Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Arrest zaak Platform Vliegoverlast v.s. gemeente Amsterdam

Datum nieuwsfeit: 14-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


14 oktober 1999

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

De vereniging

VERENIGING PLATFORM VLIEGOVERLAST AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

procureur: mr. E. Pasman,

t e g e n


1. De GEMEENTE AMSTERDAM,

waarvan de zetel is gevestigd te Amsterdam,

procureur: mr. W.D.T.D. Wiarda,


2. De naamloze vennootschap

N.V. LUCHTHAVEN SCHIPHOL,

gevestigd te Schiphol-Centrum, gemeente Haarlemmermeer,

procureur: mr. G.W. Kernkamp,


3. Het zelfstandig bestuursorgaan

LUCHTVERKEERSBEVEILIGING AIR TRAFFIC CONTROL

THE NETHERLANDS,

gevestigd te Schiphol-Oost, gemeente Haarlemmermeer,

procureur: mr. M.R. de Zwaan,

GEÏNTIMEERDEN

en


4. De naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

TUSSENKOMENDE PARTIJ,

procureur: mr. B.J.H. Crans.


1. Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1. Appellante wordt hierna het Platform genoemd, geïntimeerden worden hierna aangeduid respectievelijk als de Gemeente, Schiphol en LVB en de tussenkomende partij wordt KLM genoemd.


1.2. Bij exploit van 31 maart 1999 is het Platform in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de
arrondissementsrechtbank te Amsterdam, dat onder rolnummer KG 99/540 G is gewezen tussen het Platform als eiseres en de Gemeente, Schiphol en LVB als gedaagden en KLM als tussenkomende partij en is uitgesproken op 18 maart 1999. De appeldagvaarding bevat de grieven.


1.3. Bij memorie van grieven, met producties, heeft het Platform, naar het hof begrijpt overeenkomstig de appeldagvaarding, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot toewijzing van de oorspronkelijke vorderingen, met veroordeling van de Gemeente, Schiphol, LVB en KLM in de kosten van beide instanties.


1.4. Bij onderscheiden memories van antwoord hebben de Gemeente, Schiphol, LVB en KLM telkens de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van het Platform in de kosten van het geding in hoger beroep. Van de zijde van Schiphol is daarbij een productie in het geding gebracht.


1.5. Alle partijen hebben vervolgens ter terechtzitting van het hof van 17 september 1999 haar standpunten doen bepleiten, mede aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities. Voor het Platform, de Gemeente en LVB is gepleit door hun procureur, voor Schiphol door mr. Th. J. Douma, advocaat te Haarlem en voor KLM door mr. N.A.J. Bel, advocaat te 's-Gravenhage. Aan de pleitnotie van de procureur van het Platform is een productie gehecht.


1.6. De partijen hebben ten slotte de stukken, waaronder die van de eerste aanleg, aan het hof overgelegd voor arrest. De inhoud van deze stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.


2. Grieven

Voor de inhoud van de vijf grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.


3. Feiten


3.1. De president heeft in rechtsoverweging 1. van het vonnis onder a. tot en met e. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangemerkt. Tegen die vaststelling richten de grieven zich niet, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.


3.2. Uit hetgeen (overigens) door partijen over en weer is gesteld en niet of niet voldoende gemotiveerd is betwist, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van overgelegde bescheiden, kan in dit geding van het volgende worden uitgegaan.

a. Het Platform, welke vereniging op 22 oktober 1997 is opgericht, heeft blijkens de Statuten ten doel "het aantal vliegbewegingen boven de gemeente Amsterdam en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, stank en gevaar voor bewoners, zoveel mogelijk te beperken en al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn".

b. Mede naar aanleiding van de tijdelijke sluiting van de zogenoemde Buitenveldertbaan en het daarmee gepaard gaande intensievere gebruik van in het bijzonder baan 22 van het luchthaventerrein Schiphol hebben de Gemeente, Schiphol en (de rechtsvoorganger van) LVB in april 1994 een Letter of Intent ondertekend met betrekking tot het gebruik voor landingen door vliegtuigen van baan 22 (Schiphol-Oost-baan) en baan 24 (Kaagbaan). Het gaat daarbij uitsluitend om het gebruik van deze banen voor zogenoemde rechte naderingen, landingen op baan 22 en baan 24 vanuit het noord-oosten, waarbij de nadering plaatsvindt over de binnenstad en de stadsdelen Oud-West en Zuid van Amsterdam.

c. De `Letter of Intent inzake Gebruik Baan 22/24 met naderingen over Amsterdam-Centrum' (productie 2 van de zijde van het Platform in eerste aanleg) houdt het volgende in:

"I. De gemeente Amsterdam,

II. de N.V. Luchthaven Schiphol

en

III. De Luchtverkeersbeveiliging (LVB)

zijn met betrekking tot het gebruik van baan 22/24 een aantal afspraken overeengekomen met betrekking tot de aanvliegroutes over Amsterdam-Binnenstad. De afspraken hierover luiden als volgt:


1) In alle gevallen waar in deze "Letter of intent" wordt gesproken over baangebruik 22/24 wordt bedoeld het naderen van bovengenoemde banen over de binnenstad van Amsterdam. Basisprincipe is het streven om het gebruik van de naderingsroute naar baan 22/24 over de binnenstad van Amsterdam te beperken tot het historisch baangebruik (ca. 1%), dat wil zeggen vergelijkbaar met de situatie in het verleden, voordat de Buitenveldertbaan buiten gebruik ging (de zgn. "normale condities"). Het gebruik van baan 24 volgens de zgn. "Pampus approach" valt buiten deze regeling.

Dit basisprincipe is uitgangspunt voor de onderstaande, nadere, voorwaarden.


2) Het straight-in gebruik van de 22/24 als tweede landingsbaan heeft onder normale condities de laagste preferentie.


3) Voor de vaststelling van de zoneringscontour (tot 2003) wordt gerekend met een jaarlijks gebruikspercentage van 2%. Dit percentage is het absolute maximum: een grens die onder geen enkele omstandigheid overschreden kan worden. (Dit betekent dus een veiligheidsmarge van
100% bovenop het "normale" gebruik).


4) Het baangebruikpercentage, zoals bedoeld onder 1), mag overschreden worden onder de navolgende voorwaarden:

a. bij omvangrijke (- niet normaal onderhoud - niet jaarlijks onderhoud) onderhoudswerkzaamheden aan een van de andere banen;

b. bij incidentele redenen, maar alleen wanneer dit in één van de volgende jaren wordt verrekend.


5) Zonder nadere afspraken zal het gebruik van baan 22/24 beperkt blijven tot dagvluchten tussen 07.00 - 21.00 uur.


6) Onder "normale condities" (zie art. 1) zullen er over de binnenstad van Amsterdam geen naderingen plaatsvinden met vliegtuigen vanaf kategorie VI.


7) Ter verbetering van de hoogtegeleiding zal baan 22 worden uitgerust voor precisie- instrumentnaderingen.


8) Bovengenoemde afspraken/randvoorwaarden met betrekking tot het gebruik 22/24 zullen worden vastgelegd in de geluidzone voor het
4-banenstelsel.


9) De handhaving met betrekking tot het dagelijks gebruik van baan
22/24 geschiedt op basis van het preferentieel baangebruiksysteem, waarin deze nadering de laagste preferentie heeft.

Handhaving met betrekking tot het jaarlijks gebruik vindt plaats op basis van de vastgestelde geluidzone voor het 4-banenstelsel (zie artikel 3) en door het Gebruiksplan van de NVLS.


10) Bovengenoemde afspraken/voorwaarden met betrekking tot het baangebruik 22/24 worden beschouwd als harde bilaterale afspraken tussen de gemeente Amsterdam en de NVLS en de LVB.


11) Bovengenoemde regeling gaat in zodra baan 09-27 weer als volledige landingsbaan in gebruik is."

d. De in de Letter of Intent bedoelde norm van 1% is regelmatig overschreden. De compensatie als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b. van de Letter of Intent heeft (nog) niet plaatsgevonden. Ook de in de Letter of Intent bedoelde norm van 2% is in 1996, 1997 en 1998 overschreden; zo bedroeg het aantal rechte naderingen naar de banen
22/24, afgezet tegen het totale aantal landingen, in het kalenderjaar
1998 2,1%.

e. Bij besluit van 23 oktober 1996, in werking getreden 1 januari
1997, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat de Aanwijzing ex artikel 27 jo. artikel 24 Luchtvaartwet van het luchtvaartterrein Schiphol vastgesteld. Dit besluit (in het vervolg: het Aanwijzingsbesluit) omvat onder meer vaststelling van de ingevolge de Luchtvaartwet vereiste geluidszones, waarbuiten de geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen de vastgestelde grenswaarden niet mag overschrijden, en bevat voorschriften voor de handhaving daarvan.

Bij de vaststelling van de geluidszones ter plaatse is als één van de invoergegevens gehanteerd een hoeveelheid naderingen die overeenstemt met 2% van alle landingen op de luchthaven Schiphol. In Bijlage D bij het aanwijzingsbesluit (blz. 16) wordt daarover opgemerkt:

"Reductie landingen over Amsterdam

Afgesproken is dat het aantal rechte naderingen over Amsterdam in de geluidszones lager moet zijn dan in de situatie in 1990. Tevens mogen deze naderingen niet

's nachts plaatsvinden. Deze maatregel is verwezenlijkt door het baangebruik van naderingen over Amsterdam onder een maximum van 2% te houden."

Handhaving van de geluidszones geschiedt door controle of de grenswaarden op basis van jaargemiddelden in de netwerkcontrolepunten ter plaatse worden overschreden en vindt plaats door middel van handhaving van de voorschriften die zijn opgenomen in het Aanwijzingsbesluit.

De Toelichting op het Aanwijzingsbesluit houdt in dit verband onder meer in (§ 5.1, blz. 31):

"Met de geluidszones in de aanwijzing is vastgesteld wat, berekend over een jaar, de maximaal toegestane geluidsbelasting mag zijn die veroorzaakt wordt door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Gekoppeld aan een stringent handhavingssysteem is hiermee in feite bepaald wat de geluidsruimte is voor het luchtverkeer dat van het luchtvaartterrein gebruik maakt.

Bij de uitwerking van de LVW blijkt de huidige wettelijke handhavingssystematiek nog niet geheel sluitend te zijn. Het geheel wordt sluitend gemaakt door middel van afspraken over het gebruiksplan en aanvullende afspraken tussen de exploitant en de Luchtverkeersbeveiligingsorganisatie (LVB), alsmede tussen de LVB en de Minister van Verkeer en Waterstaat. (...) Dit handhavingssysteem staat aan het begin van een ontwikkelingsfase. Via het aanwijzingsbesluit - aangevuld met gebruiksplan en overeenkomsten - wordt het systeem voor de luchthaven Schiphol operationeel."

f. Tussen de Minister van Verkeer en waterstaat en LVB is in februari
1997 een overeenkomst, als bedoeld in de hierboven vermelde Toelichting op het Aanwijzingsbesluit, gesloten inzake de LVB-taak geluidshinder Schiphol (productie 3 van de zijde van LVB in eerste aanleg).

Deze overeenkomst houdt onder meer in:

"Artikel 4 (verplichtingen van de LVB ten aanzien van baangebruik)

(...)


9. De LVB beperkt het aantal rechtlijnige naderingen op de banen 22 en
24, uitgevoerd onder een hoogte van 914 meter (3000 voet) over het centrum van Amsterdam.


10. De LVB wordt geacht het in het negende lid gestelde niet te zijn nagekomen, indien het aantal naderingen volgens het negende lid een waarde overschrijdt van 2,0% van het totaal aantal naderingen op alle banen, betrokken op de periode van het gebruiksplan."

g. De Minister van Verkeer en waterstaat heeft het Gebruiksplan Schiphol 1999 partieel goedgekeurd. Daarbij is goedkeuring verleend aan een verondersteld baangebruik van 1,6% voor landingen op baan 22.


4. Waar het in dit geding om gaat


4.1. Het Platform heeft gevorderd dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst, hetgeen er op neerkomt dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. de Gemeente, Schiphol en LVB gezamenlijk, en ieder afzonderlijk, zal verbieden binnen 2 dagen na betekening van het arrest de bepalingen van de Letter of Intent te (doen) overtreden, voor zover het tezamen en/of ieder afzonderlijk in hun macht ligt praktisch uitvoering te (doen) geven aan de overeenkomst, op straffe van een dwangsom van f 10.000,-- door elk der geïntimeerden afzonderlijk per elke vliegbeweging als gedefinieerd in de Letter of Intent in het jaar
1999;

b. de Gemeente, Schiphol en LVB gezamenlijk, en ieder afzonderlijk, binnen 2 dagen na betekening van het arrest de uit de Letter of Intent voortvloeiende bepaling van artikel 4 sub b (doen) naleven, in dier voege, dat schendingen van de 1% norm zoals bedoeld in artikel 1 van de Letter of Intent met onmiddellijke ingang worden verrekend, naar de mate waarin de norm van 1% is geschonden, in die zin dat het aantal rechte naderingen van vliegtuigen over de binnenstad van Amsterdam naar de Luchthaven Schiphol naar de mate waarin de schendingen hebben plaatsgevonden zal worden gestaakt c.q. verminderd, althans maatregelen te (doen) treffen, in die zin dat het gebruik dat zal worden gemaakt van de route bij het landen en aanvliegen, als bedoeld in artikel 1 van de Letter of Intent, bij wege van compensatie in 1999, dan wel in de daarop volgende jaren, voor schendingen van de overeenkomst in voorgaande jaren als bedoeld in artikel 4 sub van de overeenkomst zal naar de mate waarin de schendingen van de 1% norm hebben plaatsgevonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 10.000,-- per elke vliegbeweging welke als schending van artikel 1 als gedefinieerd in de Letter of Intent wordt beschouwd;

c. de Gemeente Amsterdam zal gebieden die maatregelen (rechtsmaatregelen daaronder begrepen) te doen treffen die er toe strekken dat in 1999 geen rechte naderingen naar de Luchthaven Schiphol zullen plaatsvinden bij wege van compensatie van de reeds sinds 1994 vastgestelde overschrijdingen van de 1% norm, zoals voorzien in de Letter of Intent, op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 10.000,-- per elke vliegbeweging als gedefinieerd in de Letter of Intent in het jaar 1999;

met veroordeling van de Gemeente, Schiphol, LVB en KLM in de kosten van het geding in beide instanties.


4.2. Aan deze vorderingen heeft het Platform ten grondslag gelegd dat de Gemeente, Schiphol en LVB ieder afzonderlijk en tezamen, jegens het Platform onrechtmatig handelen door hun rechtsplicht tot behoorlijke naleving van de Letter of Intent te schenden.


4.3. Daartoe heeft het Platform het volgende gesteld. Het aantal rechte naderingen is steeds boven het in de overeenkomst neergelegde percentage van 1 en veelal zelfs boven de norm van maximaal 2% uitgekomen en compensatie als bedoeld in artikel 4 sub b. van de Letter of Intent heeft niet plaatsgevonden. Het stelselmatig handelen en nalaten van de Gemeente, Schiphol en LVB in strijd met de Letter of Intent is jegens het Platform onrechtmatig, omdat het Platform er, gelet op hetgeen in de Letter of Intent is overeengekomen, op mocht rekenen dat het aantal rechte naderingen over de binnenstad van Amsterdam beperkt zou blijven tot de norm van 1% en dat overschrijdingen zouden worden gecompenseerd. Het specifieke belang van de inwoners van Amsterdam bij beperking van de overlast die het luchtverkeer veroorzaakt, welke overlast bestaat uit lawaai, stank en gevoelens van onveiligheid, heeft de Gemeente aan zich getrokken en zij heeft ten behoeve van de Amsterdamse bevolking - en dus ook van het Platform - de overeenkomst gesloten. De Gemeente dient dan ook, als partij bij de overeenkomst, alsmede uit hoofde van de waarborgfunctie die haar bestuur heeft, de naleving van de Letter of Intent te bevorderen, in het bijzonder door het treffen van rechtsmaatregelen tegen Schiphol en LVB, hetgeen zij heeft nagelaten.

De schade die het Platform ten gevolge van dit onrechtmatig handelen en nalaten lijdt bestaat, aldus het Platform, in het ondergaan van frequentere overlast door de toename van het aantal rechte naderingen over de binnenstad van Amsterdam.


4.4. De Gemeente, Schiphol, LVB en KLM hebben daartegen verweer gevoerd. Op hun standpunt zal het hof zonodig bij de beoordeling van het geschil ingaan.


4.5. De president heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, waar zij beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.


5. Beoordeling van het geschil


5.1. Algemeen


5.1.1. Alle partijen gaan ervan uit dat de Letter of Intent een privaatrechtelijke overeenkomst is. Geen der partijen heeft gesteld dat aan deze afspraken een voorlopig of niet-bindend karakter toekomt. Het hof zal dan ook de uitgangspunten van partijen volgen.


5.1.2. Aan de vorderingen heeft het Platform ten grondslag gelegd dat de Gemeente, Schiphol en LVB onrechtmatig handelen jegens het Platform, omdat zij, ieder voor zich en tezamen, de verplichtingen uit de overeenkomst niet zijn nagekomen en daardoor aan het Platform schade berokkenen.


5.1.3. Vooropgesteld moet worden dat het Platform geen partij is bij de Letter of Intent. Het Platform heeft dat ook niet gesteld en de Gemeente, Schiphol en LVB hebben benadrukt dat het Platform geen contractspartij is. Voor zover het Platform heeft gesteld dat deze overeenkomst mede ten behoeve van de vereniging is gesloten begrijpt het hof dat daarmee niet wordt gedoeld op enige (privaatrechtelijke) vorm van vertegenwoordiging of op een derdenbeding, maar dat dit betoog moet worden geplaatst in de sleutel van het beweerdelijk onrechtmatig handelen, in het bijzonder van de Gemeente. De Gemeente heeft zich volgens het Platform de belangen van de bewoners van Amsterdam bij een beperking van geluidsbelasting aangetrokken en te hunnen behoeve met Schiphol en LVB afspraken gemaakt over het gebruik van de banen 22 en 24 als neergelegd in de Letter of Intent. Dit impliceert echter niet dat het Platform als vereniging van bewoners van Amsterdam de bevoegdheden van de Gemeente tot nakoming jegens Schiphol en LVB kan uitoefenen. Het Platform moet dan ook als derde worden beschouwd ten opzichte van de bij de Letter of Intent betrokken partijen.


5.1.4. Voor zover het standpunt van het Platform mocht inhouden dat de omstandigheid dat een partij bij de Letter of Intent jegens een wederpartij toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst reeds daardoor onrechtmatig handelt jegens het Platform als derde, is dat standpunt onjuist. Het antwoord op de vraag of schending van een contractuele verplichting jegens de wederpartij bij de overeenkomst een onrechtmatige daad jegens een derde oplevert, hangt ervan af of de tekortkomende partij tegenover die derde zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden. Eerst onder omstandigheden kan wanprestatie jegens de wederpartij een onrechtmatige daad jegens een derde opleveren.


5.1.5. Anders dan het Platform heeft gedaan, zal het hof onderscheid maken tussen de Gemeente enerzijds en Schiphol en LVB anderzijds. De Letter of Intent houdt immers in dat Schiphol en LVB zich jegens de Gemeente hebben verbonden op een bepaalde wijze van de banen 22 en 24 gebruik te maken en zij zouden tegenover de Gemeente wanprestatie kunnen plegen door zich niet aan die afspraken te houden. Te hunnen aanzien is van toepassing hetgeen hiervoor onder 5.1.4. is overwogen. Dienaangaande zal het hof onder 5.2. beslissen.


5.1.6. De Gemeente daarentegen schendt, anders dan het Platform kennelijk meent, geen contractuele verbintenis tegenover Schiphol en LVB door geen (rechts)maatregelen te nemen om de naleving van de afspraken af te dwingen. Het feit dat vertegenwoordigers van de Gemeente zich tegenover Schiphol en LVB op het standpunt hebben gesteld dat deze de afspraken dienen na te leven maakt dat niet anders. Aan de Gemeente komt dan ook niet de verplichting, maar wel de bevoegdheid, toe nakoming te vorderen. Voor de beoordeling van de positie van de Gemeente komt het er dus in wezen op neer of zij jegens het Platform onrechtmatig handelt door te weigeren van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daaromtrent zal het hof onder 5.3. beslissen.


5.2. De positie van Schiphol en LVB


5.2.1. Partijen zijn het er terecht over eens dat op Schiphol en LVB geen wettelijke plicht rust om het desbetreffende baangebruik tot 1% of 2% te beperken of een overschrijding te compenseren.


5.2.2. Zoals hierboven onder 5.1.4. overwogen dient te worden onderzocht of Schiphol en LVB, in verband met de gestelde wanprestatie tegenover de Gemeente, jegens het Platform zijn tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.


5.2.3. Het feit dat de overeengekomen percentages niet zijn gehaald en overschrijdingen niet zijn gecompenseerd zou weliswaar een schending van de contractuele verplichtingen kunnen opleveren, maar die enkele omstandigheid doet, anders dan het Platform kennelijk stelt, nog niet tevens een buitencontractuele norm geschonden zijn op naleving waarvan het Platform aanspraak kan maken. Schiphol en LVB hebben tegenover de Gemeente duidelijk gemaakt hun best te zullen doen het bepaalde in de Letter of Intent na te leven. Ook indien daaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij deze intentie tegenover het Platform hebben geuit en dat zij in zoverre ook jegens het Platform in zekere mate hun verantwoordelijkheid voor de naleving van de Letter of Intent hebben aanvaard, is dit onvoldoende om te kunnen aannemen dat zij bij het Platform het concrete vertrouwen hebben gewekt dat zij jegens het Platform de gemaakte afspraken zonder voorbehoud of onder alle omstandigheden zouden nakomen. Uit de brief van 9 november 1998 van Schiphol aan het Platform (productie 9 van de zijde van het Platform in eerste aanleg) blijkt veeleer het tegendeel.


5.2.4. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat Schiphol en LVB opzettelijk wanprestatie zouden hebben gepleegd of dat zij zich ervan bewust moesten zijn dat zij door het beweerdelijk niet naleven van de afspraken ernstig nadeel aan de belangen van de bewoners die het Platform behartigt zouden berokkenen. De stelling van het Platform dat door het schenden van de 1% norm `frequentere overlast' wordt veroorzaakt is daartoe niet voldoende. Niet is immers feitelijk geconcretiseerd dat de rechte naderingen van meer vliegtuigen (dan contractueel bepaald) voor dat meerdere zodanige `geluidsoverlast, stank en gevoelens van onveiligheid' hebben teweeggebracht, dat de bewoners van Amsterdam deze hinder niet behoefden te dulden. De omstandigheid dat vliegtuigen, die rechte naderingen uitvoeren over de binnenstad van Amsterdam, boven dat deel van de stad geluid of stank teweegbrengen of een gevoel van onveiligheid oproepen, betekent nog niet dat deze vliegtuigen reeds daardoor onrechtmatige hinder veroorzaken.


5.2.5. In dit kort geding heeft het Platform derhalve niet aannemelijk gemaakt dat Schiphol en LVB, als al zou komen vast te staan dat zij jegens de Gemeente wanprestatie hebben gepleegd, tegenover het Platform een zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden. Reeds op deze grond kunnen de vorderingen van het Platform tegen Schiphol en LVB niet slagen.


5.2.6. Bij deze stand van zaken behoeven de overige stellingen van Schiphol en LVB, waaronder de stelling dat zij niet toerekenbaar zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen uit de Letter of Intent, geen behandeling meer.


5.3. De positie van de Gemeente


5.3.1. Het verwijt, zoals het hof dit verstaat, dat het Platform aan de Gemeente maakt houdt in dat de Gemeente onrechtmatig handelt jegens het Platform door te weigeren gebruik te maken van haar bevoegdheid om, in het bijzonder door het treffen van rechtsmaatregelen, van Schiphol en LVB naleving van de overeengekomen norm van 1% of 2% en van de in de overeenkomst voorziene verrekening van overschrijdingen af te dwingen.


5.3.2. De in de Letter of Intent opgenomen afspraken heeft de Gemeente voor zichzelf bedongen. Aan het gegeven dat de Letter of Intent is gesloten ter behartiging van het belang van de inwoners van Amsterdam kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat daardoor de Gemeente jegens het Platform, ook al is dit een vereniging van inwoners van Amsterdam, gehouden is onder alle omstandigheden gebruik te maken van de bevoegdheid om nakoming van die afspraken af te dwingen. De omstandigheid dat namens de Gemeente in het openbaar of tegenover het Platform is kenbaar gemaakt dat de bepalingen van de Letter of Intent door Schiphol en LVB dienen te worden nageleefd ("afspraak is afspraak") en dat zij zal bevorderen, zonodig door het treffen van rechtsmaatregelen, dat de gemaakte afspraken worden nakomen, kan niet impliceren dat de Gemeente aan het Platform heeft toegezegd of bij het Platform het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij onder alle omstandigheden of op elk door het Platform gewenst tijdstip van haar bevoegdheid om nakoming af te dwingen door het instellen van een vordering in rechte gebruik zou maken. Andere feiten en omstandigheden op grond waarvan een dergelijke gehoudenheid zou moeten worden aangenomen zijn niet gesteld of gebleken. Voor zover het Platform heeft bedoeld te betogen dat het de Gemeente niet (meer) vrij stond te besluiten al of niet tot uitoefening van haar bevoegdheden over te gaan moet dat betoog dan ook worden verworpen.


5.3.3. De Gemeente diende derhalve te beoordelen of zij, mede gelet op de bij de uitoefening van de bedoelde bevoegdheid betrokken belangen van de inwoners van Amsterdam en (daarmee ook) van het Platform, al of niet van deze bevoegdheid gebruik zou maken.


5.3.4. De stellingen van het Platform houden kennelijk in dat de Gemeente niet tot weigering van het treffen van rechtsmaatregelen heeft kunnen besluiten.


5.3.5. De Gemeente heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen en zal blijven inspannen om de afgesproken normen te doen naleven, maar dat zij om bestuurlijke en juridische redenen niet is overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen. De Gemeente heeft bij die afweging kennis genomen van het standpunt van Schiphol en LVB. In het overleg dat tussen de betrokken partijen in het verleden is gevoerd hebben Schiphol en LVB gemotiveerd naar voren gebracht dat ook zij ernaar streven dat de overeengekomen normen voor het baangebruik worden nageleefd, maar dat zij gegronde redenen hebben waarom zij zich thans niet volledig aan de afgesproken normen voor het baangebruik kunnen houden en dat zij tot op heden niet in staat zijn de overschrijdingen te compenseren.


5.3.6. In het inmiddels geschapen wettelijk en bestuurlijk kader, waarin aan de Gemeente geen bestuurlijke handhavingsbevoegdheden ten opzichte van Schiphol en LVB zijn toegekend, heeft de 2% norm een plaats gekregen (zie rechtsoverweging 3.2. onder e. en f.). In de Letter of Intent was dit ook beoogd (zie artikelen 3, 8 en 9). Ook op andere onderdelen is de Letter of Intent nageleefd (zie artikelen 5, 6 en 7). De handhavingssystematiek is voorts, zoals ook de president met juistheid heeft overwogen in rechtsoverweging 7.3. van het vonnis, immer in ontwikkeling, waarbij de belangenafweging en (politieke) besluitvorming op nationaal niveau plaatsvindt. De Gemeente, Schiphol, LVB en KLM hebben bovendien genoegzaam aannemelijk gemaakt dat een stricte en onmiddellijke naleving van de norm van 1%, zoals door het Platform wordt beoogd, in feite het stilleggen van het gebruik van de banen 22 en 24 in ieder geval in 1999 zou betekenen en dat dit zeer ingrijpende consequenties heeft voor het vliegverkeer naar en van Schiphol.


5.3.7. In deze omstandigheden is vooralsnog meer dan voldoende aannemelijk dat de Gemeente in redelijkheid van oordeel heeft kunnen zijn thans haar bevoegdheid om nakoming in rechte af te dwingen niet te gebruiken.


5.3.8. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat de Gemeente jegens het Platform onrechtmatig handelt door te weigeren (in rechte) nakoming af te dwingen van de afspraken met Schiphol en LVB.


5.3.9. Dit betekent dat ook de vorderingen tegen de Gemeente reeds op deze grond niet kunnen slagen.


6. Slotsom


6.1. De vorderingen van het Platform tegen de Gemeente, Schiphol en LVB kunnen niet worden toegewezen. De president heeft de gevorderde voorzieningen terecht geweigerd. De grieven falen of kunnen niet tot vernietiging van het vonnis leiden.


6.2. Het standpunt van KLM dat deze overeenkomst een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling vormt behoeft geen behandeling meer.


6.3. Het Platform dient, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding te worden veroordeeld.


7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt het Platform in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op f 5.575,--, aan de zijde van Schiphol op f 5.575,--, aan de zijde van LVB op f
5.575,-- en aan de zijde van KLM op f 5.575,--;

verklaart dit arrest, voor zover het vorenstaande veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schendel, Tjittes en De Bruin en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 1999.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie