, terwijl tevens sprake was van een aanzienlijke werkgelegenheidsgroei. Dat in deze uitgaansgelegenheden weinig over de inflatie wordt gesproken, lijkt logisch gezien het huidige niveau van de inflatie. Ook lijkt dit samen te hangen met het tijdstip waarop uitgaansgelegenheden doorgaans worden bezocht.

Voor het geval de vraag verkeerd is begrepen zij verwezen naar de antwoorden op de vragen 7 en 8.

Vraag 5

In welke mate is de daling van het aantal mensen met een uitkering (m.n. ABW, WW en WAO) het gevolg van uitstroom uit de sociale zekerheid voordat de leeftijd van 65 jaar is bereikt en in welke mate heeft een verminderde instroom hieraan bijgedragen? Hoe is de verdeling van de uit- en instroom over de verschillende leeftijdscategorieën? (blz. 17)

Antwoord

In 1997 zijn circa 5.000 personen uit de WW gestroomd als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dit is circa 1% van de totale uitstroom uit de WW in 1997. Bij de WAO ging het in 1997 om 35.000 personen, hetgeen overeenkomt met circa 44% van de totale uitstroom in dat jaar. Voor de ABW zijn hierover geen gegevens beschikbaar.

Voor zowel de WW als de ABW kan worden geconcludeerd dat een verminderde instroom heeft bijgedragen aan de daling van het aantal personen met een uitkering. Uit voorlopige gegevens over 1998 blijkt dat de instroom in de WW iets sneller (ten opzichte van 1997) is gedaald dan de uitstroom (respectievelijk -13% en -11%). De daling van de uitstroom is het logische gevolg van het kleinere uitkeringsbestand en de sterk dalende instroom. In de ABW is in 1998 eenzelfde ontwikkeling zichtbaar. Voor de WAO-regelingen is sprake van een stijging van het aantal uitkeringen.

In onderstaande tabellen zijn voor respectievelijk de WW en WAO de in- en uitstroom gegevens voor 1997 weergegeven, onderverdeeld naar leeftijdscategorieën. Voor de ABW zijn vooralsnog uitsluitend totale in- en uitstroomgegevens beschikbaar. Ook deze zijn onderstaand in een tabel opgenomen.

Tabel 1. In- en uitstroom uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen in 1997 (naar leeftijd)

Tabel 2. In- en uitstroom uit de WW in 1997 (naar leeftijd)

Tabel 3. In- en uitstroom uit de ABW in 1997 en 1998 (duizenden personen)

Vraag 6

Hoe is de verhoging van het arbeidskostenforfait te rijmen met het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 mei 1999, waarin is bepaald dat de sinds 1992 doorgevoerde verhogingen van het arbeidskostenforfait discriminerend zijn ten opzichte van de groep werkenden die gebruikmaken van de werkelijke kostenaftrek? (blz. 19)

Antwoord

Met het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1999, nr. 33 320, BNB 1999/271, is rekening gehouden door de verhoging van het arbeidskostenforfait zodanig vorm te geven dat zij niet alleen toekomt aan de belastingplichtigen die het maximale arbeidskostenforfait genieten, maar eveneens en in gelijke mate aan degenen die bij aanwezigheid van inkomsten uit tegenwoordige arbeid van 26 900 of meer een hoger bedrag aan aftrekbare kosten laten blijken dan dat forfait. Het bedrag van 26 900 is het niveau waarop het maximale arbeidskostenforfait wordt bereikt (zonder de voorgestelde verhoging). Opgemerkt wordt nog dat de gesignaleerde ongelijkheid in het arbeidskostenforfait binnen een samenhangend geheel weggenomen is in het ingediende wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 door een algemene aftrek (niveau arbeidskostenforfait 1990 met uitsluitend toepassing van de inflatiecorrecties sindsdien), geen werkelijke kostenaftrek en de invoering van een arbeidskorting als element van de standaard heffingskorting. Een reparatie voor slechts één belastingjaar zou aanzienlijke budgettaire of inkomenspolitieke consequenties hebben die niet zijn voorzien.

Vraag 7

Wat is de mening van de regering op de waarschuwingen van de president van De Nederlandsche Bank dat de relatief hoge inflatie in Nederland de groei van de werkgelegenheid bedreigt (Het Financieel Dagblad van 28 september 1999)? (blz. 19)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 8.
Vraag 8

De stijging van de consumptieprijs komt dit jaar fors hoger uit dan eerder werd verwacht. Ook in relatie tot andere landen is de inflatie in Nederland hoog. Welke risicos brengt dat met zich mee? Baart dat de regering zorgen en zo ja wat is zij voornemens daartegen te doen? (blz. 19).

Antwoord

De Nederlandse economie kenmerkt zich door een stabiele inflatieontwikkeling. De inflatie, afgemeten aan de consumentenprijsindex (CPI) ligt over de afgelopen vijf jaar constant op of nabij de 2%. De jaren 1999 en 2000 vormen naar verwachting geen uitzondering.

1995 1996 1997 1998 1999 2000

Consumentenprijsindex (CPI) 2 2 2,2 2 2 13/4

De Nederlandse inflatie ligt in de periode 1997-2000 gemiddeld ongeveer een halve procent hoger dan het gemiddelde van het Eurogebied (MEV, blz. 76). Een aanhoudend hogere binnenlandse inflatie ten opzichte van het Eurogebied leidt tot een verslechtering van de Nederlandse concurrentiepositie. Dit onderstreept het belang van een gematigde arbeidskostenontwikkeling. De regering beoogt dit, via de specifieke vormgeving van lastenverlichting in 2000 (verhoging arbeidskostenforfait) te ondersteunen.
Vraag 9

In hoeverre heeft Nederland zich gebonden tot automatische stabilisatie in haar begrotingsbeleid? Welke verschillende stabilisatoren zijn er en hoe werken ze? (blz. 22).

Antwoord

Krachtens het Stabiliteits- en Groeipact dienen landen een middelange-termijn begrotingssaldo van nabij evenwicht of een overschot te vertonen. Zodoende kunnen lidstaten de automatische stabilisatoren over de gehele conjunctuurcyclus laten werken zonder dat het tekortplafond van 3% BBP wordt overschreden. De werking van de automatische stabilisatoren vormt dus mede een rechtvaardiging voor de vaststelling van het middellange-termijn begrotingssaldo, maar is als zodanig geen verplichting die voortvloeit uit het Stabiliteits- en Groeipact. Wel geldt dat de werking van automatische stabilisatoren in individuele landen tot gevolg heeft dat de automatische stabilisatoren ook voor de E(M)U als geheel werken. Mede daarom achten de Europese Commissie en Ecofin het doorgaans wenselijk dat individuele landen de automatische stabilisatoren laten werken.

Concreet werken de automatische stabilisatoren in Nederland via de in het Regeerakkoord gemaakte afspraak om inkomstenmeevallers deels aan te wenden voor tekortreductie en deels voor lastenverlichting. Bij tegenvallende inkomsten werkt de formule vergelijkbaar. Nadat de begroting voor een bepaald jaar is vastgesteld, werken mee- en tegenvallers ten opzichte van de begroting volledig door in het tekort. Voor deze mee- en tegenvallers vindt derhalve een volledige doorwerking van de automatische stabilisatoren plaats in het desbetreffende jaar. Voor zover meevallers structureel van aard zijn, zullen ze in latere jaren conform de mee- en tegenvallerformule worden aangewend voor tekortreductie en lastenverlichting. Naar analogie hiervan, leiden structurele tegenvallers in latere jaren tot een stijging van het tekort en een verzwaring van de lastendruk.

Vraag 10

Komt de raming van de kosten van de vergrijzing, met name AOW en zorgkosten, overeen met de verwachtingen van de Commissie van Economische Deskundigen van de SER? (blz. 27).

Antwoord

Het recent gepubliceerde rapport van de Commissie Sociaal-economische Deskundigen van de SER, Gezondheidszorg in het licht van de toekomstige vergrijzing, concentreert zich op de toekomstige zorguitgaven. Het doet derhalve geen uitspraken over de toekomstige AOW-uitgaven. Ten aanzien van de zorguitgaven concludeert de Commissie tot een stijging van de zorguitgaven van 8,7% BBP in 1995 tot ruim 13% in 2040. Dit komt nagenoeg overeen met de tentatieve berekeningen van de 10e Studiegroep Begrotingsruimte.

Vraag 11

Is de tentatieve berekening dat de kosten voor de AOW de komende decennia oplopen tot 2,5 procent BBP inclusief de betalingen aan het AOW-spaarfonds? (blz. 27).

Antwoord

De tentatieve berekeningen waarnaar in de Miljoenennota wordt verwezen hebben betrekking op de ontwikkeling van de AOW-uitgaven vanaf 1995. Het in de Miljoenennota genoemde cijfer is exclusief stortingen in het AOW-spaarfonds. Berekeningen inclusief stortingen in het AOW-spaarfonds zouden overigens tot hetzelfde resultaat leiden, daar in het basisjaar van de berekeningen, 1995, geen stortingen in het AOW-spaarfonds hebben plaatsgevonden, terwijl ook tijdens de piek van de vergrijzingsgolf rond 2040 geen stortingen meer zullen plaatsvinden.

Vraag 12

Heeft de Studiegroep Begrotingsruimte ook gekeken naar mogelijke budgettaire voordelen van de vergrijzing (bijvoorbeeld lagere onderwijsuitgaven of een kleiner volume van uitkeringen buiten de AOW)? Zo ja, kan hiervan een overzicht geven worden? Zo nee, waarom niet? (blz. 27)

Antwoord

In de analyse van de Studiegroep Begrotingsruimte is verhoging van de arbeidsparticipatie en het daarmee samenhangende verminderde beroep op andere sociale zekerheidsregelingen dan de AOW meegenomen als onderdeel van de financiering van de kosten van vergrijzing. Terzake wordt verwezen naar het desbetreffende Kamerstuk: Tiende rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte, Op weg naar begrotingsevenwicht, vergaderjaar 1996-1997,
25 400, nr.1.

Overigens zij hierbij opgemerkt dat ten aanzien van de belangrijkste sociale zekerheidsregeling buiten de AOW, de WAO, geen budgettaire voordelen van de vergrijzing mogen worden verwacht. In de CBS/CPB-studie die een beeld geeft van mogelijke scenarios m.b.t. tot bevolking en arbeidsaanbod tot 20201, wordt in alle scenarios rekening gehouden met een stijgend WAO-volume als gevolg van de vergrijzing.

Eventuele besparingen op onderwijsuitgaven als gevolg van de vergrijzing spelen in de analyse van de Studiegroep Begrotingsruimte geen rol. Hiervoor is ook geen aanleiding. De problematiek van de vergrijzing heeft primair betrekking op het ouder worden van de naoorlogse generatie (de zogeheten babyboom-generatie). Deze generatie is de schoolbanken inmiddels ontgroeid en maakt geen grootschalig gebruik meer van publieke onderwijsvoorzieningen. Het ouder worden van deze generatie zal de onderwijsuitgaven dan ook niet of slechts beperkt beïnvloeden.

De onderwijsuitgaven kunnen wel worden beïnvloed door een proces van ontgroening, een daling van het aandeel jongeren in de bevolking. Of er de komende decennia naast vergrijzing ook ontgroening zal plaatsvinden is evenwel onzeker, want afhankelijk van de omvang van generaties die nog geboren moeten worden. In de eerder aangehaalde CBS/CPB-studie is in alle scenarios tot 2020 sprake van een zeer forse stijging van de grijze druk, het aantal 65-plussers als percentage van 20-64 jarigen. Grosso mode gaat het daarbij om een verdubbeling. Ten aanzien van de groene druk, het aantal 0-19 jarigen, als percentage van 20-64-jarigen wordt in alle scenarios een veel gelijkmatiger ontwikkeling voorzien, variërend van licht dalend tot licht stijgend. De omvang van het effect op de onderwijsuitgaven zal navenant beperkt zijn, terwijl de richting van dit effect bovendien nog onzeker is.

Vraag 13

Kan aangegeven worden welke effecten de stortingen in en de uitgaven uit het AOW-spaarfonds voor het EMU-tekort en de staatsschuld hebben? (blz. 28).

Antwoord

De jaarlijkse stortingen vanuit de begroting van SWZ naar het AOW-spaarfonds zijn neutraal voor het EMU-tekort: tegenover een hoger tekort bij het rijk staat een overschot bij het AOW-spaarfonds. Voor de overheid als geheel is er daardoor geen effect, noch op het EMU-tekort noch op de EMU-schuld.

Uitgaven van het AOW-spaarfonds zullen te zijner tijd leiden tot een belasting van het EMU-tekort en de EMU-schuld.

Vraag 14

Welke rente effecten heeft de nieuwe rente systematiek voor het AOW-spaarfonds? Bij welke rente of inflatieniveau zou deze systematiek negatief kunnen werken voor de renteopbrengst voor het fonds? (blz. 28).

Antwoord

De structurele rente-effecten voor het AOW-spaarfonds zullen naar verwachting positief zijn. In de oude systematiek was de rentevergoeding gebaseerd op de rente op 5-6 jaars leningen met een opslag van 0,1%-pt. In de nieuwe systematiek is de rentevergoeding gebaseerd op 10-jaars leningen. In de afgelopen jaren is gebleken dat de 10-jaars rente de 5-jaars rente met meer dan 0,1%-pt te boven gaat (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26200 hoofdstuk IX-A, nr. 2, pagina 6). Alleen als het verschil tussen de rente op 5-jaars leningen en 10-jaars leningen kleiner wordt dan 0,1%-pt zou de nieuwe systematiek negatief kunnen werken voor het fonds. De kans dat dit structureel het geval zal zijn mag verwaarloosbaar worden geacht.

Vraag 15

De R&D-intensiteit van de Nederlandse economie is, afgemeten aan indicatoren als aantal onderzoekers in het bedrijfsleven en octrooiaanvragen relatief laag. Baren de gegevens zoals weergegeven in tabel 2.3.6. de regering zorgen. Zo ja, wat is zij voornemens daarmee te doen? (blz. 29)

Antwoord

Kennis neemt een steeds centralere rol in in de Nederlandse economie. Dit vraagt om een goed onderwijssysteem en een gedegen kennisinfrastructuur. De regering voorziet hierin voor zichzelf een faciliterende rol. Het onderwijsbeleid is hierbij mede gericht op het vergroten van de kwaliteit en de toegankelijkheid van het initieel onderwijs, en het stimuleren van het gebruik van informatie en communicatietechnologie. Daarnaast probeert de overheid het combineren van werk en leren te bevorderen in het hoger beroepsonderwijs. Dit bevordert de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Aansluitend stelt de overheid de employability van werknemers centraal in haar beleid.

Ten aanzien van de kennisinfrastructuur richt de overheid haar pijlen op ondermeer het vergroten van de effectieve prikkels voor de toepassing van innovaties, het wegnemen van belemmeringen voor markttoetreding en het vergroten van de toegang tot risicokapitaal.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat het vorige kabinet een fiscale faciliteit heeft gecreëerd ter ondersteuning van het speur- en ontwikkelingswerk: de zogenaamde afdrachtskorting speur- en ontwikkelingswerk.

Vraag 16

Welke effecten van technologische ontwikkelingen op macro-economische grootheden als inflatie-, productiviteitsontwikkeling en conjunctuuruitslagen wordt verwacht? (blz. 29).

Antwoord

Technologische vooruitgang resulteert in een toename van productiviteit. Dit drukt de inflatie doordat bedrijven hogere kosten aan arbeid, kapitaal en/of grondstoffen niet hoeven te vertalen naar hogere prijzen. Het effect op de conjunctuur is hoogst onzeker en moeilijk te bepalen. Dit zal ondermeer afhankelijk zijn van de mate waarin de technologische vooruitgang uitwaaiert over de gehele economie. Tevens is van belang of er sprake is van een continuüm,
d.w.z. in hoeverre de technologische vooruitgang resulteert in een aanhoudende toename van de productiviteit. Inflatie is uiteindelijk een monetair verschijnsel. Een te uitbundige groei van de geldhoeveelheid zal ongeacht technologie, productiviteit en conjunctuur vroeger of later tot inflatie leiden.

Vraag 17

Centraal bij de publiek-private samenwerking staan de zogenoemde synergie-effecten. Wat moet daaronder worden verstaan? (blz. 30)

Antwoord

Waar het bij pps om gaat is het realiseren van meerwaarde. Het realiseren van meerwaarde betekent dat meer kwaliteit gerealiseerd kan worden voor hetzelfde geld of dezelfde kwaliteit met minder geld. Door een goede samenwerking tussen publiek en privaat, waarbij de nadruk erop ligt om iedere partij datgene te laten doen waar die het beste in is kan een beter resultaat gerealiseerd worden (synergie-effect).

Vraag 18

Is het feit dat het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland is relatief zeer hoog is één van de redenen dat er frictie op de arbeidsmarkt is? (blz. 33)

Antwoord

Gezien het feit dat de werkloosheid vooral onder laag opgeleiden relatief hoog is en er een tekort is aan hoog opgeleide werknemers is, ligt de oorzaak van de spanning op de arbeidsmarkt eerder in een te laag gemiddeld opleidingsniveau dan een te hoog gemiddeld opleidingsniveau.

Vraag 19

Welke internationale vergelijkingen worden bedoeld als wordt gesteld dat de kwaliteit van de Nederlandse onderwijsprestaties relatief goed is? Kunnen de belangrijkste conclusies van deze vergelijkingen samengevat worden? Op welke onderdelen scoort Nederland minder goed? (blz. 33).

Antwoord

Gedoeld wordt op de Third International Mathematics and Science Study (TIMSS) van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement en op onderzoek waarover de OESO publiceert in Education at a glance en Education Policy Analysis. Het beeld dat uit deze publicaties naar voren komt is dat:

* Nederland tot hoogst scorende landen behoort bij wiskundetoetsen afgelegd door leerlingen op de basisschool;
* de Nederlandse bevolking relatief hoog geschoold is;
* de geletterdheid (de vaardigheid en kennis nodig om teksten te begrijpen en te gebruiken) en het cijfermatig inzicht van de Nederlands bevolking boven het gemiddelde liggen. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de verschillen met veel landen statistisch niet significant zijn, gegeven de omvang van de gehanteerde steekproef.

Er zijn geen onderdelen waar Nederland duidelijk minder goed scoort. Wel laat het onderzoek naar de geletterdheid en het cijfermatig inzicht van de Nederlandse bevolking zien dat er de nodige ruimte is voor verbetering.

Vraag 20

Kan een overzicht worden gegeven van het aandeel van de totale zorguitgaven in procenten van het BNP bij een groei gedurende de kabinetsperiode van cumulatief 9% (regeerakkoord), respectievelijk 12% (het trendmatig groeipad van de laatste 20 jaar)? (blz. 41).

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de gevraagde zorgquoten weergegeven in procenten van het BBP. Uitgangspunt is het BBP 1998 na revisie ad 776 miljard gulden. In het regeerakkoord-scenario groeit dit BBP in 1999 met 3% en in de overige jaren met 2%. In het alternatieve scenario groeit het BBP in alle jaren met 3%. Daarbij is verondersteld dat de loonontwikkeling niet verandert. In beide scenarios is in alle jaren gerekend met een inflatie van 2%.

1999

2000

2001

2002

Uitgaven Zorgnota 2000

72

75

78

81

BBP-9% groei (RA)

815

847

881

917

Zorgquote

8,8%

8,8%

8,9%

8,9%

BBP-12% groei

815

856

898

943

Zorgquote

8,8%

8,7%

8,7%

8,6%

Vraag 21

Hoe ontwikkelen zich binnen de totale ijklijnen voor de zorg de afzonderlijke ijklijnen voor de cure en de care en de hulpmiddelen, gelet op de afspraak in het regeerakkoord dat tegenvallers bij genees- en hulpmiddelen niet ten kosten mogen gaan van de zorg? (blz.42).

Antwoord

De tegenvallers bij de genees- en hulpmiddelen die het afgelopen jaar zijn opgetreden, zijn gedeeltelijk gedekt binnen de eigen budgetten. Het restant van de tegenvallers is opgelost door de vrijval die zich voordeed uit hoofde van de meldingsbouw, in te zetten. Bij de meldingsbouw is een later gebruik van opgebouwde rechten voor niet-vergunningsplichtige bouw van zorginstellingen opgetreden. Deze vrijval heeft het karakter van een ramingsbijstelling en is geen aanpassing van de budgetten in de cure óf de care. Het hulpmiddelenbudget is overschreden met ruim 400mln in 2002. Een ambtelijke werkgroep inventariseert momenteel additionele beleidsmaatregelen ter mitigering van de overschrijding.

Vraag 22

Is het mogelijk om concrete doelstellingen aan te geven voor de 5,6 miljard extra inzet in de gezondheidszorg? In welke mate leidt deze extra inzet tot vermindering van de wachtlijsten en tot vermindering van de werkdruk? Welke prestatiegegevens kunnen worden gebruikt om deze doelstellingen te meten? (blz. 42).

Antwoord

De beleidsinspanningen zijn met name gericht op het reduceren van wachtlijsten in cure en care (zoals vergroten van capaciteit en verbeteren van de organisatie van de dienstverlening) en het verminderen van werkdruk met name in de care (zoals aantrekken van extra personeel, flexibilisering, bestrijding van ziekteverzuim, verbetering van roostertechnieken en ruimere faciliteiten voor kinderopvang).

Capaciteit, beschikbare plaatsen en wachttijden zijn gegevens die kunnen worden gebruikt om de doelstellingen te meten.

Overigens wordt de Tweede Kamer regelmatig op de hoogte gehouden over het verloop van de Meerjarenafspraken, waarin beleidsmatige en financiële afspraken in de verschillende sectoren zijn vastgelegd.

Vraag 23

Welke incidentele baten die voeding opleveren voor het Fonds Economische Structuurversterking (door middel van directe storting dan wel door vrijvallende rente lasten) zijn sinds het aantreden van dit kabinet gerealiseerd? (blz. 43).

Antwoord

Zie het antwoord bij vraag 107.

Vraag 24

Wanneer mag de Kamer de wetswijziging over de voeding van het Fonds Economische Structuurversterking verwachten? (blz. 43).

Antwoord

De wetswijziging FES is rond 1 oktober naar de Tweede Kamer verzonden.
Vraag 25

Wanneer mag de Kamer een volgende voortgangsrapportage PPS verwachten? Wanneer mag de Kamer de aangekondigde beleidsvoornemens inzake anticiperende grondaankoop, zoals aangekondigd in het laatste Algemeen Overleg over de voortgangsrapportage PPS verwachten? Wanneer mag de Kamer de aangekondigde beleidsvoornemens inzake (financiële) instrumenten PPS verwachten? (blz. 44).

Antwoord

De volgende voortgangsrapportage zal naar verwachting rond de jaarwisseling naar de Kamer worden verzonden.

Het ontwikkelen van beleid inzake anticiperende grondaankoop door het Rijk is onderdeel van het project Activabeheer. Dit project is gericht op het ontwikkelen van een actieve vastgoedstrategie voor en van het Rijk. Het project Activabeheer raakt de belangen van verschillende departementen. Met deze departementen is inmiddels overeenstemming bereikt over de opzet van het project. Het project gaat binnenkort van start. De planning van het project loopt tot 2001. In december 1999 zal een tussenrapportage worden uitgebracht.

Zodra de beleidsvoornemens op het gebied van anticiperende aankoop in hoofdlijnen bekend zijn wordt de Kamer hierover geïnformeerd.

Een notitie over de financiële structurering van pps-projecten en budgettaire behandeling van financieringsconstructies zal rond de jaarwisseling naar de Kamer worden gezonden.
Vraag 26

Bevat het regeringsstandpunt innovatief aanbesteden dat naar verwachting eind 1999 naar Tweede Kamer wordt gezonden alleen initiatieven met betrekking tot aanbesteding door Rijkswaterstaat of bestrijkt het standpunt ook andere departementen? (blz. 45).

Antwoord

Dit regeringsstandpunt is de afsluiting van het interdepartementaal beleidsonderzoek innovatief aanbesteden bij Rijkswaterstaat en heeft inderdaad alleen betrekking op initiatieven voor innovatief aanbesteden bij Rijkswaterstaat.

Vraag 27

Kan de grafiek waarin de netto-inkomensverbetering bij acceptatie van een baan op minimumloonniveau wordt weergegeven een vergelijking maken tussen 2000 en 2001, in plaats van tussen 1999 en 2001? (blz. 49).

Antwoord

In de grafiek wordt het effect van de belastingherziening 2001 gegeven uitgaande van de belasting- en premietarieven in 1999. Feitelijk is uitgegaan van de fictieve veronderstelling dat de belastingherziening 2001 reeds in 1999 ingaat. Deze benadering is in overeenstemming met de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het opstellen van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel inkomstenbelasting 2001. Op deze wijze wordt een goede indicatie verkregen van het effect van de belastingherziening. Te zijner ter zal worden uitgegaan van een geactualiseerde stand op basis van de belasting- en premietarieven 2000.

Vraag 28

Hoe verhoudt het invoeren van de uitgavenreserve zich met het één jaar later alweer uitgeven van een kwart van deze op te bouwen reserve tijdens de algemene politieke beschouwingen?

Omdat de veronderstelde loon- en prijsontwikkelingen niet zonder risicos zijn, heeft de regering derhalve besloten de uitgavenreserve intact te laten. Hoe verhoudt dit risico zich met het uitgeven van een kwart van deze op te bouwen reserve tijdens de algemene politieke beschouwingen? (blz. 52)

Antwoord

Het opnemen van een uitgavenreserve had tot doel een mogelijkheid te bieden om onverwachte tegenvallers, met name als gevolg van ruilvoetproblemen, binnen de begroting op te kunnen vangen. De regering heeft - gehoord de breed in de Kamer gedragen wens tot herprioritering van deze middelen - besloten tot het inzetten van de doorwerking van de tranche 1999 van de uitgavenreserve voor uitgavenprioriteiten. Wanneer in de toekomst als gevolg van loon- en prijsontwikkelingen alsnog ruilvoetproblemen ontstaan, zal opnieuw een herprioritering van middelen moeten plaatsvinden.

Vraag 29

Is er vanuit de redenering, zoals verwoord in de nota VBTB, dat nieuwe beleidsvoorstellen, prestaties en geld in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd niet veel voor te zeggen om bij de volgende Miljoenennota hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 te integreren? (blz. 52).

Antwoord

In de Miljoenennota wordt in de eerste plaats een overzicht gegeven van de economische ontwikkelingen en het macro-budgettaire beleid van de regering. Daarnaast wordt in algemene zin een overzicht gegeven van beleidsvoorstellen die in de departementale begrotingen worden gepresenteerd. In de toekomstige begrotingen vindt de koppeling plaats tussen de nieuwe beleidsvoorstellen, de bijbehorende uitgaven en de verwachte prestaties. Dit jaar vormde hoofdstuk 3 (Versterking van economische en sociale veerkracht) een nieuw type hoofdstuk. Bezien zal worden in hoeverre dit thema volgend jaar weer apart of eventueel geïntegreerd zal worden met een ander hoofdstuk.

Vraag 30

Kan een overzicht worden gegeven van de realisatie van de afgesproken intensiveringen en ombuigingen uit het regeerakkoord, zoals weergegeven in tabel 4.2.1? Kan tevens per begroting apart worden aangegeven waar de ombuigingen en intensiveringen neerslaan? Kan de regering aangeven of er departementen zijn die niet op schema liggen met betrekking tot de afgesproken ombuigingen (zie ook tabel 1.5.1)? Wat zijn de oorzaken indien er sprake is van achterstanden?

Kunnen er twee nieuwe tabellen gemaakt worden, waarbij tabel 1.5.1 en tabel 4.2.1 aangevuld worden met de huidige inzichten over de gehaalde en de te verwachten intensiveringen en bezuinigingen in deze periode? Kan hiernaast een losse tabel worden gemaakt met nieuw beleid ten opzichte van het regeerakkoord? (blz. 53-54).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 35
Vraag 31

Hoeveel zal de uitgavenmeevaller van rentelasten zijn als de rentevoet in 2000-2002 zou uitkomen op 4.5% respectievelijk 5% in plaats van op de aanname van ruim 6%; graag weer te geven in bedragen per jaar? (blz. 56).

Antwoord

In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de mutatie in de uitgaven als wordt uitgegaan van een afwijkende rente ten opzichte van de Miljoenennota 2000. In de eerste tabel wordt uitgegaan van een rentevoet voor de jaren 2000-2002 van 4½%, in de tweede tabel van een rentevoet van 5%.

De mutatie in de uitgaven bij een afwijkende rentevoet van 4½% voor 2000-2002 (in miljarden)

2000

2001

2002

rentevoet Miljoenennota 2000

5,25%

6,17%

6,17%

veronderstelde rentevoet

4,50%

4,50%

4,50%

verschil


-0,75%


-1,67%


-1,67%

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2000


-0,2


-0,4


-0,4

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2001


-0,5


-0,9

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2002


-0,5

totaal


-0,2


-0,9


-1,8

De mutatie in de uitgaven bij een afwijkende rentevoet van 5% voor 2000-2002 (in miljarden)

2000

2001

2002

rentevoet Miljoenennota 2000

5,25%

6,17%

6,17%

veronderstelde rentevoet

5%

5%

5%

verschil


-0,25%


-1,17%


-1,17%

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2000


-0,05


-0,1


-0,1

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2001


-0,3


-0,7

uitgavenmutatie a.g.v. rentevoet 2002


-0,3

totaal


-0,05


-0,4


-1,1

De veronderstelling van een lagere rentevoet van 4½% à 5% is overigens wel optimistisch gezien het huidige niveau van de rente (circa 5¼%). Bovendien is het denkbaar dat eventuele meevallers bij de rente-uitgaven (deels) nodig zullen zijn ter compensatie van hogere uitgaven als gevolg van een tegenvallende loonontwikkeling. Vraag 32

In hoeverre zijn de mee- en tegenvallers, zoals vermeld in de tabellen
4.3.1 t/m 4.3.3, structureel dan wel incidenteel van aard? (blz. 57-61).

Antwoord

De per saldo mee- en tegenvallers zoals opgenomen in de tabellen 4.3.1 tot en met 4.3.3 voor het jaar 2002 zijn voor het grootste deel structureel van aard.

Het totaal van de macro-economische mutaties (per saldo bijna 1 miljard meevaller voor de drie sectoren samen in 2002) bestaat voor een groot deel uit de structurele doorwerkingen van effecten van de geactualiseerde loon- en prijsramingen voor 1999 en 2000. De rente-meevaller die onderdeel uitmaakt van de macromutaties is eveneens structureel van aard.

De overige mee- en tegenvallers op de Rijksbegroting eng (3½ miljard tegenvaller in 2002) en in de sector SZA (meevaller van 0,2 miljard) zijn vrijwel geheel structureel van aard. Hierbij gaat het bij de Rijksbegroting grotendeels om hogere uitgaven voor asielzoekers en de doorwerking daarvan naar het gemeente- en provinciefonds. In de sector SZA betreft het vooral een meevaller als gevolg van samenstellingseffecten in de AOW.

De structurele component van de per saldo overige tegenvaller in de Zorg van 0,3 miljard in 2002 komt hoger uit. In de post overige mee- en tegenvallers is voor de Zorg een meevaller bij de bouwuitgaven van 0,3 miljard opgenomen. Deze meevaller is echter niet structureel van aard, vanaf 2003 treedt er weer een lichte oploop op. Een ambtelijke werkgroep zal in de komende maanden maatregelen voorbereiden om deze stijging te mitigeren.

Vraag 33

Voor de Zorg en de Rijksbegroting in enge zin zijn de uitgaven in 2000 gelijk aan het uitgavenkader. Bij een geringe daling van de prijsontwikkeling BBP geeft dit voor deze sectoren reeds aanpassingsproblemen. In welke mate behoeven tot 2002 de uitgavenkaders in lopende prijzen bijstelling voor een prijsontwikkeling BBP van 1, 2 en 3%? (blz. 57-61).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 51.
Vraag 34

Met behulp van welke techniek wordt de instroom van asielzoekers geraamd tot en met 2002? (blz. 57).

Antwoord

De regering heeft in december 1998 het Centraal Planbureau (CPB) gevraagd een inschatting te maken van de instroom van het aantal asielzoekers in 1999 en indien mogelijk voor latere jaren. Het CPB kwam op een verwachtingswaarde van 52.000 voor 1999 maar tekende hierbij duidelijk aan dat het maken van een betrouwbare voorspelling, zelfs op de korte termijn, vooralsnog niet mogelijk is. Voor de door het CPB gehanteerde techniek wordt verwezen naar het CPB-onderzoek (Tweede Kamer, 1998-1999, 19 637, nr. 439)

Vervolgens heeft de regering de verwachte effecten van het nieuw te voeren beleid, te weten de verdere intensivering van het terugkeerbeleid en het niet meer opvangen van uitgeprocedeerde asielzoekers, in mindering gebracht op de CPB-prognose.

Vraag 35

Kan een gedetailleerd meerjarig overzicht worden gegeven van de realisering van bezuinigingen alsmede intensiveringen volgens het regeerakkoord, daarbij inbegrepen de toezeggingen van de regering gedaan tijdens de algemene politieke beschouwingen? (blz. 58).

Antwoord

Een aantal fracties heeft gevraagd om een overzicht waarin zowel de stand van zaken met betrekking tot intensiveringen en ombuigingen wordt weergegeven. Hieronder wordt in een vijftal tabellen dit overzicht gepresenteerd:

Intensiveringen:

* Tabel 1: Regeerakkoordintensiveringen (exclusief infrastructuur); Tabel 2: Regeerakkoordintensivering Infrastructuur; Tabel 3: Begrotingsvoorbereiding 2000;

Ombuigingen
Tabel 4: Regeerakkoordombuigingen;
Tabel 5: Regeerakkoordombuigingen Zorg.

Intensiveringen

In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de afgesproken intensiveringen. In tabel 1 vindt u een overzicht van de afgesproken intensiveringen uit het Regeerakkoord (exclusief infrastructuur). In deze tabel wordt dezelfde indeling gevolgd als in het Regeerakkoord. Begrotingstechnisch waren de intensiveringen ten tijde van de Miljoenennota 1999 ten dele toegedeeld naar de diverse begrotingen en deels nog gereserveerd op de aanvullende post Algemeen. Inmiddels zijn de middelen verdeeld over de begrotingen. De implementatie van alle maatregelen is door de ministeries ter hand genomen. Op dit moment kan worden aangegeven dat de implementatie veelal op schema ligt; in de kolom stand van zaken wordt per maatregel stilgestaan bij de huidige situatie. Indien bij bepaalde intensiveringen de invulling/implementatie vertraging oploopt, danwel extra middelen zijn toegevoegd (bijvoorbeeld kwaliteit onderwijs) dan wordt dit ook in deze kolom aangegeven. Daarnaast wordt met betrekking tot de Zorg niet alleen aangegeven wat de extra intensiveringen zijn maar ook wat de volumegroei per sector bedraagt.

In tabel 2 wordt de laatste stand van zaken met betrekking tot de investeringen in infrastructuur weergegeven. In tabel 3 ten slotte vindt u de maatregelen die zijn afgesproken bij de begrotingsvoorbereiding 2000.

Daarnaast is sprake van extra uitgaven die voortvloeien uit de moties die zijn aanvaard bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Deze extra uitgaven betreffen onderwijs, zorg, personeel vredesoperaties, kinderopvang alsmede ICT in het onderwijs. Deze extra uitgaven bedragen in totaal 250 miljoen structureel vanaf 2000. Hiervoor is dekking gevonden in de structurele doorwerking van de uitgavenreserve tranche 1999. In het kader van het pakket extra koopkracht sociale minima is afgesproken dat het basisbedrag in de kinderbijslag met gemiddeld 50,- wordt verhoogd. De extra uitgaven gemoeid met dit onderdeel (125 miljoen in 2000 en 170 miljoen structureel vanaf 2001) worden ingepast binnen het kader SZA.

Tabel 1: Regeerakkoordintensiveringen (excl. infrastructuur)

Intensiveringen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van zaken

Kwaliteit onderwijs

435

940

1441

1977

OCenW

384

825

1285

1761


- klassenverkleining primair onderwijs

100

330

580

De eerste stap naar Klassenverkleining is gezet. De eerstvolgende stap zal per 1 augustus 2000 plaatsvinden. Bij de begrotingsvoorbereiding is gebleken dat de uitgaven gedurende de aanloopjaren 2000 tot en met 2002 lager uitvallen dan het gereserveerde budget. De raming voor Klassenverkleining wordt in 2000, 2001 en 2002 met respectievelijk 16 miljoen, 44 miljoen en 77 miljoen neerwaarts bijgesteld. Er kan niet worden ontkend dat enige knelpunten worden ervaren bij het aantrekken van extra leerkrachten uit hoofde van deze operatie. Anticiperend hierop heeft de regering in het plan Maatwerk voor Morgen perspectieven en acties ontwikkeld om deze knelpunten op te lossen.


- ICT in het onderwijs (exploitatie)

40

144

192

240

Voor het zomerreces heeft de Kamer ingestemd met ICT-plannen zoals verwoord in Onderwijs Online. Inmiddels is begonnen met de uitvoering van de plannen gericht op het integreren van ICT in het dagelijkse onderwijs teneinde de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.


- BVE (apparatuur en nieuwe taken WEB)

69

96

96

154

Het kasritme voor de investeringen in apparatuur is aangepast (gelijkmatiger over de jaren verdeeld). Daarnaast is ongeveer tweederde van de vernieuwingsgelden (61 miljoen) ingezet voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Het rapport over voortijdig schoolverlaten is inmiddels aan de Kamer aangeboden. Hierin wordt voorgesteld hoe de problemen effectief aangepakt kunnen worden. De resterende vernieuwingsgelden zijn via de lumpsum bekostiging ter beschikking gesteld aan het beroepsonderwijs voor de aanschaf van moderne apparatuur.


- verbetering materieel in PO/VO

113

199

175

295

Naast extra middelen voor de versterking van het management op scholen in het primair onderwijs, zijn extra gelden bij Regeerakkoord gereserveerd voor de aanschaf van nieuwe leermiddelen en voor de schoonmaak. Een deel van de middelen is ingezet voor de onderwijs CAO. In het voortgezet onderwijs zijn extra gelden ingezet ter bestrijding van de onderhoudsachterstanden en vernieuwingen. Om de verdeling over de jaren gelijkmatiger te laten verlopen is het kasritme van de uitgaven aangepast.


- studiefinanciering (exclusief WTS)

84

125

331

282

Het wetsvoorstel waarmee de OV-studentenkaart onder het prestatiebeurs-regime wordt gebracht, is met een jaar uitgesteld waardoor er ten opzichte van het Regeerakkoord sprake is van 42 miljoen extra relevante uitgaven in 1999 en 84 miljoen in 2000 (en vice versa 84 miljoen minder niet-relevante uitgaven). Voor de andere genomen maatregelen wordt verwezen naar de nota Flexibele studiefinanciering en het wetsvoorstel WSF 2000. In essentie komen de beleidsintenties neer op de verbetering van de financiële positie van studenten.


- leraren

78

161

161

210

Al eerder is gememoreerd dat voor het aantrekkelijker maken van het beroep leraar bij Regeerakkoord extra geld beschikbaar is gesteld. Dit geld maakt deel uit van meerjarige arbeidsvoorwaardenruimte, en maakt als zodanig deel uit van de CAO-onderwijs. In het plan Maatwerk voor morgen, dat aan de Kamer is aangeboden, geeft de regering een meerjarig perspectief op de onderwijsarbeidsmarkt.

LNV

11

25

26

36

Waar van toepassing, deelt het landbouwonderwijs mee in de intensiveringen uit hoofde van kwaliteit van het onderwijs. Het voortgezet agrarisch onderwijs verkrijgt onder andere extra middelen voor ICT in het onderwijs.

Gemeentefonds

40

90

130

180

In het kader van de Klassenverkleining is bij Regeerakkoord geld vrijgemaakt voor de gefaseerde verkleining van de groepen 1 tot en met 4 in het basisonderwijs. Groepsverkleining leidt tot een grotere behoefte aan klaslokalen. Om aan deze behoefte te kunnen voldoen, zijn gelden aan het gemeentefonds toegevoegd oplopend van 40 miljoen in 1999 tot 180 miljoen in 2002.

Kinderopvang en naschoolse activiteiten

65

135

185

265

SZW

15

15

15

15


- commissie dagindeling

Aanbevelingen van de commissie dagindeling (die voorziet in een betere combinatie van werk- en thuissituatie) zullen door middel van een tijdelijke stimuleringsmaatregel worden uitgewerkt in experimenten, ervaringsuitwisseling en informatievoorziening. De middelen zijn inmiddels voor een groot deel verdeeld. Over de jaren is wel een kleine wijziging in het kaspatroon opgetreden.

VWS

50

120

170

250


- specifieke uitkering

Met betrekking tot de kinderopvang is met de Tweede Kamer een Plan van Aanpak besproken en afgestemd. In dit plan zijn streefdoelen geformuleerd. De uitvoering van deze plannen loopt op schema. Tot en met 2002 lopen deze middelen via de VWS-begroting; na 2002 worden de middelen overgeheveld naar de gemeenten.

Politie/overige justitiële keten

175

350

500

750

BZK

123

199

255

375


- politie

In het kader van het veiligheidsbeleid worden de RA-middelen aangewend voor meer politieagenten (3.000 ftes extra) en oplossen financiële knelpunten politieregios. In een met de regios af te sluiten convenant zijn over beide zaken (gekwantificeerde) afspraken gemaakt. Het concept-convenant is besproken in het algemeen overleg van 31 augustus 1999 zodat het nu voortvarend kan worden uitgevoerd.

Justitie

52

151

245

375


- sanctiecapaciteit

6

56

105

170

Met de bij Regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen wordt de sanctiecapaciteit vergroot. De definitieve invulling wordt momenteel bezien aan de hand van geactualiseerde prognoses van de benodigde sanctiecapaciteit. Een deel van de middelen is inmiddels voor de sociale advocatuur ingezet (10 mln. in 2000 en 2001 en 20 miljoen).


- versterken en moderniseren rechterlijke macht

30

61

90

130

Met de contourennota die in december 1998 naar de Tweede Kamer is gestuurd is een start gemaakt met de versterking en modernisering van de rechterlijke macht. Een belangrijk deel van de werkzaamheden neemt de rechterlijke macht zelf ter hand via het Programma Versterking Rechterlijke Macht. Het ministerie van Justitie werkt aan wetgeving betreffende de reorganisatie en een groot aantal ondersteunende projecten. Over de voortgang van dit grote project wordt de Tweede Kamer minstens tweemaal per jaar geïnformeerd. De eerste voortgangsrapportage verschijnt in november 1999.


- Jeugd en Geweld

16

34

50

75

De RA-middelen voor jeugd en geweld zullen onder andere worden ingezet voor de Raad voor de kinderbescherming, uitvoering van het programma CRIEM, verkorten wachtlijsten in de jeugdhulpverlening en voor criminaliteitsbestrijdingsprojecten. Voor wat betreft de extra middelen na RA toegevoegd wordt verwezen naar tabel 2.

Sport

10

20

35

55

VWS

10

20

35

55


- versterking sportbeoefening in alle geledingen

Met de Tweede Kamer is een Plan van Aanpak besproken dat erop ziet om sportbeoefening in alle gelederen te versterken. Er is enige vertraging opgetreden in de uitvoering van deze plannen doordat de nota Brede Sport later dan verwacht in de Kamer is ingediend.

Cultuur

15

30

40

60

OcenW

In de uitgangspuntenbrief voor het cultuurbeleid 2001-2004 Cultuur als Confrontatie wordt aangegeven dat extra middelen besteed zullen worden voor de versterking van de programmering en culturele diversiteit (f 50 mln.), jeugd en cultuur (f 25 mln.), beter zichtbaar maken van cultureel vermogen (f 26 mln.) en cultuur bij de inrichting van Nederland (f 30 mln.). Voor de financiering van deze prioriteiten worden de extra middelen voor cultuur op grond van het Regeerakkoord ingezet. De Uitgangspuntenbrief wordt 4 november in de Tweede Kamer behandeld.

Specifiek Werkgelegenheidsbeleid

250

500

750

950

SZW

250

500

750

950


- Sluitende aanpak

75

150

225

250

Iedere nieuwe werkzoekende van 23 jaar en ouder krijgt binnen een jaar een arbeidsbemiddelingstraject aangeboden. In 2000 zullen circa 35.000 trajecten worden gerealiseerd. Bovenop de middelen uit het Regeerakkoord is ook nog 100 miljoen uit de Eindejaarsmarge toegevoegd aan de sluitende aanpak.


- I/D-banen

100

200

300

400

Er worden in totaal 20.000 nieuwe I/D-banen (Instroom/Doorstroom) geïntroduceerd, waarvan tot het jaar 2000 al 10.000.


- Uitbreiding WSW-plaatsen

50

100

150

200

Er vinden intensiveringen plaats in de WSW waarmee de wachtlijsten worden beperkt. Daarbij komt relatief veel nadruk te liggen op het instrument begeleid werken. In 2000 zullen circa 1100 nieuwe WSW-plaatsen in uitvoering genomen kunnen worden.


- bevordering betere arbeidsomstandigheden

25

50

75

100

Met het oog op de verbetering van de arbeidsmarktomstandigheden bevordert het Rijk de totstandkoming van
arbeidsomstandighedenconvenanten op bedrijfstakniveau.

Specifiek inkomensbeleid

175

375

550

750

OCenW

50

125

175

250


- WTS

Op dit moment ligt er een wetsvoorstel ter behandeling in de Tweede Kamer waarin de RA-intensiveringen met betrekking tot de Wet Tegemoetkoming Studiekosten nader worden vormgegeven. Hierover vindt dit najaar overleg plaats met de Tweede Kamer.

VROM

25

75

100

125


- IHS

De RA-intensivering IHS is, vooruitlopend op nadere besluitvorming gedeeltelijk ingeboekt ter dekking van het woon-zorgstimuleringsfonds dat bedoeld is voor de afstemming van wonen en zorg voor met name ouderen. Daarnaast is een bedrag, oplopend tot 10 mln in 2002, gereserveerd voor de extra IHS-uitgaven a.g.v. de ontdooiing van de huurgrens.

Ook zijn middelen gereserveerd voor de nog in te voeren regeling Bevordering Eigen Woningbezit (moet nog besluitvorming over plaatsvinden), die het woningbezit onder lage inkomensgroepen dient te bevorderen (met minder IHS als gevolg).

SZW


- Bijzondere bijstand

50

75

125

150

De regering heeft overeenkomstig het Regeerakkoord extra middelen beschikbaar gesteld voor de bijzondere bijstand als onderdeel van het lokale inkomensondersteuningsbeleid. Deze middelen, oplopend van 50 miljoen in 1999 tot 150 miljoen in 2002, zijn aan het gemeentefonds toegevoegd. In 1999 en 2000 wordt de totale intensivering op grond van een amendement op de begroting van SZW eenmalig verhoogd met 50 miljoen respectievelijk 25 miljoen. Het bedrag van 50 miljoen is reeds bij Voorjaarsnota 1999 verwerkt. De tweede tranche van 25 miljoen wordt bij Voorjaarsnota 2000 geregeld.

Gemeentefonds

50

100

150

225


- WVG/Chronisch zieken

Er vinden intensiveringen plaats in de WVG. Deze middelen zijn inmiddels toegevoegd aan het Gemeentefonds. Overigens is er voor jonggehandicapten met een Wajong-uitkering een fiscale faciliteit geïntroduceerd om hun inkomstenniveau op te trekken naar dat van ouderen.

Zorg

1415

2830

4245

5660

VWS

1415

2830

4245

5660

In het Regeerakkoord is in totaal 5,66 mrd aan de zorg toegevoegd. Deze 5,66 mrd bestaat uit 3,46 mrd reeds beschikbare volumegroei en 2,2 mrd extra intensiverings-middelen (overeenkomend met groei van 2,3% per jaar). De aan de zorgsector toegevoegde middelen zijn in de meeste sectoren middels meerjarenafspraken belegd.


- curatieve zorg

593

768

1132

1495

Met de huisartsen en de paramedici zijn meerjarenafspraken overeengekomen over de aanwending van de middelen. Met de ziekenhuizen en de specialisten zijn akkoorden gesloten over de hoogte van de intensiveringsgelden, over de exacte verdeling zijn echter geen afspraken gemaakt.


- geestelijke gezondheidszorg

127

133

195

256

In de sector GGZ zijn geen meerjarenafspraken gesloten omdat door het vorige kabinet al is besloten tot capaciteitsuitbreiding in de zorg via bouw van nieuwe faciliteiten.


- gehandicaptenzorg

136

195

291

386

Met de sector zijn meerjarenafspraken gemaakt over de inzet van de intensiveringen.


- ouderen- en thuiszorg

368

954

1428

1903

Met de sector zijn afspraken gemaakt over de inzet van de intensiveringen.


- genees- en hulpmiddelen

215

774

1161

1548

In het Regeerakkoord is uitgegaan van een volumegroei bij de medicijnen van ca. 6%. Om deze 6% te realiseren dienen onder meer de maatregelen uit het met de Tweede Kamer besproken Plan Koopmans tijdig geïmplementeerd te worden (voornamelijk budgettering van poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen en de invoering van het Elektronisch Voorschrijfsysteem).


- overig


-23,6

7,1

38,8

71,4

In afwachting van de nadere uitwerking van plannen staat een aantal intensiveringen vooralsnog gereserveerd op de aanvullende post. Bedoeling is om op het gebied van preventie en beheer zo snel mogelijk plannen aan de TK te presenteren zodat met de uitvoering ervan kan worden begonnen. De overige intensiveringen betreffen preventie, beheer en diversen (incl. de besparing op uitvoeringskosten i.v.m. het opheffen van de eigenbijdrageregeling ZFW). De budgetten van de zorgkantoren zullen afhankelijk van de mate waarin deze nieuwe taken ontwikkelen opgehoogd worden.

Sociale infrastructuur

25

50

75

100

BZK

12,5

25

37,5

50


- inburgering

Deze middelen zijn bestemd voor inburgering van oudkomers (langer in Nederland verblijvende allochtonen). Het merendeel van deze middelen is toegevoegd aan de regeling sociale integratie en veiligheid ten behoeve van de 25 grootste gemeenten in ons land. In de te sluiten convenanten in het kader van het Grote Stedenbeleid zullen over de inzet van deze middelen afspraken gemaakt worden. Het restant is bedoeld voor de inburgering van oudkomers in de andere steden. Op dit moment is een regeling voor de inzet van deze middelen in voorbereiding.

VWS

12,5

25

37,5

50


- jeugdbeleid

In het kader van een brede aanpak omtrent het Jeugdbeleid is er een Plan van Aanpak aan de Tweede Kamer gepresenteerd. In dit Plan zijn duidelijke streefdoelen geformuleerd. Door de complexiteit en de breedte van het aantal relevante themas is er enige vertraging in het noodzakelijke wetgevingstraject opgetreden. De Commissie Gunter zal in oktober 1999 met een advies over de verdere voortgang komen. In ieder geval is duidelijk het proces van het maken van meerjarige afspraken dit jaar goed in gang gezet. Na RA zijn nog extra middelen vrijgemaakt voor Jeugdbeleid (zie tabel 2).

Doorwerking GF/PF

75

245

275

335

In onderstaande tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de uitvoering van het Investeringsprogramma uit het Regeerakkoord op basis van de Regeerakkoordimpuls infrastructuur. In de brief van 23 oktober 1998 aan de Tweede Kamer Op de drempel van de 21e eeuw: het investeringsprogramma voor de ruimtelijk-economische structuurversterking (1999-2002) (TK 1998-1999, 25017, nr 11) heeft de regering voor zover mogelijk de uitwerking en concretisering van de impuls, inclusief de budgettaire verdeling, aangegeven. In onderstaand overzicht wordt voor zover van toepassing een actualisatie gegeven van de stand van zaken. Overigens wordt de kamer veelal separaat en per dossier geïnformeerd over de ontwikkelingen op de diverse infraclusters. Praktisch alle budgetten zijn thans uitgedeeld naar de begrotingen. Voor zover dat niet het geval is wordt dat hieronder aangegeven. In de (ontwerp)begrotingen wordt uiteraard ook meer gedetailleerd op de betrokken programmas ingegaan. De infra-programmas zullen worden gemonitored ten behoeve van de door de regering aangekondigde en door de ICES voor te bereiden evaluatie in 2001.

Tabel 2: Regeerakkoordintensivering Infrastructuur

Maatregel (bedragen in miljoenen)

Totaal

1999

2000

2001

2002

Stand van zaken


6.425

NB. De RA-intensivering voor infrastructuur bedraagt 6.200 miljoen; het restant komt, conform RA, uit de vrije ruimte op de begrotingen.


a. Bereikbaarheid


2.730

328

704

773

925

Infrastructuurfonds

Hoofdwegennet

Regionaal/lokaal vervoer

Rail personenvervoer

Rail goederenvervoer

Vaarwegen


+

Inpassingsbudget wegen/OV/Vaarwegen (na 2002)

Na het vaststellen van het geïntegreerde investeringsprogramma Bereikbaarheid, in samenhang met het Infrastructuurfonds in het MIT, zijn aanvullende afspraken gemaakt met de regios. Op basis van een bijstelling van de geraamde prijsbijstelling ad 2,3 miljard en met verdeling van de 2 miljard uit het RA voor extra inpassing zijn extra projecten aan het programma tot en met 2010 toegevoegd (zie brief van 4 december 1999 aan de TK). Tevens kunnen regios door voorfinanciering projecten laten versnellen. Inmiddels is het eerste convenant gesloten over de N50 Kampen-Ramspol.

VenW

Rekeningrijden

535

50

160

160

165

Zoals recentelijk aan de Tweede Kamer is gemeld is het voornemen Rekeningrijden in 2001eerst in één stadsgewest in te voeren. Na evaluatie wordt rekeningrijden vervolgens integraal ingevoerd.


b. Vitaliteit Steden

930

110

240

265

315

Algemeen

In 1998 zijn doorstartconvenanten met de Grote Steden gesloten. Het instrument om stedelijke vernieuwing te stimuleren is het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). Dit instrument is te beschouwen als de fysieke kolom van het overkoepelende GSB, dat verder bestaat uit een sociale en een economische kolom. Gemeenten moeten voor 1 november a.s. een meerjarenontwikkelingsprogramma indienen waaraan verschillende vereisten zijn gesteld. Voor de beoordeling is in overleg met de planbureaus een toetsingsinstrumentarium ontwikkeld.

EZ

Stadseconomie (v/h Bedrijventerreinen)

17

36

40

47

Op basis van ontwikkelings- en investeringsprogrammas van steden zullen in december 1999 meerjarentoezeggingen aan steden voor de periode tot en met 2004 worden gedaan.

VROM

Sleutelprojecten

12

27

30

36

De sleutelprojecten zijn nog volop in ontwikkeling. De beschikbare middelen zijn nog gereserveerd in het FES.

OCenW/VROM

Monumentenzorg

14

31

34

41

OCenW: De plannen voor monumentenzorg zijn vanwege de bestaande toekenningssystematiek geaccordeerd tot en met 2008. De inzet van middelen voor Rijksmonumenten niet in rijksbezit, wordt in overeenstemming met de VNG, in verband gebracht met het plannen voor het ISV en het GSB.

VROM: Inmiddels wordt de restauratie van reeds 31 geselecteerde Rijksmonumenten in rijksbezit ter hand genomen.

VROM

Stedelijke vernieuwing en Lokale Milieuhinder

56

121

134

159

In relatie met het bestaande ISV, worden de middelen beschikbaar gesteld voor de grootstedelijke programmas tot en met 2004.

BZK

Fonds Leefbaarheid Grote Steden

11

25

27

32

Ter verbetering van de leefbaarheid en de veiligheid van de leefomgeving worden in het kader van de meerjarige ontwikkelingsprogrammas van de G25 nog dit jaar op basis van een ministeriële regeling middelen beschikbaar gesteld.


c. Milieu

350

42

89

96

123

EZ/VROM

Milieutechnologie

7

16

17

20

De (uitbreidingen van de) programmas Economie, Ecologie en Technologie (EET) en het Programma Milieutechnologie (ProMT) zijn in uitvoering genomen.

EZ

Duurzame energie-

impuls

10

20

23

27

Er worden 2 onderzoeks- en demonstratieprogrammas onder beheer van Novem geïntensiveerd en er is een subsidiefaciliteit gecreëerd voor warmtepompboilers.

VROM/VenW

Sanering waterbodems

20

28

31

36

De voornemens voor realisering van additionele stort- en verwerkingsfaciliteiten, voor sanering in regionale wateren en voor waterbodems in gemeentelijke en regionale wateren zijn in uitvoering genomen.

VROM

Overige NMP3-opties

5

25

25

40

Met de middelen wordt uitvoering gegeven aan maatregelen op het gebied van aanvullend stikstofbeleid, klimaatbeleid, bronbeleid voor Nox en geluid, en voor een stimuleringsregeling vervanging loden leidingen.

Ruimtedruk en


-kwaliteit

745

130

189,5

201

224,5

LNV

Natte natuur, reservering EHS, Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, Glastuinbouw

50

109,5

121

144,5

De concrete uitwerking van de projecten Natte natuur (IJsselmeer/Randmeren, Zuid-Hollandse Delta e.a.) is in overleg met betrokken bestuurders en maatschappelijke organisaties vastgesteld. De grondverwerving tbv de EHS ligt door de impuls kwantitatief (qua hectares) op schema. Inmiddels zijn een aantal natuur- en landschapsbeheerprojecten in bijzondere landschappen in uitvoering genomen. Tevens worden dit jaar middelen beschikbaar gesteld in het kader van groen in en om de stad (ISV-kader). Nog in 1999 zal voor de glastuinbouw een stimuleringsregeling gericht op het realiseren van nieuwe glastuinbouwlocaties in werking treden.

LNV

Reconstructie / Kwaliteitsimpuls zandgronden

80

80

80

80

Op grond van de dit jaar in werking getreden Regeling voor bedrijfsbeëindiging en verplaatsing varkenshouderijbedrijven zijn reeds ruim 100 aanvragen toegekend. In het kader van de kwaliteitsverbetering zijn inmiddels pilots opgestart. Voor de middelen voor de reconstructie is inmiddels een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer aangeboden.


e. Kennis


1.135

209

300

311

315

NB. Een aantal projecten hebben t.o.v. oktober 1998 een gewijzigd kasritme.

OCenW

Technocentra

16

12

12

De plannen voor technocentra zijn met de TK besproken en worden thans in uitvoering genomen. Besloten is om in plaats van pilots, in deze kabinetsperiode te komen tot een landelijk gespreid stelsel van circa 15 technocentra. Een regeling is inmiddels uitgewerkt.

Diversen

Onderzoek (kennis en toepassing)

24

76

90

93

Van de 10 kennisprojecten zijn er 8 definitief goedgekeurd en zijn in uitvoering genomen. Het 9e project (Experimentele faciliteiten) moet dit jaar nog in zijn geheel worden beoordeeld en goedgekeurd; het 10e project (NIDO) is reeds voor het jaar 1999 goedgekeurd, besluitvorming over de daaropvolgende jaren zal nog dit jaar plaatsvinden. De Kamer is hierover reeds geïnformeerd.

EZ

Internet / Exchange / diensten

25

38

39

40

Dit onderwerp is uitgewerkt in het project Gigaport, dat is goedgekeurd en in uitvoering is genomen.

OCenW

ICT Onderwijs

160

170

170

170

Het plan voor ICT in het onderwijs is inmiddels goedgekeurd. De middelen zijn verdeeld over de beleidsterreinen en de scholen zijn op de hoogte gesteld. Binnenkort wordt begonnen met de uitvoering van het Kennisnet.

In onderstaande tabel 3 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsintensiveringen die zijn overeengekomen in de begrotingsvoorbereiding 2000.

Tabel 3: Intensiveringen begrotingsvoorbereiding 2000

Begrotingsvoorbereiding 2000

1999

2000

2001

2002

Algemene toelichting

Humanitaire hulp en vredesoperatie Zuidoost-Europa

500

500

500

In 2000 en latere jaren worden extra uitgaven gedaan voor humanitaire hulp, vredes- en wederopbouw, macrosteun en vredesoperaties in Zuidoost-Europa.

Sociale advocatuur

30

52

60

Met deze maatregel wordt het uurtarief per 1-1-2000 verhoogd van f 125,- tot f 154,- (inclusief indexering). Hierdoor wordt de rechtstoegang voor de laagste inkomens vergroot.

Normvergoeding politie

(21)

42

60

88

Met deze middelen en die van het Regeerakkoord wordt de vergoeding aan politieregios op een reëel niveau gebracht en worden achterstanden op het gebied van ICT ingelopen. In de bekostiging van de regios zal voorts een prestatiecomponent worden ingevoerd.

Brandweer en rampenbestrijding

13

38

42

Voor de versterking van de rampenbestrijding zijn extra middelen door het Rijk alsmede door gemeenten uitgetrokken. Hiermee kunnen grote calamiteiten in de toekomst nog effectiever bestreden worden. De hoofdlijnennotitie wordt momenteel besproken met bij rampenbestrijding betrokken besturen, organisaties en diensten. Eind 1999 zal de Beleidsnota Rampenbestrijding aan de TK gestuurd worden.

Jeugdbeleid

60

60

60

Door de afschaffing van de omroepbijdrage alsmede door een extra impuls van de regering komt er per 2000 een bedrag van structureel 60 miljoen ter beschikking voor het Jeugdbeleid (middelen die in een geïntegreerde actie tussen de ministeries van Justitie en VWS tot besteding komen). Met deze middelen wordt een landelijk dekkend systeem van eenduidige toegang tot de jeugdzorg (via de op te richten bureaus Jeugdzorg) gefinancierd. Tevens worden deze middelen ingezet om de wachtlijsten bij de jeugdhulpverlening weg te werken. Daarnaast zal er extra geïnvesteerd worden in het programma Jeugd en Geweld dat voorziet in meer preventieve maatregelen om jeugdcriminaliteit te voorkomen onder andere door Justitie meer in de buurt te brengen.

Optimalisatie doorstroming/ achterstandsprojecten/voorhoedescholen

35

35

35

Een deel van het geld wordt ingezet om de taakstelling (efficiency-korting) te verkleinen die was gekoppeld aan de optimalisatie van de doorstroom VO/BVE (15 miljoen in 2001 en 35 miljoen in 2002). Extra geld is tevens beschikbaar gesteld voor ICT in het onderwijs, in het bijzonder voor zogenoemde voorhoedescholen die de weg wijzen voor de andere scholen (30 miljoen in 2000 en 20 miljoen in 2001). Inmiddels is de Kamer via een brief over Kennisnet op de hoogte gesteld van de besteding van dit budget. Tot slot wordt in 2000 eenmalig 5 miljoen ingezet voor vroegschoolse opvang in de honderd grootste risicowijken in ons land.

Dak- en thuislozen/maatschappelijke opvang

35

35

35

In het kader van de sociale infrastructuur worden middelen ingezet voor de verslavingszorg/maatschappelijke opvang. Bovendien wordt via laagdrempelige, 24-uursopvang de opvang van dak- en thuislozen verbeterd.

AKW/koopkrachtverbetering

126

148

121

In het kader van koopkrachtverbetering zijn de basisbedragen van de kinderbijslag verhoogd.

IHS ex-banenpoolers

28

17

10

De achteruitgang in huursubsidie per 1-7-1999 van sommige groepen ex-banenpoolers in de WIW zal tijdelijk tegemoet worden gekomen.

Totaal

869

945

951

Ombuigingen

In onderstaande tabel 4 wordt, op basis van de tabel op pagina 66 van het Regeerakkoord, een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de ombuigingen uit het Regeerakkoord. In deze tabel wordt dezelfde indeling gevolgd als in het Regeerakkoord. Begrotingstechnisch waren de ombuigingen ten tijde van de Miljoenennota 1999 reeds toegedeeld naar de diverse begrotingen, de implementatie van alle maatregelen is daarna door de ministeries ter hand genomen. Op dit moment kan worden aangegeven dat de implementatie veelal op schema ligt; in de kolom stand van zaken wordt per maatregel stilgestaan bij de huidige situatie. Indien bij bepaalde ombuigingen de invulling/implementatie vertraging oploopt dan wordt dit ook in de kolom stand van zaken aangegeven.

Aangezien in het Regeerakkoord tevens is afgesproken dat de maatregelen die in de zorg zijn genomen ten gunste van de zorg blijven, zijn deze niet in tabel 4 opgenomen. Om tóch inzichtelijk te maken hoe de maatregelen in de zorg zich uitkristalliseren is een aparte tabel 5 opgesteld, die qua opzet vergelijkbaar is met tabel 4.

In de betreffende begrotingen 2000 wordt uiteraard (uitgebreider) ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot hieronder genoemde maatregelen.

Tabel 4: Regeerakkoordombuigingen

Ombuigingen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van Zaken

Doelmatigheid

474

1117

1747

2334


1. Arbeidsproductiviteit collectieve sector

110

220

330

450

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


2. Volume-taakstelling departementen

36

72

108

144

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


3. Budgettering incidentele loonstijging

73

170

285

435

Bij Miljoenennota 1999 is deze taakstelling verwerkt op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden. De jaarlijkse uitdeling loonbijstelling is, respectievelijk wordt, vervolgens voor deze taakstelling gekort. Voor de sector onderwijs en wetenschappen is de taakstelling naar rato verdeeld over de relevante begrotingen (OCenW en LNV).


4. Vergroting doelmatigheid departementale

aankoop

62

123

185

246

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


5. Externe advisering

18

37

54

54

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


6. Efficiency uitvoeringskosten uvis en SVB

50

250

400

500

De SVB en de uvis hebben een aantal plannen waarmee de taakstelling zal worden gerealiseerd. Een aantal plannen van de uvis wordt nog nader uitgewerkt en besproken met het LISV.


7. Efficiency Arbvo/SWI

25

50

75

100

Deze ombuiging is taakstellend op de budgetten van Arbeidsvoorziening en het Gemeentefonds verwerkt. De ombuiging wordt gerealiseerd.


8. Tendering en uitbesteding VenW

0

30

60

90

De verlagingen zijn programmatisch verwerkt in het Infrastructuurfonds respectievelijk via doelmatigheidsbesparing op het beleidsterrein van personenvervoer verwerkt in de begroting van VenW.


9. LNV

50

90

125

150

Op de begroting van LNV is een aantal maatregelen genomen, die zijn toegedeeld naar diverse artikelen. Het betreft hier onder meer een beperking van de apparaatsuitgaven en een beperking van een aantal subsidies.

10. Gevangeniswezen

25

50

75

115

De Tweede Kamer is via brief nr. 49 (TK 26.200 VI) geïnformeerd over de invulling van de taakstelling van 115 miljoen bij de gevangenissen. In de brief worden de concrete maatregelen genoemd.

11. Efficiency uitvoering IHS

25

25

50

50

Verschillende maatregelen zijn genomen; er is een verlaging doorgevoerd van de kostenvergoeding aan matigende verhuurders en bevoorschottende instanties, en de beoogde automatisering is in gang gezet en levert besparingseffecten op bij zowel Rijk, Gemeenten en verhuurders.

Marktconforme prijzen

135

170

260

300


1. Nieuw contract gasprijs tuinders

35

70

110

150

Invulling van de maatregel heeft gedeeltelijk plaatsgevonden via een verhoging van de gasbatenraming met de geraamde meeropbrengst als gevolg van de nieuwe contracten voor de tuinbouwsector.


2. Verkoop agrarische domeinen

100

100

150

150

De maatregel is verwerkt in de ontvangsten uit de verkoop domeinen. In verband met extra ontvangsten in 1999 is de taakstelling voor 2001 en 2002 middels een intertemporele compensatie naar beneden aangepast tot 125 miljoen in 2001 en 100 miljoen in 2002.

Decentralisatie

0

250

375

500


1. ABW-volume

0

250

375

500

De ingeboekte bezuiniging moet worden gerealiseerd door een verhoging van het gemeentelijk aandeel in de financiering van de bijstand. Met de gemeenten is afgesproken om dit aandeel per 2001 te verhogen van 10% naar 25%. Deze afspraak wordt thans in het bestuurlijk overleg tussen Rijk en gemeenten nader uitgewerkt

Arbeidsvoorwaarden overheid

0

133

267

400


1. Functioneel Leeftijdsontslag

0

33

67

100

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel toegedeeld naar diverse begrotingen, m.n. de begrotingen van Defensie en BZK (sector Politie). Bij de sector Politie is in de CAO overeenstemming bereikt over maatregelen voor de FLO. Bij de sector Defensie zal het overleg over de FLO dit najaar plaatsvinden.


2. Ziektekostentegemoetkomingen

0

100

200

300

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel verwerkt op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden. Nadien is een verdeling afgesproken over de sectoren Rijk, Onderwijs en Wetenschappen, Rechterlijke Macht, Politie en Defensie. De op basis van deze verdeling berekende percentages zullen in het desbetreffende jaar als korting op de kabinetsbijdrage voor de arbeidsvoorwaarden worden verwerkt.

Concrete maatregelen t.a.v. de ziektekostentegemoetkomingen vallen onder het overeenstemmingsvereiste. In de CAOs voor de sectoren Rijk, Rechterlijke Macht en Defensie zijn concrete afspraken gemaakt voor de ziektekostentegemoetkomingen; bij de sectoren Politie en Onderwijs is dat nog niet gebeurd.

Onderwijs

25

50

75

100


1. Wacht- en lesgelden

25

50

75

100

De maatregel wachtgelden is taakstellend verdeeld over de onderwijssectoren. De lesgelden worden op basis van de Les- en cursusgeldenwet geïndexeerd. Daarnaast is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aangepast waarmee de jaarlijkse indexering van collegegeld met ingang van het collegejaar 1999/2000 plaatsvindt.

Volume Sociale Zekerheid

170

335

500

665


1. Volume WAO/vangnet ZW (keuringspraktijk/arbo)

75

150

225

300

De regering heeft in het najaar van 1998 een Plan van aanpak voor terugdringing van het WAO-volume gepresenteerd. In mei 1999 is een plan voor de hervorming van het poortwachtersmodel aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Inschatting is op dit moment dat deze plannen ertoe leiden dat de ombuiging gerealiseerd wordt.


2. Volume WAO/vangnet ZW a.g.v. reductie wachtlijsten zorg

50

100

150

200

Van deze ombuiging slaat 150 miljoen in 2002 neer bij de geprivatiseerde ziektewetuitgaven. Wat de rest van de ombuiging betreft, loopt er een discussie over de zorginkoop.


3. Volume WW

25

50

75

100

Een aantal van de voorstellen voor realisatie van de ombuiging zijn reeds ingevoerd en een aantal nog niet, waarbij het met name gaat om voorstellen voor het activerend ouderenbeleid. Er is een adviesaanvraag aan de SER verstuurd.


4. Vrijval ABW en arbeidsongeschiktheidsuitkering (WSW)

20

35

50

65

Als gevolg van de intensivering bij de WSW treedt vrijval op bij de ABW en de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Specifieke maatregelen zorg

0

15

30

45


1. Verhaalsrecht AWBZ

0

15

30

45

De stand van zaken wordt toegelicht in tabel 5.

Buitenlandbeleid

569

1025

1575

2000


1. Beperking EU-uitgaven

0

425

925

1300

Deze maatregel is reeds volledig gerealiseerd via de uitkomsten van Berlijn.


2. Verbreding begrip internationale samenwerking (non-ODA)

69

100

150

200

Gerealiseerd; de binnenlandse apparaatsuitgaven van Buitenlandse Zaken zijn onder de hgIS gebracht, onder aftrek van de in het Regeerakkoord opgenomen budgettaire taakstellingen.


3. Opvang A-statushouders onder ODA

125

125

125

125

Gerealiseerd.


4. Defensie

375

375

375

375

Voor 1999 gerealiseerd; plannen voor latere jaren zijn aangegeven in de Hoofdlijnennotitie. In de aan het eind van het jaar uit te brengen Defensienota zal een definitieve invulling plaatsvinden.

Overige ombuigingen

126

431

681

1308


1. Versneld afschaffen BWS

0

0

60

145

Gerealiseerd door een verlaging van de rijkssubsidiëring aan budgethouders en corporaties.


2. Verrekening lokatiegebonden subsidies

0

50

50

50

De maatregel is in de meerjarencijfers van de begroting verwerkt. Op dit moment wordt over de exacte wijze van invulling nog gesproken met de stadsgewesten (budgethouders).


3. Vermindering subsidies en kredieten EZ

40

80

95

110

Invulling heeft plaatsgevonden op diverse artikelen op de begroting van EZ waar subsidies en kredieten worden verantwoord.


4. Vermindering kredieten FIN

20

40

40

40

De maatregel is verwerkt op het artikel bijzondere financiering.


5. Verhogen boeten en transacties

60

60

60

60

De maatregel wordt ingevuld door een intensivering van het verkeerstoezicht. Inmiddels is deze intensivering van start gegaan in de vorm van regioplannen. Deze plannen richten zich op het handhaven van de maximumsnelheid, het rijden door rood licht en het voorkomen van rijden onder invloed.


6. Fraudeplan


-23

42

138

285

De besparing wordt gerealiseerd door verschillende fraudebestrijdingsmaatregelen, op de terreinen van SZW, de fiscaliteit en de horizontale fraudebestrijding (i.h.b. politie, magistratuur en bijzondere opsporingsdiensten). De maatregelen worden op dit moment geïmplementeerd. Verwezen wordt tevens naar de voortgangsrapportage fraudebestrijding die in juni j.l. naar de Tweede Kamer is gestuurd.


7. Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik fiscale regelgeving

0

100

150

500

De invulling van deze maatregel is onderdeel van het ondernemerspakket dat voor een deel in het belastingplan 2000 is uitgewerkt. De fasering van de maatregelen van het ondernemerspakket leidt ertoe dat de realisatie van deze taakstelling iets achter loopt op het in het regeerakkoord voorziene tijdpad. Voor een nadere toelichting zij kortheidshalve verwezen naar de memorie van toelichting bij het belastingplan 2000.


8. Algemene indexatie eigen bijdragen

29

59

88

118

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel toegedeeld naar diverse begrotingen.

Totaal

1499

3526

5510

7652

In de onderstaande tabel 5 wordt een overzicht gegeven van de taakstellingen die in het BKZ verwerkt waren ten tijde van het opstellen van de Miljoenennota 1999. Deze taakstellingen zijn niet expliciet terug te vinden in de ombuigingslijst uit het Regeerakkoord, aangezien de zorg hier in netto-termen in verwerkt is.

Tabel 5: Ombuigingen Zorg

Ombuigingen (in miljoenen guldens)

1999

2000

2001

2002

Stand van Zaken


1. Geneesmiddelen verzorgingshuizen

25

25

25

25

Deze taakstelling zal niet voor 2001 gerealiseerd worden, verzorgingshuizen zullen pas gebudgetteerd worden voor de geneesmiddelen bij de overgang naar de AWBZ per 1-1-2001. Het besparingsverlies is inmiddels anders gedekt.


2. Beperking groei hardlopende geneesmiddelen

10

20

30

40

Ten opzichte van de taakstelling Miljoenennota 1999 is het beleid t.a.v. hardlopende geneesmiddelen (cholestorol-verlagende middelen, maagzuurremmers en slaapmiddelen) aangescherpt, dit heeft tot ruimte geleid in 1999, 2000 en 2001. Deze meevaller is aangewend voor tegenvallers en besparingsverliezen elders.


3. Overheveling buiten-WTG

155

155

155

155

Over het buiten de WTG plaatsen van geneesmiddelen is een onderzoek uitbesteed aan de Ziekenfondsraad (m.n. gericht op de positie van chronisch zieken), waardoor de geplande invoering per 1-1-99 niet kon worden gerealiseerd, maar per 1-4 99. Daarnaast is de ruimte voor de toelating van nieuwe geneesmiddelen vergroot. Dit tezamen resulteert in een besparingsverlies van 115 miljoen in 1999 en 20 miljoen structureel. Dit verlies is inmiddels gedekt uit meevallers elders.


4. Kortingen en bonussen apothekers

150

150

150

150

De taakstelling bij Miljoenennota 1999 is gerealiseerd door een generieke korting op de inkoopvergoeding. Inmiddels is een additionele taakstelling opgenomen van 75 miljoen in 1999 tot 200 miljoen in 2002. VWS en het COTG zijn in een juridische procedure verwikkeld met de farmaceutische industrie en de apothekersorganisatie KNMP over de invoering van deze additionele maatregel.


5. Koopmans

80

295

555

Afgesproken is dat per 1-1-2000 de poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen gebudgetteerd gaan worden, wel is rekening gehouden met een tegenvaller van 60 miljoen tot 2002. T.b.v. de realisering van de plannen Koopmans rond het Farmaco Transmuraal Therapeutisch Overleg en de invoering van het Elektronisch Voorschrijfsysteem bij huisartsen, wordt momenteel beleid ontwikkeld. In de meerjarenafspraken is overeengekomen dat de LHV en het NHG het elektronisch voorschrijfsysteem in de huisartsenpraktijk vanaf 2002 ingevoerd zullen hebben.


6.TVK-hulpmiddelen

150

200

200

200

Deze taakstelling zal door de maatregelen uit het Plan van Aanpak hulpmiddelen gerealiseerd worden. Inmiddels zijn er op het terrein van de hulpmiddelen tegenvallers ontstaan. Momenteel wordt gewerkt aan een inventarisatie van mogelijke oplossingen.


7. Prijsbijstelling hulpmiddelen

10

10

10

10

Deze taakstelling wordt meegenomen in het totaalpakket hulpmiddelen.


8. Verhaalsrecht AWBZ

15

30

45

60

Het wetsvoorstel hiertoe is in het Parlement behandeld.


9. Centrale inning CAK

50

50

50

De centrale inning van de eigen bijdragen wordt per 1-7-2000 ingevoerd. Door de vertraging met een half jaar is een besparingsverlies van 25 miljoen in 2000 opgetreden. Dit verlies is elders gecompenseerd.

10. Zittend ziekenvervoer

48

48

48

48

Met de zorgverzekeraars zijn afspraken gemaakt over deze taakstelling.

11. Modernisering GVS

255

255

255

255

De feitelijke opbrengst van de modernisering GVS blijft achter bij de taakstelling. Er is een beparingsverlies opgenomen van 110 miljoen in 1999 en 97 miljoen structureel. Dit verlies is binnen het BKZ gecompenseerd.

12. 3e VGR/Britse Pond

51

30

10

Door de stijging van de koers van het Britse Pond zijn de geneesmiddelenprijzen meer gestegen dan geraamd. Hiervoor is bij de 3e VGR1998 een taakstelling opgenomen. Deze is niet met maatregelen belegd, waardoor er een besparingsverlies is opgetreden. Inmiddels zijn door verdere appreciatie nieuwe tegenvallers opgetreden welke binnen het BKZ gecompenseerd zijn.

13. Prijsbijstelling geneesmiddelen

45

45

45

45

De structurele doorwerking is in het beeld verwerkt, samen met aanvullende tegenvallers in de geneesmiddelen die bij de Najaarsnota 1998 aan het licht kwamen.

14. Beperking incidenteel

15

50

100

In overleg met de werkgevers over de frisse blik, is overeenstemming bereikt over het realiseren van deze taakstelling.

15. Beheerskosten particuliere verzekeraars

10

10

10

10

Deze taakstelling is gerealiseerd via afboeking van het kader.

16. Beheerskosten WTZ

10

10

10

10

Deze korting is deels gerealiseerd door een bevriezing van de administratiekostenvergoeding, het resterende bedrag wordt gerealiseerd door een nieuw systeem van administratiekostenvergoeding.

17. Doelmatiger inkoop

100

200

300

Deze taakstelling is verwerkt in de meerjarenafspraken met de zorginstellingen.

18. Beheerskosten ZFW

50

50

50

50

Deze taakstelling vloeit voort uit het afschaffen van de eigen bijdrage ZFW en is verwerkt in de budgetten

Vraag 36

Hoe wordt het aantal leerlingen en studenten geraamd, welke onverwachte factoren leiden tot tegenvallers in deze raming? (blz. 58).

Antwoord

Het aantal leerlingen en studenten wordt geraamd uitgaande van leerlingenaantallen tot en met het schooljaar 1998/99, tevens wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van bevolkingscijfers. Op beide punten zijn er factoren die leiden tot tegenvallers in de raming.

Ten eerste waren er in 1998/99 meer studenten ingestroomd in het hoger onderwijs dan vorig jaar nog was geraamd, dit leidde tot een tegenvaller in de raming.

Ten tweede is in 1998 het aantal geboorten en ook de immigratie sterker toegenomen dan door het CBS was geraamd. Doorwerking van de nieuwe bevolkingsprognose 1998, die op deze nieuwe bevolkingscijfers is gebaseerd, leidt eveneens tot een tegenvaller in de raming, die met name betrekking heeft op het primair onderwijs.

Vraag 37

Hoe kan de meevaller over de jaren 1999 en 2000 op de Exportkredietverzekering verklaard worden? (blz. 57).

Antwoord

De meevaller bij EKI is zowel ontstaan door een verlaging van de raming voor de schade-uitkeringen die op basis van een risicoanalyse kon worden aangebracht, als door een verhoging van de ontvangstenramingen op grond van de verwachting dat het goede betalingsgedrag van grote schuldenlanden zich in het algemeen zal voortzetten.

Vraag 38

Kan tabel 4.3.1 worden aangevuld met een tabel die cijfermatig inzicht geeft in de belangrijkste mee- en tegenvallers sinds de vorige Miljoenennota? (blz. 57).

Antwoord

Netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin; in miljarden guldens, + = verhoging netto-uitgaven

1999

2000

2001

2002

Mee- en tegenvallers:


1. macro-mutaties


-0,9


-1,4


-1,5


-1,2

lonen/prijzen


-0,5

0,5

0,6

0,6

rente


-0,4


-1,9


-2,0


-1,9

overig




-0,1

0,1

overige mee- en tegenvallers

1,2

3,2

3,8

3,5


2. asiel

1,2

2,2

2,7

2,9


3. waterschade (incl. oogstschaderegeling)

0,7





4. afdrachten Europese Unie


-0,7

0,5

0,2



5. taakstellende onderuitputting (eindejaarsmarge)

0,4





6. gemeentefonds/provinciefonds

0,4

0,4

0,8

0,8


7. overig


-0,8

0,1

0,1


-0,2

Toelichting:

1. Voor 1999 leiden de gewijzigde macro-economische inzichten tot 0,9 miljard lagere uitgaven onder het uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin ten opzichte van de Miljoenennota 1999. Deze meevaller wordt voor 0,5 miljard veroorzaakt door een lagere contractloonontwikkeling en voor 0,4 miljard door lagere rentelasten. In 2000 komen de loon- en prijsgevoelige uitgaven, als gevolg van een hogere contractloonontwikkeling, circa 0,5 miljard hoger uit. Hier staat, grotendeels als gevolg van een meevallende rentevoet, een omvangrijke structurele meevaller bij de rente-uitgaven van 1,9 miljard tegenover. De uitvoering van schuldconversies in 1999, waarbij kleinere leningen met een hoge rente worden omgezet in grotere leningen tegen een lage rentevoet, draagt ook bij aan de rentemeevaller.

2. Dit betreft de hogere uitgaven als gevolg van de hogere instroom en de lagere uitstroom van asielzoekers: bij ongewijzigd beleid met een omvang van 1,2 miljard in 1999, 2,2 miljard in 2000, oplopend tot 2,9 miljard in 2002.

3. De tegemoetkoming voor de waterschade 1998 belast het uitgavenbeeld 1999, inclusief de oogstschaderegeling, met circa 0,7 miljard.
De afdrachten aan de Europese Unie komen in 1999 0,7 miljard lager uit. De lagere EU-afdrachten zijn grotendeels het gevolg van het besluit van de Begrotingsraad om het niveau van de EU-uitgaven aanmerkelijk lager vast te stellen dan werd voorzien in de Miljoenennota 1999, in combinatie met de onderuitputting op de EU-begroting uit 1998. Verder heeft de Commissie besloten een kleiner aandeel van de BTW-afdrachten van de lidstaten op te vragen en is de raming van de af te dragen invoerrechten verlaagd. Door een relatief sterke groei van zowel het BNP als de BTW-grondslag van Nederland ten opzichte van de overige EU-lidstaten, komen de EU-afdrachten voor 2000 circa 0,45 miljard hoger uit. Hierin is ook een opwaartse bijstelling opgenomen op grond van de nacalculatie over de afdrachten van 1999. Het beeld voor 1999 biedt ruimte om een eerste deel van de taakstellende onderuitputting in verband met de systematiek van de eindejaarsmarge in te vullen. Van de taakstellende onderuitputting 1999 van circa 0,9 miljard is op deze wijze reeds circa 0,4 miljard gedekt. Mede tegen de achtergrond van de (ramings)bijstellingen die reeds bij Voorjaarsnota zijn ingezet, waardoor het potentieel voor verdere onderuitputting in 1999 is beperkt, is voor deze verwerkingswijze gekozen.
4. De uitgaven voor het gemeente- en provinciefonds komen hoger uit door de doorwerking van de per saldo tegenvallers op de Rijksbegroting. Overigens lopen het gemeente- en provinciefonds ook mee in de ombuigingen, waardoor een genuanceerder beeld ontstaat.

5. De meevallende post overig in 1999 is voor een gedeelte het gevolg van meevallers bij de Exportkredietverzekering.

Vraag 39

Werken de relatief slechte economische vooruitzichten ten tijde van de Voorjaarsnota door in de afdracht aan het gemeente- en provinciefonds zich in 1999 en 2000? (blz. 58).

Antwoord

Ja. De relatief slechte economische vooruitzichten voor 2000 ten tijde van de Voorjaarsnota 1999 hebben tot gevolg dat de bevoorschotting van de gemeenten tot het moment van de Voorjaarsnota 2000 te laag is (ten opzichte van de stand Miljoenennota 2000). Dit wordt dan in het voorjaar van 2000 alsnog verrekend. Overigens hebben de lagere overheden geen last van een tijdelijke dip in de ramingen: aan het eind van het jaar wordt immers op realisatiebasis afgerekend. De werkwijze dat slechts bij de Voorjaarsnota mutaties worden verwerkt, is in 1997 in overleg met de VNG en het IPO vastgesteld om de stabiliteit van de fondsuitkering te bevorderen. Na de kabinetsformatie is deze afspraak herbevestigd.

Vraag 40

Kan gespecificeerd en gekwantificeerd worden welke extra middelen beschikbaar gesteld zijn voor de benodigde humanitaire hulp en vredesoperaties in verband met Kosovo, voor maatschappelijke opvang, voor jeugdhulpverlening en enkele onderwijsknelpunten? (blz. 58)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 35.
Vraag 41

Hoe wordt de taakstellende onderuitputting ingevuld in verband met de systematiek van de eindejaarsmarge? (blz. 58).

Antwoord

Uit hoofde van de ramingstechnische veronderstelling dat de onderuitputting 1999 uiteindelijk net zo groot zal zijn als het totaal van de eindejaarsmarges over 1998 (toegevoegd bij Voorjaarsnota 1999), wordt voor de Rijksbegroting in enge zin op de aanvullende post Algemeen een even grote taakstelling geparkeerd als de opboeking van de eindejaarsmarges. Deze taakstelling bedroeg voor wat betreft de Rijksbegroting in enge zin voor 1999 bij Voorjaarsnota circa 0,9 miljard. Op basis van de actuele inzichten ten aanzien van de Vermoedelijke Uitkomsten voor de Rijksbegroting in enge zin in 1999 is hiervan bij Miljoenennota circa 0,4 miljard ingevuld. Per saldo resteert dus nog een taakstelling van circa 0,5 miljard.

Vraag 42

In de tabellen 4.3.2. en 4.3.3. wordt aangegeven dat er bij de netto-uitgaven voor Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en de netto-uitgaven voor de ijklijn Zorg sprake is van besparingsverliezen. Kunnen deze besparingsverliezen worden uitgesplitst? (blz. 59-61)

Antwoord

In de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt is een besparingsverlies opgetreden als gevolg van de vertraging bij de invoering van de Wet beperking export uitkeringen. Hierbij gaat voor de jaren 1999-2001 om een bedrag van circa 10 à 20 miljoen en om 70 miljoen in 2002. Daar het een vertraging bij de invoering betreft is structureel geen sprake van een besparingsverlies. In de post uitgavenprioriteiten/besparingsverliezen bij SZA, die vanaf 2000 0,4 miljard bedraagt, is verder voor een bedrag van 0,3 miljard aan intensiveringen opgenomen. Dit betreft grotendeels de kosten van de verhoging van de kinderbijslag en de extra middelen die zijn ingezet voor de reïntegratie van arbeidsongeschikten (REA).

In de Zorgsector zijn besparingsverliezen opgetreden doordat overhevelen naar het derde compartiment van geneesmiddelen die niet onder de Wet Tarieven Gezondheidszorg is vertraagd. De poliklinisch voorgeschreven geneesmiddelen worden per 1-1-2000 gebudgetteerd, er moet echter rekening gehouden worden met een besparingsverlies van 60 miljoen. De centrale inning van de eigen bijdragen wordt per 1-7-2000 ingevoerd, door de vertraging met een half jaar is een besparingsverlies opgetreden in 2000 van 25 miljoen. Tevens heeft de gekozen vormgeving van het Geneesmiddelen Vergoedingssysteem (GVS) geleid tot een besparingsverlies van circa 100 miljoen structureel.

Tabel Besparingsverliezen Budgettair Kader Zorg (in miljoenen)

1999

2000

2001

2002

Overheveling buiten WTG

115

20

20

20

Poliklinisch voorschrijven

60

60

60

Centrale inning eigen bijdrage

25

Aanpassing GVS

110

97

97

97

Subtotaal

215

202

177

177

Vraag 43

Waarom is de uitgavenreserve 1999 gelijkelijk over de sectoren verdeeld, terwijl er in de sector Sociale Zekerheid onderschrijdingen zijn en in de sectoren Rijksbegroting en Zorg ombuigingen nodig zijn geweest? Is het vaststaand beleid om de uitgaven reserve evenredig over de sectoren te verdelen of zijn andere verdelingen in de toekomst ook mogelijk? Zo ja, welke criteria hanteert de regering? (blz.60)

Antwoord

De uitgavenreserve is in eerst instantie bedoeld om onverwachte uitgaventegenvallers, met name als gevolg van ruilvoetproblemen (deels) op te kunnen vangen.

Het evenredig verdelen van de uitgavenreserve over de sectoren is geen vaststaand beleid. Bij het hoofbesluitvormingsmoment over de uitgaven in het voorjaar wordt besloten of een deel van de uitgavenreserve ingezet dient te worden en zo ja, hoe deze verdeeld zal worden over de sectoren. Bij de te kiezen verdeling zal een rol spelen in welke mate de verschillende sectoren worden geconfronteerd met onverwachte en onvermijdbare tegenvallers en in welke mate de sectoren een staat zijn de tegenvaller zelf op te vangen.

Overigens is bij de Algemene en Politieke Beschouwingen de doorwerking van de tranche 1999 van de uitgavenreserve vanaf 2000 ingezet voor beleidsintensiveringen op de Rijksbegroting en in de Zorgsector.

Vraag 44

De sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt heeft te maken met een structurele meevaller in de AOW. Om welk bedrag gaat het hier? (blz. 60)

Antwoord

Uit recente uitvoeringsgegevens van de SVB blijkt dat er sprake is van een relatief groter aantal "goedkope" uitkeringen aan samenwonenden dan ten tijde van de Sociale Nota 1999 werd verondersteld. Onder meer naar aanleiding hiervan is de gemiddelde uitkering van de AOW neerwaarts aangepast, hetgeen heeft geleid tot een meevaller van 275 mln in 1999 met een structurele doorwerking (zie ook pagina 214 van de Miljoenennota).

Vraag 45

Wat is de verwachting ten aanzien van de werkloosheidsontwikkeling in 2001 en 2002? Hoe is deze ontwikkeling ten opzichte van de ontwikkeling die werd verwacht ten tijde van de opstelling van het regeerakkoord? In het kader van de belastingherziening zijn toch eerder meevallers als tegenvallers te verwachten in de sociale zekerheidsuitgaven? (blz. 60)

Antwoord

Onderstaande tabel bevat een overzicht van het aantal werklozen zoals verondersteld in de Miljoenennota 2000 en in de Miljoenennota 1999 (Regeerakkoord). In het Regeerakkoord werd een daling van de werkloosheid met 70 duizend personen voorzien ten opzichte van 1998 waarvan 25 duizend in 1999. De resterende daling van de werkloosheid is destijds gelijkmatig verdeeld over de jaren 2000-2002. Thans blijkt dat in de jaren 1999 en 2000 een sterkere daling van de werkloosheid is opgetreden. Tegen de achtergrond van de economische groei voor 1999 en 2000 die slechts ¼% boven het Regeerakkoord-pad ligt, en de gehanteerde behoedzame macro-economische uitgangspunten voor 2001 en 2002 is in de huidige opstelling is de daling van de werkloosheid meer in de eerste jaren van de kabinetsperiode geconcentreerd dan in het Regeerakkoord-pad is verondersteld. Voor de kabinetsperiode is de totale daling van de werkloosheid uit het Regeerakkoord aangehouden. Wel is de niveaudaling uit 1998 doorgetrokken naar 2002. Bij een aanhoudende economische groei kunnen nadere meevallers bij de werkloosheidsregelingen op gaan treden. Maar in een dergelijk situatie zal ook mogelijk sprake zijn van een hogere reële loonontwikkeling.

Tabel Werkloze beroepsbevolking (in duizend personen)

1998

1999

2000

2001

2002

Miljoenennota 1999

355

330

315

301

286

Miljoenennota 2000

348

290

280

280

279

Vraag 46

Waarom loopt de onderschrijding in de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt in de jaren 2000 e.v. terug? (blz. 60).

Antwoord

Voor 2000 wordt thans een onderschrijding van het uitgavenkader SZA met 1,4 miljard in 1999 en 0,9 miljard in 2000 voorzien.

Dat de meevaller in 1999 forser is dan in 2000 hangt grotendeels samen met een incidentele ontvangst in 1999 van te veel bevoorschotte begrotingsgefinancierde regelingen (vooral bijstand). Verder lopen de macro-economische meevallers in de sector SZA af van 1999 naar 2000 door een hogere contractloonontwikkeling in 2000 dan voorzien in het Regeerakkoord. Tenslotte vangt de verhoging van de kinderbijslag in 2000 aan, wat tot een kleinere onderschrijding in 2000 leidt ten opzichte van 1999.

Dat in het jaar 2002 voor de sector SZA de onderschrijding 0,1 miljard bedraagt tegen 0,9 miljard in 2000 hangt met een aantal factoren samen. In de eerste plaats is de daling van de werkloosheid eerder opgetreden dan in het regeerakkoordtijdpad werd verondersteld. In het Regeerakkoord werd een daling van de werkloosheid met 70 duizend personen voorzien ten opzichte van 1998 waarvan 25 duizend in 1999. De resterende daling van de werkloosheid is destijds gelijkmatig verdeeld over de jaren 2000-2002. Thans blijkt dat in de jaren 1999 en 2000 een sterkere daling van de werkloosheid is opgetreden. Tegen de achtergrond van de economische groei voor 1999 en 2000 die slechts ¼% boven het Regeerakkoord-pad ligt, en de gehanteerde behoedzame macro-economische uitgangspunten voor 2001 en 2002 is in de huidige opstelling is de daling van de werkloosheid meer in de eerste jaren van de kabinetsperiode geconcentreerd dan in het Regeerakkoord-pad is verondersteld. Voor de kabinetsperiode is de totale daling van de werkloosheid uit het Regeerakkoord aangehouden. Wel is de niveaudaling uit 1998 doorgetrokken naar 2002. Bij een aanhoudende economische groei kunnen nadere meevallers bij de werkloosheidsregelingen op gaan treden. Maar in een dergelijk situatie zal ook mogelijk sprake zijn van een hogere reële loonontwikkeling.

Verder heeft in de sector SZA zowel de hogere koppeling in 2000 als de hogere kinderbijslag een overloopeffect naar 2001, dat ook structureel doorwerkt naar 2002 (samen circa 0,3 miljard). Een intertemporele herschikking in de bijdrage aan de arbeidsvoorziening heeft geleid tot een incidenteel gunstiger beeld in 2000 (0,15 miljard) wat niet doorwerkt naar 2001 en 2002.

Vraag 47

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de 350 mln ten behoeve van voorfinanciering aan Arbeidsvoorziening in verband met de voorshands geldende kasblokkade van de Europese Commissie op ESF-subsidies?

Moet de voetnoot op blz. 60 zo worden begrepen dat het Rijk de Arbeidsvoorziening een bedrag voorfinanciert dat door de Europese Commissie wordt geblokkeerd hangende het eigen onderzoek naar fraude met ESF subsidie?

Hoelang wordt verwacht dat de kasblokkade in stand blijft? Wat gebeurt er met het voorgefinancierde bedrag indien de Commissie de blokkade handhaaft, dan wel een verlaagd bedrag uitkeert naar aanleiding van het onderzoek? (blz. 60).

Antwoord

De regering heeft inmiddels het volledige bedrag van 350 mln gereserveerd, hetgeen door middel van een Nota van Wijziging aan de Kamer zal worden voorgelegd; 150 mln is reeds overgemaakt naar Arbeidsvoorziening. Arbeidsvoorziening heeft dit bedrag van ruim 150 mln betaalbaar gesteld aan de regios voor de bevoorschotting naar ESF-projecten. Volgens informatie van Arbeidsvoorziening zullen begin oktober de voorschotten aan de projecten zijn uitbetaald. Op het moment dat de overgemaakte middelen daadwerkelijk zijn uitgeput en Arbeidsvoorziening nieuwe voorschotten moet verstrekken zal de resterende f 200 mln worden overgemaakt.

De verwachting is dat conform toezegging van de Commissie binnenkort uitsluitsel wordt verkregen over de hervatting van de betalingen. Hervatting is afhankelijk van beoordeling door de Commissie van de aangepaste einddeclaratie 1997 die SZW onlangs in Brussel heeft ingediend.

Indien, tegen de verwachting in, de blokkade langer duurt of de Commissie een verlaagd bedrag uitkeert, zal de regering alsdan zich beraden over nadere stappen.

Vraag 48

Wat voor ontwikkeling van de uitkeringsvolumes wordt verwacht voor de jaren 2001 en 2002? (blz. 60)

Antwoord

Voor een uitgebreid overzicht van de volume-ontwikkelingen kan worden verwezen naar de Sociale Nota 2000, bijlage 11.

Vraag 49

Hoe groot is verwachte opbrengst van de maatregelen op het gebied van de inkomstenstructuur van apothekers en vanaf welk moment gaan deze maatregelen effect sorteren? (blz. 61).

Antwoord

Overzicht openstaande maatregelen apothekers:

(x mln)

1999

2000

2001

2002

2003


1. afromen kortingen en bonussen (k&b)*

75

200

200

200

200


2. stimulansregeling in receptregelvergoeding

12

35

35

35

35


3. instellen kader receptregelvergoeding


-

75

75

75

75

totaal

87

310

310

310

310


*Is een additionele afroming; in totaal wordt 425 mln aan k&b afgeroomd.

De eerste twee maatregelen zullen per september van dit jaar (met terugwerkende kracht) ingaan. De derde maatregel - het instellen van een kader voor de receptregelvergoeding - zal per 1 januari 2000 worden ingevoerd.

Vraag 50

In het licht van de prijsaanpassing van het uitgavenkader in het voorjaar 1999 op basis van de CEP ramingen, kan aangegeven worden onder welke omstandigheden het ministerie van Financiën mag afwijken van de cijfers van dit onafhankelijke instituut? (blz. 62).

Antwoord

In de regels budgetdiscipline is opgenomen dat de uitgavenkaders voor het lopende jaar worden vastgesteld op basis van de raming van de prijsontwikkeling van het BBP uit het CEP. Dit voorjaar heeft de regering besloten eenmalig af te wijken van deze regel en de uitgavenkaders voor 1999 vast te stellen op basis van de junipublicatie van het CPB. Voor deze handelwijze heeft de regering gekozen omdat sprake was van serieuze signalen nog voordat het CEP was gepubliceerd dat het CPB te laag zat met de raming van de prijsontwikkeling. Deze signalen kwamen onder andere voort uit de CBS-cijfers over de ontwikkeling van de consumentenprijsindex in de eerste maanden van dit jaar en de ontwikkeling van dollarkoers en olieprijs. Het betreft hier een uitzonderlijke situatie. Het uitgavenkader is dus wel vastgesteld op basis van een raming van de prijsontwikkeling van het BBP van het CPB, maar, zoals op voorhand was aangegeven, is gebruik gemaakt van een latere publicatie van het CPB. Vraag 51

Hoe groot is de overschrijdingsproblematiek van de drie budgetdisciplinesectoren wanneer straks bij het CEP blijkt dat de prijsontwikkeling BBP 1%, onder een ceteris paribus-veronderstelling, lager uitvalt dan nu wordt verwacht? (blz. 63).

Antwoord

Als de pBBP 1% lager uitvalt dan nu wordt verwacht, heeft dit twee consequenties. Ten eerste zullen de uitgavenkaders 1% naar beneden worden aangepast, wat voor de drie budgetdisciplinesectoren samen een verlaging van zon 3½ miljard betekent. Ervan uitgaande dat ook de overige prijzen met 1% dalen, zullen daarnaast de prijsgevoelige uitgaven binnen de kaders met 1% dalen, wat overeenkomt met een daling van de uitgaven van ongeveer ¾ miljard. Per saldo betekent een prijsdaling van 1% (ceteris paribus) een belasting van de drie budgetdisciplinesectoren samen met per saldo 2¾ miljard.

Als in deze berekening de onderschrijding van de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt in 2000 wordt meegenomen (0,9 miljard), komt de overschrijding voor het jaar 2000 op zon 1¾ miljard uit. In de jaren 2001 en 2002 is de over-/onderschrijding van de uitgavenkaders bij de huidige raming van de pBBP per saldo nul, wat betekent dat voor deze jaren de extra belasting van de uitgavenkaders op 2¾ miljard uitkomt.

Overigens zou een 1% lagere prijsstijging waarschijnlijk ook consequenties hebben voor de loonontwikkeling en, indien het een Europees verschijnsel is, ook voor de rente, waarmee in deze ceteris paribus-berekening geen rekening is gehouden.

Vraag 52

Er wordt in de jaren 2001 en 2002 uit gegaan van een contractloonontwikkeling van 1,35%. Wat is het gevolg aan de inkomsten- en aan de uitgavenkant in het geval deze in beide jaren 1% hoger uitvalt (aan de uitgavenkant een uitsplitsing per budgetdisciplinesector)? (blz. 63)

Antwoord

De gevolgen van een extra loonstijging van 1% ten opzichte van de huidige raming levert aan de uitgavenkant per disciplinesector het volgende beeld op:

Gevolgen extra loonstijging in 2001 en 2002 van 1% tov de huidige raming aan de uitgavenkant (in miljarden)

RBG-eng

SZA1

Zorg

extra uitgaven in 2001


+0,7


+0,7


+0,3

extra uitgaven in 2002


+1,4


+1,6


+0,6

1De extra uitgaven in de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt zullen in het eerste jaar door de systematiek van de koppeling nog niet volledig doorwerken.

In totaal zouden dus door een hogere contractloonontwikkeling van 1% in 2001 en 2002 de uitgaven onder de uitgavenkaders in 2001 1¾ miljard hoger uitkomen en in 2002 3½ miljard hoger.

Aan de inkomstenkant zou een extra loonstijging van 1% in 2001 en 2002 betekenen dat er ongeveer 2 miljard extra loonbelasting binnen komt en ongeveer 2½ miljard extra aan sociale premies.

Aan zowel de inkomsten- als de uitgavenkant zijn de berekeningen met de nodige onzekerheid omgeven. Zo zal een hogere contractloonontwikkeling gedeeltelijk doorwerken in een hogere pBBP en hiermee invloed hebben op de hoogte van het uitgavenkader. Bovendien is de doorwerking van de extra loonstijging in bijvoorbeeld consumptie en winsten niet meegenomen, zodat de cijfers slechts een zeer gedeeltelijk beeld laten zien.

Overigens schrijft de geldende begrotingsnormering een strikte scheiding voor tussen inkomsten en uitgaven. Dit betekent dat de extra uitgaven en inkomsten niet gesaldeerd worden. De extra uitgaven dienen geheel binnen de uitgavenkaders te worden opgevangen. De extra inkomsten lopen mee in de mee- en tegenvallerformule.

Vraag 53

Kan een reactie worden gegeven op het artikel Het begrotingsbeleid en de reële uitgavenkaders (Openbare Uitgaven, 1999, nr. 3) van drie medewerkers van het CPB dat onder andere ingaat op een mogelijke aanpassing van het huidige uitgavenkaderbeleid in verband met de ruilvoetproblematiek? (blz. 63).

Antwoord

In het genoemde artikel opperen de CPB-medewerkers de mogelijkheid een wijziging aan te brengen in het begrotingsbeleid ten einde tussentijdse bezuinigingsrondes als gevolg van ruilvoetproblemen te voorkomen. In het voorstel wordt de deflator van de uitgavenkaders gelijk gesteld aan een gewogen gemiddelde van de contractloonontwikkeling in de marktsector en de prijsontwikkeling van de particuliere consumptie. In de huidige systematiek wordt de deflator gebaseerd op de prijsontwikkeling van het BBP (pBBP).

Het eerste motief van de auteurs om een alternatieve deflator voor te stellen komt voort uit de door hen gesignaleerde gevaren voor ruilvoetverliezen bij een hogere economische groei dan het behoedzame scenario. Bij dat motief kunnen de nodige kanttekeningen worden geplaatst.

In de eerste plaats kan gewezen op de ervaring in de vorige kabinetsperiode. Toen werd ook uitgegaan van een behoedzame groei (gemiddeld 2%). Ondanks dat die uiteindelijk bleek mee te vallen (gemiddeld 3¼% per jaar), is er over de periode 1995-1998 gecumuleerd nagenoeg geen sprake geweest van een extra ruilvoetverlies. De deflator kwam gemiddeld 0,2% per jaar lager uit dan in het regeerakkoord was verondersteld.

In de tweede plaats blijkt uit berekeningen van het CPB zelf, ten behoeve van het CEC-advies aan de formateurs, dat in het gunstige scenario de reële ontwikkeling van de uitgaven onder de kaders niet hoger, maar lager uitkomt dan in het behoedzame scenario. Het ruilvoetverlies als gevolg van de hogere reële loonontwikkeling wordt in het gunstige scenario meer dan gecompenseerd door volumemeevallers in de Sociale Zekerheid en door rentemeevallers.

Een aanvullend motief voor de CPB-medewerkers, om een alternatieve deflatorsystematiek te opperen is de gang van zaken bij de besluitvorming in het afgelopen voorjaar. De auteurs stellen dat 'het er op lijkt dat de regering spijt heeft van de afspraak dat de BBP-deflator voor 1999 zal worden bevroren op de stand van het Centraal Economisch plan (CEP)'. Hiermee wordt gedoeld op het besluit van de regering om de deflator voor 1999 definitief vast te stellen op basis van de juni-ramingen van het CPB en niet op basis van het CEP 1999, in afwijking van de daarover gemaakte afspraken. Het is zeker niet zo dat de regering spijt heeft van de gehanteerde methodiek. Over de gang van zaken in het voorjaar wordt nader ingegaan in het antwoord op vraag 50.
Het door de CPB-medewerkers geopperde alternatief, om de pBBP deflator te vervangen door voor elke budgetdisciplinesector uit te gaan van de contractloonontwikkeling en de prijsindex particuliere consumptie, lijkt de regering niet raadzaam.

In de eerste plaats is de pBBP deflator om bestuurlijke redenen gewenst. Hij is eenvoudig en geldt voor alle drie de budgetdiscipline sectoren: Rijk, sociale zekerheid en zorg. Het BBP is ook ijkpunt voor het tekort, de schuld en de uitgavenquote. Ook voor de toetsing van de inkomsten aan de ijklatten wordt dezelfde deflator gehanteerd.

In de tweede plaats is de pBBP-deflator om budgettaire redenen gewenst. Door de deflator voor de uitgavenkaders op basis van de pBBP vast te stellen, ademt de begroting mee met de economie als geheel, waardoor de variantie van de belasting van het Emu-saldo minimaal is en niet uit hoofde van relatieve prijzen een onbeoogde daling of stijging van het beslag van de collectieve uitgaven van het BBP optreedt.

Vraag 54

Verwacht de regering een aantal vertragingen in de uitvoering van maatregelen die uit het regeerakkoord voortvloeien? Zo ja, welke en wat zijn de budgettaire gevolgen? (blz. 60)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 30.
Vraag 55

De aanvullende post arbeidsvoorwaarden loopt van 2.365,8 miljoen op tot 9.229,8 miljoen in 2004. Hoe verhoudt deze stijging zich tot de veronderstelde contractloonstijging van 1,35% in 2001 en 2002? Wordt voor 2003 en 2004 een hogere stijging verwacht? (blz. 63, 207).

Antwoord

De oploop van de aanvullende post ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen voor de bijdrage van de regering voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de collectieve sector, bestaande uit onder andere de elementen contractloonstijging, ADV, incidenteel loon en werkgeverspremies. De geraamde contractloonstijgingen van 1,35% in 2001 en 2002 (tezamen goed voor ca. 2 mld oploop) maken dus onderdeel uit van de totale oploop van 2000 tot 2004 evenals de contractloonstijgingen in de andere jaren en de overige genoemde elementen. De geraamde contractloonstijging voor 2003 en 2004 bedraagt 2,25%; dit is de extrapolatie van de contractloonstijging in de MLT1999-2002 exclusief de zegenrijke effecten van de doorrekening van het Regeerakkoord.

Vraag 56

Hoe reëel is de verwachting dat de lonen in 2001 en 2002 met gemiddeld 1,4 % zullen stijgen terwijl dit in 1999 en 2000 2,5 respectievelijk 3,0 % is en de inflatie voor deze jaren al op 2,2% geschat wordt? (blz. 63)

Antwoord

Een exacte cijfermatige aanduiding van het risico van een ruilvoetprobleem in 2001 en 2002 is niet te geven.

Op zichzelf zijn de risicos van een tegenvallende ontwikkeling van de pBBP voor 2000 niet groter dan voor andere jaren. De risicos van de lage contractloonraming voor 2001 en 2002 dienen in nauwe samenhang te worden bezien met de Belastingherziening 2001. De herziening gaat gepaard met een lastenverlichting van 5 miljard gulden. Deze lastenverlichting zorgt ervoor dat aanzienlijk meer overblijft van een bruto-inkomen. Met het oog op het bevorderen van de werkgelegenheid is in de Miljoenennota aangegeven dat het van belang is dat dit wordt verdiconteerd bij de arbeidsvoorwaardenoverleggen van de komende jaren. De regering vertrouwt erop dat de sociale partners ook in de nabije toekomst een verantwoorde loonontwikkeling zullen continueren. In dat geval kan de inflatie zich eveneens gematigd.

Bij de besluitvorming over de begroting 2000 werd het ruilvoetrisico voor een deel afgedekt door de uitgaven-reserve van 0,5 miljard in 2000, oplopend naar 1 miljard in 2002. Doordat bij de Algemene Politieke Beschouwingen deze buffer met 250 mln is gekrompen, is de afdekking van het risico thans iets kleiner.

Vraag 57

Hoe groot acht de regering de risicos ten aanzien van het pBBP in 2000 en de loonontwikkeling in 2001 en 2002? (blz. 63).

Antwoord

Zie het antwoord 56.

Vraag 58

Moet het feit dat een lening afgesloten door een agentschap het EMU-tekort belast, worden afgeleid dat een positief saldo of een vermogenspositie het EMU-tekort positief beïnvloedt?

Kan bij de afrekening per 1 januari 2000 op een incidentele meevaller of tegenvaller gerekend worden? (blz. 64).

Antwoord

Alleen transacties van agentschappen met derden (dus met actoren buiten de overheid) zijn van invloed op het EMU-saldo. Op het moment dat een agentschap geld leent van het Rijk, wordt verondersteld dat deze middelen worden besteed bij derden, en dus wordt de raming van het EMU-saldo belast met de omvang van de lening. Indien agentschappen met hun besteding afwijken van de in de begroting opgenomen leningsaanvragen kan dit leiden tot mee- of tegenvallers voor het tekort. Deze afwijkingen worden bij suppletore begroting gemeld en zijn naar verwachting klein.

Als het agentschap een positief resultaat boekt neemt het eigen vermogen van het agentschap toe en de belasting van het tekort af doordat een deel van departementale bijdrage niet bij derden wordt besteed. Omdat het toegestane eigen vermogen van agentschappen is gemaximeerd op 5 procent van de omzet, is het effect van eigenvermogensvorming op de hoogte van het EMU-tekort beperkt van omvang.

Vraag 59

Zijn er grenzen gesteld aan de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën? (blz. 64).

Antwoord

De leenfaciliteit voor agentschappen bij het Ministerie van Financiën is voor investeringen door agentschappen bedoeld. Alvorens een aanvraag voor een lening te honoreren, moet de relevantie en de doelmatigheid van de investering worden beoordeeld. Dit is de primaire verantwoordelijkheid van de desbetreffende minister. De leenfaciliteit beoogt reservering voor toekomstige investeringen overbodig te maken en vanuit bedrijfsvoeringsoptiek flexibeler dan tot op heden het geval kon zijn, het beste investeringsmoment mogelijk te maken. Een maximumbedrag aan toegestane leningen op jaarbasis is daarbij op voorhand niet gegeven. De macro-budgettaire behandeling geeft daarvoor de verklaring. De verstrekte leningen en de aflossingen op verstrekte leningen zijn niet relevant voor het uitgavenkader, maar wel voor het EMU-tekort. De mogelijkheid om te investeren wordt beperkt indien de hoogte van het EMU-tekort de EMU-norm van 3% zou naderen. Zolang dit tekort een beheerste ontwikkeling vertoont is er derhalve uit dien hoofde geen restrictie. De beroepen op de leenfaciliteit worden in de agentschapsbegroting aan autorisatie onderworpen en in bijlage 2.6 in een totaaloverzicht gepresenteerd.

Vraag 60

De agentschappen belasten het EMU-tekort met circa een half miljard. Baren deze gegevens de regering zorgen? (p.64)

Antwoord

Nee, deze gegevens baren de regering geen zorgen. De belasting van het EMU-tekort van een half miljard is in 1999 en volgende jaren met name het gevolg van investeringen door de Rijksgebouwendienst (RGD). De RGD is per 1 januari 1999 een agentschap geworden, waardoor de tekortbelasting door de RGD, die niet wezenlijk anders is dan in 1998, vanaf het jaar 1999 expliciet bij de agentschappen naar voren komt.

Overigens financiert de RGD (evenals de andere agentschappen) de investeringen door een beroep te doen op de leenfaciliteit van het ministerie van Financiën. Dit beroep wordt slechts toegekend als de relevantie en de doelmatigheid van de investering is aangetoond. De mogelijkheid om te investeren wordt bovendien beperkt indien de hoogte van het EMU-tekort de EMU-norm van 3 procent van het BBP nadert.

Op deze manier is de belasting van het EMU-tekort door de agentschappen met voldoende waarborgen omkleed.

Vraag 61

Wat is de reactie op kritiek vanuit de samenleving dat het lastenverlichtingspakket haar instrumentele werking zo onderhand wel verloren heeft? (blz. 65)

Antwoord

Dat de samenleving bovengenoemde kritiek zou hebben is de regering ontgaan. Dit kan ook niet worden gevonden op www.samenleving.nl.

Het lastenverlichtingspakket stimuleert door de samenstelling het arbeidsaanbod. Het inkomensverschil tussen een uitkering en een baan op WML-niveau is nog steeds klein. Door het verhogen van het arbeidskostenforfait wordt deze afstand vergroot waardoor het voor niet-actieven aantrekkelijker wordt zich actief aan te bieden op de arbeidsmarkt. Het gaat daarbij om werklozen met een uitkering, gedeeltelijk arbeidsongeschikten en werkloze partners (met name vrouwen).

Daarnaast is er een aantal groepen waarvoor ook andere maatregelen naast een financiële prikkel nodig zijn om werken te stimuleren. Het gaan dan onder meer om werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Voor deze groepen zijn er diverse regelingen: sluitende aanpak, Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten, Instroom- en Doorstroombanen en de Wet inschakeling werkzoekenden.

Vraag 62

Acht de regering een politieke in plaats van een theoretische discussie over belastinguitgaven zinvol? Welke definitie hanteert de regering bij het maken van het overzicht over belastinguitgaven. Welke definitie hanteert de regering over de primaire heffingstructuur? (blz. 66).

Antwoord

Een discussie over belastinguitgaven is naar het oordeel van de regering vooral dan zinvol indien deze zoveel mogelijk plaats vindt tegen de achtergrond van de vraag in welke mate belastinguitgaven kunnen bijdragen aan het realiseren van door de regering nagestreefde beleidsdoelstellingen. Zoals weergegeven in de bijlage over belastinguitgaven in de Miljoenennota 1999, gaat de regering uit van de definitie van belastinguitgaven van het rapport Belastinguitgaven in de Nederlandse inkomstenbelasting en de loonbelasting (Ministerie van Financiën, 1987, pagina 16) waarin een belastinguitgave wordt gedefinieerd als een overheidsuitgave in de vorm van een derving of een uitstel van belastingheffing die voortvloeit uit een voorziening in de wet voor zover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire structuur van de wet. Ook wat betreft de primaire heffingsstructuur wordt aangesloten bij dit rapport. Dit betekent dat de progressieve heffingsstructuur, het heffingspercentage voor winst uit aanmerkelijk belang, de tariefgroepindeling en de verliesverrekening tot de primaire heffingsstructuur worden gerekend (zie hiervoor ook Miljoenennota 1999, bijlage 5). Een en ander neemt niet weg dat er een grijs gebied bestaat van regelingen die door sommigen wel en door anderen niet als belastinguitgaven worden gezien.

Vraag 63

De ruimte voor lastenverlichting voor 2002 bedraagt ruim 7 miljard. Hiervan is 5 miljard bestemd voor de belastingherziening en is nog ruim 2 miljard vrij aanwendbaar wat betreft tijdstip en invulling. Welke consequenties heeft het feit dat met de ABP dit volledige bedrag wordt ingezet in 2000 voor de lastenontwikkeling in het jaar 2002? (blz. 67)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 64

Vraag 64

Wat zijn de budgettaire gevolgen van het naar voren halen van een groot deel van de lastenverlichting die oorspronkelijk pas bij de belastingherziening in 2001 zou zijn doorgevoerd. Dat wil zeggen tot hoeveel extra ruimte leidt deze verschuiving binnen de 5 miljard die voor de belastingherziening is uitgetrokken? (blz. 67).

Antwoord

In het Regeerakkoord is voor de periode 1999 tot en met 2002 4½ miljard gulden vrijgemaakt voor lastenverlichting. Door de verwachte inkomstenmeevaller voor 2000 (1,3 miljard) wordt deze ruimte voor lastenverlichting over de gehele kabinetsperiode met ruim 0,7 miljard vergroot (volgens de meevallerformule is bij het huidige EMU-tekort de helft van de inkomstenmeevaller beschikbaar voor lastenverlichting) en bedraagt nu dus 5,2 miljard.

In 1999 is sprake van een lastenverzwaring van 2 miljard, die nauw samenhangt met de vermogensinhaal bij de sociale fondsen. Deze lastenverzwaring van 2 miljard wordt in de periode 2000-2002 als het ware teruggeven in de vorm van een lastenverlichting. Bij elkaar genomen is voor de periode 2000 tot en met 2002 dus nog ruim 7,2 miljard (4½ + 0,7 + 2 miljard) aan lastenverlichting beschikbaar. Hiervan wordt 1½ miljard ingezet in 2000. Voor 2001 en 2002 is dus nog 5,7 miljard aan lastenverlichting beschikbaar, waarvan 5 miljard bestemd is voor de belastingherziening die in 2001 wordt doorgevoerd. Eventueel kunnen additionele inkomstenmee- en tegenvallers in de toekomst de ruimte voor lastenverlichting vergroten, respectievelijk verkleinen.

Vraag 65

Hoe is het mogelijk dat ondanks de hoger dan de in de tijd van het Regeerakkoord verwachte tekorten bij de sociale fondsen (waardoor de lasten in 1999 fors zijn verzwaard) toch een lastenverlichting van 5 miljard over de kabinetsperiode in de boeken staat? Betekent dit dat de afspraak in het regeerakkoord van 5 miljard lastenverlichting harder is dan de afspraak over hoe te handelen met inkomstenmeevallers? (blz. 67).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 64.
Vraag 66

In welke mate hebben de extra uitgaven, zoals toegezegd bij de algemene politieke beschouwingen invloed op de cijfers in tabel 4.5.1? (blz. 68).

Antwoord

De bij de Algemene Politieke Beschouwingen aangenomen moties alsmede de daarbij door de regering gedane toezeggingen leiden tot een verslechtering van het EMU-tekort in 2000 en 2001 van 0,1% BBP. De EMU-schuld neemt in 2000 met 0,1% BBP toe en vanaf 2001 structureel met 0,2% IBBP (zie tabel 1).

Tabel 1 EMU-quotes (in % BBP)

1999

2000

2001

2002

EMU-tekort MN 2000

0,6%

0,5%

1,2%

1,1%

EMU-tekort na APB

0,6%

0,6%

1,3%

1,1%

EMU-schuld MN 2000

64,3%

62,2%

61,6%

60,8%

EMU-schuld na APB

64,3%

62,3%

61,8%

61,0%

Vraag 67

Tijdens de algemene beschouwingen is extra geld uitgetrokken voor lastenverlichting. In hoeverre is er ruimte voor extra tekortreductie naar analogie van de mee- en tegenvallerformule in het geval dat de uitgavenreserve geheel of gedeeltelijk onaangesproken blijft? (blz.68)

Antwoord

Als de uitgavenreserve geheel of gedeeltelijk onaangesproken leidt dit tot een extra tekortreductie ter grootte van het onaangesproken deel. Tijdens de Algemene politieke Beschouwingen is de tranche 1999 van de uitgavenreserve al volledig ingezet ter dekking van nieuwe uitgaven.

Vraag 68

In hoeverre is de stijging van het EMU-tekort naar 1,2% in 2001 strijdig met de uitgangspunten uit het Stabiliteits- en groeipact? (blz. 68).

Antwoord

In de Miljoenennota 2000 zijn de berekeningen voor de jaren 2001 en 2002 gebaseerd op de behoedzame groeiveronderstellingen uit het Regeerakkoord. In het Stabiliteits- en groeipact is onder andere opgenomen dat de lidstaten op middellange termijn streven naar een begroting die nabij evenwicht is of een overschot vertoont. Als de economische groei zich op het huidige niveau zou handhaven, komt begrotingsevenwicht in zicht. Het stabiliteitspact schrijft niet voor dat behoedzame uitgangspunten worden gehanteerd en op dit punt is Nederland een gunstige uitzondering. Dit bemoeilijk wel de vergelijking met de inzet van andere landen.

Vraag 69

Kan nader worden verklaard welke soort inkomstenmeevallers in welke mate bijdrage aan het feit dat het geraamde tekort in 1999 in enkele maanden tijd bijna drie maal zo laag uitvalt? (blz. 68)

Antwoord

Vooraf zij opgemerkt dat naar mate het geraamde tekort lager is, wonderbaarlijke vermenigvuldigingen of delingen zich gemakkelijker voordoen. Bij een sluitende begroting zullen de relatieve afwijkingen zelfs oneindig zijn.

In onderstaande tabel is voor het EMU-tekort 1999 de aansluiting gepresenteerd van Voorjaarsnota 1999 naar Miljoenennota 2000.

Tabel 1 EMU-tekort 1999 (in % BBP)

Stand Voorjaarsnota 1999

1,7%

Belastingen


-0,5%

NBO's (aardgasbaten, common area)


-0,2%

Sociale Fondsen (premies)


-0,2%

Lokale overheid


-0,1%

Overig


-0,1%

Stand Miljoenennota 2000

0,6%

Uit tabel 1 blijkt dat de verbetering van het EMU-tekort geconcentreerd is bij de ontvangsten.

Meevallers bij de belastingen, aardgasbaten en sociale premies dragen voor 0,9%-punt BBP bij aan de verbetering van het EMU-saldo.

De grootste ramingsbijstelling is die bij de belastingontvangsten. De totale mutatie van de ramingsbijstellingen van de belastingontvangsten na de Voorjaarsnota 1999 bedraagt 4,1 miljard / 0,5% BBP. Hiervan kan 3,6 miljard als structureel worden aangemerkt. De volgende ramingsbijstellingen van de belastingontvangsten hebben bijgedragen aan de tekortreductie van 1,7% bij Voorjaarsnota tot 0,6% bij Miljoenennota:

Tabel 2 Mutaties in belastingramingen ten opzichte van Voorjaarsnota

1999

Stand Voorjaarsnota 1999

185,3

mutatie

4,1

Stand Miljoenennota 2000

189,4

De totale mutatie van de ramingsbijstellingen van de belastingontvangsten bij Voorjaarsnota ten opzichte van de Miljoenennota bedraagt 4,1 miljard. Met name de sterke groei van de consumptieve bestedingen en het hoger dan verwachte prijspeil dragen bij aan een hogere endogene belastinggroei dit jaar. Bij Voorjaarsnota voorspelde het CPB een groei van het prijspeil van de particuliere consumptie van 1¼% terwijl bij Miljoenennota dit percentage 1¾% bedroeg. In 1999 groeien dientengevolge de consumptie gerelateerde belastingsoorten zoals de omzetbelasting, accijnzen, BPM en belasting op rechtsverkeer sterker dan verwacht bij Voorjaarsnota (2 miljard). Bij de belasting op inkomen, winst en vermogen hebben kasrealisatiecijfers aanleiding gegeven tot een opwaartse aanpassing bij de dividendbelasting (1,1 miljard) en bij de vennootschapsbelasting (0,7 miljard). Van de totale mutatie in de ramingsbijstellingen van 4,1 miljard kan 0,5 miljard als incidentele mutatie worden aangemerkt (0,5 miljard bij de dividendbelasting uit hoofde van de dividenduitkering van een grote beursgenoteerde onderneming, 0,5 miljard bij de vennootschapsbelasting uit hoofde van de Common Area baten, bij de inkomstenbelasting -0,2 miljard uit hoofde van de voorlopige teruggaaf en bij de regulerende energiebelasting -0,3 miljard uit hoofde van zachte wintermaanden).

Vraag 70

Het tekort in 2000 komt bij een economische groei van 2 1/2 % uit op 0,5% BBP. Welke meevallers zijn incidenteel en welke structureel? (blz. 68).

Antwoord

Ervan uitgaande dat er per saldo geen structurele uitgavenmeevallers zijn, wordt hieronder ingegaan op de meevallers aan de inkomstenzijde.

De totale mutatie in ramingbijstellingen van de belastingontvangsten in 2000 ten opzichte van de Miljoenennota 1999 bedraagt 3,1 miljard (zie onderstaande tabel). Deze mutatie kan voor 1,4 miljard worden verklaard uit de doorwerking van de meevaller uit 1998. Daarnaast spelen nog andere factoren een rol, zoals autonome maatregelen en de bijstelling van de ijklat als gevolg van de prijsbijsteling van het BBP die voor een opwaartse aanpassing van 0,5 miljard zorgen. De anticipatie-effecten op de stelselherziening (-0,1 miljard) kunnen als incidenteel worden aangemerkt. Tenslotte kan 1,3 miljard verklaard worden uit de geraamde structurele meevaller voor 1999/2000.

Tabel 1 Bijstelling raming 2000 t.o.v. MN 1999

2000

Stand Miljoenennota 1999

193,7

mutatie

3,1

w.v. meevaller 1998

1,4

w.v. autonome maatregelen en bijstelling pBBP

0,5

w.v. anticipatie-effecten


-0,1

w.v. meevaller 1999/2000

1,3

Stand Miljoenennota 2000

196,8

Vraag 71

Op de middellange termijn wordt een hoger EMU-tekort verwacht dan de 0,5 % die voor 2000 geraamd is? Is bij die ramingen rekening gehouden met de (positieve) endogene effecten die van het belastingplan 21ste eeuw verwacht worden? (blz. 68).

Antwoord

De belastingramingen voor 2001 en 2002 zijn gebaseerd op het behoedzame scenario voor de middellange termijn van het Centraal Planbureau na verwerking van het Regeerakkoord.

Vraag 72

In welke mate zet de daling van de EMU-schuldquote zich verder voort en op welke wil de regering dat bewerkstellingen (blz. 68)

Antwoord

De Regering heeft geen kwantitatieve doelstellingen geformuleerd in het Regeerakkoord inzake een streefwaarde van de EMU-schuldquote. De Regering is van mening dat het trendmatige begrotingsbeleid een voldoende voorwaarde is voor een voortzetting van de daling van de EMU-schuldquote. De afgelopen jaren is de ontwikkeling van de schuldquote in het algemeen gunstiger geweest dan begroot.

Vraag 73

Hoe verhoudt het percentage van de schuldquote van 60,8% zich met de doelstellingen uit het regeerakkoord? (blz. 68)

Antwoord

Goed.
Vraag 74

In welke mate dragen de verschillende inkomstenmeevallers bij aan het EMU-tekort van 0,6%, ten opzichte van de voorjaarsnota waarin een tekort van 1,7% werd geraamd? (blz. 68)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 69.
Vraag 75

Hoe ontwikkelen zich de staatsschuld en het EMU-tekort zich als niet het groeipad van het regeerakkoord wordt gevolgd, met een groei van 2 x 2 % in 2001/02 maar van 2.5% respectievelijk 2.75% in beide jaren? (blz. 68).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 76.
Vraag 76

Kan er een tabel gemaakt worden waarmee inzichtelijk gemaakt wordt wanneer (bij welke groei ) begrotingsevenwicht in zicht komt. Kan in deze tabel ook een overzicht gemaakt worden hoeveel er in dat scenario aan lastenverlichting beschikbaar is in elk jaar van deze kabinetsperiode en wat de te verwachten onderschrijdingen dan wel overschrijdingen van de verschillende uitgavenijklijnen zijn?

(blz. 68).

Antwoord

Een uitputtend antwoord op bovenstaande vragen vereist een uitgebreide doorrekening van de verschillende varianten ten aanzien van de economische groei door het CPB en is daarom niet mogelijk. Wel kan op basis van verschillen tussen het behoedzame en het gunstige scenario uit de middellange termijnverkenning van het CPB een indicatie gegeven worden van de gevolgen voor uitgaven, lasten en tekort bij een hogere economische groei.

In de Miljoenennota 1999 (pagina 23) is al aangegeven dat bij een gemiddelde economische groei van circa 3% (tegen gemiddeld 2¼% in het Regeerakkoord) voor de periode 1999-2002, in 2002 begrotingsevenwicht wordt voorzien. Hierbij wordt verondersteld dat de uitgaven precies binnen de kaders blijven (uitgavenmeevallers worden dus aangewend voor intensiveringen) en dat de inkomstenmeevallers conform de mee- en tegenvallerformule worden verdeeld over lasten- en tekortontwikkeling. In dit scenario komt circa 6 miljard extra beschikbaar voor lastenverlichting. De totale lastenverlichting voor de kabinetsperiode bedraagt dan 10½ miljard. De afgelopen kabinetsperioden is gebleken dat lastenverlichting een goed instrument is voor bevordering van de werkgelegenheid bij een verantwoorde loonontwikkeling.

Bij een hogere groei doen zich meevallers voor in het volume van de sociale zekerheid (met name werkloosheid) en bij de rente-uitgaven. Hiertegenover staat een hogere reële loonontwikkeling, welke echter beperkt wordt door de extra lastenverlichting. Uit een nadere analyse van de middellange termijnverkenning van het CPB kan worden afgeleid dat bij een groei van 3% en de hierbij behorende extra lastenverlichting de uitgaven onder de uitgavenkaders in het jaar 2002 circa 1½ miljard lager uitkomen. In dat geval is de uitgavenreserve niet nodig voor het opvangen van ruilvoetverliezen en bedraagt de totale ruimte onder de uitgavenkaders zodoende bijna 2½ miljard. Uit CPB-berekeningen blijkt verder dat indien de hogere reële loonontwikkeling niet ten volle tot uitdrukking komt in de contractloonstijging, maar deels in de incidentele looncomponent (¼%-punt per jaar), de uitgavenmeevallers met nog circa 1¼ miljard zullen oplopen tot 3¾ miljard (inclusief vrijval uitgavenreserve).

Een nauwkeurige toedeling van de effecten per jaar en naar budgetdiscipline sector is thans niet mogelijk. Wel zal duidelijk zijn dat de meevallers zullen op treden in de sectoren Rijksbegroting (rente) en Sociale Zekerheid (werkloosheid).

Zoals gezegd is bij de hier beschreven gevolgen uitgegaan van een gemiddelde groei van 3% in de kabinetsperiode (t.o.v. 2¼% in het Regeerakkoord) . Indien de groei lager uitkomt, zullen de genoemde gevolgen zich in mindere mate voordoen. Voorts moet worden bedacht dat bovenstaande berekeningen indicatief van aard zijn. De werkelijke mee- of tegenvallers die zullen optreden zijn ook sterk afhankelijk van de mate waarin de overige economische variabelen (lonen, werkloosheid, prijzen en rente) zich ontwikkelen bij een hogere economische groei. Ook los van de economische groei kan sprake zijn van uitgavenmeevallers. Zo komt de huidige raming voor de groei in 1999 ¼% lager uit dan bij Miljoenennota 1999 werd voorzien, terwijl toch sprake is van zowel 1½ miljard macro gerelateerde uitgavenmeevallers als 1½ miljard inkomstenmeevallers.

Vraag 77

vervallen

Vraag 78

Kan de ontwikkeling van het EMU-tekort en de EMU-schuld gedurende deze kabinetsperiode geschetst worden uitgaande van economische groeiscenarios van resp. 2%, 2,5% en 3%? Kan de berekening geëxtrapoleerd worden naar 2010, uitgaande van beleidsarme scenarios? Wat zijn de gevolgen van de scenarios voor de verwachte realisaties van de uitgaven in de drie budgetdisciplinesectoren ten opzichte van de bijbehorende uitgavenkaders en wat zijn de gevolgen voor de verwachte inkomsten ten opzichte van de inkomstenijklat? (blz. 68).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 76. In de beantwoording van die vraag is uitgegaan van ¾% meer groei. Via een deling en omkering van tekens kan een kwantitatieve indruk worden verkregen van andere afwijkingen.

Vraag 79

Wil de regering inzicht verschaffen in de redenen/aannames die hebben geleid tot afwijkende cijfers voor schuldquote en EMU-tekort in 1999 en 2000 zoals vermeld in de Miljoenennota 2000 en de Macro Economische Verkenning 2000? Is dit verschil in het overleg tussen Financiën en het CPB aan de orde geweest en was er dan geen overeenstemming te vinden over de veronderstellingen dan wel verwachtingen? (blz. 68).

Antwoord

Voor 1999 is geen verschil tussen de raming van het EMU-tekort van het CPB en het ministerie van Financiën. In 2000 bedraagt het verschil 0,2% (0,5% Financiën versus 0,3% CPB). Dit verschil is voor 0,1% terug te voeren op ramingsverschillen voor de belastingontvangsten en het vorderingensaldo lokale overheid. De overige 0,1% verschil heeft betrekking op a) een extra impuls (via het FES) voor de Betuwelijn in 2000 die bij de afronding van de MEV nog niet bij het CPB bekend was en b) een andere aansluitingsreeks voor kas-transverschillen.

De schuldraming voor 1999 van Financiën is 0,3% hoger dan die van het CPB (64,3% Financiën versus 64,0% CPB). Dit verschil is bijna volledig geconcentreerd bij de raming van de schulddaling van de sector lokale overheid. Financiën raamt de doorwerking van vorderingensaldo naar schuld behoedzamer dan het CPB. In het jaar 2000 doet zich geen verschil meer voor.

Er vindt regelmatig overleg plaats tussen het Centraal Planbureau en het ministerie van Financiën. Ook eventuele verschillen in de ramingen voor schuld en tekort komen in dit overleg aan de orde. Dit leidt er echter niet in alle gevallen toe dat, zoals in China, exact dezelfde inzichten worden gehanteerd.

Vraag 80

Wat voor gevolgen hebben de bij de algemene politieke beschouwingen aangenomen moties alsmede de daarbij door de regering gedane toezeggingen voor het EMU-tekort en de EMU-schuld? (blz. 68).

Antwoord

De bij de Algemene Politieke Beschouwingen aangenomen moties alsmede de daarbij door de regering gedane toezeggingen leiden tot een verslechtering van het EMU-tekort in 2000 en 2001 van 0,1%-BBP. De tekortraming voor 2002 blijft in %-BBP ongewijzigd.De EMU-schuld neemt in 2000 met 0,1% BBP toe en vanaf 2001 met 0,2% BBP.

Vraag 81

De staatsschuldquote wordt uitgedrukt als percentage BBP. Wanneer een particulier schulden aangaat, wordt de draagkracht gebaseerd op het inkomen en het uitgavenpatroon. Hoe verhoudt de staatsschuld (conform EMU-definitie) zich als deze als percentage van het totaal van belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten wordt uitgedrukt? Kan hiervan een overzicht van de laatste tien jaar worden gegeven? Hoe verhoudt de staatsschuld (conform EMU-definitie) zich tot de totale begrotingsuitgaven van de afgelopen tien jaar? (blz. 69)

Antwoord

Vooraf zij opgemerkt dat de maatstaven als bedoeld in de vraag er toe leiden dat, bij een gegeven omvang van de staatsschuld, een sterke expansie van de omvang van de collectieve sector tot cijfers leidt.

In onderstaande tabel zijn gepresenteerd: de staatsschuld in % van de belastingontvangsten, in % van de niet-belastingontvangsten en in % van de totale begrotingsuitgaven.

Tabel Staatsschuld in % begrotingsuitgaven, belastingontvangsten en niet-belastingontvangsten

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Staatsschuld in % begrotingsuitgaven

152,7%

149,2%

154,6%

153,1%

151,0%

153,2%

179,7%

179,2%

158,8%

143,2%

157,5%

Staatsschuld in % Belastingontvangsten

233,0%

223,5%

233,6%

229,6%

242,5%

260,7%

249,4%

240,2%

233,6%

227,5%

223,7%

Staatsschuld in % NBO's

1178,8%

1147,0%

1228,8%

882,8%

753,4%

725,4%

1453,1%

1435,6%

1102,6%

1138,1%

1608,1%

Vraag 82

Op welk moment is de regering van plan om alle premies kostendekkend vast te stellen en hoeveel lastenverlichting gaat gepaard met een kostendekkende premievaststelling van de AWF-premies? (blz. 70).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 120.

Vraag 83

Met betrekking tot de handhaving EMU-norm stelt de regering dat eventueel ingegrepen dient te worden in de omvang van de aandelen in het EMU-saldo van de verschillende overheidssectoren. Hoe verhoudt vorenstaande zich tot de bestuurlijke autonomie van bedoelde sectoren? Wat betekent dit in praktische en bestuurlijke zin? (blz. 71).

Antwoord

De bestuurlijke betekenis van deze mogelijkheden is dat er een wettelijke basis komt voor de handhaving van de EMU-normen (tekort- en schuldnorm) en de naleving van het verdrag van Maastricht. De EMU-normen gelden namelijk voor de hele overheidssector. Op dit moment zijn de mogelijkheden van de Regering onvoldoende, zowel qua informatievoorziening als qua bevoegdheden.

De Regering is wel verantwoordelijk voor de handhaving van de 3%-norm van het EMU-tekort, maar beschikt niet over voldoende bevoegdheden om in een budgettaire noodsituatie voldoende maatregelen te kunnen treffen. Het betreft dan met name de beheersing van het tekort van onderdelen van de overheid buiten de rijksoverheid (met name de gemeenten, provincies, en de tot de centrale overheid behorende zelfstandige bestuursorganen waaronder de sociale fondsen). De nieuwe bevoegdheden van de regering zijn alleen bedoeld voor toepassing ingeval van een budgettaire noodsituatie van een dreigende overschrijding van de 3%-norm voor het EMU-saldo. In die situatie is het wenselijk dat de Regering als ultimum remedium over bevoegdheden beschikt om in te grijpen in het tekort van alle sectoren van de overheid die bijdragen aan de (dreigende) overschrijding van de 3%-norm. De praktische betekenis lijkt op dit moment wellicht betrekkelijk gering omdat het EMU-tekort steeds verder van de kritische EMU-tekortnorm van 3% BBP verwijderd raakt. Daar komt nog bij dat de sociale fondsen en de lokale overheden zich in een situatie van overschotten bevinden.

Met het oog op de monitoring van het EMU-saldo en de EMU-schuld van de overheid is een en ander nu al van praktische betekenis. De informatievoorzieningen over de bijdrage in het EMU-tekort en de EMU-schuld door lokale overheden en sociale fondsen is voor verbetering vatbaar.

Vraag 84

Vallen de sociale fondsen uit de sectoren Zorg en SZ ook onder de aangekondigde wetgeving voor die delen van de sector Overheid waar gevaren dreigen? Kan wetgeving leiden tot een versnelling en verbetering van de informatievoorziening in met name de sector Zorg? (blz. 71).

Antwoord

Het is inderdaad ook de bedoeling van de aangekondigde wetgeving dat de financiële informatievoorziening van de bedoelde sectoren verbetert. Zie ook het antwoord op vraag 83.
Vraag 85

De vorderingensaldi van de lokale overheid en de sociale fondsen geven geen tekort te zien. Op basis van welke verwachtingen wenst de regering dan in de toekomst in te grijpen? (blz. 71, blz. 245).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 83

Vraag 86

Wordt in de Miljoenennota niet voor de volle kabinetsperiode van de verdeelsleutel uit de meevallerformule uitgegaan (een afspraak die van jaar op jaar geldt)? (blz. 83).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 64.
Vraag 87

Waarom heeft de regering in het kader van de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording geen concretere prestatiedoelstellingen geformuleerd? (blz. 75)

Antwoord

Met de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording is een nieuwe impuls gegeven aan het gebruik van prestatiegegevens. Dit geldt overigens eveneens voor de beleidsprioriteiten die door de Werkgroep Financiële Verantwoordingen uit de Tweede Kamer zijn aangedragen. Om de gewenste situatie te bereiken is een groeitraject noodzakelijk. Voor de departementale begrotingen wordt een beleidsmatige indeling voorgesteld met daaraan gekoppeld het gebruik van prestatiegegevens. Het streven is er op gericht om in september 2001 de begroting 2002 nieuwe stijl te presenteren. In mei 2000 is een evaluatiemoment voorzien waarbij aan de hand van voorbeeldbegrotingen bezien wordt of dit tijdpad haalbaar is. de Voor zover deze onderwerpen terugkomen in de Miljoenennota is het dan pas mogelijk om deze prestatiegegevens in de Miljoenennota op te nemen.

Inzake de verwijzing naar pagina 42, reductie van wachtlijsten, is van belang dat bij de kamervragen (vraag 27, 26 573 nr. 3) die zijn gesteld over de nota Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording reeds een vraag hierover is gesteld. In het antwoord is aangegeven dat het terugdringen van de wachtlijsten een onderwerp van overleg is in het kader van de meerjarenafspraken die in de zorgsector gemaakt worden. In overleg met de sectoren wordt de definitie van aanvaardbare wachtlijsten bepaald. De Kamer wordt over de voortgang van de meerjarenafspraken periodiek op de hoogte gehouden.

Vraag 88

Is de rentevergoeding die agentschappen bij een beroep op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën dienen te betalen, gelijk aan het rendement op staatslening? Zo nee, wat is de reden hiervan? (blz. 78).

Antwoord

Ja. De rente die voor verstrekte leningen in rekening wordt gebracht is gelijk aan het effectief rendement op staatsleningen. De motivatie hiervoor is dat agentschappen een marktanaloge rente betalen voor hun vreemd vermogenfinanciering. Bovendien moeten de verstrekte leningen door het Ministerie van Financiën uit de kapitaalmarkt worden aangetrokken.

Vraag 89

Is de rentecompensatie voor toekomstige agentschappen volledig, dat wil zeggen kunnen zij renteloos lenen? Zal dit een tijdelijke compensatie zijn? Zo ja, hoe lang zal deze duren? Zo nee, waarom niet? (blz. 79).

Antwoord

Voor een goed begrip van de rentecompensatie is het van belang onderscheid te maken in twee situaties: (1) de vorming van een agentschap en het daarbij door middel van een lening financieren van de afrekening voor de overgedragen vermogensbestanddelen en (2) het nadien aantrekken van leningen voor vervangings- en uitbreidingsinvesteringen.

Wanneer een dienst tot agentschap wordt omgevormd, is deze dienst verplicht overeenkomstig de beleidslijn overdracht van vermogensbestanddelen het saldo van bezittingen en schulden af te rekenen. Voor zover de financiering hiervan langlopend is, staat de leenfaciliteit hiervoor open. Bij de start beschikt een agentschap immers niet over de liquiditeiten om dit zelf te financieren. De agentschappen zijn rente verschuldigd over het geleende bedrag en berekenen de rentelasten door in de prijzen van hun producten en diensten. Er is uitdrukkelijk voor gekozen om de afnemende departementen voor deze prijsstijging te compenseren. Dit voorkomt dat de beleidslijn overdracht van vermogensbestanddelen een drempel opwerpt tegen de vorming van agentschappen. De rentecompensatie wordt eenmalig vastgesteld en structureel toegekend aan de afnemende departementen.

Indien een agentschap nadien leent voor de financiering van investeringen (vervanging dan wel uitbreiding) rekent het agentschap de daarmee samenhangende rentelasten eveneens door in de kostprijzen van de producten en diensten. Dit heeft geen consequentie meer voor de omvang van de rentecompensatie omdat hierdoor het niveau van de dienstverlening verbetert en een hogere prijs daarbij hoort.

Vraag 90

Waarom wordt voor het jaar 2000 afgeweken van de meevallerformule uit het regeerakkoord? Is de constatering juist dat door deze afwijking het tekort hoger uitvalt dan als de meevallerformule volgens de afspraken zou zijn ingezet? (blz. 83)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 64.
Vraag 91

Kan de negatieve opbrengst inkomstenbelasting worden verklaard? (blz 107)

Antwoord

De negatieve ontvangsten bij de inkomstenbelasting zijn ten eerste het gevolg van de maatregel om per 1 januari 1999 verminderingen van loonbelasting, vanwege aftrekposten, rechtstreeks uit te laten betalen door de belastingdienst via een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Door deze maatregel vindt een verschuiving plaats tussen loon- en inkomstenbelasting (0,6 miljard). Verder moet voor de inkomstenbelasting een onderscheid worden gemaakt tussen particulieren en ondernemers. Bij de particulieren is de ontwikkeling van bijtel- en aftrekposten (bijv. rente- en dividendinkomsten, hypotheekrente) van belang, terwijl bij de ondernemers de winstontwikkeling van belang is. De omvang van de aftrekposten van alle Nederlandse belastingplichtigen is groter dan de afgedragen belasting van een relatief kleine groep ondernemers, waardoor de opbrengst van de totale inkomstenbelasting per saldo negatief is. Als echter naar de loon- en inkomstenbelasting samen wordt gekeken, is echter een duidelijke stijging ten opzichte van de belastingontvangsten van vorig jaar zichtbaar.

Vraag 92

Heeft het hogere vermogenssaldo van de sociale fondsen effecten voor de rente die deze fondsen ontvangen van de Staat, in verband met het geïntegreerd middelen beheer en de leen- en deposito faciliteit? (blz. 113).

Antwoord

In principe komt een toename in het vermogen van sociale fondsen tot uitdrukking in het rekening-courantsaldo dat de sociale fondsen aanhouden in de schatkist. Derhalve zal de rentevergoeding van de Staat aan de fondsen toenemen. Overigens loopt de toename van de vermogens van de fondsen niet geheel gelijk op met de toename van de middelen die fondsen bij het Rijk aanhouden in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt door kas-transverschillen (waaronder eindafrekeningen over oude premiejaren volksverzekeringen). Daarnaast zijn in 1998 nog niet alle vermogensbestanddelen in de schatkist afgestort, omdat bij de start van het geïntegreerd middelenbeheer de beleggingen niet zijn afgebroken. Afgesproken is dat de beleggingen op het moment dat deze ter vrije beschikking van de fondsen kwamen, naar de rekening-courant worden afgestort.

Vraag 93

Hoe zou, in grote lijnen, een toetsingskader voor fiscale stimuleringsmaatregelen eruit moeten zien, gegeven de omstandigheid dat de regering weinig verwacht van de introductie van een ijklijn? (blz. 115 en 121).

Antwoord

Zoals onder meer in de bijlage over belastinguitgaven in de Miljoenennota van 1999 wordt opgemerkt, zijn de belangrijkste criteria die bij het ontwikkelen van een toetsingskader voor fiscale stimuleringsregelingen een rol spelen doeltreffendheid (beleidseffectiviteit), doelmatigheid (kostenefficiëntie) en inpasbaarheid binnen de fiscale structuur. Daarnaast is van belang de verenigbaarheid van de maatregel met budgettaire randvoorwaarden, zoals de ontwikkeling van de microlasten, het uitgavenkader en de budgettaire beheersbaarheid en de verenigbaarheid van de maatregel met EU-regelgeving en internationale verdragen.

Vraag 94

Kan er naast het huidige overzicht over belastinguitgaven ook een overzicht gemaakt worden in de sfeer van de vermogensbelasting, het recht van successie, de omzetbelasting, accijnzen en milieuheffingen? Kan behalve een raming van het lopende jaar ook een raming voor de komende jaren van de lopende kabinetsperiode worden opgenomen? (blz. 115).

Antwoord

Fiscale stimuleringsregelingen zijn naar hun aard voornamelijk te vinden in de naar inkomen of winst geheven belastingen (loon- en inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting). Afhankelijk van de te hanteren uitgangspunten, is het op zichzelf beschouwd denkbaar om ook in andere belastingen - aspecten van - belastinguitgaven te onderkennen. Deze discussie is echter nog nauwelijks op gang gekomen, zodat daarover nog geen concrete uitspraken kunnen worden gedaan.

Over de omvang van de belastinguitgaven voor de komende jaren van de lopende kabinetsperiode kan thans nog geen integraal beeld worden gegeven.

Vraag 95

Wat is de laatste 8 jaar het jaarlijkse totale bedrag aan belastinguitgaven geweest, uitgesplitst naar LB/IB, VpB en premies? (blz. 118).

Antwoord

Met ingang van de Miljoenennota 1999 wordt jaarlijks een overzicht gegeven van het budgettair belang van belastinguitgaven. Daarvoor is dat alleen gebeurd voor het jaar 1984 (Belastinguitgaven in de Nederlandse inkomstenbelasting en de loonbelasting, 1987) en voor 1994 (Bouwstenennotitie). Voor de tussenliggende jaren is geen dergelijk integraal budgettair overzicht van belastinguitgaven beschikbaar.

Vraag 96

Wat zijn de te verwachten belastinguitgaven voor de jaren 2001 en 2002 en welke invloed heeft de invoering van het nieuwe belastingstelsel hierop? (blz. 119).

Antwoord

Over de omvang van de belastinguitgaven voor de jaren 2001 en 2002 kan thans nog geen integraal budgettair beeld worden gegeven. De lagere tarieven in het nieuwe belastingstelsel zullen tot gevolg hebben dat het budgettaire belang van veel belastinguitgaven afneemt.

Vraag 97

In hoeverre werkt de introductie van een ijklijn voor belastinguitgaven belemmerend voor koopkrachtbeleid, werkgelegenheidsbeleid en ondernemerschap? (blz. 120).

Antwoord

De invoering van een ijklijn zou tot gevolg hebben dat toegespitste fiscale maatregelen die in het kader van koopkrachtbeleid, werkgelegenheidsbeleid en ondernemerschap wenselijk zijn niet getroffen kunnen worden voorzover daarvoor onder de ijklijn geen budgettaire ruimte beschikbaar zou zijn. Zoals in bijlage 4 van de Miljoenennota is opgemerkt worden de mogelijkheden tot het gebruik van belastinguitgaven overigens al in belangrijke mate ingeperkt doordat in het huidige Regeerakkoord de afspraak over de totale omvang van de lastenverlichting is aangevuld met de zogenoemde mee- en tegenvallerformule. Hiermee is de ruimte voor lastenverlichtende maatregelen, inclusief extra belastinguitgaven ingekaderd.

Vraag 98

Geldt het argument dat de introductie van een ijklijn voor de belastinguitgaven de inzet van belastinguitgaven als beleidsinstrument voor koopkrachtbeleid (en als terugsluisinstrument) zou kunnen belemmeren, niet evenzo aan de uitgavenkant? (blz. 120)

Antwoord

Met een ijklijn voor de belastinguitgaven zou aan de inkomstenkant van de begroting een extra normering worden geïntroduceerd die ten opzichte van de huidige normering niet bijdraagt aan een grotere beheersbaarheid van belastinguitgaven. De normering van de belastinguitgaven vindt thans plaats via de inkomstenijklatten, aangevuld met de in het Regeerakkoord opgenomen mee- en tegenvallerformule. Introductie van een ijklijn voor de belastinguitgaven zou betekenen dat daarbinnen een nieuwe norm wordt gecreëerd die belemmerend werkt voor afwegingen aan de inkomstenkant. Dat geldt temeer, omdat een eenduidige definitie van belastinguitgaven niet voorhanden is.
Vraag 99

Is de periode dat er inzicht wordt verkregen in het budgettaire belang van belastinguitgaven (2,5 jaar) niet erg lang, zowel waar het gaat om inzicht van de Kamer als waar het gaat om tijdig bijsturen van beleid. Is het mogelijk om deze periode aanzienlijk te verkorten? (blz. 121).

Antwoord

Voor een aantal belastinguitgaven kan op betrekkelijk korte termijn inzicht worden verkregen in het budgettaire beslag. Zo rapporteert de Belastingdienst bijvoorbeeld maandelijks over het budgettaire belang van de diverse afdrachtverminderingen. Aangezien het bij de afdrachtsverminderingen gaat om een rechtstreekse vermindering van de af te dragen loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen, is het bedrag van de toegepaste vermindering gelijk aan de feitelijke budgettaire derving. Voor een aantal investeringsfaciliteiten geldt voorts dat de Belastingdienst maandelijks rapporteert over het aangemelde investeringsbedrag, zodat ook daar al vrij snel een beeld ontstaat van het budgettaire belang.

Voorzover het inzicht in het daadwerkelijke budgettaire belang van belastinguitgaven moet worden verkregen uit de definitieve aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting is het niet mogelijk om de genoemde periode van 2,5 jaar te verkorten, aangezien het 2 à 3 jaar duurt voordat het gegevensbestand voor een bepaald belastingjaar (vrijwel) volledig gevuld is. Dit neemt overigens niet weg dat op basis van actualisering van gegevens van oudere jaren in veel gevallen een redelijk accurate schatting gemaakt kan worden van het met een bepaalde regeling gemoeide budgettaire belang.

Vraag 100

Hoe groot zijn de hogere ontvangsten van de EU die via de begroting van LNV aan de algemene middelen worden toegevoegd? (blz. 148).

Antwoord

De hogere EU-ontvangsten zijn het gevolg van de op de EU-top in Berlijn afgesproken verhoging van de perceptiekostenvergoeding. Deze verhoging bedraagt 82 mln per jaar vanaf 2001 (zie ook blz. 192, 193).
Vraag 101

De informatie in de Miljoenennota over de budgetdisciplinesector Rijksbegroting en de twee andere budgetdisciplinesectoren loopt teveel uiteen. Aangezien het merendeel van de uitgaven in de sectoren Zorg en Sociale Zekerheid niet via de begroting maar via premies wordt gefinancierd, kan de Kamer deze uitgaven niet autoriseren. In hoeverre is het mogelijk om de invloed van de Kamer op deze sectoren te vergroten en welke wijzigingen zijn daarvoor nodig? (blz. 163)

Antwoord

Weliswaar kan de Kamer de uitgaven in de premiegefinancierde sector formeel niet autoriseren. Inhoudelijk zijn er wel degelijk aangrijpingspunten voor de Kamer. In de eerste plaats wordt de Kamer volledig geïnformeerd over de uitgaven, ontvangsten en vermogensposities in de Sociale Nota (bijlage 1), de Zorgnota en, overkoepelend, de Miljoenennota. Op basis van deze informatie kan de Kamer het reguliere overleg met de regering ten volle benutten. In de tweede plaats ontvangt de Kamer sinds begin 1998 uitvoeringsrapportages over uitgaven- en inkomstenontwikkeling SZA en Zorg parallel aan de Voorjaarsnota, Najaarsnota en Voorlopige Rekening van de minister van Financiën (zie hieronder). Ook op basis van deze rapportages kan de Kamer het reguliere overleg met de regering benutten. In de derde plaats kan bij de behandeling door de Kamer van wets- en beleidsvoorstellen over materiewetgeving in de sectoren SZA en Zorg ook over de budgettaire consequenties van beleidsmaatregelen worden gesproken. Tenslotte is er de indirecte sturing door de Kamer van de vaststelling van de sociale premies. De premies voor de premiegefinancierde sector worden immers onder goedkeuring van de verantwoordelijke ministers vastgesteld dan wel rechtstreeks door de verantwoordelijke minister vastgesteld. Bij onthouding van de goedkeuring stellen de verantwoordelijke ministers de premies zelf vast. De regering hanteert in de regel ten aanzien van de uiteindelijke premievaststelling de uitgangspunten in de MEV. Over deze uitgangspunten vindt met de Kamer tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen overleg plaats.

De zojuist genoemde uitgebreide informatievoorziening over de sectoren SZA en Zorg is tot stand gekomen naar aanleiding van de brief van 29 oktober 1997, waarin de Tweede Kamer heeft gevraagd om de informatievoorziening over de drie budgetdisciplinesectoren te verbeteren. Hierop heeft de regering besloten om naast de informatie die wordt verstrekt in de Miljoenennota over de Rijksbegroting, dezelfde informatie in de Sociale Nota en de Zorgnota (toen nog het Jaaroverzicht Zorg geheten) te gaan opnemen. De Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 19 december 1997 (B97/609M). Een en ander betekent dat, analoog aan de uitgebreide verticale toelichting voor de sector Rijksbegroting in de Miljoenennota, voor de sectoren Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en Zorg een vergelijkbare verticale toelichting is opgenomen in de Sociale Nota en de Zorgnota. Tegelijk is besloten om naast de uitvoeringsnotas voor de Rijksbegroting, ook dergelijke notas (brieven geheten) te maken voor de sectoren Zorg en SZA, waarin een zelfde indeling wordt gehanteerd als in de notas over de Rijksbegroting.

Vraag 102

Op welke wijze kan de coördinerende taak van de minister van Financiën, zoals die nu is geregeld voor de Rijksbegroting, op een vergelijkbare wijze in de sectoren Zorg en Sociale Zekerheid worden vormgegeven? Kan hierdoor de informatievoorziening in de MN en andere budgettaire stukken evenwichtiger verdeeld worden over de sectoren Rijksbegroting, Zorg en Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt dan nu het geval is? (blz. 163).

Antwoord

Verdergaande formele coördinerende taken van de Minister van Financiën vergen wijziging van de Comptabiliteitswet. Voor de inhoud van de Miljoenennota en andere budgettaire stukken is dat niet vereist. Vraag 103

Hoe verhoudt de opmerking in bijlage 6 van de Miljoenennota dat de beschikbare middelen uit het Fonds Economische Structuurversterking eerder beschikbaar worden gesteld aan de geactualiseerde planning voor de Betuweroute met de opmerking uit de MEV dat het project achter ligt op het vorig jaar gebudgetteerde investeringsschema? (blz. 204).

Antwoord

In augustus 1999 is de uitvoeringsplanning van de Betuweroute geactualiseerd op zodanige wijze dat de opleverdatum 2005 kan worden gehaald. Die stand is opgenomen in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Infrastructuurfonds en het Fonds Economische Structuurversterking.

Vraag 104

Indien de investeringsdoelstelling voor de Betuweroute niet gehaald zou worden, wordt het beschikbare bedrag uit het Fonds Economische Structuurversterking toch ter beschikking gesteld aan de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, of wordt het bedrag in het Fonds gereserveerd totdat het bedrag nodig is? (blz. 204).

Antwoord

Indien de uitvoeringsplanning voor de Betuweroute niet zou worden gehaald, wordt het voor de Betuweroute beschikbare bedrag conform de daarvoor geldende systematiek in het Fonds Economische Structuurversterking gereserveerd totdat het bedrag nodig is. De uitvoeringsplanning ligt overigens op schema.

Vraag 105

In hoeverre beïnvloedt de beslissing om de Noord-tak van de Betuweroute niet aan te leggen, het budgettaire beeld van het Fonds Economische Structuurversterking? (blz. 205).

Antwoord

Die beslissing beïnvloedt het beeld van het FES niet. Het project was opgenomen in categorie 1a van het MIT. Dit betekent dat niet specifiek middelen zijn gereserveerd. Besluitvorming over de resterende projecten onder de categorie 1a zal in deze kabinetsperiode nog plaatsvinden.

Vraag 106

Hoe wordt de opbrengst van het innovatief aanbesteden (50 miljoen structureel) geraamd? (blz. 204).

Antwoord

Door ondermeer een directere afstemming tussen ontwerp en aanleg en een betere beheersing van risicos bij projecten die zich lenen voor innovatief aanbesteden kunnen projectbudgetten worden verlaagd. Aldus ontstaat een betere prijs/kwaliteitsverhouding voor het project. De potentie voor innovatief aanbesteden bij Rijkswaterstaat is veelbelovend. In het regeringsstandpunt over het IBO-rapport Innovatief aanbesteden bij Rijkswaterstaat dat voor het einde van dit jaar aan de Staten-Generaal wordt aangeboden, zal een nadere invulling van het opdrachtgeverschap bij innovatief aanbesteden worden gegeven.

Vraag 107

Kan een helder overzicht worden gegeven van de tot op heden gerealiseerde verkopen van staatsdeelnemingen, met daarin verwerkt, de opbrengst, de bestemming en eventueel de opbrengst aan vrijvallende rentelasten? Idem voor wat betreft de Common Area baten? (blz. 205)

Antwoord

In deze kabinetsperiode zijn er tot op heden de onderstaande opbrengsten verkoop staatsdeelnemingen en Common Area baten:

Verkoop staatsdeelnemingen

Opbrengst (mln)

Vrijvallende rentelasten -/- dividendderving

t.g.v. FES 1999 (mln)

Vrijvallende rentelasten - /- dividendderving

t.g.v. FES structureel (mln)

VAM

221

5,9

8,7

NIB

2008

39,6

71,8

KLM

225

10

10

NedCar

220

0

0

Roccade

258

0

0

Common Area (incl VPB)

800

ca 9,5

ca 40

Toelichting

De verkoopopbrengst NedCar wordt aangewend ter dekking van de schuld van de staat aan NedCar in verband met verliezen op de 400-serie. Aangezien er geen verlaging van de Staatsschuld plaatsvindt is er ook geen rentevrijval t.g.v. het FES.

Als gevolg van de gedeeltelijk verkoop van Roccade zijn er geen vrijvallende rentelasten ten behoeve van het FES omdat de met de opbrengst (tot 400 mln) van Roccade samenhangende rentevrijval reeds in het verleden op de Rijksbegroting is verwerkt.

In de wetswijziging FES zijn bovengenoemde verkopen daarom als uitzondering opgenomen.

Onder verantwoordelijkheid van het vorige kabinet zijn aandelen KLM verkocht. De opbrengsten zijn kort na het aantreden van dit Kabinet gerealiseerd. Een deel (225 mln) van de opbrengst is geoormerkt als invulling van de stelpost verkoop staatsdeelnemingen 1999 en de vrijvallende rentelasten (minus dividend) voor dat deel komen derhalve ten gunste van het FES.

De Common Area baten bestaan uit 2 delen, namelijk Niet Belasting Ontvangsten (NBO) en VPB. De NBO (355 mln) zijn eind augustus ontvangen. De VPB komt ten dele nog in de komende maanden van dit jaar binnen. Het rentepercentage op dat moment van binnenkomen is nog niet bekend. Ervan uitgaande dat het gemiddelde rentepercentage van de Common Area baten 5% is, zijn de vrijvallende rentelasten in 1999 ca 9,5 mln en ca 40 mln structureel.

Voor de goede orde gaan wij hier uitvoeriger dan op pagina 191 van de Miljoenennota in op de arbitrageuitspraak Common Area. In de arbitrageprocedure tussen NAM en Brigitta over het Groningengas in het grensgebied Eemsmonding (de zgn Common Area) is onlangs uitspraak gedaan, na een eerdere uitspraak in 1996. NAM heeft op grond daarvan thans in totaal 5 mld gulden ontvangen van Brigitta. Ook over het recent toegewezen bedrag zal de Staat tenminste de basisafdracht van 68,2% ontvangen.

Bij Najaarsnota 1999 zal de exacte omvang van de voeding FES zoals die op dat moment is gerealiseerd worden vastgesteld.

Vraag 108

Hoe wordt de doelstelling van 2 miljard aan verkoop staatsdeelnemingen per jaar globaal ingevuld? Idem voor wat betreft de Common Area baten? (blz. 213).

Antwoord

Het is ex ante niet te voorzien op welk moment en met welke invulling verkoop van staatsdeelnemingen precies wordt gerealiseerd. Invulling en timing van vervreemding van deelnemingen is immers sterk afhankelijk van marktklimaat, bedrijfsresultaat en nadere politieke besluitvorming. Daarnaast hebben dergelijke transacties naar hun aard vaak een vertrouwelijk karakter. Het is echter belangrijk te onderkennen dat de structurele rentevrijval ex post een taakstellend karakter heeft en dat het beleid terzake daarop is vormgegeven. De actuele realisatie indiceert dit dan ook, en er is gelet op het bestaande pakket Staatsdeelnemingen en de concrete plannen voor veiling van frequentiegebruik geen reden op voorhand te twijfelen aan de haalbaarheid van 2 miljard aan opbrengsten.

Met betrekking tot de Common Area-baten komt op basis van de arbitage uitspraak ca 800 mln in 1999 binnen en ca 200 mln in 2000

Vraag 109

De verdeling van de gelden uit hoofde van de invoering van de euro is gebaseerd op 50% cofinanciering. Vindt deze cofinanciering door andere departementen plaats dan wel door derden zoals particuliere organisaties en andere overheden? Kan hier een overzicht van worden gegeven? (blz. 213).

Antwoord

Om de invoering van de euro in Nederland bij de overheid soepel te laten verlopen heeft de regering in de Miljoenennota 1998 een reservering opgenomen van jaarlijks 0,2 miljard voor de jaren 1999-2002. Na een inventarisatie van de door de departementen te maken kosten uit hoofde van de euro, is deze reservering grotendeels verdeeld, met als uitgangspunt een cofinanciering van 50% van de kosten uit de algemene middelen. Alleen de door de overheid te maken kosten konden daarbij voor vergoeding uit de reservering in aanmerking komen. In lijn met de eigen departementale verantwoordelijkheid voor de invoering van de euro worden de resterende kosten door de departementen zelf gedragen. Voorzover bekend dragen derden zoals particuliere organisaties niet bij aan de te maken kosten voor de invoering van de euro bij de overheid, doch giften zijn welkom.

In onderstaande tabel vindt u de bedragen die departementen meerjarig aan hun begroting toegevoegd hebben gekregen. Deze middelen zijn verwerkt op de respectievelijke begrotingen.

(in miljoenen)

1999

2000

2001

2002

Totaal

HCvS/KdK

0,0

0,1

0,1

0,0

0,2

BuiZa

0,2

1,5

2,1

0,2

4,1

BZK/GSI

9,4

19,9

15,9

7,1

52,2

Justitie

13,1

24,8

17,6

2,7

58,1

OCenW

5,6

58,7

37,7

2,8

104,8

Financiën

36,1

36,4

52,8

49,8

175,1

Defensie

2,1

5,7

5,0

0,7

13,5

VROM

4,4

6,2

8,9

0,8

20,2

V&W

8,3

23,9

20,8

9,6

62,5

EZ

3,0

3,3

1,7

0,6

8,7

LNV

2,3

8,0

5,1

1,5

16,8

SZW

4,8

8,3

10,8

2,4

26,4

VWS

2,5

2,0

2,2

1,6

8,3

Totaal

92,0

198,7

180,4

79,9

551,0

Vraag 110

Wat is de reden dat de aanvullende post algemene uitgaven van 2000 naar 2001 stijgt, vervolgens daalt, van 2002 naar 2003 fors stijgt en daarna weer licht terugloopt? (blz. (211).

Antwoord

Op de aanvullende post Algemeen staan middelen gereserveerd waarvan op het moment van reservering nog niet expliciet kan worden aangegeven op welke begrotingen zij uiteindelijk zullen worden verantwoord. Het betreft onder andere reserveringen voor uitvoeringskosten van fiscale wetsvoorstellen, de behoedzaamheidsreserve voor het gemeente- en provinciefonds, het CO2-reductieplan, het infrastructuurcluster uit het Regeerakkoord en voor BTW openbaar vervoer.

Deze middelen worden overgeboekt naar andere begrotingen op het moment dat interdepartementaal overeenstemming bestaat over omvang en bestemming. De reserveringen worden gekenmerkt door verschillende kasritmes over de jaren tot en met 2003, die de stand van de aanvullende post dan ook danig kunnen beïnvloeden. Zo wordt de stijging van 2001 op 2000 met name verklaard doordat de reservering voor de fiscale wetsvoorstellen en het CO2-reductieplan in dat jaar hoger zijn dan in 2000. De stijging in 2003 wordt voornamelijk veroorzaakt door de oploop in de reservering voor het infrastructuurcluster uit het Regeerakkoord en die voor het BTW openbaar vervoer.

Vraag 111

Kan de uitgavenverhoging correctie 2003 van 200,3 mln in 2003 bij het begrotingsonderdeel Algemeen (voorheen nader te bepalen) worden toegelicht? (blz. 211).

Antwoord

Op de aanvullende post Algemeen staan middelen gereserveerd waarvan op het moment van reservering nog niet expliciet kan worden aangegeven op welke begrotingen zij uiteindelijk zullen worden verantwoord. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de middelen voor infrastructuur uit het Regeerakkoord, waarop deze correctie betrekking heeft. Voor de Regeerakkoordimpuls infra is een pakket afgesproken dat loopt tot en met 2010. De correctie van ruim 200 miljoen in 2003 betreft een technische aanpassing op de extrapolatiestand 2003, op basis van de gereserveerde middelen voor de regeerakkoordimpuls infra voor de periode 2003 tot en met 2010. In de stand Miljoenennota 1999 werd ten onrechte nog uitgegaan van een stand 2003 die gelijk was aan die van 2002.

Vraag 112

Kan de post uitvoeringskosten fiscale wetsvoorstellen bij het begrotingsonderdeel Algemeen (voorheen nader te bepalen) worden toegelicht? (blz. 211).

Antwoord

Op de aanvullende post Algemeen (voorheen nader te bepalen) is een reservering opgenomen voor uitvoeringskosten van fiscale wetsvoorstellen die nog niet in uitvoering zijn genomen. De reservering is voor 2000 en volgende jaren verhoogd teneinde deze toereikend te laten zijn voor de verwachte uitvoeringskosten van fiscale wetsvoorstellen. Voor het jaar 1999 is de reservering naar beneden bijgesteld.

Vraag 113

Kan de terugloop in 2003 bij de post niet-belastingontvangsten nader worden toegelicht? (blz. 212).

Antwoord

De terugloop in 2003 bij de niet-belastingontvangsten van de aanvullende post Algemeen wordt verklaard doordat de stelpost van jaarlijks 2 miljard uit het Regeerakkoord voor de verkoop van staatsdeelnemingen eindigt in het jaar 2002. Het negatieve bedrag vanaf 2003 wordt verklaard doordat de dividenddervingen, die samenhangen met de verkoop van de deelnemingen, als lagere ontvangsten op de aanvullende post zijn verwerkt. Deze lagere dividendopbrengsten werken uiteraard wel door in de jaren na 2002.

Vraag 114

Tijdens de algemene politieke beschouwingen is door de minister-president gezegd dat de overheidsinkomsten dit jaar relatief vroeg binnenkomen en dat de uitgaven relatief laat in het jaar vallen. Kan deze stelling gespecificeerd en gekwantificeerd worden, en kan een vergelijking met andere jaren worden gemaakt? Hoe groot is het rentevoordeel dat hierdoor wordt veroorzaakt? (blz. 176/177).

Antwoord

De uitspraak van de minister-president had betrekking op de gunstige 12-maands tekortcijfers in de maanden juli en augustus. Deze betrekkelijk gunstige cijfers worden mede veroorzaakt doordat een deel van de ontvangsten relatief vroeg binnenkomt en een deel van de uitgaven relatief later in het jaar wordt gedaan. Dergelijke verschillen in betalingsritmes tussen jaren zijn niet ongebruikelijk. Zij beïnvloeden de tussentijdse twaalfmaandcijfers van het tekort, maar niet de jaarramingen- en realisaties.

Het geldt met name voor de dividendbelasting. Het twaalfmaandcijfer van de belastingontvangsten is mede hierdoor van juni op juli met ruim 3 miljard opgelopen. De ontvangsten uit hoofde van dividendbelasting zullen in de resterende maanden van 1999 lager zijn dan op grond van het patroon van vorig jaar verwacht kan worden. In de laatste maanden van 1999 zullen de twaafmaandsrealisaties van de belastingontvangsten naar verwachting dan ook meer in pas gaan lopen met de jaarraming.

Aan de uitgavenkant zijn met name de twaalfmaandsrealisaties onder het kader Rijksbegroting-eng in de maanden juli en augustus betrekkelijk laag. Het voortschrijdend realisatiecijfer is van juni op juli met een miljard gedaald, terwijl voor geheel 1999 ten opzichte van 1998 een oploop is voorzien van de uitgaven binnen dit kader van ruim 10 miljard. De tussentijdse daling wordt met name verklaard door een andere verdeling van de rentelasten (op transactiebasis) over het jaar: de rentelasten in de maand juli 1999 waren ruim een miljard lager dan de rentelasten in dezelfde maand van 1998. Ook hier geldt dat de realisaties in de laatste maanden van 1999 naar verwachting meer in pas gaan lopen met de jaarraming.

De genoemde wijzigingen in het patroon leiden niet tot een noemenswaardig rentevoordeel. De effecten op het tekort zijn van korte duur, en daarnaast moet worden bedacht dat in een aantal maanden aan het begin van het jaar het voortschrijdend tekort juist betrekkelijk hoog is geweest.

Een en ander neemt niet weg dat de jaarraming met onzekerheden is omgeven en dat de kans op meevallers groter lijkt dan op tegenvallers.

Vraag 115

Zet de Nederlandse regering zich in voor het hanteren van een uniform netto begrip binnen de EU en kan er inzicht worden verschaft in de totale te verwachten Nederlandse EU-ontvangsten van Nederland, zodat meer inzicht over de toekomstige Nederlandse netto-positie wordt verkregen? (blz. 243).

Antwoord

In de conclusies van de Europese Raad van Berlijn is vastgelegd, dat de Commissie, voor presentatiedoeleinden, zich zal baseren op de operationele definitie van nettoposities. De Commissie berekent voor analytische doeleinden de nettoposities overigens volgens alle drie de geldende definities (de derde is de VK-compensatiedefinitie) en stelt dit ook ter beschikking aan de lidstaten. Nederland vindt de accounting-definitie de meest zuivere ter bepaling van de nettoposities en gebruikt deze definitie derhalve in de Miljoenennota.

Nederland heeft bij de onderhandelingen in Berlijn zijn aandeel in de structuurfondsontvangsten kunnen handhaven op 1,7%. Dit betekent dat er tot en met 2006 ruim 7 miljard gulden aan structuurfondsgelden naar Nederland vloeit. Daarnaast ontvangt Nederland een aandeel uit de Europese landbouwgelden en uit de uitgaven voor intern beleid. De precieze ontvangsten in deze categorieën hangen echter af van een groot aantal factoren en zijn daarom op dit moment niet precies te becijferen. Het Nederlandse aandeel in de landbouwuitgaven zal waarschijnlijk verder teruglopen naarmate prijssteun meer worden vervangen door inkomenssteun. In 1998 was het Nederlandse aandeel in de EU landbouwuitgaven 3,5%. Voor intern beleid was dit 7%. In hoeverre dit percentage de komende jaren verandert hangt onder meer af van het beroep dat vanuit Nederland wordt gedaan op bijvoorbeeld gelden uit onderzoeksprogrammas.

Vraag 116

Kan een overzicht worden verstrekt met de verschillen tussen de begrotingssystematieken van Nederland en de EU? (blz. 234).

Antwoord

De hiërarchie in de financiën van de EU bestaat uit drie lagen. De buitenste laag wordt gevormd door het Eigen-Middelenplafond (momenteel voor de betalingskredieten 1,27% van het EU-BNP), zoals dat is vastgelegd in het Eigen-Middelenbesluit. Dit plafond is het absolute maximum dat aan eigen middelen van de lidstaten kan worden opgevraagd.

De Financiële Vooruitzichten vormen de tweede laag en moeten binnen het Eigen-Middelenplafond vallen. De Financiële Vooruitzichten zijn te vergelijken met het Nederlandse uitgavenkader. Net als het uitgavenkader zijn ze in reële termen vastgesteld. En net als bij het uitgavenkader zijn er subplafonds voor verschillende categorieën uitgaven. De nieuwe Financiële Vooruitzichten lopen van 2000 tot en met 2006 en omvatten zeven categorieën. Categorie 1 is daarbij gesplitst in 1a GLB-uitgaven (gemeenschappelijk landbouwbeleid) en 1b plattelandsbeleid. Anders dan bij het Nederlandse uitgavenkader zijn er geen subplafonds op een lager niveau, zoals die wel gelden voor de begrotingen van de verschillende departementen. Wel zijn er meerjarenkaderprogrammas.

De derde laag wordt gevormd door de begroting voor elk jaar en deze moet weer binnen de Financiële Vooruitzichten vallen. Een belangrijk verschil met de nationale begroting is dat de EU-begroting altijd sluitend moet zijn. De inkomsten en uitgaven luiden in euros. De EU-begroting luidt bovendien in vastleggingskredieten en betalingskredieten. Vastleggingskredieten dekken in een begrotingsjaar de totale kosten van de juridische verbintenissen die worden aangegaan. Zij zijn vergelijkbaar met de verplichtingen uit onze begrotingen. De tenuitvoerlegging van deze verbintenissen kan zich over meerdere begrotingsjaren uitstrekken. Betalingskredieten dekken, tot het in de begroting opgenomen bedrag, de uitgaven die voortvloeien uit de verplichtingen die in het betreffende begrotingsjaar of eerdere begrotingsjaren zijn aangegaan. Het totaal van de betalingskredieten in een begrotingsjaar wordt gefinancierd door de lidstaten. De uitgaven en ontvangsten worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar. Kasschuiven zijn in beginsel niet mogelijk. Eventuele overschotten als gevolg van onderuitputting worden in het volgende jaar teruggestort naar de lidstaten.

Wat voor Nederland de regels budgetdiscipline zijn, is voor de EU het Financieel Reglement (1977) en de beschikking betreffende de begrotingsdiscipline (1994). Beide worden momenteel herzien.

Voor meer informatie wordt verwezen naar het jaarlijkse Begrotingsvademecum van de Europese Commissie (SEC (99) 1100).

Vraag 117

Kan inzicht worden verschaft in de te verwachten Nederlandse EU-ontvangsten de komende jaren? (blz. 234 e.v.)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 115.
Vraag 118

Er worden verschillende definities gebruikt om de Nederlandse netto-positie te bepalen. Zou de regering zich willen inzetten voor het hanteren van een uniform netto begrip binnen de EU en zo ja op welke wijze? (blz. 243)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 115.
Vraag 119

De Nederlandse nettopositie blijft naar verwachting constant. Blijft die in euro constant of in percentage BNP? Wat is de verwachting voor de komende 4 jaar en voor zover bekend in vergelijking met de nettoposities van de overige EU-landen? (blz. 244).

Antwoord

De Nederlandse nettopositie blijft in percentage BNP de komende jaren gemiddeld ongeveer constant. De eerste jaren zal de Nederlandse nettopositie naar verwachting nog iets verslechteren ten opzichte van 1997, maar daarna treedt een verbetering op tot onder het niveau voor 1997 in 2006. Dit hangt samen met het feit dat de Financiële Vooruitzichten (en daarmee de EU-uitgaven) in percentage BNP de komende jaren eerst oplopen en daarna weer afnemen. In de brief aan de TK van 20 april jongstleden (21 591-20, nr.83) is voor 15 lidstaten de geraamde nettopositie voor 1999 en 2006 opgenomen. Met nadruk zij gesteld dat het hier om ramingen gaat. Factoren als toetreding van nieuwe lidstaten, onderschrijding van de Financiële Vooruitzichten en het tempo van opvragen van Structuurfondsgelden kunnen tot andere uitkomsten leiden.

Vraag 120

Is het juist dat in de sociale fondsen een vermogensoverschot boven de norm van 8,6 mld zit? Hoe zal dit beeld zich tot 2002 ontwikkelen bij ongewijzigde lastendruk bij behoedzame raming respectievelijk bij een groei van 2 x 2.5% groei in 2001/02? (blz. 247).

Antwoord

In de Miljoenennota 2000 wordt voor eind 2000 een vermogensoverschot geraamd bij de sociale fondsen van 8,6 miljard. Dit vermogensoverschot hangt nauw samen met het boven kostendekkend niveau vaststellen van de AOW-premie en de AWF-premie. De AOW-premie wordt vanaf 1998 boven kostendekkend niveau vastgesteld als uitvloeisel van de koopkrachtmaatregelen uit het voorjaar van 1998, terwijl de AWF-premie in 2000 boven kostendekkend niveau wordt vastgesteld uit hoofde van het gewenste lasten- en koopkrachtbeeld voor 2000.

Een ongewijzigd premiebeeld in 2001 en 2002 ten opzichte van 2000 zorgt bij een behoedzame raming voor een extra vermogensopbouw van ruim 1 miljard. Bij een veronderstelde economische groei van 2½% in 2001 en 2002 bedraagt de extra vermogensopbouw 1½ miljard, met name door meevallers bij de WW-uitgaven.

De afweging voor het bepalen van de hoogte van de premies vindt jaarlijks plaats, waarbij wordt gekeken naar het totale gewenste lasten- en koopkrachtbeeld. Daarbij is ook van belang het bedrag aan lastenverlichting dat beschikbaar is voor de gehele kabinetsperiode. Voorts wordt hierbij gekeken naar de vermogensposities van de sociale fondsen. Het weer op kostendekkend niveau vaststellen van de AWF-premie zou volgens de huidige inzichten - separaat gezien - een lastenverlichtend effect hebben van 3¼ miljard. Vraag 121

Is uit het overleg met de VEWIN over het uitgangspunt van een heffingsvrije voet binnen de waterbelasting een door alle partijen gedragen resultaat voortgekomen? (blz. 272)

Antwoord

Het overleg met de VEWIN heeft zich niet uitgestrekt tot invulling van de uitgangspunten van de belasting op leidingwater. Het overleg heeft met name betrekking gehad op de wijze waarop de belasting is vormgegeven. De VEWIN heeft aangegeven dat de wijze waarop de nieuwe belasting geheven wordt, wat de VEWIN betreft niet op moeilijkheden stuit.

Vraag 122

Kan worden toegelicht hoe het maximum van 300m3 waarover waterbelasting wordt geheven tot stand is gekomen? Waarom worden grootverbruikers niet in de heffing betrokken? (blz. 272)

Antwoord

De voorgestelde leidingwaterbelasting is bedoeld ter vervanging van de in het kader van het Belastingplan 1999 doorgevoerde overbrenging van water naar het algemene BTW-tarief. Bij de beraadslagingen over die maatregel in de Tweede Kamer is uitgebreid aandacht besteed aan de achtergrond en de doelstelling van die maatregel. Van belang daarbij was ook dat de belastingverzwaring, naast vergroening, beoogde een bijdrage te leveren aan de in het regeerakkoord opgenomen verschuiving van 0,7 mld lastendruk van de inkomsten- en loonbelasting naar andere (milieu)belastingen dan de energiebelastingen. Daarmee is ook de beperking tot voornamelijk huishoudelijk gebruik gegeven. In de huidige regeling wordt dat bereikt doordat de BTW als zodanig voornamelijk drukt op huishoudens. In de voorgestelde regeling wordt dat bereikt door een maximaal volume van 300 m3 waarover geheven wordt.

Vraag 123

Met hoeveel zou de verhoging van het elektriciteitstarief in de energiebelasting moeten toenemen als dit instrument ook wordt ingezet ter compensatie van de lagere opbrengst van de indexatie van milieubelastingen en de lagere opbrengst van de BTW over de overige milieubelastingen? (blz. 273)

Antwoord

Een dergelijke verhoging wordt reeds voorgesteld. In tabel 13.4.1. wordt aangegeven dat de totale compensatie 100 miljoen bedraagt (45 miljoen minder BTW-opbrengst; 55 miljoen minder opbrengst uit hoofde van indexatie).

Het elektriciteitstarief zal in de verbruiksschuif van 0-10.000 kWh (klein verbruik) moeten stijgen met 0,67 cent / kWh. Verwezen zij echter ook naar het antwoord bij vraag 127.

Vraag 124

Kan aan de hand van de tabel in het regeerakkoord punt voor punt worden uitgelegd wat al is gerealiseerd, wat zal worden gerealiseerd en waar zich problemen voordoen en waarom? Kan hierin het onderscheid tussen huishoudens en bedrijven worden betrokken? (blz. 273 t/m 279)

Antwoord

De positieve prikkels huishoudens voor 1999 zijn nog niet in werking, omdat het wetsvoorstel nog aanhangig is bij de Tweede Kamer. De andere maatregelen opgenomen in het Belastingplan 1999 liggen op schema.

Voor 2001 is voor huishoudens een post nader in te vullen opgenomen. Over de invulling dient nog besluitvorming plaats te vinden. De belasting op oppervlaktedelfstoffen die vooralsnog voor de 3e tranche is ingezet, vergt extra inspanning. Het tijdschema voor de implementatie van deze belastingmaatregel lijkt krap.

Vraag 125

Waarom is het niet mogelijk de andere milieubelastingen in de komende twee jaar zodanig in te vullen dat de opbrengst alleen kan worden ingezet voor verlaging van de inkomstenbelasting? Wat is nu precies het probleem met de compensatie voor het bedrijfsleven? (blz. 273)

Antwoord

In het Regeerakkoord is afgesproken dat aan overige milieumaatregelen 700 mln moesten worden ingezet, teneinde de vergroeningsoperatie niet alleen te beperken tot een belasting op het aardgas- en elektriciteitsverbruik. Deze 700 mln is in het regeerakkoord in zijn geheel ingezet voor de daarin voorziene verlaging van de loon- en inkomstenbelasting, d.w.z. ten gunste van huishoudens.

In de uitvoering van het Regeerakkoord is echter gebleken, dat de overige milieumaatregelen die op korte termijn getroffen kunnen worden, ook voor een aanzienlijk deel neerslaan bij bedrijven. Dat geldt bijvoorbeeld bij de verhoging van het tarief voor de afvalstoffenbelasting op brandbaar afval. Het blijkt in de praktijk ondoenlijk, een scheiding aan te brengen in de afvalstromen, afkomstig van huishoudens en van bedrijven.

De compensatie van deze vergroeningslasten naar het bedrijfsleven levert geen problemen op. In zijn algemeenheid kan met de ingezette terugsluisinstrumenten adequaat worden teruggesluisd. Vraag 126

Wordt bij de voorgestelde heffingsvrije voet in de belasting op drinkwater rekening gehouden met het aantal personen dat tot een huishouden behoort? (blz. 273)

Antwoord

De voorgestelde heffingsvrije voet in de belasting op leidingwater is voor elk huishouden gelijk -wettelijk is dit uitgewerkt als een vermindering per aansluiting - en is dus niet afhankelijk van de omvang van het huishouden. Voor de heffingsvrije voet in de regulerende energiebelasting geldt hetzelfde. Met de voorgestelde hoogte voor de belasting op leidingwater wordt zowel tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om de waarde van de heffingvrije voet te versterken als aan de wenselijkheid de inkomenseffecten evenwichtig te houden conform die van de herschikking van water naar het algemene btw-tarief.

Vraag 127

Hoe verhoudt zich de opbrengst van f 1351 mln aan overige milieubelastingen (f 790 mln bij huishoudens en f 561 mln bij bedrijven) in tabel 13.4.1. tot het in het regeerakkoord genoemde bedrag van f 1,1 mrd aan andere milieubelastingen (f 0,7 mrd) en indexatie (0,4 mrd? Hoe verhoudt de nog in te vullen f 160 mln. aan milieubelastingen zich tot de in het regeerakkoord overeengekomen verhoging van de overige milieubelastingen met f 700 mln? (blz. 274)

Antwoord

De 1,1 miljard die in het Regeerakkoord wordt vermeld kan worden gesplitst in 700 miljoen andere milieubelastingen en 400 miljoen indexatie van milieubelastingen. In het Regeerakkoord is afgesproken dat andere milieumaatregelen 700 miljoen moesten opbrengen teneinde de vergroeningsoperatie niet alleen te beperken tot een belasting op het aardgas- en elektriciteitsverbruik. Inmiddels is duidelijk in welke mate deze andere milieumaatregelen die op korte termijn te realiseren zijn, tevens neerslaan bij bedrijven. Van de 1.351 miljoen heeft 561miljoen betrekking op niet in het regeerakkoord voorziene lasten voor bedrijven. De bedrijven worden hiervoor via de terugsluis echter volledig gecompenseerd.

Omdat de BTW-opbrengst en de opbrengst uit hoofde van indexatie lager uitvalt dan ten tijde van het opstellen van het Regeerakkoord geraamd, en de randvoorwaarde dat de opbrengst bij huishoudens identiek dient te blijven aan de opbrengst in het Regeerakkoord, is per saldo een opbrengst van 790 miljoen aan overige milieubelastingen noodzakelijk in plaats van 700 miljoen. De 160 miljoen nader in te vullen is een onderdeel van het totale bedrag van 790 miljoen aan andere milieubelastingen.

Vraag 128

Betekent een 'zo evenwichtig mogelijke terugsluis van milieubelastingen naar huishoudens' dat de extra energiekosten als gevolg van de aanwezigheid van kinderen volledig worden gecompenseerd? (blz.278)

Antwoord

Ten behoeve van de vormgeving van de terugsluizing worden de extra energiekosten per inkomensklasse gemiddeld tussen de energiekosten van huishoudens met, en die van huishoudens zonder kinderen. Ook voor andere factoren die invloed hebben op de energiekosten vindt per inkomensklasse middeling plaats. Het gepresenteerde netto effect van gestegen milieubelastingen en verlaagde inkomstenbelasting geldt voor dit gemiddelde. Voor huishoudens met kinderen verloopt de terugsluis dus niet volledig neutraal. Dit loopt echter mee in het totaal van inkomensmaatregelen voor 2000 waarin onder meer ook een verhoging van de kinderbijslag is opgenomen.

Vraag 129

Met behulp van welke systematiek wordt bij de compensatie van de verhoging van de milieubelastingen rekening gehouden met het aantal kinderen dat bij de huishouding behoort? Kan dit eventueel door middel van een rekenvoorbeeld worden geïllustreerd? (blz. 281)

Antwoord

De terugsluizing wordt berekend voor gemiddelde niveaus van de milieubelastingen per inkomensklasse. Met het aantal kinderen wordt dus niet specifiek rekening gehouden. In de inkomstenbelasting zijn hiervoor ook geen aanknopingspunten. In dit verband zij overigens wel vermeld dat het effect van de verhoging van de kinderbijslag in 2000 natuurlijk wel afhankelijk is van het aantal kinderen.

Vraag 130

Kan er een uitgebreide reactie worden gegeven op de tegenbegroting van GroenLinks-fractie die tijdens de algemene politieke beschouwingen is ingediend, meer specifiek op het totale fiscale pakket, en op elke fiscale maatregel afzonderlijk met een budgettair belang groter dan 500 miljoen? Is er onderzoek bekend waaruit blijkt dat een hoger marginaal tarief leidt tot een forse vermindering van scholingsactiviteiten of een forse vermindering van de wens om hogerop te komen. Is het bijvoorbeeld zo dat mensen die onder het toptarief vallen minder cursussen volgen of minder ambitieus worden?

Antwoord:

In de tegenbegroting van GroenLinks worden de volgende fiscale maatregelen genoemd die volgens het CPB elk een budgettair belang hebben van meer dan 500 mln:

*

Invoering EITC (2400 gulden)


-1,5 mrd Bevriezen arbeidskostenforfait

0,8 mrd Verhoging vermogensbelasting naar 1,2%

1,0 mrd Verlaging van belastingtarief 1b met 0,60%-punt


-0,9 mrd Vliegmobiliteit (stoelbelasting)

1,0 mrd Verhoging energieheffing grootverbruikers

0,5 mrd Overige

0,7 mrd Totaal

1,6 mrd

In het onderstaande wordt op deze maatregelen afzonderlijk ingegaan.
Invoering EITC (Earned Income Tax Credit)
De regering ondersteunt de gedachte van GroenLinks dat vergroting van het inkomensverschil tussen werkenden en niet-werkenden langs fiscale weg wenselijk is. Om dit te bereiken wordt in 2000 het arbeidskostenforfait verhoogd en wordt bij de belastingherziening 2001 voorzien in de invoering van een arbeidskorting. De regering kiest echter uitdrukkelijk niet voor de door GroenLinks voorgestelde EITC. Door de invoering van een EITC stijgt de marginale wig tot een onverantwoord niveau voor werknemers met een baan op of net boven het minimumloonniveau. Momenteel bedraagt de marginale wig (nog exclusief inkomensafhankelijke regelingen) voor deze groep werknemers ongeveer 63%. Dat wil zeggen dat van elke gulden die een werkgever extra uitgeeft aan de loonkosten van een werknemer, de werknemer hiervan 37 cent overhoudt. Door de voorstellen van GroenLinks gaat hier nog eens 10 cent af. Bij een loon(kosten)stijging van 1 gulden blijft er dus maar 27 cent voor de werknemer over. Een dergelijke marginale wig belemmert de doorstroming op de arbeidsmarkt, vermindert de prikkels voor bijscholing, en resulteert in een extra stimulans voor het zwart uitbetalen van lonen.
In de doorrekening van het Centraal Planbureau wordt op deze effecten gewezen. Letterlijk stelt het CPB dat het arbeidsaanbod in uren daalt omdat werken wordt ontmoedigd. In dit verband kan ook gewezen worden op Onderzoeks Memorandum nr. 150 van het CPB (An Earned Income Tax Credit in the Netherlands: Simulations with the MIMIC model) waarin wordt ingegaan op arbeidsmarkteffecten van de hoge marginale wig die optreed bij een EITC. In het Onderzoeks Memorandum worden de resultaten samengevat van empirische studies naar de Amerikaanse ervaringen met een EITC. De meeste studies bevestigen de stelling dat in de afbouwfase van de EITC de hoge marginale wig leidt tot een afname van het arbeidsaanbod. Ten aanzien van de effecten van een hogere marginale wig op scholingsactiviteiten kan verwezen worden naar publicaties van Dupor e.a. (1996)2 en Groot en Oosterbeek (1995)3. Uit beide studies kan worden afgeleid dat een stijging van de marginale wig negatieve effecten heeft op scholingsactiviteiten. In vergelijking met het VK en de VS is introductie van een EITC in Nederland extra bezwaarlijk omdat het startniveau van de marginale wig zoveel hoger ligt.
Bevriezen arbeidskostenforfait
GroenLinks kiest voor bevriezing van het arbeidskostenforfait op het niveau van 1999 en invoering van een EITC per 1 april 2000. De regering is dus geen voorstander van invoering van een EITC. Wel is de regering van mening dat stimulering van het arbeidsaanbod langs fiscale weg nodig is. Daartoe wordt vooruitlopend op de invoering van een arbeidskorting in 2001, voor 2000 het arbeidskostenforfait verhoogd. Invoering van een arbeidskorting per 1 januari 2000 is uitvoeringstechnisch niet mogelijk. Verhoging vermogensbelasting naar 1,2%
De kabinetsvoorstellen voor de belastingherziening gaan uit van afschaffing van de vermogensbelasting in 2001. In het wetsvoorstel wordt uitgegaan van een forfaitaire rendementsheffing die 30% van de vermogensopbrengsten belast, uitgaande van een forfaitair bepaald rendement van 4% per jaar. De regering is voorafgaand aan de stelselherziening geen voorstander van een wijziging in de fiscale behandeling van vermogen, zoals voorgesteld door GroenLinks.
Verlaging van belastingtarief 1b met 0,60%-punt In de tegenbegroting van GroenLinks wordt onder meer gekozen voor een verlaging van het belastingtarief 1b met 0,60%-punt. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen heeft de regering juist voorgesteld om belastingtarief 1b met 0,90%-punt te verhogen. Hiermee wordt de additionele verlaging van het belastingtarief 1a met 1,40% mede gefinancierd. Op deze wijze wordt extra inkomensondersteuning geboden aan de minima. Stoelbelasting(heffing van 32 gulden per vliegtuigpassagier). Het door Nederland uitgedragen beleid ten aanzien van vliegmobiliteit is erop gericht om in internationaal verband te komen tot de invoering van accijns op kerosine. Daarnaast is Nederland voorstander van de invoering in internationaal verband van BTW-heffing op vliegtickets. De Europese Commissie is op dit moment bezig met een rapport hierover. Deze richting verdient de voorkeur boven het in nationaal verband invoeren van een geheel nieuwe vliegtuigstoelbelasting.
Verhoging energieheffing grootverbruikers
Door een verhoging van de energieheffing voor grootverbruikers in 2000 wordt de relatieve concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven geschaad. De wens blijft bestaan om voor grootverbruikers de energiebelasting te verhogen, met dien verstande dat dit minstens op Europees niveau dient te gebeuren.

Vraag 131
Wat vindt de regering van de opmerkingen van de president van De Nederlandse Bank dat het belastingplan een inflatieopdrijvend effect zal hebben? Is met een dergelijke effecten rekening gehouden?
Antwoord
In de doorrekening van de Belastingherziening door het CPB is berekend dat de inflatie hierdoor éénmalig 1,2% hoger uit zal komen. De reden vormt de verhoging van de indirecte belastingen en de milieuheffingen. De Belastingherziening voorziet in een lastenverlichting van 5 miljard gulden. Dit resulteert in een gunstige koopkrachtontwikkeling. De contractloonstijging kan daardoor gematigd blijven. Hiervan gaat op zijn beurt weer een drukkend effect uit op de inflatie. De president van DNB heeft zich niet uitgesproken tegen de belastingherziening.

Vraag 132
Hoeveel gaan de sociale minima (gehuwd zonder kinderen, met kinderen, alleenstaand, alleenstaand met kinderen) er in guldens op vooruit als gevolg van de 1% operatie, zoals vermeld in de brief van 23 september 1999?
Antwoord
De genoemde categorieën gaan er hierdoor structureel de onderstaande bedragen in besteedbaar inkomen extra op vooruit:


* gehuwde sociale minima zonder kinderen ca. 215 gulden;
* gehuwde sociale minima met kinderen ca. 315 gulden;
* alleenstaanden ca. 150 gulden;

* alleenstaanden met kinderen ca. 295 gulden.

Evenals bij koopkrachtcijfers geldt dat het om standaard groepen gaat en dat de werkelijke omvang per individu kan verschillen.

Vraag 133

Via welke plussen en minnen zijn de tarieven Ia en Ib tot stand gekomen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel wordt een onderbouwing van het tarief eerste schijf in 2000 gegeven.

Onderbouwing tarief eerste schijf, in %

Belastingen

Volksver-zekeringen

Totaal

tarief 1A

tarief 1B

tarief 1A

tarief 1B

Niveau 1999

6,20

7,50

29,55

35,75

37,05

Mutaties

Nabetalingen van fondsen


-0,35


-0,35

0,25

Verbetering exploitatiesaldo fondsen


-


-


-0,65

Mutatie lastendekkend premieniveau


-


-

0,25

Terugsluis vergroening gezinnen


-0,90


-


-

Fiscalisering omroepbijdrage

1,10


-


-

Werkgelegenheids en inkomenspakket Miljoenennota


-0,15

0,50


-

Niveau 2000 MEV2000

5,90

7,65

29,40

35,30

37,05

Lastenverlichtingspakket APB


-1,40

0,90


-

Niveau 2000

4,50

8,55

29,40

33,90

37,95

Vraag 134

Hoe groot is de lastenverlichting voor het jaar 2000? En welk deel daarvan komt bij de uitkeringen terecht?

Antwoord

In de Miljoenennota 2000 is sprake van een lastenverlichting van 1 miljard in 2000. Dit lastenverlichtingspakket is vooral gericht op het financieel aantrekkelijker maken van werk, met name voor mensen met een laag inkomen. Bij de APB heeft de Minister-president een aanvullend lastenverlichtingspakket voor 2000 toegezegd. Dit aanvullende pakket is specifiek gericht op een extra koopkrachtverbetering voor de sociale minima. Per saldo bedraagt de lastenverlichting voor 2000 1½ miljard (exclusief de verhoging van de kinderbijslag). Hiervan komt ongeveer ¼ miljard terecht bij mensen met een uitkering op minimumniveau (met name ABW, AOW zonder aanvullend pensioen, en Wajong).
Vraag 135

Kan er een reactie worden gegeven op het bij de algemene politieke beschouwingen ingediende document van de GroenLinks-fractie getiteld De weg naar begrotingsevenwicht (of niet)?.

Antwoord

GroenLinks betoogt dat de hogere economische groei voor de jaren 1999 en 2000 afgeboekt is van de jaren 2001 en 2002. Verder geeft men aan dat uit de kabinetsstukken niet duidelijk blijkt wat er de komende jaren aan lastenverlichting, tekortreductie en collectieve uitgaven te besteden valt. Hieronder volgt op beide punten een reactie.

Voor het uitvoeringsjaar 1999 en het begrotingsjaar 2000 wordt uitgegaan van de recente CPB-raming, terwijl voor de jaren 2001 en 2002 net als in het Regeerakkoord uit wordt gegaan van behoedzame macro-economische uitgangspunten.

Het hanteren van behoedzame macro-economische uitgangspunten zowel bij het opstellen van het RA als in de meerjarenramingen is één van de pijlers onder het trendmatig begrotingsbeleid. Door uit te gaan van deze behoedzame uitgangspunten is de kans op meevallers groter dan op tegenvallers. Dit zorgt voor rust in het begrotingsproces, waardoor de kans op tussentijdse ombuigingen, en dus ook mogelijke aantasting van de het Regeerakkoord opgenomen beleidsintensiveringen, sterk verminderd wordt. Door voor de begrotingsraming de behoedzame uitgangspunten te verruilen voor de meeste recente CPB-raming blijkt tijdig welke ruimte beschikbaar is.

De huidige MEV-raming voor de economische groei bedraagt 2¾% voor 1999 en 2½% voor 2000. In het regeerakkoord werd uitgegaan van krap 3% in 1999 en ruim 2% in 2000. De huidige raming van de groei voor 1999 en 2000 ligt in totaal dus maar in zeer bescheiden mate, namelijk circa ¼%-punt, boven het Regeerakkoord-pad. De actuele groeiraming voor 1999 en 2000 wijkt dus nauwelijks af van het Regeerakkoord-pad en geeft geen aanleiding om de behoedzame groei veronderstellingen voor 2001 en 2002 uit het Regeerakkoord nu na één jaar opeens als onrealistisch te bestempelen. De iets hogere gecumuleerde economische groei in de jaren 1999 en 2000, is dus niet, zoals GroenLinks veronderstelt, in mindering gebracht op de veronderstelde groei voor de jaren 2001 en 2002. Voor 2001 en 2002 is de veronderstelde groei van ruim 2% uit het Regeerakkoord-pad aangehouden. Voor de kabinetsperiode wordt thans uitgegaan van een cumulatieve groei4 van 9,8%, tegen 9,5% in het regeerakkoord.
Tabel 1 Economische groei 1999-2002

1999

2000

2001

2002

Cumulatief

Miljoenennota 2000

2,75%

2,5%

2,1%

2,1%

9,8%

Regeerakkoord

2,9%

2,1%

2,1%

2,1%

9,5%

Verschil


-0,1%


+0,4%

0%

0%

0,3%

M A C R O E C O N O M I S C H E V E R K E N N I N G 2 0 0 0 Vraag 136.

Nog steeds valt niet uit te sluiten dat de mondiale groei scherp gaat vertragen. Hoe reëel is dat perspectief en kan een meer gedetailleerde inschatting worden verschaft over de eventuele budgettaire consequenties? (p. 1 en 18).

Antwoord

In de MEV 2000 wordt de verwachting uitgesproken dat de risicos voor de wereldeconomie nu veel evenwichtiger zijn verdeeld dan aan het begin van dit jaar, toen vooral op neerwaartse risicos werd gewezen, ook in de publicaties van de belangrijkste internationale instellingen. De kans dat de mondiale groei scherp gaat vertragen is dan ook verminderd. In het CEP 1999 zijn de budgettaire consequenties van zon scherpe vertraging geïnventariseerd (zie CEP 1999 tabel I.4).

Vraag 137.

Waarop is de voorspelling gebaseerd dat de kleine landen van de Europese Unie relatief minder zullen profiteren van het herstel van economie dan de grote landen? (blz. 17).

Antwoord

De belangrijkste reden is dat de grote landen tot en met medio 1999 veel zwaarder zijn getroffen door de vraaguitval buiten de industriële wereld dan de kleine landen, omdat zij een groter deel van hun productie in dat deel van de wereld afzetten. Het verwachte herstel in het non-OESO gebied werkt vanaf nu in hun voordeel.

Vraag 138.

Het CPB noemt op blz. 17 vier redenen voor de opwaartse bijstelling van de BBP-raming.

Naar aanleiding hiervan de volgende vragen:


a. Kan de betrouwbaarheid van de ramingen gekwantificeerd worden?


b. In hoeverre, op welke wijze en hoe vaak worden de gebruikte modellen aangepast aan mogelijke structuurveranderingen in de economie?


c. Kan worden ingegaan op de column Economische voorspellen van dhr. Teulings in ESB d.d. 24-9-1999, m.n. op de volgende punten:

c1. Hoe groot zijn de thans door het CPB gebruikte modellen, en om welk(e) model(len) gaat het precies?

c2. Eenvoudige (en dus goedkopere) econometrische modellen hebben een minstens even grote voorspelkracht als de gigantische modellen van het CPB;

c3. Beleidsanalyse (via partiële analyses) en
korte-termijnvoorspellingen (via een simpel macro-model) kunnen het beste volledig van elkaar losgekoppeld worden;

c4. Wat onderneemt het CPB om de transparantie van de ramingen te vergroten? (blz. 17).

Antwoord


a. Over de betrouwbaarheid van de ramingen van het CPB is in het CEP 1999 een speciaal onderwerp gepubliceerd. Zie CEP 1999 hoofdstuk IV, Trefzekerheid van CPB-ramingen, blz. 139-155.


b. Voor de ramingen ten behoeve van CEP/MEV/CPB report is het CPB recent overgestapt op een nieuw kwartaalmodel, als opvolger van het FKCEC-model. Een verbale beschrijving van het model is te vinden in CPB report 1999/3, blz. 42-44. Het is in feite een sterk vereenvoudigde versie van het FKSEC-model, waarin echter wel een aantal moderne theoretische ontwikkelingen zijn verwerkt, die zijn overgenomen uit het, eveneens nieuwe, middellange-termijn jaarmodel JADE.

Bij elke nieuwe ramingsronde wordt over een historische periode van vier jaar bezien of zich daarin systematische residuen (=raming minus realisatie) voordoen die aanleiding zouden kunnen zijn voor een ingreep in het model. In eerste instantie worden deze afwijkingen gerepareerd door aanpassing van een constante term. In tweede instantie, maar dat vergt enige tijd, worden via econometrische methodes gedragsparameters aangepast. Er wordt aldus voortdurend gestreefd naar het up-to-date houden van het model.

c1. Het huidige kwartaalmodel bevat ruim 1600 vergelijkingen. Hiervan hebben er echter slechts circa 50 het karakter van echte gedragsvergelijkingen. De rest van de vergelijkingen heeft een boekhoudkundig karakter, bedoeld om de consistentie (reproduceren van de Nationale Rekeningen, aansluiten aan de ramingen voor onder andere de collectieve sector) te garanderen. De modellen die daarnaast worden gebruikt voor de overheidsfinanciën (spreadsheets), de sociale zekerheid (naam: MOSI) en de koopkracht (naam: MIMOS) zijn ook boekhoudkundig van aard. De ingewikkelde wisselwerking tussen modellen met duizenden vergelijkingen (Teulings) moet dan ook sterk worden gerelativeerd.

c2 en c3. Het valt niet uit te sluiten dat eenvoudige voorspelinstrumenten (zoals het gelijkstellen van voorspelde BBP-groei aan een voortschrijdend gemiddelde van gerealiseerde groei) onder omstandigheden een even goede of betere voorspelling oplevert dan die aan de hand van een macro-economisch model. Maar een van de taken van het CPB is inzicht te geven in de ontwikkeling van een groot aantal beleids-relevante variabelen en om de gevolgen van gemaakte beleidskeuzes systematisch in de ramingen te betrekken. Zonder een model van enige omvang zou dat uitgesloten zijn. Bovendien zou dan de mogelijkheid ontbreken om, in een economische omgeving die bol staat van de onzekerheden, aan te geven wat de effecten zijn van andere ontwikkelingen in onzekere binnenlandse en buitenlandse variabelen. Ook de effecten van andere beleidsopties zouden dan niet meer kunnen worden beschreven.

Overigens maakt het CPB sinds een aantal jaren gebruik van een systeem van Leading indicators (een voorbeeld van een eenvoudig econometrisch model) om het macro-model te kunnen bijsturen voor ontwikkelingen in de zeer nabije toekomst.

c4. Voor transparantie zijn enerzijds consistentie en anderzijds controleerbaarheid en reproduceerbaarheid van belang. Aan de eerste voorwaarde wordt sinds jaar en dag volledig voldaan, mede door de hierboven vermelde wijze van werken. Aan de tweede voorwaarde wordt gehoor gegeven door de publicatie van alle modellen en het ter beschikking stellen van de databestanden waarmee de berekeningen worden uitgevoerd. In het kader van de eigen kwaliteitsstrategie streeft het CPB ernaar om ook de documentatie van alle stappen in het ramingsproces zo volledig mogelijk te doen zijn.

Vraag 139.

Is er reden om aan te nemen dat het consumptievolume en het inmiddels aanhoudende consumentenvertrouwen, mede onder invloed van de stijging van de huizen- en aandelen prijzen, in het komende jaar zal afnemen? (blz. 18).

Antwoord

In de raming voor de particuliere consumptie ligt de verwachting besloten dat de ontwikkeling van de huizenprijzen en de aandelenkoersen sterk afvlakt. Stijgingen van jaarlijks 10% van de huizenprijzen en 30% van de AEX-index, zoals zijn voorgekomen in de jaren 1996-1998, zijn op termijn niet houdbaar.

Sinds begin dit jaar is de rente op de kapitaalmarkt sterk opgelopen. Dit heeft tot medio dit jaar nog geen merkbare dempende invloed op de huizenprijzen gehad, maar wel op de aandelenkoersen. Zo lag eind september de AEX-index maar krap 5% boven de slotstand van 1998, terwijl in 1998, en ook in daaraan voorafgaande jaren, stijgingen van 30% gemeengoed waren.

Wat betreft de woningmarkt geeft het Woning Behoefte Onderzoek 1998 van het CBS aan dat een steeds groter wordende groep potentiële huizenkopers een afwachtende houding aanneemt. Door de sterk gestegen prijzen is een eengezinswoning uit de bestaande voorraad voor starters en alleenverdieners steeds moeilijker bereikbaar geworden.

Om deze redenen is er aanleiding om aan te nemen dat de vermogenseffecten volgend jaar zullen gaan afvlakken. Dan zal de consumptiegroei weer grotendeels worden bepaald door de ontwikkeling van het reëel beschikbaar gezinsinkomen.

Vraag 140.

Welk deel van de vermogenseffecten is te danken aan het stijgen van de huizenprijzen en welk deel aan de aandelenprijzen? (blz. 20).

Antwoord

De berekening voor de periode 1996-1998, die ten grondslag ligt aan de passage in de MEV (pagina 20), wijst op een verhouding 70% (huizenvermogen) : 30% (aandelenvermogen).

Vraag 141.

Een daling van de huizenprijzen met 10% resulteert naar verwachting na twee jaar in ruim 0,5% minder consumptie en + 0,25% minder BBP. Gaat het hier echt om dalingen in het niveau van consumptie en BBP? Kan het tijdpad van de veranderingen worden geschetst? (blz. 21).

Antwoord

Het gaat niet om dalingen van het niveau van consumptie en BBP, maar om verminderde groei. Het tijdpad van de veranderingen is geleidelijk in de tijd, dat wil zeggen bij benadering even groot in zowel het eerste als het tweede jaar.

Vraag 142.

In de prijsindexcijfers van het CBS wordt niet gerekend met de stijging van huizenprijzen (zie blz. 13 van Nederlandse Economie in 1998). Is dit ook zo bij de inflatiecijfers van het CPB en zou dit geen reden voor herziening zijn? (blz. 23).

Antwoord

In de consumentenprijsindex van het CBS volgt de huurwaarde eigen woning de huurstijging en niet de stijging van de koopprijzen. Dit is ook het geval voor de raming van de inflatiecijfers van het CPB. De consumentenprijsindex is namelijk een maatstaf voor de kosten van levensonderhoud, waarbij bij duurzame goederen wordt gekeken naar de diensten die het betreffende duurzame goed oplevert. Voor huiseigenaren betekent dit dat gekeken wordt naar de geschatte huur die een woning zou opleveren bij exploitatie door de eigenaar, gecorrigeerd voor de kosten die moeten worden gemaakt om dit inkomen te verwerven (de zogenoemde huurequivalentiemethode). Het CPB ziet geen reden om deze methodiek te wijzigen.

Vraag 143.

De lastenverlichting voor werknemers die de regering voor volgend jaar in petto heeft draagt naar verwachting bij aan een matiging van de loonsverhogingen in nieuwe contracten. Op basis van welke argumenten, ervaringen en feiten is het bovenstaande gesteld? (blz. 24)

Antwoord

Het argument voor een effect van lastenverlichting voor werknemers op de bruto loonstijging is, dat bij lastenverlichting bij een geringere bruto loonstijging eenzelfde koopkrachtstijging kan worden bereikt. Voor zover de lastenverlichting is gericht op het vergroten van het netto inkomensverschil tussen een uitkering en een baan (de replacement rate), kan nog een extra matigend effect op de bruto loonstijging worden verwacht. In termen van onderhandelingsmodellen tussen vakbonden en werkgevers, verslechtert hierdoor namelijk de (fall back) positie van de bonden, omdat het alternatief van een uitkering minder aantrekkelijk wordt.

Beide argumenten alsmede het kwantitatieve belang ervan, kunnen worden getoetst door het schatten van een loonvergelijking. Voor Nederland wordt daarbij in beide gevallen een significant effect gevonden. Ook voor andere Europese landen wordt dit effect gevonden, al verschilt de omvang ervan tussen de verschillende studies. Zie voor een overzicht bijvoorbeeld J.J. Graafland en F.H. Huizinga (1999), Taxes and benefits in a non-linear wage equation, De Economist, 147, blz. 39-54.

Op korte termijn manifesteren de bovengenoemde effecten zich doorgaans nog niet volledig. Voor zover de loonmatiging niet in het eerste jaar plaatsvindt, zal, zo blijkt uit de econometrische studies, het effect in latere jaren optreden.

Vraag 144.

Hoe groot zal de stijging van het uitkeringsvolume volgend jaar naar verwachting zijn? Hoe is deze stijging te verklaren gezien de verwachte meevallers bij de werkloosheidsuitkeringen en de groei van de werkgelegenheid? (blz. 26).

Antwoord

Het uitkeringsvolume neemt volgend jaar naar verwachting toe met 17000 uitkeringsjaren, zie tabel V.2.2 van de MEV. Het aantal werkloosheidsuitkeringen daalt dat jaar met 7000 uitkeringsjaren, het bijstandsvolume met 10000 uitkeringen. De belangrijkste stijgers zijn het AOW-volume met 25000 en het WAO-volume met 10000 uitkeringsjaren. In paragraaf V.2.3 van de MEV worden deze ontwikkelingen beschreven.

Vraag 145.

Welk deel van de 1,5 miljard meevaller aan de inkomstenkant, kan gezien worden als structureel en welk deel als incidenteel? (blz. 27).

Antwoord

De voor 1999 geraamde inkomstenmeevaller van 1½ mld is voor naar schatting ½ mld incidenteel. (0,5 miljard bij de dividendbelasting uit hoofde van de dividenduitkering van een grote beursgenoteerde onderneming, 0,5 miljard bij de vennootschapsbelasting uit hoofde van de Common Area baten, bij de inkomstenbelasting -0,2 miljard uit hoofde van de voorlopige teruggaaf en bij de regulerende energiebelasting -0,3 miljard uit hoofde van zachte wintermaanden).

Vraag 146.

Gelet op de onzekerheidsmarges rond de ramingen kan de ruimte voor lastenverlichting en tekortreductie in deze kabinetsperiode op een later tijdstip tegenvallen. Kan een en ander cijfermatig worden toegelicht? (p. 29)

Antwoord

De belangrijkste, maar zeker niet de enige, onzekerheidsmarge betreft de volumegroei van het BBP. In het 10e rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte is op blz. 52 aangegeven dat een eenmalig lagere volumegroei van 1% het BBP bij vastgestelde belasting- en premietarieven een opwaarts effect op het EMU-tekort heeft van naar schatting 0,7% BBP. Dit effect wordt overigens niet al meteen in het eerste jaar bereikt.

Hierbij is geen rekening gehouden met maatregelen ter compensatie van een eventuele overschrijding van het uitgavenkader, noch met de toepassing van de mee- en tegenvallerformule voor de inkomsten. De doorwerking op de inkomsten onder de ijklat is aanzienlijk groter dan de doorwerking op de uitgaven onder de ijklijn. Bij onderschrijding van de ijklat speelt de hoogte van het EMU-tekort een rol bij de verdeling van de inkomstentegenvaller over tekortverhoging of lastenverzwaring.

Vraag 147.

De groei van de bedrijfsinvesteringen zakt behoorlijk in (van 8,6% in 1998 naar 1% in 2000).

Kan worden toegelicht waarom de investeringsquote desondanks toereikend lijkt voor een voortgezette BBP-groei van 2,5 à 3% per jaar? (blz. 29 en blz. 68).

Antwoord

Ondanks de verwachte afzwakking van het groeitempo van de investeringen tussen 1998 en 2000 daalt de investeringsquote (de waarde van nieuw aangeschafte kapitaalgoederen, in procenten van de productie) maar in bescheiden mate, namelijk van 19% (1998) naar 18¼% (2000). Daarmee blijft de investeringsquote in de range 17% à 19%. Bij een dergelijk niveau worden er jaarlijks zodanig veel nieuwe kapitaalgoederen (zoals machines) aan de bestaande voorraad toegevoegd, dat daarmee op langere termijn een groei van de productie van de marktsector van ongeveer 3% (ofwel: een BBP-groei van 2½% à 3% haalbaar lijkt.

De passages in de MEV (paginas 29 en 68) stoelen voornamelijk op een vergelijking met ontwikkelingen in het verleden. Rond de hoogconjunctuur van 1989 en 1990 is namelijk een vergelijkbaar patroon opgetreden. Toen groeide de productie nog sterker dan nu en bewoog de investeringsquote zich in de range 18% à 19%. Zie ook grafiek I.4 (blz. 22).

Vraag 148.

Welke landen rekent het CPB tot de ANIEs? (blz. 34).

Antwoord

De ANIEs omvatten de vier Aziatische tijgers: Zuid-Korea, Singapore, Taiwan en Hongkong.

Vraag 149.

Wat is de visie van het CPB op het thema new economy, wat is zin en wat is onzin? Kan het CPB inhoudelijk commentaar leveren op het onderzoek van dhr. Gordon? Hoe vallen de conclusies van dhr. Gordon te rijmen met het door het CPB beschreven standpunt van de Fed, nl. dat met computerverwerking veel productieprocessen versneld zijn, dat met eenzelfde productie-apparaat nu meer kan worden geproduceerd dan vroeger, en dat de gesignaleerde ontwikkelingen nog niet duidelijk in de statistieken zijn terug te vinden? (blz. 37 t/m 39).

Antwoord

De MEV2000 geeft een overzicht van de belangrijkste meningen over het actuele thema new economy. Aan de studie van Gordon wordt relatief veel belang gehecht, omdat het een degelijk statistisch onderzoek is en er op dit moment nauwelijks andere studies over dit onderwerp voorhanden zijn. De OECD gaat in haar laatste Economic Outlook (Box I.5) vooral in op de onzekerheden rond de meting van de arbeidsproductiviteitsgroei, een punt dat ook bij Gordon veel aandacht krijgt. Commentaren op de studie van Gordon zijn over het algemeen positief en delen de conclusies (bijvoorbeeld van het Ministerie van Financiën en DNB). Van de Federal Reserve Board zijn geen eigen studies bekend, maar in diverse speeches levert Greenspan wel commentaar op dit vraagstuk. De kern van zijn betoog is dat de versnelde introductie van nieuwe technologie, in het bijzonder IT, bijgedragen heeft aan de versnelling van de productiviteitsgroei in de VS over de afgelopen vijf jaar en dat op deze manier de inflatiedruk beperkt is gebleven. Daarbij wekt hij de suggestie dat dit fenomeen de werking van de hele economie beïnvloedt en niet beperkt kan blijven,
c.q. kan zijn gebleven tot de informatiesector zelf, hetgeen wel de boodschap is van Gordons studie. Overigens blijft ook Greenspan voorzichtig met betrekking tot het structurele karakter van de door hem gesignaleerde veranderingen. I do not say we are in a new era, because I have experienced too many alleged new eras in my lifetime that have come and gone........ I said the evidence for technology-driven acceleration in productivity is compelling, but not conclusive........The recent acceleration is admittedly not sufficient proof of an irreversible trend for a variable as statistically volatile as labor productivity.

Onderzoek van het CPB naar de groei van de arbeidsproductiviteit in Nederland duidt eerder op relatief lage dan op relatief hoge cijfers in recente perioden, zie CEP 1998 (blz. 123-137). Het CPB ziet geen aanwijzingen voor een afnemend belang van conjuncturele cycli.

Vraag 150.

De voortgaande Europese integratie lijkt via de mogelijkheid van schaalvergroting in het voordeel van de kleinere landen te werken. Hoe groot schat het CPB het effect op het BBP cumulatief in, en hoe ontwikkelt dit effect zich in de loop van de tijd? (blz. 47).

Antwoord

Recentelijk zijn door het CPB geen studies ondernomen die de effecten van de Europese integratie proberen te kwantificeren. Van de wat oudere studies lijken er twee in ieder geval van belang.

(i) Bert Minne: Economies of scale within the EC (with an emphasis on the Netherlands), CPB Onderzoeksmemorandum No. 67, maart 1990.

(ii) Nederland en Europa 92, CPB Werkdocument No. 28, maart 1989. In deze studie wordt een poging ondernomen om de effecten van de Witboekmaatregelen van de Europese Commissie te kwantificeren voor de Gemeenschap als geheel en voor Nederland. Gecumuleerd over de eerste zes jaar is het positieve effect op de productiegroei in Nederland 1% hoger dan in de totale Europese Gemeenschap. Aan dit verschil mag, gezien de onzekerheden, geen al te exacte betekenis worden toegekend. Wel ligt voor de hand dat Nederland als open economie bij de gehanteerde veronderstellingen wat meer van de impulsen van EG92 profiteert dan de EG gemiddeld. Naarmate een economie meer open is, heeft een versnelling van de wereldhandelsgroei omvangrijker gunstiger effecten, terwijl kostenreducties in de sfeer van de internationale handel ook meer voordeel opleveren voor consumenten/werknemers in een land met een relatief omvangrijke invoer. Daar komt nog bij dat de Nederlandse markt traditioneel gemakkelijk toegankelijk is voor buitenlandse ondernemers, zodat openstelling van markten van andere EG-landen per saldo voordelig is voor Nederlandse ondernemers (pagina 44).

Vraag 151.

Waarom zijn de CPB-ramingen voor de groei van de relevante wereldhandel aanzienlijk lager dan de ramingen van de OECD en de Europese Commissie? (blz. 55).

Antwoord

De CPB-raming van de relevante wereldhandelsgroei in 1999 komt met name lager uit door een voorzichtiger inschatting van de productie- en invoergroei in West-Europa, de transitielanden en de derde wereld buiten Azië. Daarbij is rekening gehouden met de ontwikkelingen in de eerste helft van het jaar. Om de CPB-jaarraming te halen moet de relevante wereldhandel in de tweede helft van 1999 al met bijna 7% op jaarbasis stijgen

Vraag 152.

Waarom gaat het CPB naar aanleiding van het Woning Behoefte Onderzoek van het CBS uit van een afzwakking van de stijging van de huizenprijzen; in hoeverre is nu reeds een afzwakking waarneembaar? Kan voor de afgelopen 20 jaar een overzicht gegeven worden van de CPB-projecties van de ontwikkeling van de huizenprijzen alsmede de uiteindelijke realisaties? Waaruit zijn de eventuele verschillen te verklaren? (blz. 59 en blz. 66).

Antwoord

In het Woning Behoefte Onderzoek van 1998 registreert het CBS een toenemend aantal huishoudens dat dringend andere woonruimte nodig heeft, maar niet verhuist. Hierbij gaat het vooral om huishoudens die van een huurwoning naar een koopwoning willen verhuizen. Het CBS stelt dat deze ontwikkeling verband kan houden met de steeds hoger oplopende prijzen van koopwoningen. Steeds meer woningzoekenden nemen een afwachtende houding aan, omdat zij niet in de prijsspiraal mee willen of kunnen gaan. Als deze trend zich voortzet zal de vraag naar koopwoningen en de prijsontwikkeling van verkochte woningen in 2000 temperen. Het CPB gaat ervan uit, dat mede vanwege de hogere rente, de spanning op de kopersmarkt volgend jaar niet verder zal oplopen en dat derhalve de prijsstijging van bestaande koopwoningen in dat jaar zal afzwakken. Alhoewel tot medio 1999 de prijsstijging nog geen duidelijke afzwakking vertoont, zijn er toch wel (zeer voorlopige) indicaties dat de grootste druk op de bestaande woningenmarkt dit jaar voorbij lijkt te zijn. Zo geeft de krapte-indicator van de NVM (Nederlandse Vereniging van Makelaars) medio 1999 een lichte vermindering van de krapte op de kopersmarkt aan ten opzichte van de eerste maanden van dit jaar.

Het CPB is pas recentelijk gestart met het maken van projecties van koopprijzen; er kan derhalve geen overzicht worden gegeven van ramingen en realisaties voor de afgelopen 20 jaar.

Vraag 153.

De individuele besparingen zijn de afgelopen jaren fors gedaald. Wat zijn de economische gevolgen en risicos van deze tendens en wat is de reactie van de regering daarop? (blz. 61).

Antwoord

De daling van de individuele besparingen hangt voor een groot deel samen met het besteden van een deel van de vermogenswinsten in de sfeer van aandelen en huizenbezit. In het geval deze vermogenswinsten gaan dalen, zullen consumenten deze verliezen voor een deel willen goedmaken door hun besparingen uit inkomen weer op te voeren. Dit zal gepaard gaan met een minder sterke uitbreiding van de consumptieve bestedingen dan in recente jaren werd gerealiseerd en dus met een minder sterke groei van de economie.

Vraag 154.

Het CPB heeft nog geen raming voor 2001/02 gemaakt, maar vermeldt wel dat vanwege de relatief stabiele investeringsquote de Nederlandse economie op een structureel groeipad van 3% kan blijven. Hoe is dat met elkaar te rijmen? (blz. 68).

Antwoord

In de tekst staat dat de investeringsquote hoog genoeg is om op langere termijn op een groeipad van zon 3% te blijven. Dit is behoudens conjuncturele afwijkingen van deze groei, naar boven zowel als naar beneden.

Vraag 155.

Hoe zouden werkgelegenheid, overheidsinkomsten en financieringstekort zich ontwikkelen als het groeipad structureel 2,5, respectievelijk 3% zou belopen? (blz. 68).

Antwoord

Op het moment is het CPB niet in staat deze vraag te beantwoorden, aangezien de tijdshorizon in de MEV niet voorbij 2000 komt.

Vraag 156.

Waarom groeit de wederuitvoer naar het Europese achterland voor het eerst sinds 1996 niet met dubbele cijfers? Heeft dit te maken met de ontwikkeling van de wereldhandel en/of met een verslechtering in de concurrentiepositie van de mainports? (blz. 71).

Antwoord

De groei van de Nederlandse wederuitvoer wordt voornamelijk bepaald door de invoervraag naar deze producten uit het Europese achterland, Duitsland voorop. De Duitse invoervraag zal, van jaar-op-jaar bezien, maar weinig dynamiek vertonen in 1999 (slechts 2¼% groei) terwijl deze vorig jaar nog met 8% toenam (zie MEV pagina 181). Om deze reden wordt verwacht dat het groeicijfer voor de wederuitvoer dit jaar lager uitkomt dan dat van vorig jaar (11%).

Deze analyse wordt ondersteund door de ontwikkeling van de maandcijfers van de buitenlandse handel van het CBS tot en met mei 1999. Zo nam de wederuitvoer van computers vorig jaar nog met 27% in waarde toe. Gedurende de eerste vijf maanden van 1999 is de groei teruggevallen naar slechts 14%, vergeleken met dezelfde periode van vorig jaar. Computers vormen een belangrijke deel van de wederuitvoer. Met een waarde van 30 mld (1998) maakt deze goederengroep in zijn eentje ruim 20% uit van de totale Nederlandse wederuitvoer (143 mld).

Vraag 157

De inflatie ligt in Nederland hoger dan in de rest van het eurogebied. De Nederlandsche Bank verwacht een inflatie van 2,5% of meer voor dit jaar. Deelt de regering deze inflatieverwachting?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 158.

Van 1993-1996 lag de Nederlandse arbeidskostenstijging pep gemiddeld 0,5% per jaar onder het gemiddelde in het eurogebied, terwijl in de daaropvolgende vier jaar de stijging gemiddeld 1,7% boven het gemiddelde ligt. Dit a.g.v. een snellere loonvoetstijging in Nederland (van 2,1% naar 2,7% per jaar) en een tragere loonvoetstijging in het totale eurogebied (van 3,9% naar 2,2% per jaar). Wat zeggen deze cijfers over de werking van het poldermodel en de positie daarvan ten opzichte van andere eurolanden? (blz. 76).

Antwoord

Niet zo veel. Voor een groot deel hangt de genoemde relatieve verandering in de loonvoet samen met het feit dat de gulden in de eerste periode in verhouding tot het geheel van het eurogebied aanzienlijk meer apprecieerde. Daardoor waren zowel de invoerprijsstijging als de prijsstijging van de consumptie aanzienlijk lager, waardoor ook de loonvoetstijging lager uitkwam. Na invoering van de vaste wisselkoersen heeft de nominale ontwikkeling meer de neiging gelijk op te gaan lopen. Dat de loon- en prijsstijging in Nederland boven die van het gemiddelde in het eurogebied ligt heeft veel te maken met het feit dat de Nederlandse economie in een andere conjunctuurfase verkeert, die samengaat met meer spanning op de arbeidsmarkt.

Overigens kunnen uit de tabel op blz. 76niet direct conclusies worden getrokken over de concurrentiepositie: de vermelde cijfers voor de arbeidskosten per eenheid product hebben betrekking op de consumptiegoederensector, en niet op de exportsector. Tentatieve becijferingen geven aan dat de arbeidskosten per eenheid product in de exportsector voor 1997-2000 minder ver uiteenlopen.

Vraag 159.

De groei van het aantal uitzenduren is in de loop van 1998 vrijwel tot stilstand gekomen (van 11,5% in het eerste kwartaal naar 0,4% in het laatste kwartaal). Kan deze daling verklaard worden uit de macro-ontwikkelingen in de loop van 1998 of was er sprake van anticiperen op de invoering van de wet Flexibiliteit en zekerheid? Bestaat er al inzicht in de ontwikkeling van het aantal uitzenduren in 1999? (blz. 85).

Antwoord

De stagnatie in de groei van het aantal uitzenduren in 1998 kan zo goed als geheel worden toegerekend aan de macro-ontwikkelingen in 1998. Na een aantal jaren van meer dan gemiddelde werkgelegenheidsgroei is het niet verwonderlijk dat bedrijven meer personeel zelf in dienst nemen. Ook in 1996 en 1997 viel overigens al enige afname van de groei van het aantal uitzenduren waar te nemen. Er zijn geen aanwijzingen voor anticipatie-effecten, voorafgaand op de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (ingaand per 1 januari 1999).

Na invoering van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid is de definitie van uitzendwerk gewijzigd. Uitzendkrachten in vaste dienst en detachering worden niet langer meegeteld. Hierdoor zijn cijfers voor het eerste kwartaal in 1999 niet vergelijkbaar met die in voorgaande jaren. Uit CPB-onderzoek blijkt dat na correctie voor deze reeksbreuk het aantal uitzenduren vrijwel constant is gebleven.

Vraag 160.

De feitelijke werkloosheid ligt thans onder de geschatte evenwichtswerkloosheid. Het CPB concludeert hieruit dat voor een verdere daling van de werkloosheid ofwel een verdere verlaging van de lastendruk of replacement rate nodig is, ofwel een verdere daling van de reële rente. Leiden de bedoelde impulsen tot een verdere daling van de feitelijke werkloosheid onder een gelijkblijvende evenwichtswerkloosheid (en hiermee tot oververhitting)?

Antwoord

Volgens de studie van Broer, Draper en Huizinga, die in het kader wordt vermeld, ligt de feitelijke werkloosheid momenteel onder de geschatte evenwichtswerkloosheid. De hoogconjunctuur van de afgelopen jaren is hier de oorzaak van. De arbeidsmarktsituatie leidt tot inflatoire druk. Door een verdere daling van de lastendruk, replacement rate of reële rente zal de evenwichtswerkloosheid verder dalen en meer in overeenstemming komen met de feitelijke werkloosheid. Hierdoor kan oververhitting worden voorkomen, zodat het huidige lage werkloosheidsniveau een meer structureel karakter krijgt.

Vraag 161.

Kan de oploop in de uitgaven voor subsidies in Tabel V.2.1 weergegeven worden in guldens en uitgesplitst naar begunstigde? (blz. 106).

Antwoord

Op bladzijde 108 wordt een forse oploop van de subsidies geconstateerd in 1999. In onderstaande tabel is deze oploop toegelicht. De oploop in de bijdragen wordt voor een ½ mld veroorzaakt door het afdekken van verliezen bij Nedcar. De oploop bij de vermogensoverdrachten aan bedrijven bestaat uit vergoedingen voor geleden waterschade (½ mld) en de afkoop van objectsubsidies volkshuisvesting. De stijging bij loonsubsidies is toe te schrijven aan de introductie en uitbreiding van afdrachtskortingen zoals voor scholing, kinderopvang en langdurig werklozen.

1998

1999

2000

woonsubsidies (IHS etc.)


3.8


3.8


3.8

overige bijdragen in exploitatietekorten


1.9


2.4


1.9

vermogensoverdrachten aan bedrijven


3.1


5.1


4.6

loonsubsidies


3.1


3.6


3.7

overig


6.0


5.7


6.0

totaal

17.9

20.6

20.0

Vraag 162.

Op bladzijde 108 staat te lezen dat Nederland een naheffing over de EU-afdracht krijgt voor hogere groei in 1999. Moet deze opmerking zo begrepen worden dat de afdracht over 1999 eerst geraamd wordt en afgedragen, waarna in een latere fase een nacalculatie plaatsvindt? Op grond van welke groei ramingen wordt de afdracht in eerste instantie vastgelegd en op welk moment vindt de definitieve vaststelling plaats? (blz. 108).

Antwoord

De BNP-afdracht van ons land aan de EU in 1999 is gebaseerd op de EU-begroting voor dat jaar. Hierin is ook de verdeling van de BTW- en BNP-afdrachten over de lidstaten opgenomen. De vaststelling van deze begroting is afgerond in het najaar van 1998. Zoals gebruikelijk heeft de Europese Commissie (EC) de macro-economische uitgangspunten geleverd die ten grondslag liggen aan deze begroting. De EC stelt in 2000 vast of nieuwe informatie over de feitelijke macro-economische ontwikkeling van de lidstaten in 1999 aanleiding geeft de verdeling te herzien van de BTW- en BNP-afdrachten over de lidstaten zoals vastgelegd in de EU-begroting voor 1999. Deze wijzigingen worden als nabetalingen of terugbetalingen in de begroting van 2000 verwerkt.

Op basis van gegevens van het CPB omtrent de macro-economische ontwikkeling van ons land in vergelijking met de overige EU-lidstaten in dit jaar, heeft het Ministerie van Financiën becijferd dat het aandeel van ons land in de BNP-heffing zal oplopen. Ook de hogere, dan door de EC voorziene, groei van de nederlandse BTW in 1999 zal aanleiding geven tot een nacalculatie. Bijgevolg zal ons land naar huidige inzichten in 2000 een nabetaling van naar schatting ruim 300 mln moeten doen. Hiermee loopt het ministerie vooruit op de vaststelling door de EC. Het CPB heeft deze raming van het ministerie overgenomen.
Vraag 163

Kan worden uitgelegd waarom de CPB-ramingen voor het EMU-tekort afwijken van de ramingen van het ministerie van Financiën? (blz 120)

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 79
Vraag 164

Kan de ontwikkeling van het EMU-tekort en de EMU-schuld gedurende deze kabinetsperiode geschetst worden uitgaande van economische groeiscenarios van resp. 2%, 2,5% en 3%? Kan de berekening geëxtrapoleerd worden naar 2010, uitgaande van beleidsarme scenarios? Wat zijn de gevolgen van de scenarios voor de verwachte realisaties van de uitgaven in de drie budgetdisciplinesectoren ten opzichte van de bijbehorende uitgavenkaders en wat zijn de gevolgen voor de verwachte inkomsten ten opzichte van de inkomstenijklat? (blz. 120).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 78

Vraag 165.

De verandering in de consumentenprijsindex is gedaald van boven de 3% in 1991 en 1992 naar een verwachte 2% in 1999 en 1,75% in 2000. Moet hieruit niet geconcludeerd worden dat de inflatie in Nederland in historisch perspectief erg laag is? Wat zijn de ervaringen van andere regios (bijvoorbeeld in de VS) waar de inflatie vergeleken met de rest van de muntunie relatief hoog is? (blz. 166-167).

Antwoord

De stijging van de consumentenprijsindex voor 1999 en 2000 is in historisch perspectief niet erg laag. Zo kende Nederland in 1987 een negatieve inflatie en zijn er jaren geweest met minder dan 1% inflatie.

In de overige landen van de muntunie ligt de inflatie momenteel wel op een historisch laag niveau, maar die hebben de zeer lage inflatie van Nederland dan ook niet ervaren.

Nota naar aanleiding van het verslag inzake vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2000 (26 800)

Nota naar aanleiding van het verslag inzake vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2000 (26 800)


1. Indien inflatie en groei BBP 2% zouden zijn en een structureel begrotingsoverschot van 0.5% gebruikt zou worden voor aflossing van de staatsschuld, na hoeveel jaar zou de schuld dan verdwenen zijn bij een rekenrente van 5 en 6%. En na hoeveel jaar zou deze bij genoemde rentepercentages uitkomen onder de 10 % BBP? (blz. 3).

Antwoord:

De staatsschuld bedraagt ultimo 1999 naar verwachting 431,0 miljard gulden (53,2% BBP). Indien de begroting vanaf 2000 een structureel overschot laat zien van 0,5% BBP en het BBP een nominale groei kent van 4% per jaar, dat neemt de omvang van de staatsschuld af en is rond het jaar 2040 geheel verdwenen. Vanaf 2026 bereikt de staatsschuld een niveau onder 10% BBP.

Het niveau van de rekenrente heeft op deze berekeningen geen invloed. Verondersteld is dat bij een begroting die een structureel overschot kent van 0,5% BBP als gevolg van de gekozen systematiek lagere rentelasten gecompenseerd worden door hogere overige uitgaven.


2. Heeft de relatief hoge inflatie in Nederland ten opzichte van de overige EMU-landen een negatief effect op het rendement van de Nederlandse staatsleningen? (blz. 4).

Antwoord:

Terwijl in het verleden de relatieve niveaus van de inflatie in Europa
- in combinatie met de kredietwaardigheid - leidden tot relatieve verschillen in de voorwaarden waartegen schuld gefinancierd werd, is die invloed in het euro-tijdperk minder evident. Duitsland en Nederland konden in het verleden dankzij een monetair beleid gericht op een lage inflatie goedkoper lenen dan landen in Europa met hogere inflatie. Relatief hoge inflatie in afzonderlijke (kleine) economieën in het eurogebied komt nu alleen nog indirect tot uiting in de kapitaalmarktrente. De kapitaalmarktrente in het eurogebied wordt namelijk naast andere factoren - bepaald door de inflatie(verwachtingen) voor het gehele eurogebied. Het is duidelijk dat daardoor het Nederlandse inflatiecijfer slechts in geringe mate meeweegt bij de vaststelling voor het eurogebied van het inflatiecijfer en de kapitaalmarktrente waartegen de Nederlandse Staat en andere overheden kunnen lenen op de kapitaalmarkt.


3. Kan nader worden uitgelegd waarom het Rijk dit jaar te maken heeft met een hogere aflossingsomvang? (blz.4)

Antwoord:

De aflossing van de gevestigde schuld bedraagt in 1999 naar verwachting 68,1 miljard gulden, hetgeen hoger is dan het gebruikelijke niveau van circa 40 miljard gulden. Deze incidentele verhoging van de aflossingen heeft drie oorzaken. In de eerste plaats, hangen de aflossingen samen met verplichtingen - als gevolg van dekking van tekorten - die in het verleden zijn aangegaan. In de tweede plaats, wordt er in 1999 naar verwachting voor circa 5 miljard gulden vervroegd afgelost en geherfinancierd. Vervroegde aflossing door de Staat is een mogelijkheid die als zodanig in de leningsvoorwaarden van onderhandse leningen is opgenomen. Onderhandse leningen worden tegenwoordig niet meer uitgegeven.

De derde oorzaak is de herstructurering van de staatsschuld waarmee in juli 1999 is begonnen. De bedoeling van deze operatie is de staatsschuld te concentreren in een kleiner aantal grotere leningen. De omruil van leningen die hiervoor nodig is kan gezien worden en wordt in de begroting ook als zodanig behandeld - als een gelijktijdige, vervroegde aflossing van oude schuld en emissie van nieuw schuldpapier.


4. De Begroting gaat in op de herstructurering van de Nationale Schuld, met als doel de Staatsleningen toe te snijden op de wensen van beleggers. Achtergrond hiervan is waarschijnlijk onder meer het feit dat de spread op Nederlandse Staatsleningen hoger is dan van onder meer Duitse Staatsleningen. Kan de regering aangeven hoe groot dit verschil momenteel is? Kan zij tevens aangegeven of zij verwacht dat dit verschil tot 0 teruggebracht kan worden, en de redenen geven waarom dit wel of niet haalbaar is? (blz. 8)

Antwoord:

Het renteverschil tussen Nederland en Duitsland bedraagt momenteel in het 10-jaarssegment circa 15 basispunten. Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij de totstandkoming van niveauverschillen in de kapitaalmarktrente tussen Europese emittenten. Het is vooralsnog niet helemaal duidelijk in welke mate deze factoren bijdragen aan de renteniveaus. Hoewel kredietwaardigheid van de emittent in het algemeen een belangrijke factor is, lijkt deze in de EMU een ondergeschikte rol te spelen. Het rente-écart in het 10-jarige segment lijkt momenteel vooral te worden veroorzaakt door de grote behoefte van beleggers aan liquide schuldpapier. Met het oog daarop zijn het afgelopen jaar diverse activiteiten ondernomen om de liquiditeit van de Nederlandse staatsschuld te vergroten. Het betreft hier onder andere de redenominatie van de staatsschuld, de omruil van kleinere leningen naar grotere, meer liquide leningen en de oprichting van het elektronische handelsplatform MTS Amsterdam. Hoewel het rente-écart van Nederland, samen met dat van Frankrijk tot het kleinste in het EMU-gebied behoort, neemt het renteverschil met Duitsland thans niet af. Dit maakt het aannemelijk dat ook andere factoren een rol spelen. De liquiditeit van schuldpapier wordt ook bepaald door derivaten. Het Duitse schuldpapier profiteert in dit verband van de aanwezigheid van de bij beleggers populaire, zogenoemde Bundfuture. Dit is een derivaat, dat wordt gebruikt om posities af te dekken, dan wel juist in te nemen. Dit gebeurde tot voor kort hoofdzakelijk voor posities in D-marken, maar nu voor alle posities gedenomineerd in euros. Niettemin kunnen alleen Duitse staatsleningen worden gebruikt om de desbetreffende contracten na te komen. Dat verklaart mede de aantrekkelijkheid van dit papier.

De Bundfuture is een instrument dat is ontwikkeld op de financiële markt. De Nederlandse Staat heeft op de totstandkoming of de ontwikkeling van dit product geen invloed. Op korte termijn lijkt het, onder de huidige omstandigheden, voor de Nederlandse Staat niet mogelijk te lenen tegen dezelfde voorwaarden als de Duitse overheid.


5. De totstandkoming van de eurokapitaalmarkt heeft een verdere standaardisatie tot gevolg. En met de introductie van de euro is een kapitaalmarkt ontstaan die uitstijgt boven de Amerikaanse obligatiemarkt. Wat zijn daarvan de consequenties voor het budgettaire beeld in Nederland? (blz. 8)

Antwoord:

De totstandkoming van de eurokapitaalmarkt heeft een verdere standaardisatie tot gevolg. Emittenten komen hiermee tegemoet aan de wensen van de beleggers. De Nederlandse Staat had reeds obligaties die ten aanzien van de modaliteiten, op de omvang na, vrijwel niet te onderscheiden waren van de (Duitse) benchmarks. Om de beleggers verder tegemoet te komen zal de Nederlandse Staat de staatsschuld concentreren in minder en grotere leningen. Dit heeft een positieve invloed op de liquiditeit van de Nederlandse staatsschuld. Aan deze verdere standaardisatie zijn geen nadelige budgettaire consequenties verbonden.

Hoe de eurokapitaalmarkt zich in de toekomst zal ontwikkelen ten opzichte van de dollarkapitaalmarkt is moeilijk te voorspellen. Belangrijk is in het eurogebied verstandig macro-economisch beleid en gezond financieel beleid te voeren. Dat wordt door de kapitaalmarkt gewaardeerd, met een bijbehorende kapitaalmarktrente tot gevolg. Door standaardisatie en verbetering van de marktstructuur zal in de toekomst de fragmentatie van de eurokapitaalmarkt verminderen en daardoor aantrekkelijker worden voor beleggers. Dit zal de relatieve positie van de eurokapitaalmarkt ten opzichte van de dollarkapitaalmarkt ten goede komen.


6. Kan nader worden uitgelegd hoe een tender veilingsysteem in zijn werk gaat? (blz. 9)

Antwoord:

Bij een tender-emissie zijn looptijd en coupon bekend en kunnen toegelaten instellingen aangeven welk bedrag zij bij een bepaalde koers wensen af te nemen. Na afloop van de inschrijving wordt de koers van uitgifte bepaald. Inschrijvingen lager dan de koers van uitgifte worden niet toegewezen, terwijl inschrijvingen op de koers van uitgifte gedeeltelijk kunnen worden toegewezen. Inschrijvingen boven de koers van uitgifte worden volledig toegewezen.


7. Kan de Minister een overzicht verstrekken van de staatsschuld gerelateerd aan de belastinginkomsten van de Rijksoverheid over de afgelopen 10 jaar en over de komende 2 jaar?

Antwoord:

De huidige staatsschuld is het resultaat van negatieve financieringssaldi uit het verleden. Een financieringssaldo wordt bepaald door uitgaven en (belasting)inkomsten, welke in het algemeen niet los van elkaar kunnen worden beschouwd. Indien de uitgaven uitstijgen boven de (belasting)inkomsten ontstaat een negatief financieringssaldo en nieuwe schuld.

Onderstaande tabel bevat een overzicht van de staatsschuld als % van de belastingontvangsten van 1990 tot en met 2000.

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Staatsschuld in % Belastingontvangsten

233,0%

223,5%

233,6%

229,6%

242,5%

260,7%

249,4%

240,2%

233,6%

227,5%

223,7%


8. Kan een nadere toelichting worden gegeven bij de na 2002 sterk stijgende rentekosten van de vaste schuld (artikel 11.01, blz. 13)

Antwoord:

De rentelasten die samenhangen met de vaste schuld vertonen na 2002 een stijging. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat in 2002 twee grote staatsleningen aflopen met coupons die lager zijn dan de rekenrente. Het betreft hier de dit jaar in meerdere tranches uitgegeven 3-jaars lening met een coupon van 3% en een oude 6-jaarslening uit 1996 met een coupon van 5,75%. Deze leningen hebben samen een omvang van 42,8 miljard gulden. De dekking van deze financieringsbehoefte zal in 2002 geschieden tegen een rekenrente van 6,17%. De rentelasten die hiermee gepaard gaan komen in de begroting een jaar later in 2003 tot uiting. Verder wordt de stijging van de rentelasten nog veroorzaakt door dekking van het feitelijk tekort voor 2002.


9. Welke rol speelt het agentschap bij het Fonds Economische Structuurversterking (FES)? Hoe kunnen middelen aan het FES worden toegevoegd, aangezien het FES een boekhoudkundig fonds is dat geen rente ontvangt?

Speelt het agentschap een rol bij de beoordeling van het beroep op de leen- en depositofaciliteit van agentschappen? (artikel 11.01, blz. 13).

Antwoord:

In het Regeerakkoord is opgenomen dat de rentebesparing die samenhangt met Common-Area-baten, de verkoop van staatsbezit (na dividendderving) en de opbrengst van veilingen in het FES zal worden gestort. De hoofdsom wordt ten gunste van de staatsschuld gebracht. De lagere rentelasten die hierdoor optreden op begroting IXA worden van IXA in het FES gestort. In het Regeerakkoord is beoogd dat deze extra rentevrijval vanaf 2002 300 miljoen per jaar zal bedragen.

Het agentschap vervult geen rol bij de beoordeling van het beroep door agentschappen op de leen- en depositofaciliteit. Het agentschap geeft slechts een advies over de hoogte van een (marktconform) rentepercentage dat zou gelden voor de af te sluiten lening resp. het deposito.

10. Moet uit mutatie 5 in de tabel op blz. 13 worden opgemaakt dat de rente afdrachten aan het AOW-spaarfonds steeds lager uitvallen dan bij begroting 1999 was vastgesteld? Is dit het gevolg van de nieuwe systematiek? Zo nee, welke gevolgen zou de nieuwe systematiek hebben voor de rente-opbrengsten van het fonds? (artikel 11.01, blz. 13)

Antwoord:

De geraamde rente-afdrachten aan het AOW-spaarfonds zijn ten opzichte van de begroting 1999 neerwaarts bijgesteld. Zoals in de toelichting staat is dit in de eerste plaats het gevolg van de gewijzigde rekenrentes in 1999 en 2000. Het effect wordt enigszins versterkt door de nieuwe rentesystematiek. Omdat deze systematiek uitgaat van het beleggen van de jaarlijkse stortingen in 10-jaars staatsobligaties, werken de lagere rekenrentes van 1999 en 2000 ook door in de ramingen voor latere jaren. Onder de oude systematiek was dit niet het geval omdat de renteraming jaarlijks werd berekend over het gehele fondstegoed.

De structurele rente-effecten voor het AOW-spaarfonds zullen naar verwachting positief zijn voor het AOW-spaarfonds. In de oude systematiek was de rentevergoeding gebaseerd op de rente op 5-6 jaars leningen met een opslag van 0,1%-pt. In de nieuwe systematiek is de rentevergoeding gebaseerd op 10-jaars leningen. In de afgelopen jaren is gebleken dat de 10-jaars rente de 5-jaars rente met meer dan 0,1%-pt te boven gaat (zie de begroting van vorig jaar, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26200 hoofdstuk IX-A, nr. 2, pagina 6). Alleen als het verschil tussen de rente op 5-jaars leningen en 10-jaars leningen kleiner wordt dan 0,1%-pt zou de nieuwe systematiek negatief kunnen werken voor het fonds. De kans dat dit structureel het geval zal zijn mag nihil worden geacht.

11.Zou de Minister de tabel onder 11.01 kunnen weergeven indien de rekenrente voor de resterende

financieringsbehoefte 4%, 4,5% of 5% zou zijn? (artikel 11.01, blz. 13)

Antwoord:

De resterende financieringsbehoefte voor 1999 bedraagt per 30 juli 1999 21,1 miljard gulden. Dit is het saldo van de financieringsbehoefte (exclusief omruil) van 58,7 miljard gulden en een reeds gerealiseerd kapitaalmarktberoep van 36,6 miljard gulden. Indien voor de resterende financieringsbehoefte in 1999 niet 4,6%, maar 4%, 4,5% of 5% als rekenrente wordt gehanteerd heeft dat een wijziging van de raming van de rentelasten (op kasbasis) vanaf 2000 tot gevolg. Tabel 11.0 zou er dan als volgt uit zien:

Tabel Rente vaste schuld

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

in miljoenen guldens

Stand ontwerp-begroting 2000

29940,4

30874,7

29450,6

29384,1

29795,6

31638,9

32169,9

Rekenrente 4%

29940,4

30874,7

29324,0

29257,5

29669,0

31512,3

32043,3

Rekenrente 4,5%

29940,4

30874,7

29429,5

29363,0

29774,5

31617,8

32148,8

Rekenrente 5%

29940,4

30874,7

29535,0

29468,5

29880,0

31723,3

32254,3

12. Kan mutatie 3 in de tabel op blz. 20 meer in detail worden uitgelegd? Waarom zou er exact een groter beroep op DTC's gedaan moeten worden? Brengt een beroep op DTC grotere kosten met zich mee, dan staatsleningen? Zo ja, hoeveel scheelt dat? (artikel 12.01, blz. 20)

Antwoord:

Mutatie 3 heeft betrekking op de te vergoeden rente als gevolg van de regulering van het schatkistsaldo. De uitgaven en ontvangsten van de Staat leiden tot dagelijkse tekorten en overschotten in de schatkist. Het saldo van de schatkist, dat wordt aangehouden bij De Nederlandsche Bank, wordt dagelijks door de Staat gereguleerd binnen een range van 0 à 50 mln euro. Dit betekent dat eventuele tekorten worden gedekt met kort papier, zoals call en call-fixe leningen. De rentebetalingen op deze leningen zijn moeilijk te prognotiseren daar zowel de omvang van het schatkistsaldo als de rente fluctueren. Op basis van de realisaties in het eerste half jaar van 1999 wordt deze post nu geraamd op 80 mln.

In mutatie 2 is sprake van een groter beroep op DTCs. Deze wijziging is nodig om de verschillen in timing in de aflossing en uitgifte van staatsleningen te overbruggen. Door met een vaste emissiekalender te werken is er sprake van gespreide uitgifte van staatsleningen over het jaar. De aflossingen van de staatsleningen vinden in desbetreffende jaren vooral in het begin van het jaar plaats. Ter overbrugging van de periode tussen aflossing van de oude en de emissie van nieuwe staatsleningen worden korte leningen aangegaan in de vorm van DTCs. DTCs zijn zoals uit bovenstaande blijkt niet een vervanging voor staatsleningen, maar een voorfinanciering daarvan. Bij een normale, positieve yieldcurve is de rente op DTCs lager dan de rente op staatsleningen.

Nota naar aanleiding van het verslag inzake vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2000 (26 800)

Nota naar aanleiding van het verslag inzake vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2000 (26 800)


1.Hoe groot is het neerwaarts effect op de uitgaven dat verwacht wordt vanaf 1999 in verband met de ombuigingstaakstelling uit het regeerakkoord? (blz. 5).

Antwoord:

Zowel voor het kernministerie als voor de Belastingdienst is het effect van de ombuigingstaakstelling, in de totale omvang, ingeboekt in de begroting IX B 1999. Bij voorjaarsnota 1999 is de totale verlaging van het apparaatsbudget onderverdeeld naar de artikelonderdelen personeel en materieel.

Een overzicht van de verdeling in personele en materiële budgetvermindering geeft de volgende staat:

Invulling ombuigingstaakstelling regeerakkoord (x f. 1000)

1999 2000 2001 2002

Kernministerie

personeel -1.400 -1.700 -2.700 -5.000

materiële uitgaven -1.700 -4.200 -6.600 -7.600

Belastingdienst

personeel -14.000 -28.000 -42.000 -56.000

materiële uitgaven -17.000 -34.000 -51.000 -64.000

De ombuigingstaakstelling is eveneens meerjarig verwerkt in de begroting. De tabel op pagina 58 onder de titel begrotingssterkte vanaf de vorige ontwerpbegroting (in fte) geeft daar concreet inzicht in. Bij de Belastingdienst is de ombuigingstaakstelling op de personeelssterkte onderdeel van de Interne mutaties (tabel opbouw begrotingssterkte, pag. 122).


2. Uit welke gegevens blijkt dat de lasten op arbeid in de afgelopen jaren zijn gedaald? In de Macro Economische Verkenningen 2000 wordt toch eerder een stijging dan een daling van de loonkosten geconstateerd door stijging van de premies? (blz. 7).

Antwoord:

Op bladzijde 7 in de memorie van toelichting wordt gerefereerd aan de afname van de opbrengst van de loon- en inkomstenbelasting van 54,4 miljard in 1994 naar 43,8 miljard in 1998 bij een oplopende werkgelegenheid. Deze afname heeft betrekking op de lasten voor werknemers. In de MEV 2000 wordt gesproken over een stijging van sociale lasten voor werkgevers in 1999 (blz. 84 in de MEV). Overigens wordt in de MEV 2000 geconstateerd dat de sociale lasten voor werkgevers in de periode 1994-1998 per saldo zijn gedaald.


3. Kan meer informatie worden verschaft over de aanvullende post invoering euro? (p.8)

Antwoord:

Bedoeld is de reservering in de Aanvullende Post Algemeen: voorheen nader te bepalen (zie ook pag. 212/ 213 Miljoenennota). Om de invoering van de euro in Nederland soepel te laten verlopen heeft de regering in de Miljoenennota 1998 een reservering opgenomen van jaarlijks 0,2 mrd voor de jaren 1999-2002. Na een inventarisatie van de door de departementen te maken kosten uit hoofde van de euro, is deze reservering grotendeels verdeeld over de departementale begrotingen. Het uitgangspunt is dat de uitgaven voor invoering van de euro voor 50% worden opgevangen binnen de begroting en meerjarenraming van het betrokken departement. Voor de andere helft worden deze ramingen opgehoogd ten laste van de aanvullende post.

Het aandeel voor de IXB-begroting bedraagt (x f 1000,-):

1999 2000 2001 2002

22.147 22.389 66.784 63.798

Middels het instrument van intertemporele compensatie is de oorspronkelijke reeks over de jaren heen gewijzigd en sluit daarmee beter aan bij het verwachte uitgavenpatroon. Het cumulatief bedrag is onveranderd gebleven.

Deze middelen zijn verwerkt en toegelicht op de begrotingsartikelen 01.01 en 04.01 van de begroting IXB 2000.


4. Met betrekking tot de uitvoeringskosten energiebedrijven wetsvoorstel regulerende energiebelasting zal door de energiebedrijven een convenant worden afgesloten. Op welke termijn zal dit gebeuren en wat zijn de vorderingen op dit terrein? (p.8)

Antwoord:

In het tussen het rijk en de energiebedrijven af te sluiten convenant zullen de wederzijdse verplichtingen worden vastgelegd. Het convenant zal in werking treden zodra de wet tot wijziging van de regulerende energiebelasting en de inkomstenbelasting met het oog op het bevorderen van energiezuinig en milieuvriendelijk gedrag (Kamerstukken II ,1998/1999, 26 532) in werking treedt. Thans is voorzien in een inwerkingtreding op 1 januari 2000. Ter dekking van de kosten van de energiebedrijven wordt in het convenant voorzien in een bedrag van circa f 40 miljoen voor de initiële looptijd van het convenant. Deze kosten zijn voor een deel vaste kosten (communicatie, publiciteit, automatisering) en voor een deel variabele kosten (behandeling aanvragen). De variabele kosten zijn rechtstreeks afhankelijk van het aantal aanvragen dat wordt ingediend. In het convenant wordt een bepaling opgenomen dat tussentijds een afrekening wordt opgemaakt op basis van een extern onderzoek naar de hoogte van de door de energiebedrijven gemaakte kosten, zonder winstopslag, met als uitgangspunt voor het onderzoek een doelmatige werkwijze. Het overleg met de energiebedrijven over het convenant is nagenoeg afgerond. Het convenant zal worden ondertekend door de Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer enerzijds en door de afzonderlijke energiebedrijven en EnergieNed, de Federatie van Energiebedrijven in Nederland, anderzijds.


5. Hoe is de opbrengst van de verkoop van de Nationale Investeringsbank besteed? (blz. 8).

Antwoord:

De opbrengst, na aftrek van gemaakte kosten, is in mindering van de Staatsschuld gebracht. De daardoor optredende rentevrijval minus het gederfde dividend komt ten gunste van het Fonds Economische Structuurversterking.


6. Wat zijn de kosten van het Kenniscentrum PPS? Van welke operationele uitgaven en ontvangsten is het Kenniscentrum uitgegaan? Zijn er ramingen over kosten en baten? Op welke termijn kunnen de beleidskaders, standaarden en gereedschappen worden verwacht? (blz. 13).

Antwoord:

Het Kenniscentrum PPS is sinds 1 juni onderdeel van de directie Financieringen. Deze directie bestaat naast het Kenniscentrum PPS uit de afdeling privatisering en participatie. In de Begroting is nu rekening gehouden met een bedrag van 5,6 miljoen. Dit betreft voornamelijk personeelskosten en kosten voor inhuur externen. Voor het Kenniscentrum wordt geen aparte begroting bijgehouden. Het Kenniscentrum heeft geen ontvangsten. Er wordt over nagedacht of het mogelijk is en wenselijk is om in de toekomst kosten door te berekenen.

Het Kenniscentrum werkt in overleg met betrokken departementen op een aantal terreinen aan het uitwerken van beleidskaders. De volgende documenten zijn inmiddels afgerond en afgestemd: algemene kader voor PPS, het gebruik van de vergelijkingsinstrumenten en richtlijnen voor procesarchitectuur. De in deze documenten uitgewerkte kaders worden verwerkt tot brochures die voor zover beschikbaar tijdens het congres van 14 oktober a.s. zullen worden uitgedeeld. Op dit moment wordt hard gewerkt aan een kader voor het te gebruiken financieel instrumentarium. In de in het najaar te verwachten voortgangsrapportage van het Kenniscentrum zal nader ingegaan worden op de reeds uitgewerkte kaders en de te verwachten kaders.


7. Waarop is de raming van de Exportkredietverzekering voor volgend jaar gebaseerd? (blz. 22).

Antwoord:

In het algemeen kan worden opgemerkt dat de uitgaven en ontvangsten exportkredietverzekering lastig te ramen zijn. De ramingen zijn deels gebaseerd op dossiers en deels betreffen deze ramingen een stelpost. De raming van de grootste ontvangstenpost (provenus) is gebaseerd op ten tijde van de begrotingsopstelling bestaande inzichten van de opbrengsten van provenus uit hoofde van afgesloten en af te sluiten schuldenregelingen. De raming van de schade-uitgaven betreft een risico-inschatting van de bestaande obligo-portefeuille. De uiteindelijk gerealiseerde uitgaven en ontvangsten zijn afhankelijk van moeilijk voorspelbare ontwikkelingen, zoals de politieke en/ of economische situatie in debiteurenlanden met veelal fragiele financiële sectoren. Hierdoor zijn ook de begrotingsramingen, naarmate de tijdshorizon verder ligt, met grote onzekerheid omgeven.

De geraamde meevaller bij EKI voor de jaren 1999 en 2000 is zowel ontstaan door een verlaging van de raming voor de schade-uitkeringen die op basis van een risico-analyse kon worden aangebracht, als door een verhoging van de ontvangstenramingen op grond van de verwachting dat het goede betalingsgedrag van grote schuldenlanden zich in het algemeen zal voortzetten.


8. Hoe zijn de uitvoeringskosten van de Exportkredietverzekering opgebouwd? Hoe worden de werkzaamheden van de NCM bij het ministerie in rekening gebracht? Geldt de ombuigingstaakstelling ook voor de uitvoeringskosten van de Exportfinancieringskredieten? (blz. 23).

Antwoord:

De uitvoeringskosten van de exportkredietverzekering en van de investeringsverzekering bedragen circa ¦ 30 mln. Deze post valt uiteen in ruim ¦ 26 mln. als beloning voor aan NCM uitbestede werkzaamheden. Hiernaast belopen de uitvoeringskosten voor rekening van het Ministerie van Financiën zelf respectievelijk voor rekening van De Nederlandsche Bank N.V. ieder circa ¦ 2 mln. De door NCM uitgevoerde werkzaamheden worden op voorschotbasis in rekening gebracht met een eindafrekening aan het begin van een nieuw jaar. De ombuigingstaakstelling geldt uitsluitend voor de uitvoeringskosten van het ministerie van Financiën zelf.


9. Voor de uitvoering van de WBSO geldt dat de uitvoeringskosten 3% van het beleidsbudget bedragen. Geldt een vergelijkbare doelstelling ook voor de Exportkredietverzekering?

Antwoord:

Noch voor de WBSO, noch voor de Exportkredietverzekering gelden doelstellingen waar het gaat om de uitvoeringskosten. In beide regelingen is de hoogte van de uitvoeringskosten vastgesteld op basis van inschattingen door de uitvoerende instanties. De hoogte van de uitvoeringskosten van verschillende regelingen wordt regelmatig gemonitord.

10. Kan de regering een toelichting op en de stand van zaken rond het IMF-surveillance experiment

weergeven? (blz. 27).

Antwoord:

Door de transparantie van het economisch en financieel beleid van overheden te vergroten, zullen economische problemen van individuele landen in een vroeger stadium kunnen worden gesignaleerd en kan worden voorkomen dat buitenlandse kapitaalverschaffers op basis van irrealistische toekomstverwachtingen in een land blijven investeren. Dit laatste kan bij het plotseling omslaan van de economische verwachting immers zorgen voor massale kapitaalvlucht en een liquiditeitscrisis. Eén methode om de transparantie van het economisch beleid van overheden te vergroten is de publicatie van het rapport dat de IMF-staf maakt ten behoeve van de jaarlijkse surveillance van het monetaire en financiële beleid van lidstaten (de zogenaamde Artikel IV-rapportage). Momenteel loopt er een experiment waarbij lidstaten op basis van vrijwilligheid deze stafrapporten publiceren. Het Arubaanse stafrapport was het eerste dat als onderdeel van dit experiment werd gepubliceerd. Volgende maand zal ook het Nederlandse Artikel IV-stafrapport voor het publiek beschikbaar zijn. Volgend jaar volgt een evaluatie en zal worden bekeken of alle lidstaten voortaan op vrijwillige basis in aanvulling op de al langer bestaande Press Information Notices het Artikel IV-stafrapport kunnen publiceren.

11. Kan de ongeveer 10% genoemd in paragraaf 5.5 inzake de Europese Investeringsbank (EIB) worden uitgesplitst naar land en looptijd? Kan nogmaals worden aangegeven wat de reden is geweest om van de hoofddoelstelling van de EIB af te wijken? (blz. 32).

Antwoord:

De hoofddoelstelling van de Europese Investeringsbank (EIB) is met haar langlopende kredieten bij te dragen aan de economische ontwikkeling van de lidstaten van de Europese Unie (EU) en daarbij de nadruk te leggen op de ontwikkeling van achtergebleven regios.

Dat de EIB daarenboven leningen verstrekt aan landen buiten de EU, heeft als reden dat zij de financiële bepalingen uitvoert van de overeenkomsten die in het kader van het Europese steun- en samenwerkingsbeleid met niet-lidstaten zijn gesloten. De EIB opereert hierbij op basis van door de EU gegeven kredietverleningsmandaten, die zijn bedoeld als ondersteuning van het beleid van de EU ten aanzien van deze landen.

Een belangrijke groep niet-EU-lidstaten wordt in dit verband gevormd door de pre-accessielanden; voor deze landen is in 1998 een pre-toetredingsfaciliteit opgericht. Daarnevens zijn er uitleenmandaten voor de Midden- en Oost Europese landen, voor de landen rondom de Middellandse Zee (ter versterking van het Euromediterrane partnerschap) en voor landen in Azië en Latijns-Amerika. Voorts wordt krediet verleend aan landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan uit hoofde van de Overeenkomsten van Lomé, waarbij de EU aan 71 voormalige koloniën en 20 overzeese gebiedsdelen steun heeft toegezegd voor hun economische en sociale ontwikkeling.

De EIB heeft in de periode 1994 tot en met 1998 voor de volgende bedragen kredieten verstrekt aan de diverse landen resp. landengroepen (in ECU mln):

Kandidaat-lidstaten:

Polen 1923 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 605)

Roemenië 908

Hongarije 885 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 315)

Tsjechië 1580 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 250)

Bulgarije 375

Slovenië 288 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 140)

Slowakije 528

Estland 83

Letland 95 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 10)

Litouwen 148

Cyprus 228 (waarvan uit pre-accessiefaciliteit 50)

Totaal: ca. 7 mrd ECU

Overige Midden- en Oost Europese landen

Macedonië (FYROM) 70

Albanië 68

Landen in het Middellandse -Zeegebied (behalve pre-accessieland Cyprus):

Egypte 922

Marokko 733

Algerije 660

Turkije 467

Tunesië 456

Libanon 415

Jordanië 250

Gaza/Westoever 196

Israël 68

Malta 18

Totaal: ca. 4 mrd ECU

Azië, Latijns Amerika, Afrika en Stille Oceaan:

Zuid-Afrika 435

Argentinië 204

Brazilië 180

Mexico 50

Filippijnen 195

Indonesië 146

Pakistan 81

Peru 77

Chili 75

Thailand 58

Overig Azië 110

Overig Latijns-Amerika 117

West-Afrika 320

Centraal-Equatoriaal Afrika 39

Oost-Afrika 335

Overig zuidelijk Afrika 637

Multiregionale projecten Afrika 30

Caribisch gebied 365

Stille Oceaan 70

Totaal: ca. 3 mrd ECU

De looptijd wordt per afgesloten lening steeds afzonderlijk overeengekomen. In sommige gevallen wordt de duur van de lening vastgesteld op een aantal jaren, maar in andere gevallen wordt een maximum-termijn afgesproken waarbinnen de totale lening moet zijn terugbetaald (voor onderdelen van de lening is dan dus een kortere looptijd mogelijk). De looptijden liggen meestal in de orde van grootte van 10 tot 15 jaar (maar er zijn ook voorbeelden van kortere looptijden als bijv. 7 jaar, en van langere als bijv. 25 jaar), en dikwijls zijn de eerste paar jaar daarvan geen aflossingen verschuldigd.

12. In de afgelopen jaren is de belastingheffing in toenemende mate instrumenteel ingezet. Hoe verhoudt zich dat met de conclusies van de Algemene Rekenkamer dat veel van deze belastingfaciliteiten hun doel missen en het geld dat met de belastinguitgaven gemoeid is. (p.34).

Antwoord:

Uit het rapport van de Algemene Rekenkamer blijkt niet dat veel van de belastingfaciliteiten hun doel missen. De Rekenkamer heeft in dat rapport vier fiscale faciliteiten daadwerkelijk op hun effectiviteit onderzocht. Voor twee daarvan (de investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen) concludeert de Rekenkamer dat daarvan een positieve invloed lijkt uit te gaan op het gedrag. Bij de andere twee maatregelen (de regeling groen beleggen en de afdrachtvermindering lage lonen) komt de Rekenkamer tot de conclusie dat zij weinig effect lijken te hebben. Bij deze laatste conclusie moet echter worden aangetekend dat de onderzoeksmethode van de Rekenkamer beperkingen kent, aangezien deze uitsluitend is gebaseerd op enquêteonderzoek onder ondernemers en bijvoorbeeld niet tevens op econometrisch onderzoek op macroniveau. Als gevolg daarvan wordt in het rapport van de Rekenkamer in onvoldoende mate rekening gehouden met het aspect dat de effectiviteit van fiscale stimuleringsregelingen tevens moet worden beoordeeld in het licht van het beleid dat gericht is op verlaging van de lastendruk op ondernemingen en arbeid en in het verlengde daarvan de versterking van de internationale concurrentiepositie. In dit verband zij tevens gewezen op de binnenkort beschikbaar komende evaluatie van de afdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering langdurig werklozen die thans in opdracht van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt uitgevoerd. Wat betreft de regeling groen beleggen moet bovendien nog worden opgemerkt dat de Rekenkamer zich in zijn enquêteonderzoek op een andere doelgroep heeft gericht dan die waarop de faciliteit is gericht, namelijk particuliere beleggers.

13. De Europese Commissie heeft richtlijnvoorstellen naar buiten gebracht met betrekking tot de belastingheffing van inkomsten uit spaargelden en de belastingheffing van interest en royaltys in gelieerde verhoudingen. Hoe verhouden deze voorstellen zich met de voorgenomen fictieve rendementsheffing van het kabinet? (p.35/36)

Antwoord:

Het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie met betrekking tot belastingheffing van inkomsten uit spaargelden gaat uit van een bronheffing of informatie-uitwisseling. Bij bronheffing zullen onder het forfaitair rendement de rente-inkomsten worden behandeld in lijn met de dividendinkomsten. Dit houdt in dat in beginsel wordt uitgegaan van een verrekenbaarheid van de eventueel ingehouden bronbelasting met de inkomstenbelasting over het forfaitair rendement. Verkregen informatie wordt betrokken bij de aanslagregeling.

Wat betreft het richtlijnvoorstel inzake betalingen van interest en royaltys tussen verbonden ondernemingen is er geen verband met de voorgenomen fictieve rendementsheffing. Het richtlijnvoorstel ziet op betalingen tussen ondernemingen en de fictieve rendementsheffing ziet op particulieren.

14. Moet de opmerking over energiebelastingen in paragraaf 6.2 dat bij het uitblijven van een communautair kader voor een belasting van energieproducten zal worden bekeken in hoeverre met de welwillende lidstaten verdere voortgang kan worden geboekt, zo begrepen worden dat Nederland in samenwerking met een kleine kring van lidstaten over zal gaan tot de invoering van een dergelijke belasting? (blz. 36).

Antwoord:

In de aan de Kamer gezonden verslagen van vergaderingen van de Ecofin is reeds aangegeven dat de besprekingen over het richtlijnvoorstel zeer moeizaam verlopen. Het uitblijven van resultaten kan aanleiding vormen tot het - samen met andere lidstaten - onderzoeken van de mogelijkheid tot het vormen van een kopgroep van lidstaten, die bereid zijn tot de invoering van een energieheffing van betekenende omvang.

15. In de commissie Van Lunteren vindt periodiek afstemming plaats over actuele onderwerpen en knelpunten in de uitvoering van de (nieuwe) fiscale regelgeving met betrekking tot de administratieve lasten. Kan worden aangegeven wat de meest recente bevindingen zijn van deze commissie. (p.38)

Antwoord:

De Commissie Van Lunteren heeft zich - mede ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie Administratieve Lasten - de afgelopen periode vooral gebogen over de vraag op welke wijze kan worden gekomen tot een verdere verlichting van de administratieve lasten binnen de fiscale regelgeving. De commissie heeft in dat kader gewezen op het eerdere voorstel om te komen tot één standaardtariefgroep in de loonbelasting, de mogelijkheden van verdergaand gebruik van informatie- en communicatietechnologie en het afschaffen van verplichte accountantsverklaringen in de fiscale wetgeving. Tevens heeft de commissie de aandacht gevraagd voor de knelpunten die het bedrijfsleven ervaart als gevolg van het ontbreken van coördinatie en harmonisatie in de grondslag voor de loonbelasting/premies volksverzekeringen en de premies werknemersverzekeringen.

Daarnaast vindt in de zogenoemde Werkgroep fiscaal uitvoeringsbeleid periodiek overleg en afstemming plaats over fiscaal-technische onderwerpen. Zo is in de werkgroep met het bedrijfsleven samengewerkt om tot een goede voorlichting te komen over de uitvoering van de zogenaamde PC-regeling in de loonbelasting.

16. Heeft de organisatie-ontwikkeling van Domeinen naar een op bedrijfseconomisch ingestelde organisatie tot doel de organisatie uiteindelijk te laten concurreren op de markt? Wordt de gedwongen winkelnering van de ministeries opgeheven aan het eind van het ontwikkelingstraject? (blz. 51).

Antwoord:

Het doel van Domeinen Roerende Zaken is een facilitaire organisatie binnen het Rijk te worden die op basis van kostendekkendheid haar diensten verricht. Uitgangspunt daarbij is het leveren van zodanige kwaliteitsproducten dat gedwongen winkelnering uiteindelijk niet nodig zal blijken.

17. Hoeveel en welke in onderhoud genomen systemen moeten nog millenniumbestendig worden verklaard? (p.52)

Antwoord:

Alle maatschappelijk vitale systemen van het kernministerie zijn millenniumbestendig. Er resteren een beperkt aantal niet-millenniumbestendige vitale en niet-vitale systemen, welke volgens planning tijdig millenniumbestendig zullen zijn. De vitale systemen hebben betrekking op enkele systemen van het Facilitair Salarisbedrijf. De niet-vitale systemen hebben slechts een ondersteunende functie van beperkt belang.

18. Hoe groot is de kans dat de ambitieuze plannen van het kernministerie en de belastingdienst op het gebied van automatisering ook in 2000 tot grote overschrijdingen op de begroting zullen leiden? (blz. 53).

Antwoord:

Er hebben zich in het recente verleden geen grote overschrijdingen op de begroting voorgedaan. De budgettaire aanpassingen van de automatiseringsbegrotingen tijdens het uitvoeringsjaar 1998 waren het gevolg van een concretisering van de plannen voor de invoering van de Euro en het oplossen van Milleniumproblemen.

De plannen voor automatisering zijn gebaseerd op de begroting 2000. Dat betekent dat volgens de planning géén uitgavenoverschrijdingen aan de orde zijn. Indien zich in de uitvoering onverwachte

uitgaven voordoen, wordt dit binnen de begroting van respectievelijk het Kernministerie en de Belastingdienst opgevangen.

19. Hoe wordt de post onvoorzien (artikel 01.05) geraamd? Is onderhavig begroting de enige begroting die een artikel voor onvoorziene uitgaven op heeft genomen? (blz. 62).

Antwoord:

De post onvoorzien heeft het karakter van een stelpost en is bedoeld als voorziening ter oplossing van incidentele problemen, die daarmee binnen de begroting kunnen worden opgelost. In voorkomende gevallen wordt in de (suppletore) begroting een overboekingsvoorstel verwerkt naar andere begrotingsartikelen ter autorisatie van de Kamer.

Op verschillende andere begrotingen wordt eveneens een artikel van onvoorziene uitgaven opgenomen. Een artikel voor onvoorzien is overigens geen verplichting, maar verschillende ministeries maken hiervan gebruik. Andere ministeries maken gebruik van artikelen als nader te bepalen of het loon- of prijsbijstellingsartikel.

20. Waarom heeft een overboeking plaatsgevonden naar de post onvoorzien van het ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de eindejaarsmarge HGIS? (p.63)

Antwoord:

De toevoeging aan dit artikel houdt verband met de technische verwerking van de eindejaarsmarge HGIS 1998. De HGIS-onderschrijding in 1998 op de begroting van Financiën van f 205.000 wordt op grond van de overeengekomen systematiek ten gunste van de drie volgende jaren gebracht conform de verdeelsleutel 50%-25%-25%: 1999 f 103.000, 2000 f 51.000 en 2001 f 51.000. Deze bedragen worden uiteraard binnen de HGIS aangewend: ten gunste van de betreffende IXB-artikelen dan wel ten gunste van het algemene HGIS-budget.

21. Wat is het Nazi Persecutee Fund en waarom heeft een verhoging van het uitgavenbudget ten behoeve van deze organisatie plaatsgevonden? (p.69)

Antwoord:

Naast een nationale bestemming van de vierde tranche van de monetaire goudpool (commissie-Dolman 1) heeft de Ministerraad in december 1997 besloten om 20 mln ten laste van de Financiën-begroting bij te dragen aan een internationaal fonds ten behoeve van Nazi-slachtoffers. Dit fonds -het Nazi Persecutee Relief Fund- is opgericht door het VK en de VS tijdens de Nazi-goudconferentie te Londen. Doelstelling van het fonds is het geven van financiële steun aan behoeftige Nazi-slachtoffers buiten Nederland die weinig compensatie hebben ontvangen, en het ondersteunen van projecten ten behoeve van door Nazi-vervolging getroffen gemeenschappen en voorkoming van dergelijk onrecht in de toekomst.

De commissie-Dolman 2 adviseert de Minister van VWS over de bestemming van de gelden. Op dit moment loopt de termijn van indiening van projectaanvragen, de Minister van VWS zal over de adviezen medio 2000 beslissen. Nederland heeft eind mei 1999 haar bijdrage in het internationale fonds gestort.

22. De in 1999 ontvangen omroepbijdragen zullen aan de betreffende huishoudens worden teruggestort? Voor wanneer zal dat gebeuren, hoe zal dat gebeuren en om welk bedrag gaat het? (p.69)

Antwoord:

Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat alleen de omroepbijdragen zullen worden teruggestort die betrekking hebben op 2000. Vanaf 1 januari 2000 worden de omroepbijdragen immers gefinancierd uit de algemene middelen. Omroepbijdragen die betaald zijn in 1999 en die betrekking hebben op 2000 worden aan de betreffende huishoudens gerestitueerd. Momenteel wordt in overleg met de Dienst Omroepbijdragen bepaald hoe en wanneer deze restitutie kan plaatsvinden. Gestreefd wordt de restituties zo snel mogelijk na 1 januari 2000 te laten plaatsvinden. In totaal gaat het om een bedrag van ca. 0,5 miljard. Op individueel niveau is de omvang van de restitutie afhankelijk van het over 2000 vooruit betaalde bedrag.

23. Hoe moet de mutatie Nedcar gelezen worden? Waarom wordt de transactie een DSM lening genoemd? (artikel 02.07, blz. 80).

Antwoord:

De participatie in NedCar in het kader van de Regeling Bijzondere Financiering is in 1991 ontstaan door 10% van de aandelen NedCar over te nemen van DSM. Onderdeel van deze overeenkomst was dat de betaling van de aandelen pas later zou plaatsvinden, vanaf het moment dat de Staat opbrengsten uit NedCar genereert. Aangezien het bedrag aldus van DSM werd geleend, is deze aangeduid als DSM-lening. Nu inzicht bestaat in de te verwachten opbrengsten uit NedCar en deze raming is opgenomen in de EZ-begroting, kan de lening worden afgelost.

24. Hoe verloopt de overheveling van de Dienst Omroep Bijdragen (DOB) naar de Belastingdienst; hoeveel personeelsleden heeft de DOB en kunnen deze ingepast worden in het apparaat van de Belastingdienst?. Moet budget van de Belastingdienst niet structureel verhoogd worden om deze inpassing te bekostigen? (artikel 04.01, blz. 121).

Antwoord:

De overheveling van het personeel van de Dienst Omroep Bijdragen (DOB) naar de Belastingdienst geschiedt per 1 januari 2000. In overleg met de Ondernemingsraad van de DOB en de vakbondsorganisaties krijgen plaatsingsprocedures, rechtspositie en arbeidsvoorwaarden gestalte. Vanaf 1 januari 2000 zullen de betrokken medewerkers voorshands nog belast zijn met afbouwwerkzaamheden. Afhankelijk van de tijdstippen waarop voor de verschillende personeelscategorieën deze werkzaamheden worden beëindigd, vindt de instroom naar functies binnen de Belastingdienst plaats.

De DOB heeft 260 personeelsleden. Voor alle personeelsleden van de DOB die per 1 januari 2000 worden overgeheveld bestaan plaatsingsmogelijkheden in de Belastingdienst.

Bij de besluitvorming over het afschaffen van de omroepbijdrage is afgesproken dat de Belastingdienst voor de overheveling van de Dienst Omroepbijdragen in 2000 ¦30 mln en in 2001 ¦15 mln ontvangt. Van een structurele budgetverhoging voor de belastingdienst is geen sprake. De werkzaamheden van de Dienst Omroepbijdragen worden vanaf begin 2000 afgebouwd. Parallel hieraan wordt het personeel binnen de Belastingdienst ingepast. Op termijn zijn hier voor de Belastingdienst geen extra kosten aan verbonden.

25. Waarom staan er geen verplichtingen geraamd voor het jaar 2000 op artikel 04.01? (blz. 131).

Antwoord:

De overloop van de verplichtingen over de jaren heen is redelijk constant. Om deze reden is slechts de tabel met de uitgavenraming opgenomen. Mochten er in de uitvoering afwijkingen optreden tussen de uitgaven en verplichtingen dan komt dit tot uitdrukking in de financiële verantwoording.

26. Tellen de verschillende leningen die het Ministerie van Financiën aanhoudt, zoals in artikel 02.12, mee voor het vorderingen tekort en de staatschuld van de overheid? (blz. 155).

Antwoord:

De leningen waarop artikel 2.12 betrekking heeft ,zijn leningen die door het Rijk aan de private sector zijn verstrekt. Deze leningen tellen niet mee bij de berekening van het Emu-tekort. Het Emu-saldo is namelijk een vorderingensaldo. Het geeft de mutatie weer in het saldo van de financiële activa en passiva van de collectieve sector. Door de bedoelde leningverstrekking verandert hert saldo van de activa en passiva niet. Het verstrekken van een lening aan de private sector kan wel leiden tot verhoging van de Emu-schuld, namelijk als voor het verstrekken van de lening door de Staat kapitaalmarktmiddelen moeten worden aangetrokken.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie