Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Regionale omroep op S-band in strijd met 'geest mediawet'

Datum nieuwsfeit: 12-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Commissariaat voor de Media

ACTUEEL : 12 OKTOBER 1999 - REGIONALE OMROEP OP S-BAND IN STRIJD MET 'GEEST VAN DE MEDIAWET'

Het doorvoeren van frequentie-/kanaalveranderingen zonder een adequate en kosteloze voorziening te treffen voor bezitters van tv-toestellen die na doorvoering van deze veranderingen bepaalde 'must carry' programma's niet meer kunnen ontvangen, is in strijd met de bedoeling van de Mediawet. Op grond van de bepalingen van de Mediawet mag het publiek er op vertrouwen, dat met name de 'must carry' programma's door iedereen ontvangen kunnen worden. Deze uitspraak heeft het Commissariaat vanochtend gedaan n.a.v. klachten die zijn ingediend tegen kabelexploitant UPC, die frequentieveranderingen doorvoert in Friesland, Gelderland en Flevoland waardoor m.n. mensen met een tv-toestel dat ouder is dan 5 tot 8 jaar, bepaalde zenders -m.n. de regionale publieke omroep- niet meer kunnen ontvangen.

,,Dat het doorvoeren van een kanaalverandering door UPC naar de letter van de wet niet verboden is, doet niet af aan de bedoeling van de Mediawet, dat iedereen de programma's van de publieke omroep moet kunnen zien'', aldus Helmer Koetje, voorzitter van het Commissariaat. Omdat UPC tijdens een hoorzitting bij het Commissariaat heeft aangegeven bereid te zijn zgn. "converters" beschikbaar te stellen aan gedupeerden, ziet het Commissariaat dat als tegemoetkoming van UPC waardoor de kabelexploitant invulling geeft van zijn zorgplicht die voortvloeit uit de Mediawet.

Volgens het Commissariaat verdient de handelwijze van UPC geen schoonheidsprijs. ,,Dat de veranderingen zonder overleg tot stand gekomen zijn, is niet te billijken. Het is aan te bevelen, dat kabelexploitanten minder eenzijdig communiceren met hun klanten en de betrokken omroepen, zeker als het gaat om dergelijke ingrijpende wijzigingen. UPC had gebruik kunnen maken van de Programmaraad om voor de betrokken gebieden in overleg na te gaan of er een keuze gemaakt kon worden die ook voor de consument acceptabel zou zijn'', aldus Koetje. ,,Kabelexploitanten moeten extra zorgvuldig zijn als ze om bedrijfseconomische redenen technische wijzigingen doorvoeren, die voor consumenten tot extra kosten kunnen leiden. Hoewel UPC naar de letter van de Mediawet geen overtreding begaan heeft, had het bedrijf naar ons oordeel anders moeten en kunnen handelen. Op z'n minst had UPC de programma's zo moeten en kunnen indelen, dat de verplicht door te geven programma's zoals die van de regionale omroep niet op de S-band zouden zijn geplaatst'', aldus Helmer Koetje.

Tijdens de hoorzitting bij het Commissariaat, bleek dat UPC niet van plan na 1 januari 2000 beperkte pakketten aan te leveren als abonnees dat wensen. De wet biedt de mogelijkheid dat abonnees op verzoek minder dan 15 programma's in hun basispakket aangeleverd kunnen krijgen (bijvoorbeeld alleen de drie Nederlandse publieke zenders). UPC wil deze keuzemogelijkheid beperken tot degenen die op dit moment al over zo'n beperkt pakket beschikken. Mocht de kabelexploitant weigeren haar aangeslotenen deze keuzemogelijkheid te bieden, dan zal het Commissariaat een sanctieprocedure starten.


-------------

Hieronder volgt de brief d.d. 12 oktober 1999 aan UPC waarin het Collegebesluit is verwoord:

UPC Nederland
Postbus 59360
1040 KJ AMSTERDAM

I Feiten

UPC heeft de aangeslotenen op haar omroepnetwerk in de provincie Friesland bij brief d.d. 7 september 1999 laten weten dat zij de frequenties/kanalen op de televisie opnieuw dienen in te stellen. Op 13 september 1999, omstreeks 09.00 uur, heeft UPC de televisiezenders van frequentie/kanaal ook daadwerkelijk veranderd. Eenzelfde frequentie/kanaal-verandering van de televisiezenders in de provincie Gelderland heeft UPC aangekondigd in onder meer de Arnhemse Courant d.d. 18 september 1999. De daadwerkelijke veranderingen hebben aldaar in de onderscheidene gemeenten plaats gevonden tussen 20 september en 11 oktober 1999.

Deze frequentie/kanaal-verandering, in de praktijk ook wel rasterwijziging genoemd, leidt ertoe dat de programma’s van de regionale en lokale omroepinstellingen in het vervolg worden uitgezonden via de zogenoemde S-band. Met name oudere tv-toestellen (ouder dan 5 jaar) kunnen de via deze S(peciale)-band uitgezonden programma’s niet altijd ontvangen. De verplaatsing naar de S-band betreft overigens niet alleen de programma’s van de regionale en lokale omroepinstellingen, maar ook de programma’s van een aantal buitenlandse publieke omroepinstellingen.

Naar aanleiding van de handelwijze van UPC hebben de betrokken provinciebesturen, Omrop Fryslân, Omroep Gelderland, enkele lokale omroepinstellingen alsmede een aantal aangeslotenen klachten ingediend bij het Commissariaat. De Staatssecretaris van OC&W heeft, naar aanleiding van de vraag van het Tweede Kamer-lid de heer Atsma, of er in strijd is gehandeld met artikel 82i Mediawet, het Commissariaat verzocht te beoordelen of deze handelwijze in strijd is met de bepalingen van de Mediawet.

Het Commissariaat heeft UPC en vertegenwoordigers van de ministeries van Onderwijs, Cultuur & Welzijn en van Verkeer & Waterstaat gehoord. Het verslag van de hoorzitting d.d. 30 september 1999 is aan dit besluit gehecht.

II Wettelijke bepalingen

Artikel 82i


1. De aanbieder van een omroepnetwerk zendt onverkort, ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk ten minste vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en ten minste vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit, waaronder in ieder geval:
a. de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de programma's van de instelling die zendtijd heeft verkregen voor regionale omroep, bestemd voor de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt;
c. de programma's van de instelling die zendtijd heeft verkregen voor lokale omroep, bestemd voor de gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt;
d. de televisieprogramma's van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst;
e. twee radioprogramma's van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst.

2. Indien op eenzelfde kanaal van een omroepnetwerk niet gelijktijdig verschillende programma's voor algemene omroep worden uitgezonden, worden deze programma's voor de toepassing van het eerste lid als één programma aangemerkt.
3. Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan naar een aangeslotene op het omroepnetwerk, op diens verzoek, minder dan vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en minder dan vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit te zenden, mits ten minste de programma's genoemd in het eerste lid, onder a tot en met e, worden uitgezonden, en mits aan de desbetreffende aangeslotene een tarief in rekening wordt gebracht dat evenredig lager is dan het tarief dat in rekening wordt gebracht voor de ontvangst van het met inachtneming van het eerste lid uitgezonden aantal programma's. Het tweede lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.

4. Het Commissariaat voor de Media kan de aanbieder van een omroepnetwerk, desgevraagd, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft de programma's genoemd in het eerste lid, onder d en e, indien het voldoen aan deze verplichtingen onevenredig hoge kosten voor de aanbieder zou meebrengen.

III Vraagstelling

Het Commissariaat heeft onderzocht of de handelwijze van UPC, zoals deze in het bovenstaande feitenrelaas is beschreven, in strijd is met het bepaalde in de Mediawet, in het bijzonder artikel 82i.

IV Bevindingen van het Commissariaat

Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de hoorzitting is het Commissariaat tot de volgende bevindingen gekomen.


1. Ongewijzigd, onverkort en gelijktijdig

Vastgesteld kan worden, dat UPC de programma's ongewijzigd, onverkort en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending uitzendt. Het recent bij amendement toegevoegde woord 'ongewijzigd' was een antwoord op de vraag of de beheerder van een omroepnetwerk een bijv. in stereo aangeleverd signaal zou mogen doorgeven als een mono-signaal. Aanlevering in stereo betekent derhalve uitzenden in stereo. Verder geeft het eerste lid niet meer en niet minder aan welke programma's door de beheerder van het omroepnetwerk moeten worden uitgezonden.
UPC zendt de in het eerste lid genoemde programma's uit: gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending en er wordt in de inhoud van het programma niets gewijzigd.


2. Strekking van artikel 82i Mediawet

De bedoeling van het eerste lid, a t/m e, van art. 82i Mediawet is, dat iedereen de programma's van de publieke omroep moet kunnen ontvangen. De Nederlandse publieke omroepen beschikken daarom ook over etherfrequenties die in beginsel een zodanig bereik hebben, dat een ieder de programma's kan zien/horen. In de wetsgeschiedenis is dit bereik steeds van belang gebleken. Bij de introductie van de kabel is dit beginsel doorgetrokken - omdat de kabel oorspronkelijk een vervanging van de antenne was - en werd vastgelegd, dat de kabelexploitant tenminste de Nederlandse publieke omroepen diende uit te zenden. Regionale omroepen zenden over het algemeen hun radio- en televisieprogramma's ook uit via etherfrequenties teneinde ook hen te bereiken, die niet over een aansluiting op het omroepnetwerk beschikken of kunnen beschikken (landelijke gebieden die meestal voor de exploitant onrendabel zijn). In de provincies Friesland en Gelderland is dit het geval. Kijkers/luisteraars die geen antenne voor etherfrequenties meer hebben worden derhalve via het must carry beginsel in de gelegenheid gesteld de programma's van de publieke omroepen te zien/horen.
De wetgever laat zich noch in de Mediawet noch in de Telecommunicatiewet uit over de ontvangsteisen, die aan de tv-toestellen worden gesteld. De producenten van
televisietoestellen hebben dit zelf geregeld door gaandeweg in tv-ontvangtoestellen aan te sluiten bij ontwikkelingen in de markt, zowel aan de aanbodkant als aan de technologische ontwikkeling van de kabelnetten. Tv-toestellen werden inmiddels geschikt voor ontvangst van programma's die op de S-band werden uitgezonden.
Het wordt aan de consument overgelaten of hij een toestel koopt om programma's te ontvangen. Als hij een toestel koopt, ontstaat wel de verplichting tot het betalen van de omroepbijdrage en daar staat dan de ontvangst van Nederlandse publieke programma's tegenover. Is er geen ontvangst mogelijk, dan is teruggave van de omroepbijdrage voor regionale programma's mogelijk (zie art. 117a Mediawet).
De bedoeling van art. 82i, eerste lid, van de Mediawet is derhalve, dat een ieder die een abonnement heeft in staat gesteld wordt van de in het eerste lid opgesomde programma's kennis te nemen. De rijksoverheid en provincies gaan hier ook van uit bij de afspraken die met regionale omroepen zijn gemaakt inzake de informatievoorziening aan de bevolking bij rampen en zware calamiteiten. De beheerder van een omroepnetwerk heeft derhalve de zorgplicht om te bewerkstelligen, dat een ieder die een toestel heeft de programma's kan ontvangen.


3. Technische eisen

Ook aan het omroepnetwerk worden in de Mediawet noch in de Telecommunicatiewet technische eisen gesteld. In de van 1991 tot 1996 geldende "Technische voorschriften voor centrale antenne-inrichtingen en gemeenschappelijke antenne-inrichtingen" worden de frequentiebanden tussen 47 en 862 MHz aangewezen als het gebied waarbinnen uitgezonden moet worden. De zogenoemde S-band behoort tot dat gebied en wordt in aansluiting op de ook tot 1991 geldende praktijk (zie het WRR-rapport "De invoering van kabeltelevisie in Nederland" (1983)) als omroepband aangewezen en gebruikt. Kabelexploitanten troffen in hun netwerk zodanige voorzieningen, dat bij gebruik van de S-band de kijker de op de betreffende frequentie geplaatste kanalen kon ontvangen op zijn toestel. Sinds 1996 is voor beheerders van een omroepnetwerk de regeling "Voorschriften en beperkingen verbonden aan machtigingen voor antenne-inrichtingen" van toepassing. In deze regeling wordt vermeld, dat de kabelexploitant dient te voldoen aan de CENELEC-norm (kwaliteit van radio- en televisiesignalen (EN 50083, deel 7)).
Bij de inwerkingtreding van de Telecommunicatiewet is ten aanzien van dit onderdeel geen overgangsrecht opgenomen. Voor antenne-inrichtingen en omroepnetwerken zijn sindsdien geen machtigingen meer nodig en derhalve kunnen er ook geen voorwaarden aan worden verbonden.
Er kan derhalve niet gesteld worden, dat UPC regels overtreedt door gebruik te maken van de S-band.


4. Oplossing UPC

Vastgesteld kan worden, dat ook andere beheerders van omroepnetwerken de S-band hebben gebruikt en gebruiken. Uit de overzichten van frequentie-indelingen van diverse omroepnetwerken blijkt dit. In de bijlagen zijn enkele voorbeelden opgenomen. De S-band is derhalve sinds jaren in gebruik voor het doorgeven van televisiesignalen. Toestellen waren daarvoor inmiddels geschikt of via een in het netwerk ingebouwde converter werd er voor gezorgd, dat de kijker met een 'verkeerd' toestel het programma kon zien. De consument kon er in het verleden derhalve op vertrouwen, dat hij de op de S-band uitgezonden programma's kon zien/horen. Niet valt in te zien, waarom de consument dat vertrouwen heden niet meer zou mogen hebben. Dit vertrouwen geldt in het bijzonder ten aanzien van de in het eerste lid van art. 82i MW genoemde programma's, omdat de ratio van deze programma's is, dat een ieder die zou moeten kunnen zien als hij over een tv-toestel beschikt. In de Mediawet is immers niets veranderd.
UPC heeft tijdens de hoorzitting bekend gemaakt converters beschikbaar te willen stellen tegen een borg van fl. 75,-. Het Commissariaat ziet dit als een tegemoetkoming aan mogelijk gedupeerden die niet beschikken over een tv-toestel dat geschikt is om programma’s te ontvangen die op de S-band worden uitgezonden. Op deze wijze probeert UPC tenminste invulling te geven aan de zorgplicht, die voortvloeit uit het bepaalde in art. 82i, eerste lid.


5.Gevolgen handelwijze UPC

Het Commissariaat heeft vastgesteld, dat de schattingen ten aanzien van de hoeveelheid mensen met een niet geschikt tv-toestel niet eenduidig zijn. UPC houdt het op hooguit enkele procenten, terwijl in de provincies Friesland en Gelderland over vele duizenden gesproken wordt.
Het bevreemdt het Commissariaat, dat dezelfde wijziging die in (delen van) de provincie Noord-Brabant op de huidige UPC-netwerken anderhalf jaar geleden is doorgevoerd, noch bij het Commissariaat, noch bij de regionale omroep, noch elders tot klachten heeft geleid. Dit gegeven noopt wellicht tot enige relativering van de omvang van de problematiek.


6. Alternatieven

De vraag kan rijzen of UPC op andere wijze aan de bedoeling van art. 82i, eerste lid van de Mediawet had kunnen voldoen. Uit het verhandelde op de hoorzitting is duidelijk geworden - en dat blijkt ook uit de bijlage -, dat er op zich alternatieven zijn, waarbij de S-band een minder prominente rol speelt dan wel dat er bij het gebruik van de S-band ook alternatieven zijn, omdat niet alle programma's tot de categorie must-carry behoren. De bewering van UPC, dat bij het aanbieden van een totaalpakket aan diensten (omroep, telefonie, dataverkeer/internet) ook andere beheerders van omroepnetwerken niet aan een indeling als UPC ontkomen, heeft het Commissariaat niet op zijn deugdelijkheid kunnen onderzoeken.
Uit het verhandelde op de hoorzitting trekt het Commissariaat de conclusie, dat onafhankelijk van de vraag hoe en in welke mate gebruik gemaakt wordt van de S-band bij de programma-indeling beheerders van omroepnetwerken kennelijk aan het voorsorteren zijn op een toekomst, die - tegen voor de beheerders geringe kosten door het plaatsen van een relatief goedkoop filter in het netwerk
- een splitsing in een basispakket van 15 publieke binnenlandse en buitenlandse programma's mogelijk maakt en de overige programma's in een pluspakket achter de decoder.

Een alternatief zou naar het oordeel van het Commissariaat ook geweest kunnen zijn de programma's zodanig in te delen, dat de programma's van de in art. 82i, eerste lid, MW genoemde programma's niet op de S-band zouden zijn geplaatst. Uit de bijlagen moge duidelijk worden, dat theoretisch een ruil tussen een of meer must-carry-programma's en andere aanbieders bij de eerste vijftien ingedeelde programma's mogelijk zou kunnen zijn. UPC heeft hiertegen in gebracht, dat UPC geen subjectieve keuze heeft willen maken.
Het Commissariaat is van mening, dat UPC zich bij het maken van keuzen meer rekenschap had kunnen geven van de bedoeling van art. 82i MW, eerste lid. In meergenoemd artikel wordt een objectief onderscheid aangebracht tussen verplicht door te geven programma's en de overige programma's. Ook had UPC gebruik kunnen maken van de Programmaraad voor het betrokken gebied om in of na overleg een keuze te maken die ook voor de consument acceptabel zou kunnen zijn. Dat dit niet is gebeurd, valt UPC overigens gelet op de wettelijke bepalingen ten aanzien van programmaraden niet te verwijten. Dat de indeling zonder overleg met vele betrokkenen tot stand is gekomen, valt echter niet te billijken. Het ware aan te bevelen, dat beheerders van omroepnetwerken met voor consumenten en voor publieke omroepen ingrijpende wijzigingen minder eenzijdig communiceren met hun klanten en hun omgeving.


7. Digitale verspreiding

Bij de overgang van analoge naar digitale verspreiding van radio en tv via de ether wordt in de betreffende Europese richtlijn ter zake een ruime overgangstermijn gehanteerd van ong. 20 jaar. De ratio achter deze lange overgangstermijn is de consument en de producenten van toestellen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op digitale ontvangst. Naar analogie zou het voor de hand liggen, dat ook beheerders van omroepnetwerken met behoorlijke overgangstermijnen rekening houden bij het wijzigen van delen van hun dienstverlening ten behoeve van een redelijke inpassing in het gedrag van de consument bij de aanschaf van ontvangstapparatuur. Het feit, dat er nog een onbekende hoeveelheid tv-toestellen in gebruik is, die niet over de tegenwoordig als standaard aan te merken functionaliteit beschikt, zou de exploitanten derhalve moeten nopen tot voorzichtigheid bij het om bedrijfseconomische redenen doorvoeren van technische wijzigingen, die voor consumenten tot extra kosten kunnen leiden.


8. Gekoppelde netten

Tijdens de hoorzitting is duidelijk geworden, dat UPC voornemens is alle omroepnetwerken die in eigendom zijn van het bedrijf van dezelfde frequentie/kanaal-indeling te voorzien. Het netwerk in de provincie Flevoland is binnenkort aan de beurt. Het Commissariaat heeft er goede nota van genomen, dat dit voor UPC niet betekent, dat er naar toe gewerkt zal worden om voor alle netwerken tot één gemeenschappelijke programmaraad te komen. In de reactie op de kabelnotitie heeft het Commissariaat op de problematiek van de gekoppelde netten gewezen. Kortheidshalve zij verwezen naar de brief van 6 oktober 1999 aan de leden van de vaste commissie voor OCenW van de Tweede Kamer.


9. Beperkte pakketten ex artikel 82i, derde lid, Mediawet

Tijdens de hoorzitting is ook aan de orde gekomen, dat UPC niet voornemens is na 1-1-2000 nog zogenoemde beperkte pakketten op grond van het derde lid van art. 82i Mw aan te bieden. Bij brief van 7 oktober 1999 (zie bijlage) is van de zijde van UPC op dit voornemen gedeeltelijk teruggekomen.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt naar de mening van het Commissariaat dat het derde lid het mogelijk moet maken, dat een abonnee op diens verzoek voor een beperkt pakket van bijvoorbeeld alleen de drie Nederlandse publieke omroepen zou kunnen kiezen. De beheerder van een omroepnetwerk is alsdan gehouden dit pakket te leveren, hetgeen dan niet in strijd is met de hoofdregel uit art. 82i, eerste lid.
Een beperking tot degenen die thans over zo'n pakket beschikken en tot die gemeenten waar thans zulke pakketten worden aangeboden is naar de mening van het Commissariaat in strijd met de letter en de bedoeling van art. 82i, derde lid van de Mediawet. Het Commissariaat is derhalve voornemens op dit onderdeel een sanctieprocedure te starten, tenzij UPC de aangeslotenen de mogelijkheid biedt een keuze te maken.

V Oordeel Commissariaat

Uitgaande van de hiervoren onder III geformuleerde vraagstelling komt het Commissariaat op grond van al het vorenstaande tot de volgende conclusie.

Artikel 82i Mediawet, zoals hiervoren onder II weergegeven, moet naar het oordeel van het Commissariaat zo worden uitgelegd dat op grond van deze bepaling het publiek erop mag vertrouwen, dat in het bijzonder programma’s die vallen onder het must-carry beginsel door de consument ontvangen kunnen worden.

Daarbij speelt een rol dat in het kader van de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop de bevolking, ingeval een ramp dreigt, onmiddellijk door de burgemeester gewaarschuwd, geïnformeerd en geïnstrueerd wordt, waarbij hij een verzoek aan de bevolking kan doen om naar de radio te luisteren of naar de televisie te kijken (artikel 10 Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen).

Dit betekent dat, hoewel de frequentie/kanaal-verandering door UPC op zich geen overtreding oplevert van het bepaalde in artikel 82i Mediawet, de gevolgen van die handelwijze, naar het oordeel van het Commissariaat, wel in strijd zijn met meergenoemde bepaling. Immers, de mogelijkheid om de in artikel 82i Mediawet bedoelde programma’s te ontvangen wordt in een aantal gevallen beperkt. Dat de Mediawet noch de Telecommunicatiewet of de op deze wetten gebaseerde lagere regelgeving technische specificaties bevatten die direct de handelwijze van UPC verbieden, doet aan het vorenstaande niet af.

Nu UPC tijdens de hoorzitting heeft aangegeven bereid te zijn een kosteloze en adequate voorziening te treffen voor de bezitters van televisie-toestellen, die na invoering van deze verandering bepaalde programma’s niet meer kunnen ontvangen, heft UPC de vorenbedoelde strijdigheid op en komt het Commissariaat tot de slotsom dat in het onderhavige geval geen sprake is van een overtreding van artikel 82i Mediawet. Daarbij gaat het Commissariaat wel ervan uit dat UPC binnen afzienbare tijd na de doorvoering van de frequentie/kanaal-verandering de tijdens de hoorzitting gedane toezegging gestand doet.

Hoogachtend,
Commissariaat voor de Media

drs. H. Koetje
Voorzitter
drs. L. van der Meulen
Commissaris Programma Toezicht

Wij wijzen u erop dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken daartegen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven, dan wel gebruikelijke, wijze is bekend gemaakt een bezwaarschrift kan indienen bij het Commissariaat voor de Media, Postbus 1426, 1200BK Hilversum.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie