Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen over begroting LNV 2000

Datum nieuwsfeit: 13-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
trcdep/ 1999/4237
datum
13-10-1999

onderwerp
Begroting LNV 2000 doorkiesnummer

bijlagen
1

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen die van de zijde van de Kamer zijn gesteld tijdens de eerste termijn van de behandeling van de begroting van LNV 2000 en waarop wij heden niet mondeling ingaan.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

G.H. Faber

up

datum
13-10-1999

kenmerk
trcdep/1999/4237

bijlage
Antwoordenset

Behandeling LNV-begroting 2000

antwoordenset schriftelijk

Vraag:
Resultaat conferentie Maastricht over multifunctionele landbouw? Toezending resultaat Maastricht?

Antwoord:
In de schriftelijke beantwoording ben ik reeds ingegaan op de conferentie in Maastricht. (vraag 50)
Ik kan toezeggen dat de Kamer zeer binnenkort het verslag zal worden toegezonden over Maastricht.

Vraag:
We dienen te beseffen dat een vitaal platteland zonder een vitale landbouw niet tot de mogelijkheden behoort. Vindt de minister dat eigenlijk ook?

Antwoord:
De land- en tuinbouw vormt ook in mijn ogen een van de essentiële dragers van een aantrekkelijk en gezond platteland. De staatssecretaris en ik zijn van plan uw Kamer begin volgend jaar een visienota aan te bieden waarin nader wordt geschetst hoe wij de perspectieven voor de agrosector in Nederland zien.

Vraag:
Niet helemaal helder is de uitwerking van de nieuwe belastingmaatregelen. Verschillende begrotingsbehandelingen lang hebben we aandacht gevraagd voor een goede terugsluizing van de ecotax. Graag hierover meer helderheid.

Antwoord:
In antwoord op vraag 178 heb ik vrij gedetailleerd aangegeven hoe de terugsluis is vormgegeven. Kortheidshalve verwijs ik daarnaar. Ik wil nog opmerken dat door lagere winstbelastingen de landbouw netto 30 mln aan de terugsluis overhoudt en dat de lastenstijging die voortvloeit uit de overheveling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen van het verlaagde naar het algemene BTW-tarief wordt teruggesluisd door middel van ondermeer een duurzame ondernemersaftrek, die met name van belang is voor de biologische landbouw.

Vraag:
De bestaande regeling voor flexibele afschrijfmogelijkheden voor milieurelevante investeringen (Vamil-regeling) kan worden uitgebreid en moet worden gekoppeld aan een totaalbedrijfsplan van een omschakelende boer.

Antwoord:
De Vamil-regeling, evenals de energie-investeringsaftrek en straks de milieu-investeringsaftrek, is bedoeld om investeringen in bedrijfsmiddelen met bepaalde kenmerken te faciliteren. Voor de Vamil en straks de milieu-investeringsaftrek is dat de mate waarin de investering een gewenst milieu-rendement sorteert. Voor de energie-investeringsaftrek is het energie-rendement van belang. Voor een goed leefmilieu zijn deze investeringen op zich zelf van belang, ongeacht of het gehele bedrijf op duurzame wijze wordt gevoerd. Hiervoor is dan ook geen totaal bedrijfsplan nodig. Bij de fiscale groenregeling gaat het om projecten, waarbij de bedrijfsvoering in veel gevallen wel van belang is. Op de Vamil-lijst zijn overigens alle relevante milieu-bedrijfsmiddelen opgenomen. Deze lijst wordt jaarlijks aangepast.

Vragen:
Zorgen heeft de VVD over de vergroening van het belastingsysteem. De minister wil de middelen die via de belasting (BTW) worden verkregen terugsluizen naar de ondernemers. De meeste boeren hebben hier niets aan. Aftrek van belasting is niet interessant omdat er geen of te weinig inkomsten zijn. Ik wijs hierbij naar de onlangs uitgekomen LEI-rapportage. 25 % van de boeren zit onder armoedegrens volgens dit onderzoek. Wil de minister zich sterk maken bij de minister van Financiën om er toch voor te zorgen dat dit geld weer bij de boer en tuinder terugkomt? Anders is hier sprake van een ordinaire lastenverhoging.

In situaties met een laag bedrijfsinkomen werken fiscale maatregelen als duurzame ondernemersaftrek en zelfstandigenaftrek die de regering voorstelt in de begroting niet meer. Waar geen of vrijwel geen bedrijfsinkomen meer is valt ook niets fiscaal af te trekken. Welke maatregelen kan de minister nemen waar de betreffende boeren wel wat aan hebben?

Antwoord:
In de schriftelijke beantwoording is aangegeven dat de lasten van de vergroeningsmaatregelen zoveel mogelijk generiek wordt teruggesluisd. Daarbij is ook aangegeven dat de landbouw bruto voor 100 % wordt gecompenseerd. Indien er rekening mee wordt gehouden dat minder winstbelasting hoeft te worden betaald, houdt de landbouw 30 mln. over. Voor boeren met een negatief of laag inkomen hebben generieke fiscale terugsluismaatregelen inderdaad minder effect. Bedacht dient echter te worden dat negatieve inkomens fiscaal kunnen worden gecompenseerd met positieve inkomens in de voorafgaande 3 jaar en met inkomens in de komende jaren (verliescompensatieregeling). Bij wisselende inkomens kan de zogenaamde middelingsregeling worden toegepast. Deze fiscale regelingen bewerkstelligen dat, behoudens in structurele verliessituaties, in het algemeen in voldoende mate van de terugsluismaatregelen kan worden geprofiteerd.

Vraag:
Tegelijkertijd moet de BTW op gangbare bestrijdingsmiddelen en kunstmest van 6 naar 17,5 % worden verhoogd. De zogeheten ecotax moet worden gebruikt om de belasting op arbeid te verlagen. Per saldo betekent dit steun voor de arbeidsintensieve biologische landbouw.

Antwoord:
In het Belastingplan 2000 is een voorstel opgenomen om meststoffen en bestrijdingsmiddelen per 1 januari 2000 over te hevelen van het verlaagde BTW-tarief van 6 % naar het algemene BTW-tarief van thans 17,5 %. In het Belastingplan 2000 is voorts een voorstel opgenomen om het zogenaamde arbeidskostenforfait te verhogen. Hierdoor wordt de belasting op arbeid lager.

Vraag:
Invoering 0% BTW-tarief voor biologische en diervriendelijke producten.

Antwoord:
Volgens de Europese regels moeten lidstaten een algemeen BTW-tarief hanteren van ten minste 15%. Daarnaast kunnen de lidstaten voor bepaalde goederen en diensten een of twee verlaagde BTW-tarieven hanteren. Het verlaagde tarief mag echter niet lager zijn dan 5%. Door Nederland worden tarieven van 17,5 en 6% gehanteerd. Een verlaging van het tarief tot nul procent is niet toegestaan. Voor veel van de door de heer Waalkes genoemde biologische en diervriendelijke producten geldt in Nederland overigens het verlaagde tarief van 6%.

Vraag:
De PvdA pleit hier nogmaals voor de invoering van agrarische bedrijventerreinen voor de intensieve veehouderij.

Antwoord:
Concentratie van varkens- en pluimveebedrijven op bedrijventerreinen kunnen inderdaad voordelen opleveren voor landschap en milieu. Daar staat tegenover dat het industriematige karakter van deze veehouderijsectoren wordt versterkt hetgeen maatschappelijke weerstanden kan oproepen. In eerste aanleg vind ik het een discussie die op niveau van provincies en gemeenten moet plaatsvinden, vooral in het kader van de ruimtelijke ordening. Natuurlijk ben ik graag bereid om een passende rol in die discussie te spelen, mede op basis van de beschikbare expertise binnen het ministerie.

Vraag:
Vooruitlopend op de voortzetting van het debat over het mestbeleid wil ik hier reeds gemeld hebben dat een verhoging van de fosfaat- en nitraatheffingen uit de plannen van de minister vooruitlopend op de evaluatie van Minas in 2000 mijn fractie al te voorbarig voorkomt. Om de juistheid van dit onderdeel van de plannen te kunnen waarderen wil mijn fractie in ieder geval gefundeerd kennis kunnen nemen van de realisatie van de normen door de 240 voorbeeldbedrijven en de interpretatie die de regering daaraan geeft?

Antwoord:

* Onlangs zijn nieuwe resultaten bekend geworden van het project praktijkcijfers.

* In vergelijking met de resultaten van 1997 zijn de mineralenverliezen licht gedaald in 1998.

* Het stikstofverlies was in 1998 gemiddeld voor alle bedrijven 197 kg/ha. Dat is 16 kg lager dan in 1997. Het gemiddelde fosfaatverlies daalde met 1,5 kg to 12,5 kg. fosfaat per ha.
* Eén op de vijf deelnemers voldoet op dit moment aan de eindnormen.
* Het blijkt dat allerlei bedrijfstypen reeds in staat zijn om aan de eindnormen te voldoen.

* Geconstateerd wordt in het project Praktijkcijfers dat niet de bedrijfsopzet maar de bedrijfsvoering de meest bepalende factor is voor het realiseren van lage mineralenverliezen. Kortom geconstateerd wordt dat de invloed van de boer groot is.
* De conclusie is dat het project Praktijkcijfers nog steeds laat zien dat nog veel mogelijk is. De resultaten geven vertrouwen voor de toekomst dat de voorgestelde aanscherping van de normen zoals voorgesteld in de brief van 10 september door het gros van de boeren kan worden gehaald.

* Het halen van de eindverliesnormen zal de nodige inspanningen vragen en in een aantal gevallen ook extra kosten met zich meebrengen.

* De verhoging van de fosfaat- en stikstofheffing is vooral bedoeld om er voor te zorgen dat deze inspanningen ook geleverd worden om de mineralenverliezen terug te dringen. Zonder verhoging van deze heffingen blijkt uit berekeningen van het LEI en het RIVM dat het economisch aantrekkelijk wordt om deze heffingen af te kopen. Daarvoor zijn deze heffingen niet bedoeld. Zij dienen prohibitief te zijn.

Vragen:
Het stankbeleid is niet wetenschappelijk onderbouwd? Onderzoeksresultaat te vaak 1 op 1 vertaald naar beleid. Te veel aannames in wetenschappelijk onderzoek?

Nog steeds geen wetenschappelijke onderbouwing van het stankbeleid sinds 1974.

Antwoord:

* Stankbeleid primair verantwoordelijkheid voor de Minister van VROM.

* Op dit moment wordt gewerkt aan een betere onderbouwing van het stankbeleid. Tot op heden was de kennis van stand en de verspreiding van geuren beperkt en vooral gebaseerd op ervaringskennis. Dit wordt nu verbeterd.

* Het komt inderdaad voor dat soms beleid ontwikkeld moet worden op basis van de op dat moment beschikbare en mogelijk beperkte kennis van een bepaald terrein. Stankbeleid is zo'n beleidsterrein.
* De ervaringskennis over stank is lange tijd voldoende geweest om tot redelijk goede en geaccepteerde afspraken te komen.
* De ontwikkelingen van de afgelopen tijd (uitspraken Raad van State stankrichtlijn) hebben hierin verandering gebracht. Daarom wordt nu hard gewerkt aan een betere wetenschappelijke onderbouwing van het stankbeleid om op basis daarvan tot betere maatschappelijke afspraken te komen.

* Op basis hiervan zal het huidige stankbeleid c.q. vaststelling van de stankcirkels worden aangepast.

* Overigens is de verwachting dat de huidige ervaringskennis en de wetenschappelijke benadering niet ver van elkaar liggen.

Vraag:
Bronmaatregelen nemen in plaats van stankcirkels vasthouden om de stankoverlast te verminderen?
Overgaan naar bronmaatregelen in plaats van de huidige stankcirkels.

Antwoord:
Stankbeleid primair verantwoordelijkheid van de minister van VROM.

Voor het verminderen van de stankoverlast zijn beide maatregelen nodig. Er dienen zowel maatregelen genomen te worden aan de bron middels bijvoorbeeld de bouw van emissie-arme stallen als worden vastgehouden aan stankcirkels om de overlast vooral naar woonbuurten binnen de perken te houden. Het is onmogelijk om de stankoverlast van bedrijven middels brongerichte maatregelen tot nul te reduceren. Stankcirkels blijven aldus nodig om te voorkomen dat bedrijven zich te dicht bij woonbuurten vestigen.

Vraag:
De fractie van D66 oordeelt positief over de quotumbeurs. Standpunt, radicaal stoppen met leasen, is onveranderd. Graag commentaar.

Antwoord:
In het licht van het versterken van de positie van actieve melkveehouders, de hoge quotumkosten en de ontwikkeling naar een grondgebonden melkveehouderij wil ik een melkquotumbeurs instellen en het leasen beperken. Ik ben geen voorstander van de radicale oplossing die de heer Ter Veer voorstelt. Het melkleasen is een wenselijk managementinstrument voor de melkveehouders om melkproductie en melkquotum op elkaar af te stemmen, daarom wil ik dat jaarlijks maximaal 10% van het quotum verleasd kan worden. Daarnaast acht ik vanuit sociale overwegingen het noodzakelijk dat melkveehouders gedurende een periode van twee jaar meer dan 10% kunnen verleasen.

Vraag:
Wil de minister, gezien de "schaduwkanten" van de glastuinbouw (landschappelijke aantasting, hoge energiegebruik, lichtvervuiling), in het kader van de 5e Nota RO met de minister van VROM een discussie voeren over de vraag hoeveel glas we in Nederland willen hebben en waar we die willen hebben, uitgaande van de ruimte die in de regio's in de huidige plannen is neergelegd? Hierbij moet uiteraard de koppeling worden gelegd met de lopende herstructureringsoperaties.

Antwoord:
Ja, daartoe ben ik bereid in het kader van 5e Nota en SGR2.

Vraag:
Is de Minister van LNV bereid regels te stellen t.a.v. de verlichting van kassen?

Antwoord:
Sinds de inwerkingtreding in 1996 van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer zijn er regels gesteld omtrent de toepassing van assimilatiebelichting. Gevels van kassen dienen op een zodanige wijze te zijn afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Voorts is in de periode van 1 september tot 1 mei de toepassing van assimilatiebelichting vanaf 20.00 tot 24.00 uur niet toegestaan. Dit betekent een aanzienlijke verbetering gedurende de meest kwetsbare periode van de avond en de nacht, waarin de invloed op het woon- en leefklimaat het grootst is.

Vraag:
Hoe staat het met de asbestkit in kassen?

Antwoord:
Momenteel voert TNO een onderzoek uit naar de risico's bij het slopen van kassen waarin asbesthoudende kit is verwerkt. Bij een aantoonbaar verwaarloosbare blootstelling aan asbest kan in principe ontheffing worden verleend voor één of meer veiligheidsvoorzieningen.
Het verlenen van ontheffing dient formeel te geschieden door het Ministerie van SZW.

Vraag:
Oppert de mogelijkheden voor combinatie van investeringen in de natuur én de saneringen die plaats moeten vinden: er dient goed onderzocht te worden hoe fiscale belemmeringen zoals bij beëindiging kunnen worden opgeheven.

Antwoord:
Zoals aangegeven in de schriftelijke beantwoording zullen maatregelen ter facilitering van bedrijfsverplaatsing en bij overschakeling naar andere bedrijfsactiviteiten zo veel mogelijk worden meegenomen in de tweede tranche van het ondernemerspakket 21e eeuw. Een apart wetsvoorstel ter zake zal zo mogelijk nog dit jaar bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Vraag:
Wat is de stand van zaken met de commissie die knelpunten rond de toelating van bestrijdingsmiddelen bespreekt? Wanneer kan de Kamer resultaten verwachten?

Antwoord:
Medio september hebben Minister Pronk en ik LTO Nederland, Nefyto/Agrodis, Stichting Natuur en Milieu en VEWIN verzocht binnen 2 à 3 weken een beperkte (5 à 7) lijst van onmisbare kanalisatiestoffen op te stellen.
Ik heb de indruk dat de vier betrokken organisaties constructief aan het werk zijn. Hoewel de termijn van drie weken voorbij is, heb ik positief gereageerd op een verzoek van de vier partijen om ze nog een week extra te geven. Dit evenwel onder de voorwaarde dat er dan een concreet resultaat moet liggen.
Ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over het besluit ten aanzien van een lijst met onmisbare kanalisatiestoffen en de te nemen vervolgstappen.

Vraag:
Suggestie om in het gewasbeschermingsbeleid de verkrijgbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen op recept mee te nemen. Wat is de reactie van de staatssecretaris?

Antwoord:
In het kader van het in voorbereiding zijnde gewasbeschermingsbeleid na 2000 onderzoek ik de mogelijkheden van een bredere inzet van receptuursystemen voor gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan met het receptuursysteem voor dichloorvos.

Vraag:
Een vraag over het gewasbeschermingsbeleid. Uit persberichten blijkt dat 50% van het middelengebruik bestaat uit huishoudmiddelen. Heeft de Regering daar inzicht in en gelden op dat punt ook zulke strenge regels als voor de landbouw?

Antwoord:
Net zoals voor gewasbeschermingsmiddelen geldt voor niet-landbouwbestrijdingsmiddelen dat zij moeten zijn toegelaten en moeten voldoen aan wettelijke milieu-eisen. In het nieuwe Gewasbeschermingsbeleid voor na 2000 zal hier nadrukkelijk aandacht aan worden besteed.

Vraag:
Waarom doet de Minister niets aan het bevorderen van export van biologische landbouw?

Antwoord:
Op dit moment vindt zowel import als export van biologische producten plaats. Voor de biologische landbouw liggen kansen voor de ontwikkeling van export naar ons omringende landen. Knelpunten in de export van biologische producten zijn mij echter niet bekend. In het kader van het Plan van Aanpak biologische landbouw is met name de ontwikkeling van de thuismarkt onder de aandacht gebracht, omdat hier sprake was van een achterblijvende ontwikkeling.

Vraag:
We zouden een areaaldoelstelling voor biologische landbouw moeten vaststellen. Doelstelling pas te realiseren als er voldoende consumentenvraag is. Hoe kan die gestimuleerd worden?

Antwoord:
Ambitie voor stimulering biologische landbouw is gericht op 10% in 2010. Belangrijke kanttekening hierbij is dat de marktontwikkeling sterk bepalend is voor het realiseren van deze doelstelling. Consumentenvraag is hiervan een onderdeel.
Middels algemene publieksvoorlichting is de bekendheid van het biologisch product de afgelopen jaren sterk vergroot. Het verder vergroten van de consumentenvraag wordt, gezien deze grote bekendheid met het biologisch product, steeds meer primair de taak van het bedrijfsleven.

Vraag:
Agrificatie, actiever beleid i.s.m. EZ vnl. toegevoegde waarde in de non-food sector, oliën, smeermiddelen.
Welk initiatief denkt de minister te nemen om juist in deze niet onbelangrijke sector van duurzame produktie tot kansrijke initiatieven te komen?

Antwoord:
De afgelopen jaren heeft LNV de non food toepassingen van landbouwgrondstoffen vooral gestimuleerd middels financiering van onderzoek. Mede door deze stimulans worden hoogwaardige toepassingsmogelijkheden ontwikkeld. LNV ondersteunt de ontwikkeling van toepassingen middels het onderzoeksprogramma 'doorbaaktechnologiën ten behoeve van de verwerking van duurzame agromaterialen voor de chemische industrie'.
Verder is onlangs opdracht gegeven tot een onderzoek naar de drempels die daadwerkelijk produktie en vermarkting van deze produkten belemmeren.
Daarnaast wordt met gelden vanuit de nota Milieu en Economie steun gegeven voor de ontwikkeling van toepassingen van agro-grondstoffen in verven en lijmen. Hiervoor is afgelopen zomer een tender van 1 mln. opengesteld in het kader van subsidie-regeling Demonstratieprojecten Markt- en Concurrentiekracht.

Vraag:
Wat is de stand van zaken rond het draaiboek Mond- en Klauwzeer?

Antwoord:
De ervaringen opgedaan bij de bestrijding van de varkenspest zijn vertaald naar noodzakelijke aanpassingen in de bestrijding van MKZ. Het betreft dan fundamentele wijzigingen in de schaal van en de aard van de in te zetten maatregelen. Een overlegronde en schriftelijke commentaarronde met het bedrijfsleven is afgerond. De volgende stap is afronding van de interne besluitvorming waarna het maatregelenpakket aan de Kamer zal worden aangeboden.
Maatregelen zullen technisch worden uitgewerkt in een draaiboek. Dit is reeds voor een groot deel afgerond omdat een aantal maatregelen overeenkomen met het bestrijdingspakket voor varkenspest. Met deze herziening van het draaiboek wordt een zeer grondige aanpassing van de aanpak MKZ nagestreefd.

Vraag:
Speciale aandacht voor exportsubsidies die verleend worden voor het vervoer van levende dieren. Hier wordt dierenleed gesubsidieerd. Is de Minister bereid de stop van deze exportsteun als eerste te overwegen?

Antwoord:
Het welzijn van dieren bij transport is een blijvende bron van zorg. Via (Europese) regelgeving wordt gepoogd daar verbetering in aan te brengen. Daar is de afgelopen tijd veel aandacht aan besteed en dat gaat de komende tijd door.
Specifieke regelgeving ter bevordering van het dierenwelzijn lijkt een betere manier om misstanden aan te pakken, dan via uitzonderingen bij het exportinstrumentarium.
Bij de Europese regelgeving voor de bescherming van het welzijn tijdens transport, is uitdrukkelijk opgenomen dat deze regels ook gelden als de dieren de EU verlaten.
Overigens worden geen restituties gegeven op slachtdieren, maar louter op fokdieren. Exporteurs hebben bij deze dieren zelf ook een groot belang bij een verantwoord vervoer.

Vraag:
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot het voedselveiligheidsbureau op EU-niveau? Wat is het kabinetsstandpunt in deze (gezien de andere berichten in het rapport 'De staat van de Europese Unie' van Buitenlandse Zaken)?

Welk standpunt neemt de Nederlandse regering in ten aanzien van de mogelijke vestiging van een nieuw EU-bureau voor de wetenschappelijke beoordeling en controle van de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen dan wel de uitbouw van het huidige voedselveiligheidsbureau in Dublin?

Antwoord:
Dinsdag 5 oktober heeft de voorzitter van de Europese Commissie, dhr. Prodi, in een toespraak voor het Europees parlement aangekondigd dat de Commissie voornemens is een Europees voedselveiligheidsbureau op te richten. Dit bureau zal overigens niet voor 2002 operationeel kunnen zijn. Nadere details omtrent de taken en verantwoordelijkheden van dit bureau zijn nog niet bekend en dienen nog gezamenlijke met Europees Parlement en Lidstaten te worden vastgesteld.

Het kabinet is van mening dat zo'n Europees voedselveiligheidsbureau een positieve bijdrage kan leveren aan het Europese Voedselveilgheidsbeleid en zal de nadere uitwerking van dit Commissie-initiatief positief kritisch tegemoet zien. Een Europees voedselveiligheidsbureau kan bewerkstelligen dat toelatingsprocedures meer onafhankelijk, uniform en sneller plaatsvinden. Tevens kan het bewerkstelligen dat er één Europese risico-afweging plaatsvindt bv. ten tijde van een crisis en dat er vervolgens één uniforme boodschap vanuit overheidswege wordt gecommuniceerd.
Of dit bijdraagt aan een toenemend vertrouwen van de consument in de voedselveiligheid is de vraag. Een Europees bureau zal meer op afstand staan van die consument. De verantwoordelijkheden van een Europees voedselveiligheidsbureau dienen te worden afgestemd op de politieke verantwoordelijkheden zoals die in de Europese Unie gelden. Dit betekent dat een Europees voedselveiligheidsbureau geen kopie dient te worden van een Amerikaanse FDA, niet alleen vanwege het verschil in politieke structuur tussen de EU en de VS, maar ook vanwege het feit dat de FDA zich slechts met een deel van de voedselketen bezighoudt (het niet-veterinaire deel).

Ten behoeve van de komende discussie over de invulling van een Europees voedselveiligheidsbureau zal het Kabinet in het voorjaar van 2000 een nader uitgewerkt standpunt aan de Tweede Kamer voorleggen.

Vraag:
Hoe staat het met de BST-hormoNenban in de EU?

Antwoord:
Het bestaande moratorium loopt het einde van dit jaar af. Ik ben voorstander van verlenging in verband met de druk die het gebruik van BST legt op de gezondheidstoestand en levensduur van melkkoeien.
De meeste EU-lidstaten delen dit standpunt.

Vraag:
Hoe is de situatie t.a.v. de import van SRM's uit de BRD?

Antwoord:
Hiervoor verwijs ik naar de brief van de Minister van VWS van 12 oktober jl.

Vraag:
De voedingsgewoonten van Nederlanders zijn slecht. Moet het Voedingscentrum ruimer in de financiële jas om haar grote taken uit te kunnen voeren?

Antwoord:
In september 1998 hebben Minister Borst en ik u de nota "Nederland: Goed gevoed?" toegestuurd. Deze nota ging expliciet in op de voedingsgewoonten van Nederlanders en de mogelijkheden om deze gewoonten te wijzigen. In de nota worden de belangrijkste doelgroepen gedefinieerd waarop de overheid zich dient te richten. In de nota is een actieprogramma opgenomen. De acties betreffen zowel nieuwe projecten als aanvullingen/wijzigingen van bestaande projecten. De uitvoering zal voor een deel lopen via de programma's van ZorgOnderzoek Nederland (ZON) en het Voedingscentrum. Ten aanzien van het Voedingscentrum zullen de activiteiten enerzijds via de jaarlijkse afstemming met VWS en LNV van het jaarplan worden vormgegeven en anderzijds via projectmatige financiering.
Overigens zal, in reactie op de aanbevelingen van het rapport Berenschot, de communicatie over voeding en in het bijzonder over voedselveiligheid meer aandacht krijgen. Daarover wordt u binnenkort nader geïnformeerd.

Vraag:
Wie, wat, wanneer met de Staatscommissie Biotechnologie. Graag zouden we de taakopdracht ruim zien. Dus niet alleen praten over maïs en soja, maar ook over gist en katoen.

Antwoord:
In de Integrale Beleidsnota Biotechnologie, die naar verwachting eind van dit jaar naar de Kamer zal worden gezonden, wordt u geïnformeerd of een commissie voor biotechnologie zal worden ingesteld, en zo ja, voor welke specifieke aandachtsgebieden van de biotechnologie. Daarbij kan worden gedacht aan een verdere invulling van kansen en risico's van biotechnologie voor de agrofoodsector. Van een beperking tot de toepassingen van genetische modificatie in soja en maïs is geen sprake. De aanpak zal vooral zijn gericht op toekomstige toepassingen en hun kansen en mogelijke beperkingen.

Vraag:
Wat is het antwoord van de staatssecretaris op de moties over het beheer en de rente-aspecten van het Diergezondheidsfonds?

Antwoord:
Hiervoor verwijs ik naar mijn brief over het diergezondheidsfonds van 8 oktober jl.

Vraag:
In de begroting is sprake van rentevergoeding over het saldo van het DGF, maar ook van rente inhouding over het debetsaldo. Graag toelichting!

Antwoord:
Het bedrijfsleven stort middelen in het DGF als voorzorg voor toekomtige ziekte-uitbreidingen. Het bedrijfsleven wenst dat deze middelen kunnen aangroeien door middel van rente. De redenering die hieraan ten grondslag ligt is dat deze aangroei ook op zou treden als het bedrijfsleven deze middelen zelf zou beleggen. In overleg met de minister van Financiën is dit verzoek gehonoreerd; uiteraard hoort daar dan ook bij dat rente in rekening wordt gebracht, als het bedrijfsleven een schuld heeft aan DGF.

Vraag:
Suggestie om beleid op velerlei terrein (glastuinbouw, gewasbescherming, melkveehouderij, EHS) gefaseerd aan te pakken in combinatie met verbreed ingezette Reconstructiewet.

Antwoord:
Het voorstel voor een Reconstructiewet kan niet als panacee voor alle problemen in heel Nederland gelden. Dit wetsvoorstel is mijns inziens terecht toegespitst op de zogenoemde concentratiegebieden intensieve veehouderij. Daar doet zich een bijzondere stapeling van problemen voor die gediend is met een integrale en planmatige aanpak. Elders in dit land kan met minder zware sturings en planningmechanismen worden volstaan. Overigens is natuurlijk de Landinrichtingswet inzetbaar voor inrichtingsvraagstukken.

Vraag:
Reconstructiewet verbreed inzetten. Een totaal plan met vertaalslag naar vitaal platteland.
Gemiste kans indien de minister niet de slag maakt met de Reconstructiewet, uitkoop van bedrijven binnen de EHS, nieuw ammoniak- en stankbeleid.

Antwoord:
In de Reconstructie moet een breed scala van doelen worden gerealiseerd: EHS, nitraatbeleid, tegengaan van verdroging, ammoniakbeleid, ontwikkeling van recreatie en toerisme, verhoging van de kwaliteit van het landschap en last but not least herstructurering van de (intensieve) veehouderij.
Dat moet leiden tot het gevraagde totaal-plan.
Echter, niet alles kan tegelijk worden uitgevoerd. Wij zullen daar bij de nodige fasering in moeten spelen op de dynamiek die in de agrarische sector zal ontstaan onder invloed van het nieuwe mestbeleid.
Provincies lopen daarop reeds vooruit door middel van het ontwikkelen van zgn. pilots en kansrijke projecten. In dat kader wordt getracht de Reconstructiedoelen te realiseren. De EHS maakt daarvan onderdeel uit.

Vraag:
Acht het kabinet de tijd rijp dat in het buitengebied steeds meer andere functies moeten kunnen worden gerealiseerd als die maar een relatie hebben met het publieke belang? Kiest de Minister deze lijn omdat er toch al zoveel boeren mee op moeten houden? Massale leegstand van agrarische gebouwen gecombineerd met allerlei nieuwe functies zullen het buitengebied tot een rommelzone maken. Hoe denkt de Minister de kwaliteit te waarborgen?

Antwoord:
Met de uitspraak dat het platteland steeds meer als publiek domein moet worden gezien, bedoel ik dat het platteland niet alleen van belang is als productieruimte voor de landbouw, maar ook in toenemende mate voor andere functies zoals natuur, recreatie en wonen. Ik vind het van belang om onder andere functies moeten kunnen worden gerealiseerd als die maar een relatie hebben met het publieke belang. Wel dat moet worden onderzocht of er, onder strikte voorwaarden, niet meer mogelijkheden zouden moeten worden geboden voor deze andere functies. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat per saldo aantoonbaar sprake moet zijn van een daadwerkelijke verbetering van de groene kwaliteit van het landelijk gebied. In het kader van de 5e Nota ruimtelijke ordening en de herziening van het structuurschema groene ruimte zal deze beleidslijn nader worden uitgewerkt. In dat kader zal ook nadrukkelijk worden nagegaan in hoeverre het mogelijk is om de gewenste kwaliteitsverbetering beter te borgen, zodat voorkomen wordt dat rommelzones ontstaan.

Vraag:
Hoe denkt de Stas te voorkomen dat Midden-Delfland, waar een Reconstructiewet expireert, door ongewenste ontwikkelingen wordt getroffen (kapitaalvernietiging).

Antwoord:
Voor nieuwe ontwikkelingen vormt de ruimtelijke ordening het af-wegingskader. In de vigerende ruimtelijke nota's van het Rijk, de VINEX en het Structuurschema Groene Ruimte, is dat afwegingskader op nationaal niveau aangegeven in de vorm van gebiedscategorieën en planologische beschermingsformules. Voorzover sprake is van een PKB-status, dienen zowel het Rijk als de andere overheden zich hieraan te houden.

Vraag:
Stemt in met advies van de VROM-raad: "Het platteland krijgt een breder sociaal-economisch draagvlak doordat nieuwe bewoners en ondernemers zich vestigen in bestaande woningen en bedrijfsgebouwen". Verwacht dat VROM dit overneemt in de "5e Nota Ruimtelijke Ordening", terwijl LNV juist op dit beleid bezuinigt. Is de Minister niet bevreesd dat VROM plattelandsbeleid overneemt van LNV?

Antwoord:
Het advies van de VROM-Raad waaruit de geachte afgevaardigde Geluk citeert is op gezamenlijk verzoek van mijn ambtgenoot van VROM en mij aan ons beiden uitgebracht. Wij zullen de Kamer in de vorm van een gezamenlijke reactie informeren over ons standpunt met betrekking tot zowel het advies van de VROM-Raad, als het interimadvies van de Raad voor het Landelijk Gebied over landelijke gebieden en de "5e Nota Ruimtelijke Ordening".
Overigens sta ik in beginsel positief tegenover het geciteerde advies.

Vraag:
Natuurgrondbank om aan meer geld te komen. Bij elk infrastructuurproject een percentage van de investering opzij leggen voor de natuur.
Wil de wet Voorkeursrecht Gemeenten uitbreiden. Ook voorrang bij aankopen voor natuur.

Antwoord:
In het begrotingsdebat vorig jaar is nadrukkelijk stilgestaan bij de gedachte van een Natuurgrondbank, zoals bepleit door Groenlinks. Ik zie geen meerwaarde in het idee van een natuurgrondbank. Immers, enerzijds als het gaat om een optimale financiëring van het aankoopbeleid hebben het Groenfonds. Als het gaat om het in portefeuille hebben van gronden wijs ik op het instrument van de ruilgronden zoals dit door de DLG al wordt ingezet om zo snel mogelijk natuurdoelen te realiseren.

Toepassing van het voorkeursrecht leidt op zichzelf niet tot een verhoging van het grondaanbod. Wel zal het aankoopbeleid ook onderdeel zijn van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Grondbeleid en zal de problematiek van de grondprijsstijging voor natuuraankopen ook in de Kabinetsnota inzake het grondbeleid aan de orde komen.

Vraag:
Is de Minister het met ons eens dat een sterk en coherent beleid moet worden ingezet bij de Rurale Ontwikkelings Plannen (ROP's)? Dit met inbegrip van de Landinrichtingsinstrumenten?

Antwoord:
Ik onderschrijf de stelling van de VVD dat een sterk en coherent beleid de basis vormt voor de Rurale Ontwikkelingsplannen. Landinrichtingsinstrumenten maken hier, zo zij de doelstelling van de ROP's dienen en binnen de Europese voorwaarden voor medefinanciering vallen, deel van uit.

Vraag:
Benadrukken dat in ROP's ook relevante natuur tot zijn (haar!) recht komt.

Antwoord:
Voor LNV vormen prioritaire maatregelen de herstructurering van de landbouw, natuur alsook het thema water. In de ROP's zal het natuurbeleid dan ook nadrukkelijk een plek krijgen, onder andere door de opname van het Programma Beheer in de ROP's.

Vraag:
Sterk en coherent beleid inzetten bij de ROP's. Dit met inbegrip van de landinrichtingsinstrumenten.

Antwoord:
Ik zet stevig in op de ROP's teneinde maximale medefinanciering van de EU te verkrijgen .
De ROP's zullen ook een algemeen kader aangeven voor de ontwikkeling van de diverse regio's.
In dit verband is moderne landinrichting noodzakelijk om de te realiseren doelstellingen te bereiken. Immers, met name het ruilmechanisme van landinrichting biedt goede mogelijkheden om de aangekochte gronden op de juiste plek te concentreren. Dit is nodig om bijv. aangesloten natuurgebieden tot stand te brengen.

Vraag:
Pleit in het algemeen voor een gebiedsgerichte benadering met meer mogelijkheden voor maatwerk.

Antwoord:
Ik ben het eens met het pleidooi voor maatwerk in het beleid voor het landelijk gebied. Daarmee kan recht worden gedaan aan de regionale verschillen, kan worden ingespeeld op regionale en lokale dynamiek en initiatieven en zal uiteindelijk het draagvlak voor het beleid kunnen vergroten.

Vraag:
Maatwerk en gebiedsgericht beleid met de inzet van de Landinrichtingswet noodzakelijk?

Antwoord:
Ja, juist de inzet van het vernieuwde instrumentarium van landinrichting kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. In het kader van de gebiedsgerichte aanpak kunnen juist heel goed de verschillende functies in het landelijke gebied tegen elkaar worden afgewogen.

Vraag:
Bestaande regelgeving op het terrein van de ruimtelijke ordening moet strikter worden nageleefd. Aan de bestaande versnippering van het landschap moet een halt worden toegeroepen.

Antwoord:
Dit is een belangrijk punt, dat volop onze aandacht krijgt. Van belang voor welslagen van beleid, zoals onder andere wordt voorbereid in het kader van NBL 21.
Speelt ook in het kader van de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een voorgenomen project van de Minister van VROM. Het vereist inspanning van alle betrokkenen, waaronder gemeenten.

Vraag:
Wordt er geld aan het landinrichtingsbudget onttrokken voor Groen In en Om de Steden (GIOS)?

Antwoord:
Neen. De middelen voor GIOS worden niet aan het landinrichtingsbudget onttrokken.
Niet alleen blijven de middelen in begrotingstechnische zin op het artikel landinrichting staan, maar tevens zullen de middelen in het kader van landinrichtingsprojecten tot besteding komen. Deze landinrichtingsprojecten bevatten onderdelen die bijdragen aan de doelstellingen van groen in en om de steden.
Het si het streven om op termijn - op instigatie van de provincies c.q. gemeenten - in toekomstige landinrichtingsprojecten meer aandacht te geven voor de kwaliteit en kwantiteit van het groen om de steden.

Vraag:
Akkoord met uitwerking naar provincies. Twee voorwaarden voor decentralisatie; monitoring en instrumentarium/geld. Graag integrale visie; sturing op doelen; ontschotten en ontpotten.

Antwoord:
Ik heb goed overleg met de provincies over deze aspecten. Thans discussie vooral ook in het kader van de EU kaderverordening plattelandsontwikkeling.
De laatste punten worden nog op de 'i' gezet.

Uitgangspunten:
1. Provincies hebben de regisseursrol voor de programmering van het gebiedsgerichte beleid.
2. Met bestuursovereenkomsten per landsdeel op hoofdlijnen worden afspraken gemaakt over de te realiseren doelen. Daarin ook plaats voor monitoring.
Ook de inzet van rijksmiddelen wordt hierbij bepaald. Deze bestuursafspraak zal in de plaats treden van het Interprovinciaal Meerjarenprogramma.
3. Voor de uitvoering van de EU kaderverordening plattelandsverordening zullen binnen dit kader speciaal per landsdeel afspraken gemaakt worden.
4. De provincies zijn voor de beleidsuitvoering in deze context verder vrij in het maken van keuzen.

De regelingen

1. Rijk (LNV) stelt subsidie-regelingen (gebiedsgerichte maatregelen) open op basis waarvan maatregelen die door de provincies zijn geprogrammeerd, kunnen worden uitgenut.
Dit betreft grotendeels bestaande regelingen. Voor gebiedsgericht beleid wordt gestreefd naar ontschotting en ontpotting. 2. Daarnaast bestaande rijks-subsidieregelingen die niet gebiedsgericht worden ingezet en geprogrammeerd, doch die mede passen in plattelandsontwikkeling, bijvoorbeeld biologische landbouw.

De uitvoering

Ten aanzien van de uitvoering geldt een strikt EU-regime voor co-financiering en steun en met strenge eisen waaraan voldaan dient te zijn.
Dat moet dus deugdelijk en klip en klaar worden geregeld. De Brusselse co-financiering voor de EU-kaderverordening plattelandsontwikkeling geschiedt vanuit EOGFL-Garantie en vindt plaats door zogenoemde EU-betaalorganen.
DLG/Laser zal het EU-betaalorgaan zijn.
Geen andere uitvoeringsorganisatie omdat volgens eis van Brussel het aantal betaalorganen strikt beperkt dient te zijn.

Over de besluitvorming over en betalingen van subsidies zullen bij protocol met de provincies en DLG/Lader sluitende afspraken worden gemaakt.
Dit stelt de provincies in staat hun regisserende rol te vervullen. Brusselse co-financiering kan ook worden verkregen vanuit de Europese structuurfondsen en communautaire initiatieven. Met de provincies wordt thans nog bezien of provinciale dan wel landelijke betalingsautoriteit kunnen worden ingeschakeld bij de uitvoering.
Hiertoe worden toetsingscriteria ontwikkeld waaraan de provincies dan dienen te voldoen gelet op eisen die Brussel ook hier stelt aan richtige besteding en verantwoording.

Vraag:
Nota's en plannen buitelen over elkaar heen. Zie ook het DI-akkoord. Goede instrumentatie draagt bij aan effectiviteit en draagvlak.

Antwoord:
Ik wil mij terughoudend opstellen bij het uitbrengen van allerlei nieuwe nota's, juist om problemen zoals bedoeld te voorkomen. Wel acht ik het blijvend noodzakelijk en ook gewenst over te gaan tot periodiek actualisatie van beleidsdocumenten en plannen. Dit geldt bijvoorbeeld het in voorbereiding zijnde SGR2 en NBL21. Ik zal daarbij zorgdragen voor een zo helder mogelijke instrumentatie teneinde de beleidseffectiviteit te vergroten. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de DI-afspraken. Daarmee is inmiddels in de praktijk de nodige ervaring opgedaan.
In het kader van de ROP's meen ik thans effectieve beleidsafspraken met de provincie te maken die voortbouwen op die afspraken, maar die tegelijkertijd meer aan de eisen des tijds voldoen, bijvoorbeeld op het punt van flexibiliteit en bestuurlijke samenwerking.

Vraag:
Leidraad vrijkomende agrarische bebouwing is vorig jaar door minister toegezegd.

Antwoord:
De leidraad is gebaseerd op het huidige beleid en wordt gehanteerd o.a. door de Inspecties RO van Vrom.
In de leidraad gaat het om het bieden van planologische ruimte waar dit mogelijk en nodig is deze voor andere vormen van bewoning of bedrijfsgebruik van het landelijk gebied ook in economische zin vitaal te houden.
Het behouden danwel versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied is voor mij hierbij tevens richtsnoer. In het kader van de Vijfde Nota R.O. en SGR2 zullen we het gewenste beleid nader moeten ontwikkelen en bepalen. De fungerende leidraad zal op basis daarvan worden herijkt wanneer daartoe aanleiding bestaat.

Vraag:
Oude schuren/woningen afbreken en de roodvolume elders op het platteland benutten?

Antwoord:
Op zichzelve interessante gedachte. Maar ook daarbij uitgangspunt moet blijven de kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Het gaat om de zogenaamde "kuubs voor kuubs"-benadering. Ik zal dit nader uitwerken in o.a. NBL21 en SGR2.

Vraag:
Brief natte natuur: hoe zit het met prioriteiten en tijdpad.

Antwoord:
Voor de periode tot en met 2002 zijn de prioriteiten in de brief aangegeven, die u rond het afgelopen weekend van mij hebt ontvangen. Voor de periode daarna (2003- 2010) wordt binnen het plafond van de herschikbare middelen aan een definitieve programmering gewerkt, samen met andere betrokken partijen. In de brief is wel per onderdeel (Ijsselmeer, Zuid Hollandse Delta, Noord Nederland en Herstel en Inrichting rijkswateren) aangegeven welke bedragen in deze periode beschikbaar zijn.

Vraag:
NB-wet -instrumentarium is op een laag pitje gezet en wordt niet onmiddellijk actief opgepakt. Met verwijzing naar argumenten van voormalige NB-raad juist krachtig inzetten.

Antwoord:
De aanwijzing van Vogelrichtlijn-, Wetland- en Habitatgebieden heeft op dit moment voorrang boven de aanwijzingen op grond van de Natuurbeschermingswet. Er is dus geen sprake van "op een laag pitje zetten" maar van een tijdelijke andere prioriteitstelling.

Vraag:
Reactie van de Staatssecretaris op de plannen voor de Veluwe en andere grote natuurgebieden en versnippering van de EHS? Zal zij soortenbeleid instensiveren? Aandacht hiervoor in NBL21?

Antwoord:
Het EHS-beleid is o.a. gericht op de totstandkoming van grote eenheden. Deze zijn mede van belang voor het soortenbeleid. Aandacht voor verbindingszones en soortenbeleid, alsmede het streven naar een nationaal Park de Veluwe passen daarin. Ook de positieve reacties op deze gedachte ondersteunen dit beleid. In NBL21 zal hieraan aandacht worden geschonken.

Vraag:
Wanneer is de landsdekkende kaart van de EHS gereed? Hoe is de kwaliteit van de EHS te garanderen? Welke rol voor het Rijk?

Antwoord:
De landsdekkende kaart van de kwaliteitsverdeling van de EHS is komend voorjaar gereed. Deze kaart en de bestuurlijke afspraken daarover met de provincies zijn mijns inziens een instrument om de kwaliteit van de EHS te garanderen. Het Rijk stuurt onder meer door goedkeuring te geven aan deze kaart. De Kamer zal in het voorjaar 2000 nader berichten.

Vraag:
Visie op de tussenstations van minimaal 500 ha.

Antwoord:
Deze gedachte zal bij NBL21 meegenomen worden.

Vraag:
vraag over de implementatie Habitat- en Vogelrichtlijn in verhouding tot de WRO.

Antwoord:
Deze materie zal aan de orde komen bij de parlementaire behandeling van de implementatie van de Vogelrichtlijn. Er is inmiddels ook extern advies gevraagd.

Vraag:
Goed overleg nodig over toepassing Vogelrichtlijn.

Antwoord:
Mevrouw Augusteijn verwees naar onze aanstaande reactie op de bezwaarschriften die zijn ingediend in verband met aanwijzing van gebieden onder de Nb-wet. Zij doelt waarschijnlijk op de inspraakreacties in het kader van de Vogelrichtlijn. Zoals ik heb toegezegd in een Algemeen Overleg met uw Kamer streef ik erna voor het kerstreces de concept aanwijzingsbeschikkingen voor vogelrichtlijngebieden aan de Kamer toe te sturen. Goed overleg met alle betrokken partijen is evident en zal dan ook enige tijd vergen.

Vraag:
Welke rol speelt het ministerie van LNV bij de ontwikkeling van de boscertificaten in het kader van het CO2beleid.

Antwoord:
De boscertificaten worden door LNV ontwikkeld in nauwe samenwerking met VROM en andere betrokkenen.

Vraag:
Waarom blijft het Regeringsstandpunt ten aanzien van de gasboringen uit?

Antwoord:
Het Kabinet zal binnen de wettelijke termijn voor de beoordeling van de vergunningsaanvraag een standpunt bepalen ten aanzien van de voorgenomen gasboringen in het Waddenzeegebied. Zodra een standpunt is ingenomen, zal het Kabinet hierover met de Kamer spreken.
Duidelijk is in ieder geval dat geen onomkeerbare besluiten zullen worden genomen in het kader van de vergunningverlening, voordat het Kabinet met de Kamer overleg heeft gevoerd.

Vraag:
Zouden de inkomsten uit de gasboringen in de Waddenzee niet gebruikt kunnen worden om om een extra natuurimpuls te financieren.

Antwoord:
Een principe-besluit over al of niet boren in de Waddenzee moet nog door het Kabinet genomen worden.
Afhankelijk van de uitkomst is een verdeling van extra inkomsten aan de orde. Nu dus (nog) niet.

Vraag:
Wil de Stas in overleg met VROM en Defensie over het verminderen van verstorende invloeden door militaire oefeningen zoals de Razende Bol.

Antwoord:
Militaire oefeningen in de Razende Bol.
In het kader van de voorbereiding van het nieuwe Structuurschema Militaire Terreinen worden momenteel de mogelijkheden verkend het aantal militaire terreinen te verminderen.
Militaire activiteiten in het Waddengebied zullen daarbij in de over- wegingen nadrukkelijk worden betrokken.
Overigens is de Razende Bol (ten zuiden van Texel) gelegen buiten het PKB-gebied van de Waddenzee.

Vraag:
Wat gaat de Stas doen aan infrastructurele problemen bij de realisatie van de EHS (n.a.v. de brief over de voortgang van de EHS)?

Antwoord:
De problemen van versnippering die rijzen bij het streven naar grote eenheden natuur in de EHS vragen om aandacht voor verbindingen. Dit onderwerp wordt in NBL21 meegenomen.

Vraag:
Aanwijzing van de EHS in de streekplannen is voor de zesde keer uitgesteld. Is de minister nu nooit eens boos?

Antwoord:
Zoals de Kamer weet, hecht ik aan een snelle afronding van de EHS. De begrenzing van de EHS is grotendeels afgerond. De provincies zijn in het kader van Programma Beheer bezig met het opstellen van natuurgebiedsplannen. Beide vormen van uitwerking van de EHS zullen doorwerken in de ruimtelijke ordening.

Vraag:
Als de burger het platteland in stand moet houden zoals het nu is dan eist deze, en terecht, daar ook een adequate beloning voor. Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Provinciale landschappen kunnen ook niet zonder de financiële impulsen die zij van staat en lidmaatschappen ontvangen. Hoe kijkt de staatssecretaris tegen deze zienswijze aan.

Antwoord:
Een beloning voor werkzaamheden om de kwaliteit van het landelijk gebied in stand te houden lijkt mij ook voor boeren gewenst. De regelingen programma beheer voorzien hierin. Uitgangspunt bij deze regelingen is gelijke-monnikken-gelijke-kappen-principe bij de beloning voor natuurbeheer.
Uitbreiding van de regelingen uit het Programma Beheer voor recreatie in met name het agrarisch gebied is in voorbereiding.

Vraag:
Kunnen met boeren, landgoedeigenaren en andere belanghebbenden bij het platteland de bestaande knelpunten in natuurontwikkeling eens geïnventariseerd en opgelost worden?

Antwoord:
De ontwikkeling en uitvoering van het natuurbeleid vindt plaats in dialoog met de provincies en andere belanghebbenden bij het platteland. Knelpunten worden in dat kader besproken en opgelost.

Vraag:
Agrarisch natuurbeheer in en buiten de EHS moet een volwaardige landbouwkundige functie worden binnen het boerenbedrijf. Hier speelt op de achtergrond steeds het probleem van de continuïteit. Hoe voorkom je dat, wanneer een boer ermee ophoudt, het beheer ook stopt. Wat is de visie van de Minister hierop?

Antwoord:
Indien er sprake is van een functieverandering van de landbouw naar natuur of bos, wordt deze functieverandering duurzaam vastgelegd. Een terugkeer naar de traditionele landbouw is dan niet meer mogelijk. Bij het stoppen van het beheer zal het betreffende terrein de natuurfunctie blijven behouden. Als onderdeel van EHS acht ik dit noodzakelijk. Buiten de EHS moet het subsidiesysteem aantrekkelijk genoeg zijn om als onderdeel van het boerenbedrijf te kunnen blijven functioneren. Langjarige overeenkomsten blijken onder andere voor agrariërs aantrekkelijk te zijn. Indien het beheer stopt acht ik het op voorhand niet onaanvaardbaar dat het terrein weer beschikbaar komt voor de traditionele landbouw. Indien het bos betreft is terugkeer naar de landbouw niet meer mogelijk omdat dan de Boswet van toepassing is. Het subsidiesysteem is naar mijn mening zodanig dat de verwoorde situatie zich nauwelijks zal gaan voordoen.

Vraag:
Waarom wordt steeds de wettelijke verankering van het compensatie beginsel vooruit geschoven?

Antwoord:
Ten behoeve van de besluitvorming over wettelijke verankering is het in de afgelopen periode noodzakelijk geoordeeld nog nader aanvullend onderzoek te doen verrichten, onder andere in samenhang met de eisen van de habitat-richtlijnen in samenhang met opgedane praktijkervaringen.
In het kader van NBL21 zal thans in samenhang met het overige instrumentarium definitief standpunt worden bepaald. Ik vind het belangrijk daarin een samenhangende visie te presenteren over de wijze waarop de natuur in de volgende decennia bescherming zal genieten. Het compensatiebeginsel maakt daar dan onlosmakelijk deel van uit.

Vraag:
Langer wachten maakt de grond duurder.
Bijvoorbeeld bij de Peelvenen, vooruitlopend op de Reconstructiewet. Kapitaalvernietiging. Wil criteria voor deze knelpunten.

Antwoord:
Vooruitlopend op de Reconstructiewet ontwikkelen de provincies zgn. pilots en kansrijke projecten. Daarvoor was en is ook budget beschikbaar.
Zodoende kunnen keuzen die zich voordoen nu al worden benut, naast het reguliere budget voor lopende aankoopprogramma's. Provincies ontwerpen primair de plannen met waterschappen en gemeenten en de maatschappelijke partners.
LNV speelt daar op in en stelt middelen beschikbaar. Ten aanzien van de Peelvenen beraad ik mij op de mogelijkheid om in deze bijzondere situatie op een verantwoorde manier tijdig te verwerven.

Vraag:
Slibdepot in Natte Hart/Markermeer (in strijd met visie Raad voor het Landelijk Gebied)

Antwoord:
Betekenis van Natte Hart is groot (ruimte, rust, natuur). Onderschrijf grotendeels visie Raad voor Landelijk Gebied.
Nut en noodzaak van groot slibdepot moet worden aangetoond. Kritische afweging is nodig.

Vraag:
Zijn er afspraken met de provincies over sturen nieuwe arrangementen m.b.t. regionale netwerken (de drie pilotgebieden)?

Antwoord:
Er zijn op dit moment nog geen afspraken met de provincies gemaakt. Tot nu toe zijn 5 aanvragen voor pilotgebieden ontvangen. Momenteel beraad ik mij op de te hanteren criteria zodat nog dit jaar in overeenstemming met de betrokken provincie de aanwijzing en de arrangementen van de pilotgebieden kunnen worden vastgesteld.

Vraag:
Beter in kaart brengen van de mogelijke risico's voor veeziektes door de nieuwe natuur?

Antwoord:
Zoals eerder aan de Kamer bericht zal er onderzoek plaatsvinden naar de verspreidingsrisico's van dierziekten vanuit natuurterreinen. Dit onderzoek is inmiddels gestart. Zodra de resultaten van dit onderzoek beschikbaar zijn, zullen de resultaten hiervan aan de Kamer medegedeeld worden.

Vraag:
Is de 4 mln gulden voor soortenbeleid nu weer uit de begroting verdwenen of toch niet?

Antwoord:
Er is in 2000 een bedrag van f. 4,1 mln beschikbaar voor soortenbeleid.
Dit is te vinden op pag. 110 van de begroting.
Ook de volgende jaren zal dit bedrag beschikbaar zijn; daar behoeft niet weer om te worden gevraagd.

Vraag:
Hoe gaan minister en staatssecretaris het NATTE HART beschermen? (n.a.v. onder meer een plan voor de aanleg van een baggerdepot).

Antwoord:
Voornemens als deze worden getoetst aan Vogelrichtlijn en EHS, gebruik makend van het afwegingskader van het structuurschema Groene Ruimte. In die afweging wordt betrokken of er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang.

Vraag:
Bij het ontwerp van nieuwe wijken zou meer rekening met natuur en waterbeheer moeten worden gehouden. Hoe denkt de Stas dit te bevorderen.

Antwoord:
In de Nota Waterhuishouding is het water in de stad als afzonderlijk thema aan de orde gesteld. Gemeenten en waterschappen hebben een belangrijke eigen verantwoordelijkheid om het gemeentelijk waterbeheer steviger in de planvorming te verankeren. Het in samenhang daarmee benutten en ontwikkelen van kansen voor natuur maakt hier onderdeel vanuit. Via het stimuleren van duurzaam bouwen wordt bovenstaande door het Rijk bevorderd.

Vraag:
Moeten we spreken over natuurbeleid of over behoud en uitbreiding van cultuurlandschappen?
Nederland is te klein om natuur ongebreideld haar gang te laten gaan.

Antwoord:
Het beeld van de natuur die in Nederland ongebreideld haar gang kan gaan spoort niet met de realiteit. Slechts in beperkte mate zal die situatie in Nederland zich kunnen voordoen. Mede gelet op bovenstaande is het absolute onderscheid tussen natuurbeleid en het beleid ten aanzien van cultuurlandschappen minder relevant.

Vraag:
Is de Regering bereid de gevolgen van nieuwe natuur voor de volksgezondheid beter in kaart te brengen?

Antwoord:
Risico's als hier geschetst zijn voor nieuwe natuur niet anders dan voor bestaande natuur.
Op grond van de ons beschikbare gegevens hebben we geen indicaties dat sprake is van niet aanvaardbare risico's.

Vraag:
Hoe ziet de Stas het dilemma uitbreiden vossenstand door het jachtverbod en het weidevogelbelang?

Antwoord:
De Flora- en Faunawet is slechts op onderdelen in werking. De vos is nog steeds bejaagbaar. Er is derhalve nog geen sprake van een jachtverbod. In geval van een toekomstig verbod kan een ontheffing van afschot worden verleend bij schade aan flora en fauna.

Vraag:
Tot slot enkele opmerkingen over de bedreigde uitheemse plant- en diersoorten; mijn fractie heeft bij het algemeen overleg over de uitvoering van de wet aangedrongen op meer inzicht in de werkzaamheden en resultaten van de AID en op nadere informatie over de werkwijze. Deze wens werd ook door de andere fracties gesteund. Sindsdien is niets meer vernomen. Mijn fractie wil op zeer korte termijn ingelicht worden over de laatste ontwikkelingen en een gesprek met de uitvoerders en wil dat nu van de staatssecretaris bevestigd krijgen.

Antwoord:
Op dit moment werkt de Stuurgroep Cites, waarin Openbaar Ministerie, politie, CRI en AID samenwerken, aan een afsluitende rapportage waarin de resultaten van dit project worden weergegeven. Deze rapportage, die medio november beschikbaar komt, vormt een belangrijke bouwsteen voor de periodieke voortgangsrapportage over de handhaving van de Wet BUDEP, die ik u kort daarna mede namens de Minister van Justitie wil doen toekomen. In aansluiting op deze rapportage zou een overleg kunnen plaatsvinden. Daarbij is het dan mogelijk om u nader inzicht te geven in de laatste ontwikkelingen in verband met de handhaving van de Wet BUDEP. Uiteraard moet ik hierbij een voorbehoud maken voor strafrechtelijke zaken die nog onder de rechter zijn.

Vraag:
Vraagtekens, voorzitter, zet ik bij het beleid rond de RVV en Buro Heffingen. Deze diensten maken zware tijden door en kampen met achter- stallig onderhoud. Een groot en vooral duur herstelprogramma is nu in gang gezet bij de RVV. Over deze forse financiële injectie maken wij ons zorgen. Met de vele klachten over Buro Heffingen is tot nu toe niets gedaan. Terwijl het hoog tijd is om meer transparantie te krijgen in de bedrijfsvoering van Buro Heffingen.

Antwoord:
De RVV maakt een grote kwaliteitsslag op basis van een degelijk ondernemingsplan. Doel is van de RVV een slagvaardige organisatie te maken, die op efficiënte en doeltreffende wijze uitvoering kan geven aan de keuringsactiviteiten. Zo'n operatie vergt een forse investering.
Ik vind het van groot belang dat de RVV eigentijds wordt toegerust om er op toe te zien dat vee en vlees volgens de normen geproduceerd en verwerkt wordt. Overigens wijs ik erop dat de RVV kostendekkende prijzen in rekening zal moeten gaan brengen.
Voor wat betreft Bureau heffingen hecht ik er aan het volgende te benadrukken: Het Bureau staat in de frontline van de uitvoering van het zeer complexe, voortdurend aan verandering onderhevig zijnde mest- en ammoniakbeleid. Dit mag niet uit het oog worden verloren. Er wordt serieus aandacht besteed aan klachten die bij Bureau Heffingen binnenkomen. Mij is niets gebleken van structurele problemen bij Bureau Heffingen.

Vraag:
Klinkt in Seattle bij start WTO-onderhandelingen in het Nederlandse standpunt de FAO-zorg over permanente honger voldoende door?

Antwoord:
Honger is in de eerste plaats een armoede vraagstuk. Oplossing ervan hangt dus samen met duurzame economische ontwikkeling wereldwijd. Liberalisatie levert daaraan een bijdrage, maar uiteraard zal ook in het nationale beleid van ontwikkelingslanden de nodige aandacht voor armoede- en hongerbestrijding moeten zijn.

Vraag:
Een grote omschakeling voor diverse sectoren staat voor de deur. We zullen moeten overgaan op duurzame productiemethoden. Met een hogere toegevoegde waarde. De VVD vindt dat beter ingezet kan worden op geïntegreerde teelt, gecontroleerde teelt. Wij vinden dat het begrip duurzaam veel verder uitgestrekt moet worden naar bijvoorbeeld ook de zorg voor de woon- en werkomgeving. Hiermee kan dan toch ook invulling gegeven worden aan cross-compliance?
Als je dit doet, kom je automatisch tot de conclusie dat de beoogde bezuinigingen bij het stimuleringskader hiermee kunnen worden afgedekt.

Antwoord:
Het streven van de VVD naar duurzame productiemethoden ondersteun ik van harte. De heer Geluk wil dat het begrip duurzaam een betere invulling krijgt inclusief de zorg voor woon- en werkomgeving en vraagt of cross-compliance het stellen van natuur- en milieuvoorwaarden aan rechtstreekse betalingen aan agrariërs inhoudt. De voorwaarden moeten betrekking hebben op de productiewijze van het betreffende product. Bij het niet naleven van de voorwaarden wordt steun ingehouden.
Mijn streven is om met het stellen van cross-compliance voorwaarden duurzame agrarische productie te bevorderen. De bedoeling is dat verreweg het grootste deel van de betrokken agrariërs zich aanpassen en aan de gestelde milieuvoorwaarden gaan voldoen. Zij komen dan in aanmerking voor volledige inkomenstoeslagen. Ik wil de cross-compliance voorwaarden de komende jaren volgens een groeipad uitbreiden. Ik ben het eens met de heer Geluk waar het gaat om de relatie Stimuleringskader en cross-compliance: beiden stimuleren op hun eigen wijze ondernemers richting duurzaamheid.

Vraag:
Indruk juist dat Tsjechië en Hongarije w.b. landbouw ongeveer klaar zijn om toe te treden tot EU?

Antwoord:
Inderdaad zal voor Tsjechië en Hongarije de landbouwsector niet een groot knelpunt vormen voor toetreding. Dit in tegenstelling tot b.v. Polen waar dit naar verwachting wèl het geval zal zijn. Overigens moet ook voor Tsjechië en Hongarije nog het nodige gebeuren om daadwerkelijk het zgn. acquis communautaire op o.a. veterinair gebied te kunne toepassen.

Vraag:
Steeds meer bereiken ons berichten dat bedrijven wensen uit te wijken naar het buitenland vanwege de ver doorgevoerde regelgeving in de primaire sector (..). De VVD-fractie vraagt de Minister en Staatssecretaris rekening te houden met de geliberaliseerde markt en meer te richten op Europese regelgeving. Level-playingfield geeft dan ook gelijke kansen, waardoor concurrentiekracht en veerkracht maximaal kunnen worden benut.

Antwoord:
Vanzelfsprekend speelt bij het invoeren van nieuwe normen steeds de vraag naar de consequenties daarvan voor de Europese en internationale concurrentieverhoudingen, een belangrijke rol. Ik houd daarmee ook terdege rekening en streef er daarom naar om, indien mogelijk, in Europees verband te komen tot de stappen die naar onze mening noodzakelijk zijn.
Het kan echter niet zo zijn dat de slechtste leerling van de klas het tempo bepaalt. Bovendien moeten wij rekening houden met de toetreding van "nieuwe producenten" op de markt, waardoor het niet mogelijk zal zijn om op ieder vlak onze huidige concurrentiepositie te behouden. Wij zullen dus continu moeten nadenken over onze mogelijkheden om de markt de producten te kunnen bieden waarom gevraagd wordt, geproduceerd op de maatschappelijke verantwoorde wijze waarom óók gevraagd wordt.

Vraag:
Op het moment van aanvaarding van internationale richtlijnen moet er inzicht zijn in de consequenties van deze richtlijnen, en niet 7 à 8 jaar later.

Antwoord:
Bij vaststelling van onder andere Europese richtlijnen zijn de consequenties van deze richtlijnen uiteraard altijd in beeld gebracht. Natuurlijk wel naar het beste inzicht op dat moment. Dit heeft op deze wijze plaatsgevonden bij de vaststelling van de Vogelrichtlijn in 1979 en de Habitatrichtlijn in 1992.


reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie