Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage Bussemaker (PvdA) debat Wet Aanpassing Arbeidsduur

Datum nieuwsfeit: 12-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

12 oktober 1999

 

Bijdrage van Jet Bussemaker (PvdA) aan het plenaire debat over de Wet Aanpassing Arbeidsduur 26.358 (Deeltijdwet)

 

 

 

Mevrouw de voorzitter,

De behandeling van dit wetsvoorstel heeft mijn fractie - en naar ik weet ook andere fracties - nog veel en diepgaand bezig gehouden na de afronding van het eerste plenaire debat. Ik heb het al gezegd in mijn eerste inbreng: terwijl bijna de hele Kamer voorstander is van een wettelijk recht op aanpassing van de arbeidsduur c.q. deeltijdarbeid, zijn de meningen zeer verdeeld over hoe zo'n wet er uit zou moeten zien. Wij kunnen ons troosten met de gedachte dat er geen enkel ander land is waar ze zo'n wet kennen: alle begin is moeilijk, zo ook in dit geval, ook al is een eerder wetsvoorstel - dat van de heer Rosenmöller - hier langs geweest.

Ik wil bij deze heropening twee punten aan de orde stellen: de kwestie van vermeerdering van arbeidsduur en de kwestie van zwaarwegende bedrijfsbelangen.

Mijn fractie heeft zich altijd sterk gemaakt voor het opnemen van het recht op vermeerdering van de arbeidsduur in de wet. Dat is van groot belang voor werknemers met kleine deeltijdbanen - veelal vrouwen - die meer willen gaan werken. Vaak zal dat gebeuren nadat zij een tijd minder hebben gewerkt, bijvoorbeeld in verband met de zorg voor kinderen. Wij zijn dan ook blij dat dit recht op vermeerdering van de arbeidsduur, ondanks bezwaren van een deel van deze Kamer, in de wet gehandhaafd blijft. Om de impasse die in de Kamer is ontstaan over vermeerdering te doorbreken heeft mijn fractie in kunnen stemmen met een amendement van mevrouw Orgü, dat mede is ondertekend door mevrouw Schimmel en door mijzelf. Dat impliceert dat het recht op vermeerdering in de wet blijft staan, maar dat sociale partners hier bij cao vanaf kunnen wijken, en eigen afspraken kunnen maken over de invulling van de procedures.

Voorzitter, mijn tweede punt betreft de zwaarwegende bedrijfsbelangen. Wij gaven er om verschillende redenen de voorkeur aan de zwaarwegende bedrijfsbelangen niet in de wetstekst zelf maar in de MvT op te nemen, en aldaar ook omschreven zouden worden.

In het vorige plenaire debat heeft de staatssecretaris ons uitgebreid geantwoord en ook daarna nog een brief gestuurd, waarvoor dank. De staatssecretaris gaf in haar antwoord op vragen in eerste termijn al aan dat de werkgever bij het afwijzen van een verzoek niet kan volstaan met een verwijzing naar de uitwerking van de term `zwaarwegend bedrijfsbelang' in de wet. Ik citeer: `de werkgever zal dat echt moeten bewijzen met concrete cijfers, gegevens over de pogingen die hij heeft gedaan om voor de vrijvallende uren een andere werknemer te vinden e.d.'. Daar zijn wij blij mee. Ook uit de brief van de staatssecretaris over de jurisprudentie tot nu toe blijkt dat serieus is omgegaan met het wegen van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Daaruit blijkt ook dat in de rechtspraak een argument van bijvoorbeeld roostertechnische aard niet al te gemakkelijk gehanteerd kan worden. Zo is, stel ik vast, het argument dat werkgevers toekennen aan herkenbaarheid en bereikbaarheid van een bepaalde werknemer voor cliënten, of verstoring van het evenwicht tussen full-timers en part-timers niet voldoende argumentatie een verzoek niet in te willigen. Ik concludeer dat een werkgever het afwijzen van een verzoek goed moet motiveren. De staatssecretaris trekt die conclusie ook in haar brief. In diezelfde brief heeft ze ook aan dat de zwaarwegende bedrijfsbelangen die in het wetsvoorstel worden genoemd, voorbeelden zijn. Als voorbeelden, en dus niet als een dwingende mal. Dat heeft mijn fractie gerustgesteld. Een verzoek om in deeltijd te werken kan bijvoorbeeld een roostertechnisch probleem met zich meebrengen, maar hierbij hoeft niet altijd sprake te zijn van een zwaarwegend bedrijfsbelang.

De jurisprudentie gold bovendien in de tijd dat er nog geen sprake was van een wettelijk recht op deeltijdwerk. Vandaar wellicht dat nog wel eens een proefperiode werd voorgesteld voor deeltijdarbeid, in het bijzonder als een verzoek om vermindering van de arbeidsduur volgt op ouderschapsverlof. Als alles goed gaat - en daar ga ik vanuit - zal zo'n wet er binnenkort wel zijn. Dat betekent dat de balans in rechten en afwijzing van die rechten verschuift in het voordeel van de werknemer. Hij of zij heeft het recht in deeltijd te werken, tenzij de werkgever gemotiveerd kan aangeven dat dit leidt tot problemen, nee tot ernstige problemen, in de bedrijfsvoering. Een klein of tijdelijk probleem moet op te lossen zijn, pas als sprake is van een ernstig probleem kan het verzoek geweigerd worden.

De brief heeft mijn fractie voldoende overtuigd dat voorbeelden van zwaarwegende bedrijfsbelangen in de wet kunnen blijven staan. Tezamen met de jurisprudentie die tot nu bekend is, trekken wij hieruit de conclusie dat het recht op aanpassing van arbeidsduur voldoende gewaarborgd. Ik ga er daarbij van uit dat de staatssecretaris, gezien de eerdere gedachtewisseling, mijn mening deelt dat een werkgever het afwijzen van een verzoek in alle gevallen zal moeten motiveren, en dat hij of zij niet kan volstaan met een twee-regelig briefje: `verzoek afgewezen op grond van roostertechnische problemen'. De werkgever moet het naast zich neerleggen van een verzoek ook volgens de staatssecretaris schrijftelijk motiveren. Voor de volledigheid verzoek ik haar nog eens in te gaan op mijn argumenten, en in het bijzonder te bevestigen dat het om voorbeelden gaat van zwaarwegende bedrijfsbelangen in de wet, alsmede dat een werkgever in alle gevallen het afwijzen van een verzoek goed zal moeten motiveren.

Voorzitter, een en ander leidt er toe dat hoewel wij op zich sympathie hadden voor de motivering van de heer Rosenmöller om de zwaarwegende bedrijfsbelangen uit de wetstekst te halen - die sympathie blijkt natuurlijk ook uit het feit dat wij het amendement eerder mede ondertekend hebben - toch niet voor het amendement zullen stemmen.

Een wet als de Wet aanpassing arbeidsduur moet, meer nog dan vele andere wetten, draagvlak in de samenleving hebben. En draagvlak in de politiek hebben. Zonder dat draagvlak zal de wet in de praktijk van weinig betekenis zijn. Wij gaan er vanuit dat de wet voldoende draagvlak heeft om met een ruime meerderheid deze Kamer en hopelijk ook de Eerste Kamer te passeren. De heer Rosenmoller weet hoe moeilijk dat kan zijn, en dat dat soms betekent dat je iets in moet leveren op je idealen. Maar nooit zoveel wat mij betreft, dat je niet meer achter het resultaat kan staan. Mijn fractie kan het verwachte resultaat in deze zeer goed ondersteunen.

Om daar ook in de toekomst zeker van te zijn wil ik de staatssecretaris tot slot vragen of zij bereid is een evaluatie van de wet binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet naar de Kamer te sturen. Zodat wij kunnen zien waar mogelijke knelpunten zitten en hoe de omschrijving van zwaarwegende bedrijfsbelangen in de praktijk vorm krijgt.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie