Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Uitspraak Gerechtshof A'dam Elshoff v.s. Arbeidsvoorziening

Datum nieuwsfeit: 13-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


13 oktober 1999

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

RUDOLPHUS PETRUS THEODORUS ELSHOFF,

wonende te Amsterdam.

APPELLANT,

procureur: mr. R.J.A.M. Sträter,

t e g e n

Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam

ARBEIDSVOORZIENINGSORGANISATIE,

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. L.P. Broekveldt.


1. Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1. Partijen worden hierna genoemd Elshoff en Arbeidsvoorziening.


1.2. Bij exploit van 30 juni 1999 is Elshoff in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, dat onder rolnummer KG 99/1424 VB is gewezen tussen Elshoff als eiser en Arbeidsvoorziening als gedaagde en is uitgesproken op 17 juni 1999. De appeldagvaarding bevat de grieven.


1.3. Bij memorie van antwoord heeft Elshoff, onder verwijzing naar de appeldagvaarding, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van de oorspronkelijke vorderingen van Elshoff, met veroordeling van Arbeidsvoorziening in de kosten van het geding in beide instanties.


1.4. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft Arbeidsvoorziening de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd - kort gezegd - tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Elshoff in de kosten van het hoger beroep.


1.5. Beide partijen hebben vervolgens ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 1999 haar standpunten doen bepleiten, Elshoff door mr. E.J.A. Vilé, advocaat te Utrecht, en Arbeidsvoorziening door mr. D. den Hertog, advocaat te 's-Gravenhage, beiden aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities. Bij die gelegenheid is van de zijde van Elshoff een akte genomen, waarbij producties in het geding zijn gebracht. Elshoff en een vertegenwoordigster van Arbeidsvoorziening hebben toen vragen van het hof beantwoord.


1.6. Beide partijen hebben de stukken, waaronder die van de eerste aanleg, aan het hof overgelegd voor arrest. De inhoud van al die stukken geldt als hier ingevoegd.


1.7. Het hof heeft onmiddellijk na afloop van de pleidooien mondeling uitspraak gedaan.


2. Grieven

Voor de inhoud van de vijf grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.


3. Feiten


3.1. De president heeft in rechtsoverweging 1. van het vonnis onder a. tot en met m. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen.


3.2. Grief 1 richt zich met de klacht dat deze weergave onjuist en onvolledig is tegen hetgeen de president onder d. heeft overwogen en grief 2 bestrijdt de juistheid van de vaststelling onder e. Het hof zal van deze feiten niet uitgaan.


3.3. Door middel van grief 3 wordt in de eerste plaats de onder f. vermelde datum van 14 januari 1999 gecorrigeerd in 12 januari 1999. Arbeidsvoorziening is het met die correctie eens. In dit opzicht heeft de grief succes en zal het hof van deze datum uitgaan. Grief 3 klaagt er voorts over dat hetgeen onder f. is vastgesteld onvolledig is. Daarmee wordt de juistheid van die vaststelling niet bestreden. In zoverre faalt deze grief.


3.4. Met inachtneming van het vorenstaande zal ook het hof uitgaan van de feiten die de president onder a. tot en met c. en f. tot en met m. heeft vastgesteld.


4. Waar het in dit geding om gaat


4.1. In dit geding neemt het hof de volgende feiten tot uitgangspunt.

a. De met ingang van 1 januari 1991 tot publiekrechtelijke rechtspersoon verzelfstandigde Arbeidsvoorzieningsorganisatie, met als doel, kort gezegd, scholing en bemiddeling van werklozen, kent op landelijk niveau een Centraal Bestuur en op regionaal niveau Regionale Besturen. Met ingang van 1 januari 1997 bepalen deze Besturen landelijk, respectievelijk regionaal, de strategische beleidskeuzes en het toezicht op de uitvoering van dat beleid. De Algemene Directie te Zoetermeer heeft de dagelijkse leiding van de uitvoeringsorganisatie en de zorg voor het beheer en de bedrijfsvoering. De achttien, per regio aangestelde, Regionale Directeuren zijn hiërarchisch ondergeschikt aan de Algemene Directie. De Regionaal Directeur is ten aanzien van beheersmatige zaken rechtstreeks verantwoording schuldig aan de Algemene Directie.

b. Elshoff is sinds 1 januari 1997 voor onbepaalde tijd in dienst van Arbeidsvoorziening als Regionaal Directeur Zuidelijk Noord-Holland, met een salaris van f 200.000,-- bruto per jaar. Deze (grootste) regio telt ongeveer 1000 medewerkers en heeft een jaaromzet van circa f
200.000.000,--.

c. Ten gevolge van een auto-ongeval is Elshoff sinds juni 1998 wisselend volledig en gedeeltelijk arbeidsongeschikt. In ieder geval sinds januari 1999 tot op heden is Elshoff gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

d. Op 17 december 1997 heeft Troost met Elshoff een functioneringsgesprek gevoerd. In de brief van Troost aan Elshoff van
28 januari 1998 wordt daaromtrent onder meer opgemerkt:

"Verder gaf je aan dat er binnen de regio onder jouw leiding meer loyaliteit is opgebouwd naar Arbeidsvoorziening Nederland toe. Dat wordt door mij zeer op prijs gesteld.

(...)

Ten aanzien van jouw persoonlijk functioneren heb ik je feedback gegeven (...).

Verder dat je niet o verkort uitgaat van vertrouwen. (...). Verder heb ik je medegedeeld dat in overleg met jouw voorzitter is besloten jou een bonus te geven van f 17.500,--."

e. Op 10 november 1998 is afgesproken dat de Algemeen Directeur A. Troost (hierna: Troost) en Elshoff een bilateraal gesprek zullen houden om de vertrouwensbasis te (her)vinden. Het gebrek aan vertrouwen van de zijde van de Algemene Directie hangt samen met het veronderstelde bestaan van een `Republiek Amsterdam'.

f. Bij brief van 13 januari 1999 heeft Troost aan Elshoff onder meer doen weten:

"Nog steeds niet heeft u, in weerwil van hetgeen daarover is afgesproken, het EBP

(Electronisch Beleidsplan, Hof) 1999 van uw regio toegezonden.

Het EBP 1999, gebaseerd op de taakstellende begroting, had voor de kerst 1998 ingediend moeten zijn. De heer Swildens (Lid van de Algemene Directie, Hof) heeft u op 5 januari daarop aangesproken. (...) Op vrijdag 8 januari jl. heeft de heer Troost u nogmaals verzocht per ommegaande het EBP 1999, ondanks het feit dat daarop het consent van uw bestuur ontbrak, toe te zenden. Maandag 11 januari jl. hebben de heren Troost en Swildens u nogmaals op uw verantwoordelijkheden gewezen.

De Algemene Directie draagt, vanuit haar verantwoordelijkheid voor het beheer van de organisatie, u met deze brief opnieuw op het EBP 1999 onverwijld te doen toekomen. Enig uitstel kan niet meer worden toegestaan. Indien u deze opdracht opnieuw naast u neerlegt, overweegt de Algemene Directie nadere stappen. Met de voorzitter van het CBA (Centraal Bestuur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Hof) heeft de Algemene Directie inmiddels overleg gevoerd over de noodzaak tijdelijk een zaakwaarnemer, belast met het financiële dossier van uw organisatie aan te stellen."

Elshoff heeft aan deze opdracht voldaan.

g. Op 12 januari 1999, 2 februari 1999, 12 februari 1999 en 25 februari 1999 hebben tussen Troost en Elshoff gesprekken plaatsgevonden omtrent de verhouding tussen de Algemene Directie en de regionale organisatie in Amsterdam.

h. Bij brief van 9 april 1999 heeft Troost aan Elshoff onder meer geschreven:

"Hierbij wil ik graag het gesprek dat dhr. Swildens en ik op 9 april
1999 met u

gevoerd hebben nogmaals kort schriftelijk bevestigen.

Na een serie gesprekken met u over uw positie en functioneren binnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft de Algemene Directie uiteindelijk geconcludeerd dat er geen basis bestaat om met u als Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening Zuidelijk Noord-Holland verder te gaan.

Gezien de verstoorde verhoudingen wil de Algemene Directie de huidige situatie dan ook niet langer continueren.

De Algemene Directie heeft u derhalve meegedeeld de arbeidsovereenkomst met u te willen beëindigen, onder het aanbod om over de voorwaarden waaronder deze beëindiging kan plaatsvinden nader overleg te voeren.

U heeft aangegeven u op uw positie te willen beraden en mij nader te zullen berichten."

i. Op 12 april 1999 heeft Elshoff aan Troost doen weten dat zijn Regionaal Bestuur niet op de hoogte was van het hiervoor vermelde besluit van de Algemene Directie en dat, nu noch het Regionaal Bestuur, noch hijzelf kennis heeft kunnen nemen van de achtergronden van dit besluit, hem slechts rest "over te gaan tot de orde van de dag".

j. In de maand april 1999 hebben partijen omtrent het vorenstaande voornemen tot beëindiging - onder handhaving van hun tegengestelde standpunten - nog brieven gewisseld. In die discussie heeft zich ook het Regionaal Bestuur Zuidelijk Noord-Holland gemengd. De Algemene Directie stelde zich daarbij, samengevat, op het standpunt dat er in de loop van 1998 een dermate ernstige vertrouwenscrisis is ontstaan, dat een vruchtbare samenwerking met Elshoff niet meer mogelijk was en dat onverwijld stappen genomen dienden te worden, in het bijzonder vanwege het voortdurende gebrek aan loyaliteit tegenover de Algemene Directie. Het Regionaal Bestuur heeft unaniem zijn vertrouwen in Elshoff uitgesproken. Elshoff heeft te kennen gegeven niet bereid te zijn in te stemmen met beëindiging van de arbeidsovereenkomst en nog mogelijkheden te zien het vertrouwen te herstellen.

k. Op 5 mei 1999 heeft het, ieder kwartaal terugkerende, zogenaamde `monitorgesprek' tussen de Algemene Directie en Elshoff plaatsgevonden. Daarbij heeft Elshoff gerapporteerd over onder meer de financiële positie van de regio.

l. Op 11 mei 1999 heeft de accountant Beerepoot, die op verzoek van de Algemene Directie een onderzoek uitvoerde naar de volledigheid, juistheid en rechtmatigheid van de begrotingen 1999 van Arbeidsvoorziening, waaronder begrepen de 18 regionale begrotingen, en die als eerste onderzoek een dergelijk onderzoek binnen de regio Zuidelijk Noord-Holland heeft verricht, een concept-rapport aan de Algemene Directie aangeboden. Op 24 mei 1999 heeft hij dit onderzoek afgerond en ter zake gerapporteerd aan de Algemene Directie.

m. Bij brief van 14 mei 1999 heeft Troost aan Elshoff doen weten dat, nu een regeling in der minne niet mogelijk is gebleken, een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in gang wordt gezet.

Deze brief houdt voorts onder meer in:

"Intussen zijn sinds onze laatste bespreking van 16 april jl. zeer verontrustende

ontwikkelingen gebleken.

Ik doel hier op het volgende:


- u bent naar buiten getreden over het in uw regio komen tot een samenwerking met diensten van de gemeente Amsterdam, waarbij de regio Zuidelijk Zuid-

(naar het hof begrijpt: Noord-) Holland zou worden losgemaakt vanuit de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Terzake hebt u niet alleen elke informatieverstrekking aan het centraal bestuur of aan de algemene directie achterwege gelaten; u hebt eigen medewerkers hierover een zwijgplicht opgelegd;


- één van uw medewerkers heeft een hem in een ander verband opgelegde zwijgplicht naast zich neergelegd en mij medegedeeld dat u bij gelegenheid van de presentatie van de financiële resultaten d.d. 5 mei jl. aan de algemene directie een misleidende voorstelling van zaken hebt gegeven, zodat wij geen zicht kunnen verkrijgen op de financiële positie van de regio;


- onderzoek van het bureau Beerepoot heeft inmiddels een eerste concept- rapportage opgeleverd en de bevindingen bevestigen het vorenstaande.

Hiermede is geconstateerd dat u in zeer ernstige mate het in u te stellen vertrouwen aantast en eigen medewerkers in een gewetensconflict brengt door bij herhaling de loyaliteitsvraag centraal te stellen, kortweg Amsterdam of Zoetermeer, en reeds daarom binnen het bedrijf van Arbeidsvoorziening ernstige schade aanricht.

Ik zie mij om die reden, hoe onaangenaam ook en vooruitlopend op de ontslagprocedure, genoodzaakt u met ingang van maandag 17 mei a.s. te ontheffen van uw arbeidsplicht voor onbepaalde duur."

n. Namens Elshoff is op 19 mei 1999 aan Arbeidsvoorziening bericht dat Elshoff niet accepteert dat hij op non-actief wordt gesteld

o. In een brief van 21 mei 1999 van de raadsman van Arbeidsvoorziening aan de raadsman van Elshoff wordt een nadere toelichting gegeven op de "aangezegde non-activiteit". Daarin wordt (onder 3.) onder meer vermeld dat de in die brief (onder 2.) genoemde omstandigheden:

"van zodanig ernstige aard (zijn) en van directe invloed op geldstromen en op de mogelijkheden voor de eigen medewerkers (...) zich verantwoord uit te laten tegenover de Algemene Directie, waarbij de vigerende normen van de organisatie hun leidraad zijn en niet ad hoc hun opgelegde zwijgplicht door en vanwege de directeur, dat een schorsing (cursivering hof) gerechtvaardigd is
mede om de bijzonderheden die rondom de concrete voorvallen, tevens zijnde evenzovele aanwijzingen van ernstig mismanagement, nader te onderzoeken."

p. De bodemprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Elshoff is inmiddels aanhangig.


4.2. Elshoff heeft gevorderd dat Arbeidsvoorziening, telkens op verbeurte van een dwangsom, wordt bevolen:


1. de op-non-actiefstelling van Elshoff per 17 mei 1999 binnen 24 uur na betekening van de uitspraak op te heffen;


2. Elshoff toe te laten tot zijn normale werkzaamheden als Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorziening regio Zuidelijk Noord-Holland.


4.3. De president heeft deze vorderingen afgewezen. Daartegen komt Elshoff in dit hoger beroep op. De grieven lenen zich, voor zover nog aan de orde, voor gezamenlijke behandeling. Mede blijkens de toelichting, beogen zij het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.


5. Beoordeling


5.1. Blijkens de brief van 14 mei 1999 en de daarop in de stukken en bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep door Arbeidsvoorziening gegeven toelichting, hebben de verwijten die Arbeidsvoorziening aan Elshoff maakt, welke, tegen de achtergrond van het gebrek aan vertrouwen in Elshoff en het op 9 april 1999 uitgesproken voornemen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, in de visie van Arbeidsvoorziening non-activiteit (of schorsing) rechtvaardigden, in het bijzonder betrekking op de volgende drie punten.

(i) Het opleggen van een zwijgplicht aan werknemers in verband met het monitorgesprek van 5 mei 1999 en het daarbij verschaffen van verhullende en misleidende financiële rapportage, doordat een bedrag van circa f 2.000.000,--, dat minder werd doorbelast aan het Centrum Vakopleidingen in de regio Amsterdam, niet (op juiste wijze) in de cijfers was verwerkt. Deze verlaging van de inkoopprijs aan de zijde van het bemiddelingsbedrijf van de scholing bij het scholingsbedrijf is door Elshoff in de schriftelijke stukken ten behoeve van dat monitorgesprek bewust niet doorgevoerd;

(ii) Het nemen en geheimhouden van initiatieven binnen de regio Amsterdam tot het, tegen de uitdrukkelijke instructies van de Algemene Directie in, oprichten van een eigen reïntegratiebedrijf. Daartoe heeft Elshoff contacten gehad met de gemeente Amsterdam en is er contact geweest met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, terwijl de uitdrukkelijke instructie was gegeven dat met betrekking tot het beleid Structuur, Uitvoering, Werk en Inkomen (SUWI) alleen via de Algemene Directie en het Centraal Bestuur met het Ministerie contacten zouden worden onderhouden. In een managersvergadering van 9 maart 1999 heeft Elshoff zijn medewerkers opgedragen over de initiatieven tot samenwerking met de gemeente geen mededelingen te doen aan de Algemene Directie;

(iii) Het ten onrechte geen opening van zaken geven over en het zitting nemen in het bestuur van de (`oude' Stichting VTOC) Fokker Bedrijfsschool, waarvoor geen instemming van de Algemene Directie dan wel het Centraal Bestuur kon worden verondersteld en waarvoor ministeriële goedkeuring is vereist.


5.2. Elshoff heeft bestreden dat de aangevoerde gronden de door Arbeidsvoorziening getroffen maatregel van non-activiteit kunnen rechtvaardigen. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat hij door Arbeidsvoorziening niet is gehoord vóór de op-non-actiefstelling. In de tweede plaats heeft hij naar voren gebracht dat het accountantsrapport van Beerepoot niet juist is; niet alleen heeft de register-accountant van de regio over het boekjaar
1998 een goedkeurende verklaring afgegeven, maar ook blijkt uit de notities van de assistent-controller van de regio, dat van onregelmatigheden in de rapportages of van opzettelijke verhulling van financiële gegevens geen sprake is. In derde plaats heeft Elshoff erop gewezen dat zijn op-non-actiefstelling in de pers in één adem is besproken met de slechte financiële situatie bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, waardoor - mede gelet op het verwijt van verhullende financiële rapportages - de indruk wordt gewekt van enigerlei vorm van financiële malversatie of fraude, waarbij hij betrokken zou zijn. Daardoor is zijn goede naam geschaad.


5.3. Ten aanzien van de drie, hiervoor vermelde, door Arbeidsvoorziening aan Elshoff gemaakte kernverwijten heeft hij voorts het volgende betoogd.

Ad (i). Het bedrag van f 2.000.000,-- was door het Centraal Bestuur oorspronkelijk aan het regionale Centrum Vakopleiding doorbelast. Toen kort vóór het monitorgesprek op 5 mei 1999 bleek dat dit bedrag alsnog niet doorbelast zou worden, ontstond er ruimte in de begroting van het Centrum Vakopleiding. Aangezien de directeur van het Centrum voor 1999 nog vier miljoen gulden moest bezuinigen en in de bijeenkomst ter voorbereiding van het monitorgesprek de indruk bestond dat het Centraal Bestuur deze kostenbesparing toch weer ten laste van de regio's zou brengen, is er afgesproken het punt van deze f
2.000.000,-- niet in de monitorvergadering ter sprake te brengen, met welke beslissing alle teamleden het eens waren. Enige vorm van het opleggen van een zwijgplicht is niet aan de orde geweest.

Ad (ii). Elshoff heeft op geen enkele wijze initiatieven genomen voor samenwerking met de gemeente Amsterdam bij het oprichten van een reïntegratiebedrijf. Met betrekking tot de eventuele samenwerking met de gemeente Amsterdam bij het oprichten van een reïntegratiebedrijf bleken evenwel geruchten in omloop te zijn. Elshoff heeft een en ander onderzocht en van de conclusie dat het slechts niet geconcretiseerde geruchten waren melding gemaakt in de bedoelde vergadering van het management, met het verzoek over dit onderwerp terughoudend te zijn. Er was geen enkele noodzaak om van het vorenstaande aan de Algemene Directie melding te maken, juist omdat het slechts om geruchten bleek te gaan. Elshoff zelf heeft geen contact met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehad in verband met het zogenaamde G-86-contract (dat was zijn collega Kempen) en nadien is er verder geen inhoudelijk contact over dit onderwerp met het Ministerie geweest.

Ad (iii). Nadat in verband met de Fokker Bedrijfsschool was gepoogd een nieuwe stichting op te richten en dit geen doorgang kon vinden, van welke gang van zaken de Algemene Directie op de hoogte is gehouden, zijn Elshoff en Kempen als bestuursleden van de `oude' stichting gaan optreden. Dit was noodzakelijk om de financiële positie van de school adequaat te controleren en in de hand te houden. Elshoff is ervan uitgegaan dat over een en ander door de betrokken medewerkers contact is onderhouden met de Algemene Directie. Dusdoende is niet gehandeld in strijd met enige beleidslijn van de Algemene Directie.


5.4. De onderhavige maatregel van op-non-actiefstelling (of schorsing, zoals de maatregel door Arbeidsvoorziening ook wel is genoemd; zie rechtsoverweging 4.1. onder o.) heeft voor Elshoff een ingrijpend karakter. Dat wordt nog eens onderstreept door de wijze waarop, naar door Arbeidsvoorziening niet is bestreden, daaraan in de publiciteit aandacht is besteed (zie het citaat uit Vrij Nederland van 29 mei 1999 onder 5.5. in de pleitnota van mr. Vilé in eerste aanleg). In die publiciteit is in ieder geval enig verband gelegd met de ongunstige financiële positie van Arbeidsvoorziening en niet is uitgesloten dat daarin de suggestie wordt gelezen dat de op-non-actiefstelling van Elshoff te maken heeft met niet geoorloofd financieel handelen van Elshoff. In de onderhavige procedure heeft ook Arbeidsvoorziening herhaaldelijk de suggestie naar voren gebracht dat mogelijk nog zou blijken dat Elshoff op financieel gebied ontoelaatbaar heeft gehandeld; bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft Arbeidsvoorziening in verband met de gerechtvaardigdheid van de maatregel gesproken over een tot nu toe aan de Algemene Directie onbekende bankrekening van de regio Zuidelijk Noord-Holland waarop miljoenen guldens zouden zijn weggezet. Daarmee wordt, ondanks de bij diezelfde gelegenheid gegeven verzekering dat dit niet rechtstreeks aan de onderhavige maatregel ten grondslag ligt, een sfeer van malversatie en fraude opgeroepen. Daardoor heeft de maatregel een onmiskenbaar diffamerend karakter.


5.5. Tot deze op-non-actiefstelling mag Arbeidsvoorziening eerst overgaan, indien die maatregel noodzakelijk is, omdat de aanwezigheid van Elshoff op het werk aan de goede gang van zaken bij Arbeidsvoorziening grote schade zou toebrengen of wegens het bestaan van andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van Elshoff niet opwegen. Daarom moet worden onderzocht of van Arbeidsvoorziening op 14 mei 1999 in redelijkheid niet gevergd kon worden dat Elshoff nog langer op het werk werd geduld.


5.6. Omtrent elk van de drie kernverwijten die Arbeidsvoorziening aan Elshoff maakt is in dit kort geding niet voldoende aannemelijk gemaakt dat deze feitelijk juist zijn. Elshoff heeft de juistheid daarvan gemotiveerd bestreden en zijnerzijds ter verklaring van de diverse punten een lezing gegeven, waarvan de ondeugdelijkheid niet bij voorbaat aannemelijk is. Partijen verschillen dan ook over en weer van mening over de betekenis die aan handelingen en gedragingen van Elshoff moet worden gehecht, over de context waarbinnen deze zich hebben afgespeeld en over de ernst en schadelijkheid van de gevolgen van een en ander. Tegenover door de ene partij in het geding gebrachte verklaringen en bescheiden stelt de andere partij de hare. Dat geldt in het bijzonder ook voor de beweerdelijk door Elshoff aan werknemers opgelegde zwijgplicht; uit de door Arbeidsvoorziening ten bewijze daarvan overgelegde bescheiden (in het bijzonder het verslag van de bijeenkomst van 13 juli 1999, productie 2 van de zijde van Arbeidsvoorziening in hoger beroep) valt niet met voldoende duidelijkheid af te leiden dat Elshoff daadwerkelijk zo'n zwijgplicht heeft opgelegd. Zonder nader (getuigen)onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, kan omtrent de juistheid van deze verwijten niet met enigszins verantwoorde mate van zekerheid een oordeel worden geveld.


5.7. Maar ook indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat de gemaakte bezwaren hout snijden, valt vooralsnog niet aan te nemen dat de op-non-actiefstelling gerechtvaardigd is. Vaststaat dat het vertrouwen van de Algemene Directie in de wijze waarop Elshoff zijn taak vervulde, in het bijzonder in verband met het veronderstelde gebrek aan loyaliteit tegenover de centrale leiding, zozeer was afgenomen, dat aan Elshoff op 9 april 1999 was medegedeeld dat men de arbeidsovereenkomst met hem wenste te beëindigen. De aangevoerde kernbezwaren en hetgeen (overigens) in de brief van 14 mei 1999 is aangevoerd kunnen duidelijk maken dat - en zijn ook gepresenteerd als omstandigheden waardoor - het vertrouwen in Elshoff ernstig is aangetast, maar geven onvoldoende houvast om voorshands te kunnen oordelen dat het zodanig (nieuwe) ernstige en dringende bezwaren zijn, dat onverwijld ingrijpen was geboden. Het gaat daarbij ten aanzien van de besparing van f 2.000.000,-- om een gelaakte verwerking in de cijfers, die niet alleen, naar vaststaat, in het volgende kwartaal op de juiste wijze is geschied, maar waarvan Arbeidsvoorziening niet aannemelijk heeft gemaakt dat een onjuiste verwerking voor de Algemene Directie verborgen had kunnen blijven. Tegen die achtergrond is niet aannemelijk dat een eventueel opgelegde zwijgplicht de Algemene Directie daadwerkelijk had kunnen misleiden. De gelaakte handelwijze van Elshoff met betrekking tot het reïntegratiebedrijf en de Fokker Bedrijfsschool dateert in ieder geval niet van ná 9 april 1999 en roept, ook al zou deze eerst na die datum ter kennis zijn gekomen van de Algemene Directie, veeleer het beeld op van een afwijkend beleidsmatig handelen, over de toelaatbaarheid waarvan partijen (reeds) van mening verschilden, dan van zulke (andere) ernstige gedragingen, dat Elshoff niet langer op het werk kon worden geduld. Hetgeen Beerepoot heeft verklaard (productie F van de zijde van Arbeidsvoorziening in eerste aanleg) maakt dat niet anders; de omstandigheid dat bepaalde noodzakelijke ombuigingen door Elshoff niet zijn doorgevoerd kan berusten op een verschil van inzicht tussen hetgeen de Algemene Directie noodzakelijk oordeelt en hetgeen Elshoff en het Regionaal Bestuur beleidsmatig verantwoord achtten. Arbeidsvoorziening heeft, tegenover het gemotiveerde standpunt van die strekking van Elshoff, vooralsnog onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat vorengeschetst beeld onjuist is.


5.8. Daarbij komt dat de wijze waarop de gronden voor de op-non-actiefstelling in de brief van 14 mei 1999 zijn verwoord niet uitmunten door scherpte of specificatie en dat wordt niet anders als daarbij de toelichting in de brief van 21 mei 1999 wordt betrokken. Het is het hof eerst bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep duidelijk geworden waarin nu daadwerkelijk de hoofdbezwaren van Arbeidsvoorziening tegen toelating op het werk van Elshoff gelegen waren. Dat maakt het voor Elshoff niet gemakkelijker zich adequaat een indruk te vormen van de inhoud, ernst en overtuigingskracht van de aan hem gemaakte verwijten en hindert hem in de mogelijkheid zich tegen die bezwaren te verweren.


5.9. Het valt op dat Arbeidsvoorziening in de brief van 14 mei 1999 niet naar voren heeft gebracht dat Elshoff in verband met te verrichten nader onderzoek niet meer op het werk aanwezig mag zijn. Nadien is daarvan in de brief van 21 mei 1999 en in deze procedure door Arbeidsvoorziening wèl melding gemaakt en zulks, begrijpt het hof de stellingen Arbeidsvoorziening goed, toch vooral in een kader dat suggereert dat de maatregel mede noodzakelijk was in verband met onderzoek naar het financiële reilen en zeilen in de regio Amsterdam. Daargelaten of aan een beoordeling van dit beweerdelijk (mede) aan de maatregel ten grondslag gelegde motief kan worden toegekomen, in ieder geval heeft Arbeidsvoorziening tegenover de betwisting door Elshoff niet genoegzaam gemotiveerd duidelijk gemaakt dat Elshoff enig onderzoek en in het bijzonder een financieel onderzoek in de administratie (waarmee Beerepoot klaarblijkelijk reeds was begonnen vóór 14 mei 1999) realiter zou kunnen frustreren door zijn aanwezigheid op het werk. De daarvoor bij de pleidooien in hoger beroep genoemde reden, namelijk dat Elshoff dit onderzoek zou kunnen belemmeren door het opleggen van zwijgplichten aan werknemers, overtuigt niet.


5.10. Arbeidsvoorziening heeft meermalen, in de stukken en laatstelijk bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep, de suggestie gewekt dat ongeoorloofd financieel handelen van Elshoff aan de orde zou kunnen zijn (zie ook rechtsoverweging 5.4.). Elshoff heeft ten stelligste ontkend dat daarvan sprake is geweest. Deze suggestie ligt, naar Arbeidsvoorziening ook heeft erkend, niet aan de onderhavige maatregel ten grondslag. Het hof betrekt deze suggestie dan ook niet in de beoordeling van de geoorloofdheid van de maatregel.


5.11. Ten slotte is van belang dat Elshoff omtrent het voornemen van de Algemene Directie tot zijn op-non-actiefstelling niet is gehoord. Uit de aard en inhoud van de voor dat besluit gegeven argumenten in de brief van 14 mei 1999 of nadien kan - zonder nadere feiten en omstandigheden, welke Arbeidsvoorziening niet heeft gesteld en die ook niet aannemelijk zijn geworden - niet worden afgeleid dat Arbeidsvoorziening zich voor een zodanige situatie geplaatst zag, dat spoedshalve over de voorgenomen maatregel elk contact vooraf met Elshoff achterwege moest blijven. Arbeidsvoorziening heeft nog aangevoerd dat Elshoff in de gelegenheid is gesteld een onderhoud te hebben met Swildens van de Algemene Directie, maar dit kan niet als een serieuze en behoorlijke vorm van hoor en wederhoor gelden. Blijkens de brief van 14 mei 1999 (productie 10 van de zijde van Elshoff in eerste aanleg) hield Swildens zich immers alleen beschikbaar om het besluit toe te lichten en de praktische consequenties daarvan te bespreken.


5.12. Al het vorenstaande in beschouwing nemend is het hof bij afweging van de belangen van Arbeidsvoorziening en die van Elshoff van oordeel dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat Arbeidsvoorziening in redelijkheid Elshoff op 14 mei 1999 op non-actief heeft kunnen stellen.


5.13. Dit betekent dat de grieven slagen, voor zover zij het oordeel van de president bestrijden dat de op-non-actiefstelling gerechtvaardigd was. De vordering van Elshoff onder 1. ligt voor toewijzing gereed.


5.14. In verband met de aanhangige bodemprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ter voorkoming van escalatie in de verhouding tussen partijen en in verband met de noodzaak dat het hof nader wordt ingelicht omtrent de modaliteiten waaronder Elshoff zou moeten of kunnen worden toegelaten tot het werk, acht het hof het niet opportuun om de vordering van Elshoff onder 2. tot toelating tot het werk reeds thans toe te wijzen. De zaak zal dan ook tot de hieronder te vermelden nadere datum worden aangehouden.


6. Slotsom


6.1. De grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van Elshoff onder 1. zal worden toegewezen.


6.2. Opmerking verdient dat in het proces-verbaal van de zitting van
13 oktober 1999 abusievelijk (en in afwijking van hetgeen is gevorderd en is uitgesproken) is vermeld dat de opheffing dient in te gaan binnen vierentwintig uur na de datum van de uitspraak, in plaats van na betekening van dit arrest. In de onderstaande beslissing is dit op de juiste wijze weergegeven.


6.3. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.


7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

beveelt Arbeidsvoorziening binnen vierentwintig uur na betekening van dit arrest de ten processe bedoelde op-non-actiefstelling per 17 mei
1999 van Elshoff op te heffen, op verbeurte van een dwangsom van f
10.000,-- per dag, voor iedere dag dat Arbeidsvoorziening zal nalaten aan dit bevel te voldoen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 9 december 1999 voor uitlating datum voortzetting pleidooi, uitlating royement of anderszins;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schendel, Peeperkorn en Tjittes en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 1999.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie