Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Integrale nota: zorg voor veiligheid

Datum nieuwsfeit: 15-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
NIBRA

De integrale nota: zorg voor veiligheid.

Hoe moet in de toekomst de rampenbestrijding worden georganiseerd, om in de complexe samenleving rampen zo goed mogelijk te kunnen blijven bestrijden. Dat is het thema van de beleidsnotitie die staatssecretaris De Vries in de zomer van 1999 het land in stuurde. Dit voor commenaar erop van het veld. Rond de eeuwwisseling zal hij met een definitieve nota komen, waarin de commentaren zo mogelijk zijn verwerkt. Op deze Nibrasite de integrale nota: zorg voor veiligheid.

HOOFDSTUK I INLEIDING

De samenleving stelt steeds hogere eisen aan de organisatie van de rampenbestrijding. Het takenpakket wordt niet alleen breder en complexer, ook de schaal van het optreden neemt toe. Deze ontwikkelingen vereisen een versterking van de
rampenbestrijdingsorganisatie.

1.1 Waar staan we voor Zorg voor veiligheid
Zorg voor veiligheid is de oudste kerntaak van de overheid. De burger vindt het dan ook vanzelfsprekend dat de overheid voorkomt dat onveilige situaties ontstaan en de gevolgen van voorkomende onveilige situaties beperkt. Daarbij heeft overigens ook de burger zelf een rol.

Bij de zorg voor veiligheid wordt dikwijls in eerste instantie gedacht aan het voorkomen en bestrijden van vormen van criminaliteit. De burger wordt hiermee in het dagelijks leven het meest geconfronteerd. Veiligheidsbeleid is echter meer. Veiligheidsbeleid omvat ook het voorkomen van rampen en zware ongevallen en het organiseren van de hulpverlening op een zodanige wijze dat, als een calamiteit zich toch voordoet, op een adequate manier wordt voorzien in de hulpvraag van de bevolking.

Risicovolle samenleving
Een aantal incidenten in de afgelopen jaren heeft ons eraan herinnerd dat onze samenleving niet zonder risico's is. Te denken valt aan de kettingbotsing op de A16 nabij Breda in 1990, het ongeval bij Cindu en de Bijlmerramp in 1992, de wateroverlast door het hoge waterpeil in de rivieren in 1993 en 1995, de vliegtuigongevallen met de Hercules en de Dakota in 1996 en de stroomstoring in 1998 door het tegelijkertijd uitvallen van een aantal elektriciteitscentrales in centraal Nederland. Nog maar kort geleden heeft ook de wateroverlast door extreme regenval nog eens bevestigd hoe kwetsbaar onze samenleving is. Bovendien doen zich ontwikkelingen voor die de kwetsbaarheid van de samenleving vergroten. De technologische en daarmee samenhangende industriële en infrastructurele ontwikkelingen verhogen onze welvaart, maar verhogen tevens de kans op calamiteiten . In relatie tot de groei van de bevolking en concentratie in bewoning neemt daarmee ook de kans op slachtoffers en materiële schade toe. Dit betekent dat hogere eisen worden gesteld aan de organisatie van de bestrijding van rampen en zware ongevallen.

1.2 Het systeem van de rampenbestrijding

De operationele basis
Sinds 1986, het jaar van de opheffing van de organisatie Bescherming Bevolking, is de rampenbestrijding opgedragen aan diensten die met de dagelijkse hulpverlening zijn belast: brandweer, politie en gezondheidszorg. Deze drie organisaties worden zonodig bijgestaan door (andere) gemeentelijke diensten en de rijksoverheid (Defensie), maar tevens door vrijwilligersorganisaties zoals het Nederlands Rode Kruis en de Reddingsbrigades Nederland (in totaal ruim veertigduizend vrijwilligers). De rampenbestrijdings-organisatie is dus een samenstel van diensten en organisaties waarin de brandweer één van de spelers is.

De brandweer is bovenop haar 'brandweerrode' taak binnen de rampenbestrijdingsorganisatie, tevens operationeel belast met de coördinatie van de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop. Vanwege het bijna per definitie bovenlokale karakter van een ramp of zwaar ongeval en vanuit het oogpunt van efficiëntie en kostenreductie zijn de regionale brandweren ingesteld.

De grote winst van deze structuur is dat de
rampenbestrijdingsorganisatie geen op zichzelf staande "slapende" organisatie is zoals de organisatie Bescherming Bevolking was, maar bestaat uit organisaties die in het dagelijks functioneren met hulpverlening zijn belast. Bij calamiteiten breidt de schaal waarop het eigen optreden en de samenwerking met andere organisaties en diensten plaatsvindt zich uit. Het opschalen van de organisatie van klein naar groot vereist dat de taken van de verschillende organisaties ook tijdens dat proces naadloos op elkaar blijven aansluiten.

Calamiteiten waarvoor samenwerking op kleine schaal nodig is, komen dagelijks voor, maar grootschalige calamiteiten veel minder. Hierdoor vormt de voorbereiding op het grootschalig optreden en het opschalingproces de achilleshiel van het systeem. Indien onvoldoende wordt geïnvesteerd in de voorbereiding op het grootschalig optreden en de coördinatie daarvan, dient er tijdens de daadwerkelijke bestrijding van de gevolgen van de ramp te veel te worden geïmproviseerd. Juist op een dergelijk moment dient men blindelings op elkaar te kunnen bouwen.

De rampenbestrijdingsorganisatie kenmerkt zich door een altijd multidisciplinaire karakter en een veelal (noodgedwongen) ad hoc optreden in complexe situaties met een betrokkenheid van veel vrijwilligers. Dit maakt het vormgeven van een goede rampenbestrijdingsorganisatie weerbarstig.

De bestuurlijke verantwoordelijkheid
De verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid ligt primair bij de gemeentebesturen . Het is van belang dat deze verantwoordelijkheid daar ligt. Gemeenten zijn bij uitstek in staat om gelet op de lokale situatie passende maatregelen te treffen. De provincie speelt een rol in processen van bemiddeling, coördinatie en toezicht alsmede in het schakelproces tussen gemeenten en operationele diensten enerzijds en Rijk anderzijds. Het Rijk is verantwoordelijk voor een adequate werking van het rampenbestrijdingssysteem als zodanig. Hiertoe schept het Rijk randvoorwaarden opdat de verantwoordelijke besturen en diensten hun rol binnen de rampenbestrijding waar kunnen maken. Zo financiert het Rijk een deel van de rampenbestrijding, stelt opleidingseisen, toetst de kwaliteit en capaciteit van de rampenbestrijdingsorganisatie en treft voorzieningen die te omvangrijk zijn om op de schaal van de afzonderlijke gemeente of provincie te treffen, zoals verbindingen, het waarschuwingssysteem en de aanschaf van bepaald materieel. Het Rijk ondersteunt daarnaast inhoudelijk de medeoverheden bij de uitvoering van hun taken. Voorbeelden hiervan zijn deelname aan werkgroepen in het kader van het opstellen van Europese normen voor brandweermaterieel en bijdragen aan het opstellen van technische beschrijvingen waarmee op regionaal en lokaal niveau brandweerwagens kunnen worden ingekocht. De beschreven verantwoordelijkheid van het Rijk, in casu van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) wordt ook wel aangeduid als "systeemverant-woordelijkheid".

1.3 Begin jaren negentig: rampenbestrijding in de knel

Onvoldoende aandacht voor pro-actie en preventie Onder pro-actie wordt verstaan het structureel wegnemen van de oorzaken van gevaar. Preventie is het samenstel van maatregelen ter voorkoming van ongevallen en ter beperking van de gevolgen daarvan. Zij vormen de eerste twee schakels van de veiligheidsketen, zoals die in de Nota Veiligheidsbeleid 1995-1998 is omschreven . De rampenbestrijdingsorganisatie is in 1985 in eerste instantie opgezet met het oog op repressief optreden en de voorbereiding daarop. Deze organisatie was bedoeld als sluitstuk van de zorg voor veiligheid voor het geval dat systemen ter voorkoming en beperking van calamiteiten te kort schieten. Het bijdragen aan de vormgeving van systemen ter voorkoming en beperking van calamiteiten werd niet als taak van de rampenbestrijdingsorganisatie gezien en behoorde dus ook niet tot de taken van de (regionale) brandweer. De laatste jaren is bij het Rijk en de gemeenten echter het besef gegroeid dat het optreden van de brandweer met betrekking tot de elementen preventie en pro-actie moet worden versterkt . Ook voor de volksgezondheid in relatie tot de rampenbestrijding is het voorkomen en beperken van onveilige situaties van belang.

De taken van de rampenbestrijdingsorganisatie bestrijken derhalve niet alleen het voorbereiden op, en de bestrijding van rampen, maar strekken zich ook uit tot het voorkomen en beperken van risico's. De rampenbestrijdingsorganisatie heeft een taak ten aanzien van alle schakels van de veiligheidsketen; pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg .

Stagnerende opbouw rampenbestrijdingsorganisatie In de eerste helft van de jaren negentig blijkt uit diverse rapportages en evaluaties naar aanleiding van incidenten dat naast de onvoldoende aandacht voor de taken pro-actie en preventie de opbouw van de rampenbestrijdingsorganisatie stagneert.

Het ontbrak veelal aan een structurele aandacht voor de rampenbestrijding. Van een systematische voorbereiding op grootschalige ongevallen en rampen was doorgaans geen sprake. Inzicht in de aanwezige risico's was veelal niet aanwezig. Planvorming ontbrak of was nog onvoldoende geoperationaliseerd en de beschikbaarheid van goed opgeleid en geoefend personeel was niet verzekerd. Ook de betrokkenheid van andere diensten dan de brandweer was nog weinig vorm gegeven.

Op regionaal niveau was nog onvoldoende sprake van een gecoördineerde voorbereiding op gemeentegrens-overschrijdende incidenten. De intergemeentelijke samenwerking was veelal vrijblijvend. Eenduidige afspraken over de bestuurlijke en operationele aansturing ontbraken.

De operationele diensten waren onvoldoende in staat om de voorbereiding op grootschalige ongevallen en rampen structureel, systematisch en in samenhang met elkaar invulling te geven. Enerzijds ontbrak het aan een daarvoor noodzakelijke eenduidige bestuurlijke, operationele en organisatorische aansturing. Anderzijds waren de betrokken diensten beperkt toegerust voor de rampenbestrijdingstaken. De regionale brandweer was tot dusverre nauwelijks in staat gebleken om zijn coördinerende rol bij de voorbereiding op de rampenbestrijding invulling te geven. Het was een vooral operationeel georiënteerde organisatie die nog niet adequaat was ingericht om bestuurlijke en beleidsmatige kwesties naar voren te brengen. De geneeskundige hulpverlening bij grootschalige ongevallen en rampen was feitelijk nog geen samenhangende organisatie. Ook ontbrak hier één aanspreekpunt voor het bestuur. Dit alles riep de vraag op of het lokaal bestuur adequaat was voorbereid op zware ongevallen en rampen. Moest niet te veel worden geïmproviseerd?

De parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer heeft in haar eindrapport onder meer geconcludeerd dat de rampenbestrijding bij de Bijlmerramp adequaat is verlopen. Daarbij plaatst zij echter wel een aantal kanttekeningen. Een daarvan is de constatering van de commissie dat het rampenplan van de gemeente Amsterdam voor de ramp op beleids- en operationeel niveau niet praktisch is beoefend. In combinatie met andere constateringen van de commissie kan een beeld van improviserend optreden worden geschetst. Volledigheidshalve vermeld ik dat dat in dit geval geen nadelige gevolgen heeft gehad.

Naar aanleiding van het eindrapport heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal de regering schriftelijke vragen gesteld. In de beantwoording daarvan is een aantal toezeggingen opgenomen. In het opstellen van een nieuwe leidraad waarin de beschrijving van de regionale brandweerorganisatie voor ongevallen met gevaarlijke stoffen wordt geactualiseerd zullen de ervaringen als bij de Bijlmerramp worden verwerkt, zoals een strikter vastleggen van meetgegevens. Ook zal de regering de mogelijkheden onderzoeken wettelijk te regelen dat data en datadragers voor een periode van 10 jaar na een ramp bewaard worden. Daarnaast beziet de regering in hoeverre wettelijk geregeld kan worden dat rampenplannen een paragraaf bevatten waarin de afhandeling van een ramp wordt geregeld en gecoördineerd.

Meer in het algemeen zijn in de afgelopen jaren door gemeenten en Rijk beleidsmatige inspanningen geleverd om de problemen met betrekking tot de rampenbestrijding in Nederland aan te pakken. Te noemen zijn bijvoorbeeld de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen. Tevens is geïnvesteerd in de rampenbestrijdingsorganisatie. Door velen is hard gewerkt aan verbetering van de situatie. De gemeenten hebben duidelijk laten zien hun verantwoordelijkheid te willen nemen. De gemeentelijke uitgaven aan brandweer en rampenbestrijding zijn aanzienlijk gestegen. Een start is gemaakt met de implementatie van de resultaten van het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen. Deze projecten zijn thans nog in uitvoering.

Ondanks alle geleverde inspanningen staat ons nog veel te doen. Dit blijkt onder andere uit een in mijn opdracht dit jaar uitgevoerd onderzoek naar de voor- en nadelen van territoriale congruentie van de bij de rampenbestrijding betrokken hulpverleningdiensten. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de rampenbestrijdingsorganisatie kwalitatief verbeterd moet worden. Veertig procent van de respondenten heeft aangegeven dat hun organisatie in geval van calamiteiten of rampen niet aan de gewenste kwaliteitseisen voldoet.

1.4 Eindbeeld rampenbestrijdingsorganisatie

Aan de vooravond van een nieuw millennium moeten wij constateren dat de huidige rampenbestrijdingsorganisatie slechts tot op zekere hoogte is toegerust om de rampen en zware ongevallen van vandaag en morgen te kunnen bestrijden. Ook is de organisatie ondanks de daartoe verrichte inspanningen nog niet voldoende toegerust om het ontstaan van onveilige situaties te voorkomen en te beperken. Dit alles zeker vanuit het perspectief dat de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen voor een deel nog uitgevoerd moeten worden.

Het besef dat, zoals zoveel organisaties en systemen, ook de huidige rampenbestrijdingsorganisatie toe is aan een stap voorwaarts wordt breed gedragen. Voor deze uitdaging staan wij nu. In deze hoofdlijnennotitie wil ik een beeld schetsen van de wijze waarop ik samen met de partners in de openbare veiligheid wil werken aan een verdere kwaliteitsverbetering en uitvoering van de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen.

Hoe de rampenbestrijdingsorganisatie er idealiter uitziet is bekend. Sinds de reorganisatie van de rampenbestrijding begin jaren negentig wordt daaraan gewerkt. Het is een organisatie die: 1. bij grootschalige incidenten en rampen bestuurlijk, organisatorisch en operationeel samenhangend functioneert; 2. in staat is om op adequate wijze invulling te geven aan het beperken, beheersen en het voorkomen van risico's die kunnen leiden tot rampen en zware ongevallen;
3. en waarvan een kwalitatief goed functioneren is gewaarborgd.

In de volgende hoofdstukken geef ik aan wat reeds is bereikt, welke aandachtspunten er nog zijn en welke oplossingsrichtingen de regering in dat verband ziet. Van belang daarbij is het uitgangspunt dat de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen volledig tot uitvoering worden gebracht (op beide projecten kom ik verder in deze notitie terug). De in deze notitie opgenomen voorstellen behelzen in het verlengde van en in aanvulling op die uitvoeringstrajecten, aanvullende en conditionerende processen in gang te zetten. Deze processen belemmeren mijns inziens de uitvoering van de projecten niet, maar vormen daarop een aanvulling.

Nadrukkelijk wordt niet beoogd een fundamentele wijziging in het systeem van de rampenbestrijding en de verantwoordelijkheidsverdeling te weeg te brengen. Met deze hoofdlijnennotitie wil ik aanzetten geven tot een nadere inhoudelijke discussie op welke wijze de rampenbestrijding verder verbeterd kan worden.

Na deze inhoudelijke discussie waarbij mij een termijn van enkele maanden voor ogen staat, zal ik de Tweede Kamer der Staten-Generaal een definitieve beleidsnota aanbieden. In die beleidsnota wordt aangegeven welke beleidsvoornemens voor de korte termijn en welke voor de langere termijn zijn bedoeld.

HOOFDSTUK II SAMENWERKING EN PROFESSIONALITEIT

Realiseren van een organisatie die bij grootschalige ongevallen en rampen bestuurlijk, organisatorisch en operationeel samenhangend functioneert.

2.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk zijn de in de eerste helft van dit decennium geconstateerde knelpunten op het terrein van de rampenbestrijding omschreven. Om deze knelpunten structureel en systematisch op te lossen zijn in de vorige kabinetsperiode twee projecten gestart. Het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen. Doel van de projecten is het realiseren van een organisatie die bij grootschalige ongevallen en rampen bestuurlijk, operationeel en organisatorisch samenhangend functioneert.

In het Project Versterking Brandweer hebben de gemeenten en het Rijk zich verbonden om de brandweer te versterken. Het project richt zich in het bijzonder op de coördinerende rol van de regionale brandweer bij de (voorbereiding op de) rampenbestrijding en het aandeel daarin van de gemeentelijke brandweren. Het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen richt zich op het tot stand brengen van een samenhangend functionele organisatie van de spoedeisende medische hulpverlening die in staat is naadloos op te schalen van klein naar grootschalig optreden. Zodanig dat een slagvaardige geneeskundige kolom ontstaat binnen de rampenbestrijdingsorganisatie. Deze beleidsvoornemens zijn verwoord in de nota "Met zorg verbonden" . Tevens is het doel één aanspreekpunt voor de kolom te organiseren. Dit project is een gezamenlijk project van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties .

Uitgangspunt van het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen is dat een slagvaardige rampenbestrijdingsorganisatie steunt op een kwalitatief voldoende dagelijkse hulpverlening, die soepel en adequaat kan opschalen op het moment dat het nodig is. Om die reden wordt bij het Project Versterking Brandweer de kwaliteit van de totale brandweerzorg in de gemeenten en bij het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen de dagelijkse spoedeisende hulpverlening betrokken, waarbij nauw wordt aangesloten bij de ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg op het gebied van de ambulance- en traumazorg.

2.2 Bereikte resultaten

Hoewel de beide projecten gericht zijn op de versterking van eigenstandige organisaties met een eigen
verantwoordelijkheidsverdeling en cultuur en ook de aansturing van het veranderingsproces verschilt, hebben ze een onomkeerbaar proces van kwaliteitsverbetering in gang gezet dat verder reikt dan de eigen organisatie. Nog nooit is er binnen het brandweer en geneeskundig veld en het lokaal bestuur zoveel steun geweest voor de noodzaak van deze kwaliteitsverbetering.

Resultaten Project Versterking Brandweer
In het kader van het Project Versterking Brandweer hebben alle brandweerregio's het totale takenpakket van de brandweer nader bezien en de bestaande knelpunten in kaart gebracht. Voorts zijn algemene referentiekaders opgesteld die door brandweerveld en bestuur algemeen zijn aanvaard . Deze referentiekaders zijn door de brandweerregio's als uitgangspunt genomen voor het bepalen van het in de regio gewenste kwaliteitsniveau van de rampenbestrijdingsorganisatie en de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en operationele maatregelen om dit te realiseren. Het Project Versterking Brandweer heeft inmiddels in de regio's geresulteerd in een (concept) organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding. Hierin zijn de taken van de gemeentelijke en regionale brandweer beschreven en zijn afspraken gemaakt over het kwaliteitsniveau, de uitvoering en de toerusting. Uitvoering van deze organisatieplannen leidt ondermeer tot een versterking van de spilfunctie van de regionale brandweer bij een systematische voorbereiding op grootschalige ongevallen en rampen.

Waar het gaat om de regionale brandweren zal, ter uitvoering van de resultaten van Project Versterking Brandweer in aanvulling op de personele uitbreiding met ruim honderd formatieplaatsen die vanaf 1998 is gerealiseerd, in 1999 en 2000 een financiële bijdrage worden verstrekt. Met deze bijdrage kunnen de regionale brandweren op een projectmatige aanpak een aantal knelpunten aanpakken, zoals het vormgeven van een oefen- en opleidingsprogramma.

Resultaten Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen
Het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen zal in de tweede helft van 1999 duidelijkheid geven over de noodzakelijke bestuurlijke, organisatorische en operationele verbeteringen van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Strategische producten die de instemming hebben van alle betrokkenen uit het openbaar bestuur, het veld van de openbare orde en veiligheid en de gezondheidszorg zijn dan gereed. Daarbij gaat het om: 1. het zorgdragen voor samenhang binnen de keten van de spoedeisende medische hulpverlening door introductie van een op ketenniveau gericht kwaliteits-, registratie-, informatie- en visitatiesysteem;
2. het scheppen van een bestuurlijke en organisatorische structuur voor de geneeskundige hulpverleningsketen zodanig dat op ketenniveau een verband kan ontstaan van samenwerkende geneeskundige diensten. Dit in de vorm van een regionaal bestuur geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en een regionaal geneeskundig functionaris die optreedt als regisseur van de geneeskundige hulpverleningsketen en eerst verantwoordelijke is bij zware ongevallen en rampen.
3. aanvullende voorzieningen in de vorm van zogenaamde Geneeskundige Combinaties voor optreden bij grootschalige incidenten;

Om zorg te dragen voor samenwerking binnen de keten van spoedeisende medische hulpverlening is in 1998 overeenstemming bereikt over afbakening van de keten van spoedeisende medische hulpverlening en de gewenste samenhang en samenwerking tussen de verschillende zorginstellingen. Tevens is een instrumentarium ontwikkeld om de gewenste samenhang te bevorderen en te borgen. Het instrumentarium bestaat uit de beschrijving van een wijze waarop een kwaliteitssysteem kan worden georganiseerd en een daarmee samenhangend informatie-, registratie- en visitatiesysteem.

Vorig jaar is ook een begin gemaakt met de bestuurlijke en organisatorische infrastructuur. In het gehele land zijn inmiddels vrijwillige gemeentelijke samenwerkingsverbanden gerealiseerd. Binnen deze samenwerkingsverbanden zijn door de bestuurlijke en geneeskundige partners plannen van aanpak opgesteld gericht op het praktisch vormgeven van de gewenste verbeteringen. Dit jaar wordt duidelijkheid verschaft over de bestuurlijke verantwoordelijkheden met betrekking tot spoedeisende hulpverlening bij ongevallen en rampen. Tevens worden de taken en bevoegdheden van de Regionaal Geneeskundige Functionaris duidelijk.

Over de voortgang van het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen hebben de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik de Tweede Kamer der Staten-Generaal in april van dit jaar uitvoerig geïnformeerd .

In 1998 is een begin gemaakt met het operationaliseren van de Geneeskundige combinatie. Daartoe zijn 43 uniforme uitrustingen aangeschaft. Inmiddels zijn alle uitrustingen aan de regio's ter beschikking gesteld.

De komende jaren wordt de Rijksbijdrage ten behoeve van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen geleidelijk verhoogd. Hiermee wordt een verdere versterking van de organisatie gerealiseerd. Ook kan uitbreiding van de beschikbaarheidregelingen, opleidingen, oefeningen en materieel in het kader van de inzetbaarheid van de geneeskundige combinatie worden verwezenlijkt.

2.3 Huidige aandachtspunten

Beide projecten hebben helderheid geboden wat nog te doen. De producten kunnen worden geïmplementeerd. Daar wordt de komende jaren ook onverkort op ingezet. Wel plaats ik enkele opmerking met betrekking tot het implementatie- dan wel uitvoeringstraject. Beide projecten blijken uiteindelijk voornamelijk op de eigen kolom gericht te zijn geweest. Versterking van de samenwerking met actoren buiten de eigen brandweer of gezondheidsorganisatie heeft niet voorop gestaan. Ook de uitvoering van de projecten biedt naar mijn mening nog geen garantie voor een versterkte samenwerking, zeker niet die gericht op samenwerking tussen gemeenten, regio en provincie en de grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland en België.

Juist in samenwerking evenwel ligt de toegevoegde waarde. Daarbij gaat het zowel om de operationele, organisatorische als de bestuurlijke afstemming. Deze afstemming resulteert mijn inziens ook in een synergetisch effect bij het implementeren van de resultaten van de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen.

De bereidheid tot samenwerking tussen de partners in de rampenbestrijding wordt bemoeilijkt als de hulpverleningsorganisaties territoriaal niet op elkaar aansluiten. Dat betekent immers dat er naast verschillende operationele (regionale) partners ook nog verschillende (regionale) bestuurders zijn. Deze problematiek geldt ook voor de coördinerende rol van de regionale brandweer. Niet alleen waar het gaat om de voorbereiding van het gecoördineerd optreden, maar vooral ook om de coördinatie van de voorbereiding op de rampenbestrijding.

Een geheel ander aandachtspunt is de positie van de vrijwilliger in de toekomst binnen de rampenbestrijdingsorganisatie. Aan de rampenbestrijdingsorganisatie en daarmee de brandweerorganisatie worden steeds hogere eisen gesteld en worden nieuwe taken toebedeeld. Het omgaan met gevaarlijke stoffen bijvoorbeeld vraagt steeds meer kennis. Hoe zwaarder de taken en eisen die gesteld worden aan de organisatie hoe professioneler de vrijwilliger moet zijn.

Van de vrijwilliger wordt nu geëist dat hij dezelfde opleiding heeft als het beroepspersoneel. Voor vrijwillige onderofficieren en met name voor vrijwillige officieren betekent dit veel studeren in de avonduren. Daarnaast moeten de kennis en vaardigheden in de praktijk worden gebracht dan wel op peil worden gehouden door oefeningen. Het draagvlak voor het tijdsbeslag dat opleiding en oefening met zich brengt is echter beduidend kleiner geworden . Door dit alles lijkt de grens aan belastbaarheid van de vrijwilliger bereikt.

Naast het aandachtspunt van belastbaarheid van de vrijwilliger bij de brandweer bestaat een breder probleem. Uit de leeftijdsopbouw van de vrijwilliger in de rampenbestrijdingsorganisatie blijkt dat de komende jaren rekening moet worden gehouden met een bovengemiddeld uittreden en dus een grote vervangingsvraag. Voor de brandweerkorpsen geldt dat de komende jaren dus extra inspanningen moeten worden geleverd om vrijwilligers te werven en op te leiden. Daar waar in het verleden de korpsen wachtlijsten met vrijwilligers hadden, zijn deze nu veelal verdwenen. De vraag naar vrijwilligers zal toenemen; niet alleen bij de brandweer, maar ook bij de andere organisaties die betrokken zijn bij de rampenbestrijding. Het is echter niet zeker of in de toekomst het aanbod van vrijwilligers voldoende zal zijn.

2.4 Oplossingsrichting

Territoriale congruentie hulpverleningsorganisaties als randvoorwaarde voor betere samenwerking. Sinds de verschillende hulpverleningsorganisaties in regionaal verband zijn georganiseerd is er al sprake van verschil in grenzen en schaalgrootte. Deze lappendeken belemmert een optimaal functioneren van de rampenbestrijdingsorganisatie. Op diverse wijzen is in de afgelopen jaren gestreefd naar territoriale afstemming van de verschillende gebiedsindelingen. Zo is in de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (Wghr) het uitgangspunt neergelegd dat de Wghr-regio's dezelfde grenzen moeten hebben als de brandweerregio's. Bij de implementatie van die wet is tevens door de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken aan de provincies verzocht om van de gelegenheid gebruik te maken de brandweer- en dus ook Wghr-regio's op de schaal van de politieregio's te brengen. Aan dit verzoek is destijds weinig gehoor gegeven.

Sinds de totstandkoming van de voorlopige samenwerkingverbanden in het kader van het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen vindt evenwel de regionale samenwerking met betrekking tot de geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen in veel gevallen op de schaal van de politieregio's plaats. Daarnaast zijn diverse fusieprocessen en voornemens daartoe waarneembaar met betrekking tot de brandweerregio's. Ik noem bijvoorbeeld de fusie van drie brandweerregio's in Friesland en de bijna gefuseerde brandweerregio's Noord- en Midden-Limburg. Dit alles leidt ertoe dat de drie hulpverleningsorganisaties steeds meer op dezelfde schaal zijn georganiseerd. Een voorbeeld hiervan is de situatie in Friesland.

In het algemeen deel van de memorie van toelichting op de begroting voor het jaar 1999 van mijn ministerie heb ik een onderzoek naar de voor- en nadelen van territoriale congruentie van de regionaal georganiseerde hulpverleningsorganisaties aangekondigd. Ongeveer 200 bestuurders en functionarissen bij brandweer, politie en gezondheidszorg zijn geënquêteerd.

De resultaten zijn helder. Er vindt een positieve ontwikkeling plaats in de bereidheid tot samenwerking in de zwaailichtensector. De huidige samenwerking tussen de betrokken instanties wordt hoog gewaardeerd. Het merendeel (91%) van de respondenten is van mening dat de wil tot samenwerking zich positief ontwikkelt. Een zeer grote meerderheid, 87% van de respondenten vindt territoriale congruentie gewenst. Als gevolg van congruentie neemt volgens 58% van de respondenten de professionaliteit toe. Indien als gevolg van territoriale congruentie middelen zouden vrijkomen, dan zouden deze aan professionalisering worden besteed. Tevens maakt territoriale congruentie een betere operationele afstemming en coördinatie tussen de hulpverleningsorganisaties mogelijk (84% van de respondenten), zowel in de reguliere taakuitvoering als bij rampen en calamiteiten. Ook zaken als vergelijkbare bevelstructuren tussen de hulpverleningsorganisaties en een evenwichtige spreiding van tactische kwaliteiten worden volgens een ruime meerderheid positief beïnvloed door territoriale congruentie. Dit geldt ook voor een eenduidige bestuurlijke leiding. Last but not least is 73% van mening dat de bestuurlijke slagkracht, zowel bij de reguliere taakuitvoering als bij rampen en calamiteiten wordt bevorderd, alsmede dat de kwaliteit van de beleidscoördinatie zal toenemen (84%). Uit het onderzoek zijn vrijwel geen nadelen van territoriale congruentie naar voren gekomen hoewel daar wel expliciet naar is gevraagd.

Tevens heb ik onderzoek laten doen naar de financiële gevolgen van territoriale congruentie. Bij dit onderzoek is uitgegaan van congruentie naar grenzen van de huidige politieregio's. Een belangrijk neveneffect van een dergelijke congruentie is dat er voor een aanzienlijk aantal gevallen sprake is van schaalvergroting van de brandweerregio's. Uit het onderzoek blijkt dat die schaalvergroting voor zowel de gemeenten als het Rijk afzonderlijk 8 a 9 % efficiency-winst op kan leveren. Voor gemeenten betreft dit de gemeentelijke bijdragen aan de regionale brandweer en voor het Rijk het Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen.

Een ander voordeel van territoriale congruentie is een vergemakkelijkte invoering van C2000. Het betreft de ontwikkeling naar één netwerk voor alle hulpverleningsorganisaties. Het feit dat de regio's in Nederland territoriaal niet gelijk zijn, is een van de redenen dat gekozen is om C2000 via een zogenaamd clustermodel in te voeren. De overgang van de oude analoge netwerken naar het nieuwe digitale C2000-netwerk kan hierdoor soepeler verlopen. Een beter afgestemde regionale indeling van de hulpverleningsorganisaties zou evenwel de implementatie sterk vereenvoudigen en de kosten kunnen beperken. Daarnaast is de bestuurlijke aansturing van het implementatietraject van C2000 op voorhand een stuk eenvoudiger .

Kortom, de direct betrokkenen zien veel voordelen van territoriale congruentie. Dit blijkt ook uit een reeds waar te nemen ontwikkeling van territoriale congruentie van de regionale brandweer en het bestuur van de geneeskundige hulpverlening bij rampen en zware ongevallen naar de schaal van de regionale politie. Beide gegevens wijzen erop dat het streven naar territoriale congruentie actief zou moeten worden voortgezet. Reeds in het Bestuursakkoord nieuwe stijl hebben gemeenten, provincies en Rijk aangegeven te bezien hoe gekomen kan worden tot territoriale congruentie.

Ook de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft aangegeven er voordeel in te zien als alle hulpverleningsorganisaties bestuurlijk op dezelfde schaal zijn georganiseerd. Gedoeld wordt daarbij op de besturen van de brandweerregio's, de regionale colleges van politie en de besturen van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en in het verlengde daarvan de besturen van de Regionale Ambulance Voorziening.

In de praktijk blijkt in congruentieprocessen doorgaans aansluiting te worden gezocht bij de huidige indeling van de politieregio's. Daarmee is evenwel niet gesteld dat die indeling in alle gevallen leidend moet zijn. Zoveel mogelijk dient gestreefd te worden naar maatwerk. Mede gezien de relatie tussen de politieregio's en de arrondissementsindelingen is aanpassing van de politieregio's op voorhand niet aan de orde.

Gelet op haar huidige verantwoordelijkheden bij regio-indelingen ligt het voor de hand dat de provincies een stimulerende rol vervullen in een proces van territoriale congruentie. In samenspel met de gemeenten, immers primair verantwoordelijk voor de rampenbestrijding, zal dit proces uiteindelijk tot een goed resultaat moeten kunnen worden gebracht.

Waar mogelijk frictiekosten ontstaan bij de vorming van nieuwe regio's is het de verwachting dat deze in relatie tot de te verwachten efficiencywinst adequaat kunnen worden opgevangen.

Ik ga uit van een door de provincies en gemeenten gedragen vrijwillig proces, waarbij vanuit het Rijk daar waar noodzakelijk dit proces op verschillende wijzen kan worden ondersteund. Naar verwachting zal de territoriale congruentie voor het jaar 2002 geëffectueerd kunnen zijn. Het sluitstuk met betrekking tot de territoriale afstemming zou het wettelijk verankeren van de nieuwe situatie moeten zijn.

Verdergaande samenwerking tussen regionale besturen brandweer en geneeskundig hulpverlening bij ongevallen en rampen In een aantal regio's zijn de betrokken gemeenten overgegaan tot een vorm van bestuurlijke integratie, waarbij de besturen voor de regionale brandweer en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen zijn samengaan. Doel van deze bestuurlijke integratie is een interdisciplinaire en integrale benadering van de problemen met betrekking tot de rampenbestrijding. Daarnaast neemt door deze ontwikkeling ook de bestuurlijke druk af. Dat wil zeggen dat minder overleggen nodig zijn voor een zelfde zoniet eenduidiger resultaat waardoor efficiënter met de tijd van betrokken actoren wordt omgegaan.

Deze ontwikkeling van nauwe samenwerking door middel van bestuurlijke integratie is goed te begrijpen vanuit de grote inhoudelijke verwevenheid van brandweer en de volksgezondheid bij grootschalig optreden. Het gaat bij de rampenbestrijding, maar ook bij de dagelijkse hulpverlening, veelal om het redden van de slachtoffers. Hoewel de brandweer daarbij vooral is gericht op het bevrijden van slachtoffers en de gezondheidszorg er op is gericht de slachtoffers te verzorgen, kunnen beide taakvelden niet gescheiden en als exclusief domein worden gezien.

Niet alleen uit de ontwikkeling van integratie van de regionale besturen brandweer en geneeskundige hulpverlening blijkt dat de problematiek waarmee de diensten te maken hebben op het terrein van de openbare veiligheid nauw met elkaar samenhangt. Te zien is ook dat in een aantal regio's op hetzelfde moment vergaderd wordt door het bestuur dan wel de besturen van de regionale brandweer en de geneeskundige hulpverlening en de regionale politie. Veelal wordt de agenda op regionaal niveau gecoördineerd.

Deze door een aantal geharmoniseerde regio's ingezette ontwikkelingen roept de vraag op of en hoe elders in het land zou moeten worden bevorderd dat zowel materieel als formeel één bestuur voor in ieder geval de brandweer en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen ontstaat, bijvoorbeeld in een personele unie met het regionaal college. Er zou met het oog op de rol van de politie bij de rampenbestrijding tevens kunnen worden gekomen tot een agenda coördinatie met de regionale politie respectievelijk het regionaal college.

Bij de beantwoording van bovenstaande vraag zullen ook andere aandachtspunten in beschouwing kunnen worden genomen. Het betreft de verdeling van taken en bevoegdheden van een dergelijk (geïntegreerd) regionaal bestuur in relatie tot die van de provincie respectievelijk de gemeenten. In dat verband rijst ook het vraagstuk van de toedeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden en coördinatie binnen de bestuurlijke hoofdstructuur van gemeenten, provincies en Rijk. Met betrekking tot de beantwoording van dat vraagstuk heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn notitie "Inrichting en functioneren binnenlands bestuur" van februari 1999 reeds kaders aangegeven die zullen worden betrokken bij bovenstaande vragen. Van belang in dit licht is ook een verdere uitwerking van een samenwerkingsmodel tussen gemeenten, regio en provincie in relatie tot de rampenbestrijding. Hierbij rijst de vraag in hoeverre de positie van de provincie in de voorbereiding op de rampenbestrijding helder is. De commissie Hermans bepleitte de provincie beter in staat te stellen de kwaliteit van het oefenbeleid in het kader van de rampenbestrijding te bewaken . Een betrokkenheid van de provincie bij de voorbereiding op de rampenbestrijding is logisch gezien de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Commissaris van de Koningin bij calamiteiten. In deze discussie kan ook de rol van een coördinerend burgemeester meegenomen worden.

Aangetekend moet worden dat van eventuele uitbreiding van de bevoegdheden van de provincie als sluitstuk van een samenwerkingsmodel met gemeenten en regio, allereerst bezien moet worden in hoeverre de provincies gebruik maken van de huidige bevoegdheden. Duidelijk is dat niet alle provincies in even sterke mate gebruik maken van de hen nu ter beschikking staande instrumenten. Uitbreiding van de bevoegdheden van de provincie is dan ook pas te overwegen indien duidelijk is dat daaraan dan ook in de toekomst een actieve invulling wordt gegeven. In dat kader valt te overwegen de ambtsinstructie van de Commissaris van de Koningin aan te passen.

Over het vraagstuk van bestuurlijke integratie en de verhouding tot de bestuurlijke hoofdstructuur is reeds in het werkprogramma van de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) een (voorlopige) onderzoeksvraag opgenomen. In de definitieve opdrachtformulering heb ik de Rob verzocht de ontwikkeling naar territoriale congruentie als uitgangspunt te nemen. Daarnaast heb ik gevraagd in hoeverre ook de vorming van de Regionale Ambulance Voorziening daarbij betrokken kan worden. Meer in het algemeen vraagt de positie van de geneeskundige sector aandacht. In het bijzonder het gegeven dat in die sector veel private actoren werkzaam zijn en dat veelal verantwoordelijkheden zijn ondergebracht bij wethouders. Dit in tegenstelling tot de brandweer en de politie die tot het pakket van de burgemeester behoren. De Rob brengt in de tweede helft van 1999 advies uit.

Verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland en België De grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland en België in het kader van de rampenbestrijding verdient de aandacht, gelet op de knelpunten die samenwerking met hulpverleningsdiensten uit de buurlanden bemoeilijken. Deze knelpunten liggen in het bijzonder op het vlak van de geneeskundige hulpverlening en de communicatie. In overleg met de bewindslieden van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Verkeer en Waterstaat is een aanvang gemaakt met het opstellen van een plan van aanpak om de gesignaleerde knelpunten weg te nemen. Onderdeel daarvan is een evaluatie en eventuele aanvulling van de bijstandsovereenkomsten met Duitsland en België. Het definitieve plan van aanpak is voor het einde van dit jaar gereed.

Verankering regionaal organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding In de huidige Brandweerwet 1985 is de taak van de regionale brandweer beschreven. Het betreft een minimum pakket. Over eventuele uitbreiding en de invulling van dat pakket moeten afspraken tussen de samenwerkende gemeenten worden gemaakt. Deze afspraken moeten worden neergelegd in de gemeenschappelijke regeling en de gemeentelijke verordeningen.

In het kader van het Project Versterking Brandweer is echter geconstateerd dat de intergemeentelijke samenwerking veelal van vrijblijvende aard is. Vaak bestaat geen duidelijkheid over de relatie tussen de taken van de regionale brandweer en die van de gemeentelijke korpsen. Het zijn echter wel de gemeentelijke korpsen die de basis vormen van het optreden in groter verband indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Het is dus noodzaak dat vanuit het oogpunt van effectief optreden in het kader van de rampenbestrijding in regionaal verband afspraken worden gemaakt omtrent de bijdrage van ieder gemeentelijk korps.

In het kader van het Project Versterking Brandweer hebben de meeste brandweerregio's een organisatieplan voor de brandweerzorg en rampenbestrijding in de regio opgesteld. Deze plannen geven aan hoe de organisatie van onder andere de rampenbestrijding er uit moet zien en wie daartoe welke inspanningen dient te leveren. Uit een analyse van de organisatieplannen die in de meeste regio's zijn vastgesteld blijkt dat de verankering van het organisatieplan in de gemeenschappelijke regeling en de verordening van de deelnemende gemeenten aandacht vereist. Nog niet altijd wordt onderkend dat afspraken over intergemeentelijke samenwerking en de taken en bevoegdheden van de gemeenten en de regio uiteindelijk moeten worden vastgelegd in deze regelingen. Voorkomen moet worden dat afspraken over samenwerking een vrijblijvend karakter hebben.

Een nadere beschouwing van de diverse regionale organisatieplannen laat tevens zien dat deze vaak zijn gericht op de eigen rol van de brandweer binnen de rampenbestrijding. De organisatieplannen zijn nog te "brandweerrood" ingericht. In beperkte mate is sprake van aandacht voor de eigen coördinerende rol van de regionale brandweer in de daarbij behorende samenwerking met de politie en de geneeskundige diensten. Ook de stuurgroep PVB is die mening toegedaan .

Te constateren is dat bijna alle regionale brandweren regionale organisatieplannen hebben opgesteld, maar dat de feitelijke uitvoering daarvan niet overal voldoende vorm krijgt. Het formeel vastleggen van afspraken door de aan de brandweerregio deelnemende gemeenten is tot nu toe achterwege gebleven. Ik merk op dat het uitblijven van zekerheid over het beschikbaar komen van extra Rijksmiddelen hierbij een rol gespeeld kan hebben.

Te overwegen is het opstellen van het regionaal organisatieplan als een taak van de regionale brandweer wettelijk te verankeren. Hiermee zou een verworvenheid van het Project Versterking Brandweer zeker kunnen worden gesteld.

Vanuit een oogpunt van uniformiteit waardoor zinvolle uitspraken over relatieve prestaties (uitwisselbaarheid van managementrapportages) van de regio's mogelijk worden valt tevens te overwegen in overleg met het veld aan te geven welke elementen een organisatieplan in ieder geval moet bevatten . In het bijzonder doel ik daarbij op de taakverdeling tussen de regionale en gemeentelijke brandweren in het kader van de rampenbestrijding. Ook kan gedacht worden aan de invulling van de inbreng van politie, gezondheidszorg en andere organisaties als bijvoorbeeld gemeentelijke diensten en waterschappen.

De bevoegdheid tot het vaststellen van het organisatieplan dient te berusten bij het bestuur van de regionale brandweer. Vanuit het oogpunt van bestuurlijke betrokkenheid en vergroting van de samenhang in het rampenbestrijdingsbeleid dienen echter ook de regionale besturen van politie en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen een rol te hebben in het vaststellen van het regionaal organisatieplan. Immers, het regionaal organisatieplan behoort ook aan te geven wat van de gezondheidszorg en de politie wordt verwacht.

Behoud vrijwilligheid
De organisatie van de rampenbestrijding steunt in grote mate op vrijwilligers. Dat is een goede zaak. Ik acht het van grote waarde dat de burger in staat wordt gesteld om persoonlijk bij te dragen aan de veiligheid van de samenleving. Het algemeen belang dienen en mensen helpen is bijvoorbeeld één van de belangrijkste beweegredenen van vrijwilligers om zich aan te sluiten bij de brandweer. Dit beeld wordt opnieuw bevestigd in het onderzoek "Brandweer en vrijwilligers" dat in opdracht van mijn ministerie is uitgevoerd . Een ander belangrijk voordeel van de inzet van vele vrijwilligers is dat de lokale inbedding van de brandweerorganisatie is verzekerd. De organisatie is niet alleen voor de burgers, maar ook van de burgers.

Daarnaast is het van belang te onderkennen dat de kosten voor de brandweer en rampenbestrijding zonder inzet van vrijwilligers aanzienlijk zullen toenemen. Nu investeren in behoud van vrijwilligers voorkomt aanzienlijk hogere structurele uitgaven in de toekomst.

Ondanks de knelpunten met betrekking tot de vrijwilligheid zoals eerder in dit hoofdstuk genoemd, zijn bovenstaande voordelen voor mij aanleiding om samen met het verantwoordelijke veld actief te streven naar het behoud van het vrijwilligerskarakter van de rampenbestrijdingsorganisatie in het algemeen en de brandweer in het bijzonder. Enerzijds door te streven naar minder tijdsbelasting van de brandweervrijwilliger. Anderzijds door het aanbod van vrijwilligers in het algemeen te vergroten. Hoewel ik verwacht dat de versterking van de regionale brandweer in het kader van de uitvoering van PVB -ik doel hier op de uitbreiding van de beroepsondersteuning van administratieve aard- de vrijwilliger zal ontlasten, zou ook op andere wijzen moeten worden gewerkt aan verdere ontlasting van de vrijwilliger.

Verminderen tijdsbelasting brandweervrijwilliger De vrijwilliger besteedt steeds meer tijd aan opleiden en oefenen waardoor de bereidheid om vrijwilliger te zijn onder druk staat. Immers, de vrijwilliger is een professional (in meer of mindere mate geldt deze problematiek overigens ook voor de vrijwilligers bij andere organisaties als de gezondheidszorg). In dit kader verdienen de opleidingseisen, zoals die in het Besluit brandweerpersoneel zijn neergelegd, nadere aandacht. Uit onderzoek van de Inspectie brandweerzorg en rampenbestrijding naar de uitvoering van dit besluit is gebleken dat het koppelen van opleidingseisen aan rangen in het besluit niet functioneel is. Het dwingt personeel, benoemd in een bepaalde rang, te voldoen aan de daarbij behorende opleidingseisen. Deze eisen zijn evenwel voor het functioneren van betrokkene niet altijd relevant. Zeker van vrijwilligers mag niet meer worden geëist dan strikt noodzakelijk is voor het functioneren.

Ik acht het daarom wenselijk de opleidingseisen in dit licht te herzien door deze te koppelen aan de functie en niet meer aan de rang. Het Besluit brandweerpersoneel dient dan in die zin te worden aangepast.

Niet alleen vanuit het oogpunt van belasting van de vrijwilliger dient naar het opleidingsniveau gekeken te worden. Ook uit het belang van de veiligheid van het personeel en van slachtoffers dient daarnaar gekeken te worden. Uit het onderzoek van de inspectie gebleken dat in 40% van de gemeenten vrijwillig- en beroepsbrandweerpersoneel, met actieve rollen in de rampenbestrijding, is aangesteld in rangen die niet worden ondersteund door het opleidingsniveau dat bij die rang hoort. Daarom is systematische aandacht nodig voor de kwaliteitsverbetering van het geheel van opleiden, oefenen en ervaring opdoen.

Een aanvullende maatregel in het kader van de tijdsbelasting van vrijwilligers kan zijn bepaalde functies uitsluitend door beroepspersoneel te laten uitoefenen. Op deze wijze is op voorhand duidelijk welke taken niet van vrijwilligers worden verwacht.

Deze ontwikkeling heeft echter ook een schaduwzijde, zo hebben ervaringen in andere sectoren ons geleerd. Professionalisering van de welzijnssector bijvoorbeeld, heeft er toe geleid dat de sector minder aantrekkelijk werd voor vrijwilligers. Zonder nu te stellen dat een dergelijk effect zich per definitie ook voordoet bij de brandweerorganisatie, is het wel iets waar rekening mee moet worden gehouden.

Zorgdragen voor voldoende aanbod van vrijwilligers Door het verminderen van de tijdsbelasting van de brandweervrijwilliger is niet veiliggesteld dat het aanbod van vrijwilligers groot genoeg is om in de vervangingsvraag te voorzien. Dit geldt niet alleen voor de brandweer maar ook voor andere organisaties binnen de rampenbestrijding waar veel vrijwilligers actief zijn. Zeker omdat de doelgroep waarop de werving van de vrijwilliger zich richt, de achttien- tot vijfendertigjarigen, de komende jaren afneemt bestaat onzekerheid over het aanbod van vrijwilligers. Daarnaast moet het vrijwilligerswerk binnen de rampenbestrijding concurreren met andere vormen van vrijetijdsbesteding waar spanning, techniek en teamwork gecombineerd kunnen worden. Ook het dienstbaar zijn aan de samenleving kan op andere wijzen worden ingevuld. Het is zaak om actief vrijwilligers te werven en de randvoorwaarden waaronder rechtspositionele voorzieningen aantrekkelijk te maken.

De brandweer, maar ook organisaties als het Nederlands Rode Kruis en de Nationale Reserve hebben bij het aantrekken van vrijwilligers lange tijd kunnen vertrouwen op het hebben van een goede naam en op mond tot mond reclame. Nu moeten deze organisaties echter actief naar buiten treden en een duidelijk positief imago opbouwen.

Vrijwilligers waren voorheen vooral mannen van autochtone afkomst. Vanuit de overtuiging dat ook de rampenbestrijdingsorganisatie een afspiegeling van de samenleving dient te zijn en omdat de noodzaak groeit om de potentiële doelgroep te vergroten, zal bijvoorbeeld de brandweer ook aantrekkelijk moeten zijn voor vrouwen en mensen van allochtone afkomst. Dat vergt een gerichte werving bij deze nieuwe doelgroepen naast de oude. Dit gaat niet vanzelf. Ik ondersteun inspanningen op dit terrein van bijvoorbeeld gemeenten graag en ben voornemens deze zonodig te activeren. In dat licht overweeg ik het initiëren van nationale wervingscampagnes.

Eerder memoreerde ik aan het onderzoek Brandweer en vrijwilliger. Dit onderzoek krijgt een vervolg waarin bekeken wordt hoe de rechtspositie van de vrijwilliger en de houding van werkgevers ten opzichte van vrijwilligers kunnen worden verbeterd. Het vervolgonderzoek zal naar verwachting aan het einde van dit jaar gereed zijn.

HOOFDSTUK III VOORKOMEN IS BETER

Realiseren van een organisatie die in staat is om op adequate wijze invulling te geven aan het beperken, beheersen en het voorkomen van risico's die kunnen leiden tot rampen en zware ongevallen.

3.1 Inleiding

Winst aan de voorkant
De laatste jaren wordt steeds meer onderkend dat de meeste winst te halen is aan de voorkant van de veiligheidsketen. De voorkant van de veiligheidsketen bestaat uit pro-actie en preventie. Bij pro-actie gaat het, zoals gezegd, om het structureel tegengaan van onveiligheid, dus om het wegnemen van de oorzaak van gevaar. Preventie is het samenstel van maatregelen ter voorkoming van ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan. Indien in een vroege fase van de besluitvorming over (potentieel) risicovolle zaken aandacht wordt gegeven aan alle veiligheidsaspecten kunnen veel effectievere maatregelen worden genomen. Bovendien is het een gegeven dat het achteraf aanbrengen van veiligheidsvoorzieningen óf onmogelijk is óf aanzienlijk meer kosten met zich meebrengt. Het belang van de fasen pro-actie en preventie in de veiligheidsketen vormt een essentieel onderdeel van de integrale benadering van veiligheidsbeleid, zoals die door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sinds 1995 wordt uitgedragen.

Relevant voor infrastructuur en ruimtelijke ordening Het beleid ter bevordering van veiligheid door middel van pro-actie en preventie is relevant voor veel verschillende zaken: grote infrastructurele bouwwerken, zoals de Hoge Snelheidslijn; voor ondergrondse bouwwerken, zoals de Westerscheldetunnel; voor chemische bedrijven met de kans op een zwaar ongeval, maar ook voor grootschalige branden in andere bouwwerken. Kortom, bij ontwikkelingen op het terrein van infrastructuur, ruimtelijke ontwikkeling en ontwikkelingen rond bouwen en bouwwerken. Hierbij zijn uiteraard vele actoren betrokken, zoals lokale overheden, hulpverleningsorganisaties, andere departementen en vele partijen uit de marktsector.

Pro-actie en preventie langs twee sporen
Aan pro-actie en preventie moet langs twee sporen worden gewerkt. Het ene is het rijksniveau, waarbij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vanuit zijn coördinerende verantwoordelijkheid voor integrale veiligheid betrokken is bij de planontwikkeling voor grote infrastructurele projecten. Tevens is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor de algemene beleidsontwikkeling op het gebied van pro-actie en preventie. Het andere spoor is het gemeentelijke en regionale niveau. Gemeenten worden immers ook in de voorbereidende fase geconfronteerd met de aanleg van grote infrastructurele projecten. Gemeentelijke en regionale brandweren zijn betrokken bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de pro-actie en preventie waar het gaat om niet-landelijke of bovenregionale projecten met bijzondere risico-aspecten.

Integraal Veiligheidsprogramma
Onlangs heeft het kabinet het Integraal Veiligheidsprogramma (IVP) uitgebracht, ter voortzetting van het integraal veiligheidsbeleid van het vorige kabinet. Het gaat daarbij om zowel sociale als fysieke aspecten van veiligheid en de inbreng van medeoverheden, maatschappelijke organisaties en private partners. In het IVP komen de onderwerpen jeugdcriminaliteit, overlast, geweld en horeca, veilige leefomgeving, overvallen en straatroof, voertuigencriminaliteit en verkeersveiligheid aan de orde. Met name bij de onderwerpen veilige leefomgeving en verkeersveiligheid ligt een relatie met de rampenbestrijding.

In het IVP is ook onafhankelijk ongevallenonderzoek opgenomen. De regering hecht grote waarde aan diepgaand onderzoek naar de oorzaken van zware ongevallen en rampen, om achterliggende oorzaken van het ongeval te achterhalen en om maatschappelijke verontrusting weg te nemen door het verschaffen van helderheid voor slachtoffers dan wel nabestaanden. Deze lessen vormen tevens de basis om herhaling te voorkomen en dus pro-actief en preventief te handelen. Voor het diepgaand onderzoek naar transportongevallen zal de onafhankelijke Raad voor de Transportveiligheid in 1999 van start gaan. Voor het onderzoeken van defensieongevallen is er de onafhankelijke Defensieongevallenraad i.o. Het onderzoek naar ongevallen en incidenten die buiten het werkterrein van deze raden vallen, heeft mijn bijzondere aandacht. Het gaat dan onder andere om natuur- en milieurampen, kernrampen, industriële rampen, ernstige verstoringen van de openbare orde en gevaren voor de volksgezondheid.

Zoals reeds eerder aan de Tweede Kamer is gemeld laat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, samen met onder andere Verkeer en Waterstaat, Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Volksgezondheid Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een verkenning uitvoeren naar nut en noodzaak van onafhankelijk onderzoek naar deze ongevallen. Speciale aandacht zal daarbij worden gegeven aan de onafhankelijkheid en de integrale aanpak van het ongevallenonderzoek. In het belang van het diepgaand ongevallenonderzoek in het algemeen, is het wenselijk om de drie ontwikkelingen op het gebied van onafhankelijk onderzoek (in de transportsector, bij defensieongevallen en op het resterende terrein) in onderling verband te plaatsen en te stroomlijnen. Het gaat dan om het vinden van gezamenlijke uitgangspunten voor ongevallenonderzoek en het voorkómen van versnippering. De verkenning zal in het voorjaar 2000 worden afgerond.

3.2 Resultaten
Onder meer in het kader van het integraal veiligheidsbeleid van de afgelopen jaren zijn op rijksniveau belangrijke aanzetten gegeven voor meer pro-actie en preventie. Het instrumentarium voor de VeiligheidsEffectRapportage (VER) is in opbouw en de ontwikkeling van het beveiligingsconcept voor ondergrondse bouwwerken is ter hand genomen.

De VeiligheidsEffectRapportage
Om bij lokale overheden, hulpverleners, maar ook ontwerpers, toekomstige gebruikers en eigenaren veiligheid al bij het begin van het ontwerpproces onder de aandacht te brengen en gedurende de bouw en het gebruik onder de aandacht te houden, is de
VeiligheidsEffectRapportage ontwikkeld. De VER en het bijbehorende instrumentarium bieden hulpmiddelen om de besluitvorming rond projecten zo te organiseren dat op de daarvoor geëigende momenten de juiste veiligheidsvragen worden gesteld en de juiste veiligheidsactiviteiten worden gestart.

Recentelijk is gestart met de toepassing van het instrumentarium in een beperkt aantal projecten (ruimtelijke ordening en infrastructuur) om de bruikbaarheid te toetsen en eventueel te verbeteren. Daarbij wordt tevens bezien of de VER beperkt moet blijven tot ruimtelijke ordening en infrastructuur of dat uitbreiding tot andere soorten besluiten wenselijk is. Er zal voor worden zorggedragen dat de VER geen doublures oplevert met andere effectrapportages, als bijvoorbeeld de MilieuEffectRapportage (MER). Ook is het niet de bedoeling dat de VER leidt tot aanpassingen van de formele besluitvorming.

Er begint nu vanwege de proefprojecten aandacht bij gemeenten te ontstaan voor de VER. In samenwerking met het Informatiepunt Lokale Veiligheid van de VNG zal een databank voor 'best practices' worden opgezet. Ook zal in 2000 flankerend beleid worden gevoerd om de mogelijkheden van de VER voor toepassing in gemeenten verder onder de aandacht te brengen. Het streven is erop gericht dat daardoor aan het einde van deze kabinetsperiode 25% van de gemeenten het instrument VER heeft toegepast.

Beveiligingsconcept ondergrondse bouwwerken
In verband met de beperkte ruimte in Nederland wordt steeds vaker ondergronds gebouwd of worden wegen en spoorwegen overkapt. Dit heeft consequenties voor de gevolgen van en risico's bij calamiteiten, zowel voor burgers als voor het optreden van hulpverleningsorganisaties. In 1996 is daarom een gezamenlijk project van het ministerie van Binnenlandse Zaken en het Centrum Ondergronds Bouwen gestart, het project "Beveiligingsconcept ondergrondse bouwwerken". In dit project worden voor onder andere de fysieke veiligheid veiligheidsnormen ontwikkeld, aan de hand waarvan besluitvorming kan plaatsvinden over voorzieningen en maatregelen ter bevordering van de veiligheid van ondergrondse gebouwen.

Allereerst is een "Leidraad bij de besluitvorming" gemaakt. Hierin staat welke veiligheidsaspecten moeten worden meegewogen bij beslissingen over een ondergronds bouwwerk, op welke wijze, wanneer dat moet gebeuren en wie waarvoor verantwoordelijk is. Dit najaar wordt de leidraad in regionale voorlichtingsbijeenkomsten onder de aandacht gebracht. De leidraad wordt uitgebracht in een papieren versie en op CD-rom. Tevens wordt de leidraad gepubliceerd op internetsites van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Centrum Ondergronds Bouwen.

Daarnaast zijn "Specifieke beveiligingsconcepten" voor bepaalde ondergrondse bouwwerken voorzien, waarin is aangegeven welke maatregelen en voorzieningen nodig zijn om een ondergronds bouwwerk voldoende veilig te maken. De beveiligingsconcepten zijn bedoeld voor ontwerpers, bouwers, hulpverleners, vergunningsverleners en gebruikers. In de loop van 2000 zullen beveiligingsconcepten voor ondergrondse parkeergarages en winkelcentra worden opgesteld. Hierna zal bezien worden of ook voor andersoortige ondergrondse bouwwerken specifieke beveiligingsconcepten ontwikkeld moeten worden.

Met betrekking tot ondergrondse bouwwerken zoals verkeers- en spoorwegtunnels is het ook van belang dat ook daarin gecommuniceerd kan worden. Het C2000 netwerk zal ten behoeve van de hulpverleningsdiensten ook in dergelijke ondergronds bouwwerken moeten kunnen functioneren. Daarvoor zal in een aantal gevallen een speciale voorziening nodig zijn. Ik ben voornemens de verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van deze voorzieningen bij de eigenaar dan wel beheerder van het object te leggen.

Grote infrastructurele projecten
Bij vele grote infrastructurele projecten is de aandacht voor fysieke veiligheidsaspecten toegenomen. Het gaat hierbij om de HogeSnelheidsLijn-zuid, de Betuweroute en de Westerscheldetunnel. Het ministerie van BZK vervult ten aanzien van fysieke veiligheid bij dergelijke projecten in relatie tot de andere betrokken departementen een coördinerende rol, die met name gericht is op de bevordering van de hulpverlening. Ik acht het van groot belang om het ingezette beleid op dit gebied voort te zetten en verder te ontwikkelen.

Pro-actie en preventie op regionaal en gemeentelijk niveau In het kader van het Project Versterking Brandweer is onderkend dat pro-actie en preventie ook regionaal en lokaal meer aandacht moeten krijgen als essentiële schakels in de veiligheidsketen. Integrale veiligheid kan op deze niveaus anders niet worden gerealiseerd. Bij pro-actie en preventie moet niet slechts worden gedacht aan grootschalige infrastructurele projecten. Ook bij de totstandkoming of wijziging van bijvoorbeeld bestemmingsplannen of inrichten van openbare ruimten zijn op een kleinere schaal elementen van voorkomen en beperken aan de orde.

In de referentiekaders Project Versterking Brandweer is derhalve ook aandacht besteed aan de pro-actie en preventie. Naast deze referentiekaders zijn producten verschenen als de publicaties Stappenplan integrale veiligheid, Brandweer en integrale veiligheid, de VNG-publicatie Gemeentelijk veiligheidsbeleid en de Effectwijzer. Deze producten geven een eerste aanzet voor een gemeentelijk en regionaal beleid gericht op pro-actie en preventie en de betrokkenheid van de rampenbestrijdingsorganisatie daarbij.

3.3 Huidige aandachtspunten

Normering fysieke veiligheid
Het gedachtegoed van de integrale benadering van veiligheid is nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Het betrekken van de fysieke aspecten van veiligheid al in de beginfase van de besluitvorming over grote projecten is nog niet vanzelfsprekend. Daarom is de VeiligheidsEffectRapportage in de steigers gezet. Dit instrument richt zich op het proces van besluitvorming zonder inhoudelijk richting te geven aan de besluitvorming. Bij de planning en uitvoering van infrastructurele projecten is bij beleidsmakers, lokale overheden, projectontwikkelaars en uitvoerders ook een sterke behoefte gebleken aan normering op het gebied van fysieke veiligheid. Men vraagt zich af wanneer voldoende maatregelen zijn genomen om een adequaat veiligheidsniveau te waarborgen. Te vaak is er sprake van een ad-hoc benadering, waarin voor elk project afzonderlijk een ingewikkelde exercitie nodig is om te bepalen of een voldoende veiligheidsniveau wordt bereikt.

Gemeenten en regio
Pro-actie en preventie met betrekking tot de rampenbestrijding behoren tot nu toe in beperkte mate tot het takenpakket van de regionale brandweer en gemeenten. Mede hierdoor zijn gemeenten en regionale brandweren nog niet voldoende toegerust om de taken op het gebied van pro-actie en preventie uit te kunnen voeren. De ongeveer honderd formatieplaatsen die in het kader van het Project Versterking Brandweer ter beschikking zijn gesteld aan de regionale brandweren waren bedoeld voor de bedrijfsvoering en beleidsondersteuning en zijn dus niet gericht op de aandachtsvelden pro-actie en preventie. Daarnaast bestaat er nog niet altijd voldoende bestuurlijke aandacht voor deze onderwerpen. Op korte termijn vragen enkele ontwikkelingen echter wel om extra inspanningen. Zo komen er op grond van de Seveso II-richtlijn van de Europese Unie nieuwe verplichtingen op het gebied van de veiligheidszorg ten aanzien van de meest risicovolle industrieën, waarbij ook de brandweer een belangrijke taak heeft. Ook zijn er de nieuwe grote infrastructurele projecten zoals HSL-Oost en Betuweroute Noordtak, waarbij deelname door regionale brandweren in de besluitvorming dringend gewenst is. Het ontbreekt echter aan de capaciteit, kennis en kunde daarvoor.

Een rapport van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding van april 1999 bevestigt dit beeld . De betrokkenheid en kennis van de brandweer bij het ontwerpen en ontwikkelen van ruimtelijke ordening en infrastructurele projecten en de kennis van risico's en effecten is in het algemeen te gering om op de juiste wijze pro-actief te handelen. Door het ontbreken van deugdelijke pro-actie is niet uit te sluiten dat gevaren van ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening of infrastructuur pas blijken op het moment dat (de plannen voor) bijvoorbeeld een industrie(gebied) of een autoweg zich al in een vergevorderd stadium bevinden. Uit het weinig toepassen van gebruiksvergunningen, het geringe aantal controles dat wordt uitgevoerd en de beperkte deskundigheid waarover kan worden beschikt, kan worden afgeleid dat aan de preventie ten aanzien van gevaarlijke stoffen geen hoge prioriteit wordt gegeven.

3.4 Oplossingsrichtingen

Risicobeleid
Om in de leemte in normering van fysieke aspecten van veiligheid te voorzien, ben ik voornemens de komende jaren een risicobeleid te ontwikkelen, als onderdeel van het gehele veiligheidsbeleid. Het doel daarvan is om bij projecten eenduidige antwoorden te realiseren op de vragen wat een aanvaardbaar veiligheidsniveau is, wanneer de hulpverlening adequaat kan optreden bij calamiteiten en welke risico's overblijven na toepassing van pro-actieve en preventieve maatregelen. Het betreft hier een algemeen kader. Ook voor specifieke beleidsterreinen zal mede aan de hand van dat algemeen kader een aanvaardbaar veiligheidsniveau moeten worden geformuleerd. Als voorbeeld zijn de te ontwikkelen specifieke beveiligingsconcepten voor ondergrondse bouwwerken te noemen.

De behoefte hieraan bestaat ook bij andere ministeries. Met Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zal nauw worden samengewerkt om gezamenlijk deze meetlat en normen te ontwikkelen. Het eerste onderwerp dat in dat verband alsmede in het kader van het Integraal Veiligheidsprogramma zal worden aangepakt, is een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau voor infrastructuur en transport. Doelstelling is ten behoeve van bestuurders normen te ontwikkelen aan de hand waarvan ten aanzien van infrastructurele projecten en bouwprojecten in de nabijheid van infrastructuur getoetst kan worden hoe dit maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau moet worden bereikt. Het streven is deze veiligheidsnormen in 2002 beschikbaar te hebben.

Versterking regionale brandweer
Zoals gezegd dienen de regionale brandweren hun pro-actieve en preventieve taken beter te kunnen uitoefenen dan thans mogelijk is. Daarbij gaat het vooral om taken die behoren tot de verantwoordelijkheid van de betrokken gemeenten.

De organisatie van de regionale brandweren zal hiertoe adequaat moeten worden ingericht. Gezien de specifieke deskundigheid die is gewenst ligt het niet voor de hand dat deze binnen iedere gemeente voorhanden is. Een concentratie van deskundigheid bij de regionale brandweer ter ondersteuning van de deelnemende gemeenten verdient de voorkeur.

Ten eerste zal de taakomschrijving van de regionale brandweer zoals opgenomen in de Brandweerwet 1985 moeten worden aangepast. In de taakomschrijving is pro-actie en preventie ten aanzien van de rampenbestrijding niet opgenomen. Wel bestaat alom overeenstemming dat juist de regionale brandweer terzake een belangrijke rol kan spelen.

Daarnaast is er bij de regionale brandweren een tekort aan mensen met de benodigde kennis en kunde omtrent pro-actie en preventie. Ook omdat Rijksbeleid ten aanzien van grote infrastructurele projecten het nodige veroorzaakt in de regio's wil ik stimuleren dat op regionaal niveau voldoende personele capaciteit beschikbaar komt om de taken op het gebied van pro-actie en preventie naar behoren te kunnen uitvoeren. Als onderdeel van de implementatie van het Project Versterking Brandweer zal die extra capaciteit verwezenlijkt worden.

Twee bijzondere knelpunten zullen met voorrang worden aangepakt, te weten de reeds eerder genoemde verplichtingen vanuit de Europese Seveso II richtlijn en de taken die er zijn ten aanzien van de bovenregionale infrastructurele projecten. Voor deze knelpunten zal op korte termijn extra personele capaciteit met voldoende specifieke deskundigheid beschikbaar komen. Het Rijk draagt bij aan de financiering hiervan.

HOOFDSTUK IV NORMEN VOOR VEILIGHEID

Naar een organisatie waarvan een kwalitatief goed functioneren is gewaarborgd.

4.1 Inleiding

Kwaliteit als bestuurlijke verantwoordelijkheid Het bestuur is verantwoordelijk voor het waarmaken van een adequaat niveau van fysieke veiligheid voor de burgers door de systematische zorg voor kwaliteit van de betrokken organisaties. Dit betekent dat de bijdrage van de rampenbestrijdingsorganisatie aan veiligheid moet worden uitgedrukt in meetbare normen en criteria.

Het is noodzakelijk dat de kwaliteitsnormen worden geaccepteerd door de verschillende betrokkenen. Draagvlak bij de uitvoerende organen, maar ook bij de bestuurlijk verantwoordelijken is nodig. De kwaliteitsnormen zullen uiteindelijk de eigen normen van de betrokken partijen moeten worden waarvoor zij zich verantwoordelijk voelen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is mede verantwoordelijk voor de bevordering van een adequaat niveau van de rampenbestrijdingsorganisatie in Nederland. Deze taak wordt enerzijds geconcretiseerd door de bevordering van de totstandkoming van kwaliteitsnormen en anderzijds door de sturende en toetsende rol van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de wijze waarop betrokken overheden hun taak vervullen.

Twee vormen van kwaliteit; proces en inhoud
Met betrekking tot de rampenbestrijdingsorganisatie onderscheid ik twee vormen van kwaliteit. De eerste kent een procesmatige en de tweede een inhoudelijke invalshoek. Beide invalshoeken kunnen niet los van elkaar worden gezien. Bij beide vormen van kwaliteit geeft het verantwoordelijke bestuur aan welk niveau wordt nagestreefd.

Niet alle risico's kunnen worden uitgesloten. Indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet, dienen de gevolgen daarvan te worden beheerst. Om te bepalen aan welke eisen de rampenbestrijdingsorganisatie moet voldoen, behoort een systematisch proces doorlopen te worden. Ten eerste moeten de risico's in de regio en de daaraan verbonden gevolgen zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. Ten tweede dient op basis daarvan een besluit te worden genomen over de mate waarin men op deze risico's voorbereid wil zijn. Ten derde kan dan de gewenste rampenbestrijdingsorganisatie tot stand worden gebracht. Ten slotte dient de organisatie actueel gehouden te worden omdat de risico's in een regio kunnen veranderen, bijvoorbeeld door de aanleg van industriële complexen en snelwegen. Dit vergt een regelmatig herbezinning op de gemaakte keuzes, bijvoorbeeld in een vierjaarlijkse cyclus.

Het systematisch en gestructureerd doorlopen van het bovenstaand proces van risicowaardering naar de inrichting van de rampenbestrijdingsorganisatie levert bij elke stap een veelheid aan producten op. Enkele voorbeelden daarvan zijn een lijst van gevaarlijke objecten en activiteiten, rampbestrijdingsplannen, oefenplannen, opleidingsplannen en meerjarige materieelplannen. Om deze producten te kunnen opstellen en toetsen zijn heldere inhoudelijke kwaliteitsnormen nodig die van tijd tot tijd geactualiseerd moeten worden.

Bestuurlijke afweging
Burgemeester en wethouders zijn ingevolge de Wet rampen en zware ongevallen belast met de voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen in de gemeente. Het gemeentebestuur heeft dan ook een nadrukkelijke positie in het waarderen van risico's en het hanteren van kwaliteitsnormen. Het ontwerpen van de gewenste rampenbestrijdings-organisatie vereist dat gemeenten keuzen maken. Het gewenste ontwerp behoeft namelijk niet alle risico's repressief af te dekken. Dat zou soms een bovenmatige en wellicht zelfs onevenredige investering vragen.

In de afweging in hoeverre de risico's repressief afgedekt zouden moeten worden kan door het gemeentebestuur ook het verminderen van de risico's door extra preventieve maatregelen meegewogen worden. Indien mogelijk kunnen bijvoorbeeld bij verlengen van een vergunning op basis van de Wet milieubeheer hogere eisen worden gesteld of kan deze zelfs worden ingetrokken.

Het gaat er om niet alleen op incidenten te reageren, maar permanente systematische aandacht voor risico's te hebben. Dat bij de vormgeving van de rampenbestrijdingsorganisatie uitgegaan zou moeten worden van een deugdelijke risicoinventarisatie en -waardering heeft de regering ook aangegeven in de beantwoording van de schriftelijke vragen van de Tweede Kamer over het eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp.

4.2 Het probleem

In het kader van het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen is geconstateerd dat de voorbereiding op de rampenbestrijding nog niet overal systematisch ter hand is genomen. Het risicobewustzijn bij het bestuur groeit, maar is nog niet in alle gevallen in voldoende mate aanwezig en expliciete keuzen met betrekking tot de te realiseren rampenbestrijdings-organisatie in relatie tot de aanwezige risico's en mogelijke gevolgen daarvan, worden door het gemeentebestuur nog niet altijd gemaakt. Alhoewel inventarisaties van risico's beschikbaar zijn, zijn deze veelal niet compleet. Vaak is ook niet geëxpliceerd wat de mogelijke effecten zijn van de aanwezige risico's, bijvoorbeeld in termen van te verwachten aantal slachtoffers. De risicoinventarisaties zijn niet vertaald in concrete opdrachten aan en operationele prestaties van de rampenbestrijdingsorganisatie.

Voor de brandweer zijn in het kader van het Project Versterking Brandweer kwaliteitsnormen ontwikkeld, die echter nog niet voldoende zijn uitgewerkt in meetbare prestaties. Het betreft hier de zogenoemde Referentiekaders.

Voor het grootschalig politieoptreden, waaronder rampenbestrijding, worden thans in opdracht van de Raad van hoofdcommissarissen eveneens referentiekaders opgesteld.

Voor de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen zijn evenwel nog geen kwaliteitsnormen ontwikkeld. Het gaat hier om kwaliteitsnormen met betrekking tot het organiek functioneren en niet om het medisch inhoudelijk handelen. Zolang voor de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij rampen deze kwaliteitsnormen nog niet zijn ontwikkeld, ontbreekt het dus nog aan een samenhangend geheel aan kwaliteitsnormen voor de totale rampenbestrijdingsorganisatie.

4.3 Oplossingsrichtingen

Deze kabinetsperiode is mijn inzet erop gericht om de voorbereiding op de rampenbestrijding meer systematisch en structureel te laten verlopen en de bestuurlijke betrokkenheid daarbij te vergroten. Enerzijds door in nauwe samenspraak met de verantwoordelijke besturen en inhoudelijk deskundigen de gemeenten en regionalen brandweren te ondersteunen bij die voorbereiding. Anderzijds door de gemeenten en regio's meer aan te spreken op gerealiseerde en te realiseren producten en te leveren prestaties, hetgeen uiteindelijk zijn weerslag zal vinden in een nieuwe financieringssystematiek. Hieronder ga ik nader in op deze voornemens.

Ondersteunen risicowaardering
In de Handleiding rampenbestrijding is een globaal overzicht opgenomen van ramptypen die zich kunnen voordoen. Te denken valt daarbij aan een ongeval met brandbare dan wel explosieve stoffen, aan de instorting van een groot gebouw of aan paniek in menigten. Deze lijst met ramptypen is opgesteld om de gemeenten behulpzaam te zijn bij het inventariseren van de aanwezige risico's. Ik zal samen met het veld bezien in hoeverre deze lijst nog actueel is en eventueel per ramptype een verdere uitwerking geven met voorbeelden van objecten dan wel activiteiten. Uiterlijk 1 januari 2001 zou dan iedere regio dienen te beschikken over een uitputtende risicoinventarisatie die bestuurlijk is vastgesteld. Het gaat daarbij niet zozeer om de kleinschalige risico's als bijvoorbeeld een auto-ongeluk, maar om de meer grootschalige risico's als de aanwezigheid van industriële complexen.

De grootste moeilijkheid bij de regio's is evenwel niet zozeer de risicoinventarisatie, maar het in kaart brengen van de mogelijke effecten van die risico's en de gevolgen voor opdrachten aan en de operationele prestaties die worden verwacht van de rampenbestrijdingsorganisatie. Dit is ook gebleken in het traject van verbetering van de voorbereiding van vliegtuigongevallen op luchtvaartterreinen. Gemeentebesturen waren slecht op de hoogte van welke concrete gevolgen dergelijke ongevallen met zich mee zou kunnen brengen. Mijn ministerie heeft daarom samen met andere betrokken ministeries een leidraad ontwikkeld die inzichtelijk maakt welke effecten te verwachten zijn bij vliegtuigongevallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het aantal te verwachte slachtoffers en het aantal verwanten dat om inlichtingen zal bellen.

Gebleken is dat een dergelijke leidraad behulpzaam is bij het ontwerpen van een rampenbestrijdingsorganisatie die toegesneden is op de aanwezige risico's. Deze kabinetsperiode ben ik voornemens samen met het veld soortgelijke instrumenten te ontwikkelen gericht op de grotere ramptypen uit de Handleiding rampenbestrijding.

Ondersteunen kwaliteitsnormen
Naast het ondersteunen van het proces van risicoafweging ben ik voornemens samen met operationeel deskundigen de reeds ontwikkelde Referentiekaders verder uit te werken. Een belangrijke inbreng daarbij zal zijn de in hoofdstuk 3 beschreven uitkomsten van het risicobeleid. Voorts is het wenselijk ook voor de organisatie van geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen referentiekaders te ontwikkelen. Daarbij kan aangesloten worden op de door de gezondheidssector zelf ontwikkelde normen in het kader van harmonisatie kwaliteitsbeoordeling zorginstellingen. Verder is ook aanvulling van de huidige referentiekaders gewenst om samenwerking tussen de diverse diensten en organisaties te verbeteren. Daarbij gaat het ook om kaders voor wat van bijvoorbeeld actoren als waterleidingbedrijven en de Nederlandse Spoorwegen kan worden verwacht.

Daarnaast zou vastgelegd kunnen worden dat indien het verantwoordelijke lokaal bestuur van mening is dat afgeweken kan worden van de Referentiekaders, het per geval een deugdelijke motivering moet kunnen geven. Afwijken van Referentiekaders zou dan een expliciete keuze zijn. Voor het vastleggen kan gedacht worden aan het sluiten van bestuursovereenkomsten of het verankeren in wet- en regelgeving. Het gaat er om helder te maken wat van iedere partner in de rampenbestrijding mag worden verwacht.

Niet alleen het hanteren van de Referentiekaders dient naar mijn mening te worden verzekerd, maar ook het onderhoud ervan. Voortschrijdend inzicht kan ertoe leiden dat bepaalde kwaliteitsnormen moeten worden aangepast. Ik zal samen met het veld bezien op welke wijze structureel voorzien kan worden in het actueel houden van de Referentiekaders.

Bovenstaande initiatieven dienen om het lokale bestuur te ondersteunen bij alle genoemde stappen in het proces van risicowaardering naar de inrichting van de rampenbestrijdingsorganisatie.

Het organisatieplan rampenbestrijding: een stelsel van heldere afspraken Indien de bestaande rampenbestrijdingsorganisatie als uitkomst van het proces van risicowaardering afwijkt van de gewenste organisatie zullen door de verantwoordelijke gemeenten heldere afspraken moeten worden gemaakt over de noodzakelijke kwaliteitsverbetering. Deze bestuurlijke afspraken dienen hun weerslag te vinden in de regionale organisatieplannen.

Het organisatieplan wordt thans vastgesteld door het bestuur van de brandweerregio. Zoals ik in hoofdstuk 2 heb aangegeven, ligt het voor de hand dat in de toekomst het organisatieplan rampenbestrijding zal worden vastgesteld door het bestuur van de regionale brandweer in overleg met het regionaal college van politie en het regionale bestuur voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Daarmee wordt recht gedaan aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid van alle drie de regionale besturen. Ik ben ervan overtuigd dat deze gedeelde bestuurlijke verantwoordelijkheid de onderlinge samenwerking een extra impuls geeft en ertoe zal leiden dat de taken en prestaties van de drie hulpverleningsorganisaties in onderlinge samenhang in het organisatieplan zullen worden opgenomen.

Gelet op de spilfunctie van de brandweer stel ik mij voor dat ten aanzien van de opstelling van het organisatieplan rampenbestrijding de regionale brandweer het voortouw heeft. De taken van de afzonderlijke betrokken hulpverleningsorganisaties, brandweer, geneeskundige hulpverlening en politie als uitvloeisel van het organisatieplan kunnen als deelplannen bij het organisatieplan worden gevoegd.

Omdat de situatie in een regio zich kan wijzigen dient het organisatieplan regelmatig te worden herzien. Daarbij denk ik aan een periode van vier jaar. Het opnieuw vaststellen van een organisatieplan valt dan samen met het aantreden van een nieuw gekozen gemeentebestuur.

Het organisatieplan als sturingsinstrument
Het organisatieplan dient als waarborg voor een voldoende kwaliteitsniveau voor de rampenbestrijding in de regio. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het systeem van de rampenbestrijding acht ik het daarom alleszins wenselijk dat de deugdzaamheid van dit organisatieplan wordt verzekerd.

Gelet op de rol van de provincie in het kader van de rampenbestrijding ligt het voor de hand dat de regionale brandweer jaarlijks niet alleen aan de gemeentebesturen maar ook aan de provincie rapporteert over de voortgang van de uitvoering van het organisatieplan. De provincies zouden de uitvoering van het organisatieplan zonodig kunnen bijsturen en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen informeren . Daarbij kan de provincie ook haar coördinerende taak uitvoeren zodat de voorzieningen in de verschillende regio's binnen de provincie goed op elkaar zijn afgestemd. Aan de gedachte om de rol van de provincie in het kader van samenwerking tussen gemeenten, regio en provincie binnen de rampenbestrijding te verbreden is tevens in hoofdstuk II van deze hoofdlijnennotitie aandacht besteed. Een nadere gedachtewisseling over de rol van de provincie is zeer op zijn plaats in een discussie over het organisatieplan als sturingsinstrument en als basis voor een managementrapportage systeem.

Binnen deze discussie over de vormgeving van een managementrapportage systeem kan ook huidige periodieke rapportage door de Commissarissen van de Koningin over de stand van zaken met betrekking tot het oefenen door gemeenten en regio's worden meegenomen. In het kader van de parlementaire enquêtecommissie is de Tweede Kamer medegedeeld dat de aard en diepgang van die huidige rapportages verschilt en dat wordt gewerkt aan meer stroomlijning van een dergelijk systeem.

Een rapportage aan de provincie zal uiteraard de inspectietaak van het Rijk onverlet laten. Ik stel mij voor dat de Inspectie brandweerzorg en rampenbestrijding het regionaal organisatieplan en de voortgang van de uitvoering daarvan steekproefsgewijs zal toetsen.

Financieringssystematiek
De huidige financieringssystematiek is gericht op input. De Rijksbijdrage is gericht op de bekostiging van mensen en middelen zonder daarbij een relatie te leggen met de aanwezige risico's in een regio en de te realiseren prestaties. Een dergelijk systeem acht ik niet meer van deze tijd. Mijn gedachten gaan ernaar uit meer te gaan sturen op te leveren prestaties. Bij de ontwikkeling van een financieringssystematiek onderscheid ik stappen op korte en lange termijn.

Korte termijn
Om de kwaliteit van een op de risico's toegesneden rampenbestrijdingsorganisatie te vergroten ben ik bereid de totstandkoming van bepaalde producten als een deugdelijke risicoinventarisatie en -waardering, het oefenplan, een opleidingsplan en een meerjarige materieelplan financieel te ondersteunen. Hiertoe zal ik in overleg treden met de gemeenten en in aanvulling op het huidige Besluit doeluitkering bestrijding rampen en zware ongevallen een financieringsregeling ontwerpen. Voor deze financieringsregeling stel ik mij een programmatische aanpak voor. Rekening houdend met de verschillen in tempo en fasering per regio wil ik met de besturen van de regionale brandweren concrete afspraken maken over te realiseren activiteiten en producten. Niet elke regio is immers even ver gevorderd met de verbetering van de rampenbestrijdingsorganisatie. Zoals reeds in hoofdstuk II vermeld, zal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen de Rijksbijdrage geleidelijk worden verhoogd. Ook in dit verband wil ik eenzelfde aanpak ontwikkelen.

De nieuwe regeling die uiterlijk op 1 januari 2000 in werking moet treden beschouw ik als een interimregeling. Op de korte termijn kan op basis van de huidige Referentiekaders immers beperkt aangegeven worden aan welke prestatienormen de diverse producten moeten voldoen.

Lange termijn
De gemeentebesturen zijn verantwoordelijk voor het uiteindelijk na te streven niveau van de fysiek veiligheid. Toch acht ik het vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het systeem van de rampenbestrijding mijn taak, om samen met alle betrokkenen te bezien of het mogelijk en wenselijk is een minimum aan capaciteit en kwaliteit van de rampenbestrijdingsorganisatie in de regio te garanderen.

Voor de lange termijn werk ik daarom aan een nieuwe doeluitkering die het bestaande Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen en alle daarop gebaseerde financieringsregelingen zal vervangen. Ik streef naar invoering van deze nieuwe doeluitkering op 1 januari 2003. Dit is het jaar waarin het nieuwe structurele niveau van financiële middelenverstrekking aan de regio's wordt bereikt.

De nieuwe doeluitkering zal veel meer op te leveren prestaties moeten sturen. Daarvoor is het evenwel noodzakelijk meer inzicht te krijgen op welke wijze deze prestaties meetbaar kunnen worden omschreven. De uitbreiding en verdere verdieping van de Referentiekaders zal hiervoor op termijn uitkomst bieden. Naast aandacht voor medefinanciering van meetbare prestaties zal in die nieuwe doeluitkering een aantal andere aspecten plaats krijgen.

Allereerst ben ik voornemens om binnen de nieuwe doeluitkering ruimte te scheppen om verschillende regio's verschillende bedragen toe te kennen. Het mag duidelijk zijn dat voor een regio met veel en complexe risico's het realiseren van diverse producten meer inspanning vergt. Aan de andere kant kan het ook zo zijn dat regio's met meer risico's ook meer inkomsten hebben door bijvoorbeeld een hogere onroerende zaakbelasting. Een en ander kan inhouden dat herverdeeleffecten optreden ten opzichte van de huidige toedeling en de tijdelijke toedeling tot aan 2003. In overleg met het veld zal ik nagaan in hoeverre een dergelijke op basis van risico's geënte bekostigingssystematiek effectief is voor zowel het Rijk als de besturen van de desbetreffende instanties.

Daarnaast wil ik nagaan in hoeverre het mogelijk is om met de nieuwe doeluitkering een minimumcapaciteit (inclusief paraatheid) van de rampenbestrijdingsorganisatie te garanderen. De rampenbestrijdingsorganisaties in de regio's moeten tezamen ook uiteindelijk een landelijk dekkende organisatie kunnen vormen, die een bovenregionale of nationale ramp kan bedwingen. Daartoe zijn bijstandsafspraken gemaakt. Indien in voorkomende gevallen een regio zijn organisatie echter niet op orde heeft en de bijstand dus niet kan leveren, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de bestrijding van een bovenregionale, grootschalige ramp.

HOOFDSTUK V SAMENVATTING EN ACTIEPUNTEN

Naar een veiligheidsorganisatie van de 21e eeuw

5.1 Nogmaals het eindbeeld rampenbestrijdingsorganisatie

In hoofdstuk 1 heb ik geschetst hoe de rampenbestrijdingsorganisatie er idealiter uitziet. Het is een organisatie die: 1. bij grootschalige incidenten en rampen bestuurlijk, organisatorisch en operationeel samenhangend functioneert; 2. in staat is om op adequate wijze invulling te geven aan het voorkomen, beperken en beheersen van risico's die kunnen leiden tot rampen en zware ongevallen;
3. en waarvan een kwalitatief goed functioneren is gewaarborgd.

In het verleden zijn reeds vele stappen gezet om tot een dergelijke organisatie te komen. Daarmee is veel voortgang geboekt, maar het eindbeeld is nog niet bereikt. In de hoofdstukken twee tot en met vier heb ik een aantal beleidsvoornemens neergezet die een verdere verbetering van de rampenbestrijdingsorganisatie tot stand kan brengen en kan zorgdragen voor een goede implementatie van de resultaten van de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen.

5.2 Beleidsvoornemens in een vogelvlucht

Onderstaand geef ik in het kort aan welke beleidsvoornemens opgenomen zijn in deze hoofdlijnennotitie. De nadere discussie met het rampenbestrijdingsveld over hoe verder te gaan met de rampenbestrijding zal zich mijn inziens moeten toespitsen op in ieder geval deze ideeën.

Samenwerking en professionaliteit

* Voor het jaar 2002 zal de territoriale indeling van de brandweer, geneeskundige hulpverlening bij rampen en de politie congrueren. Omtrent de wijze waarop treed ik in overleg met provincies en gemeenten. Het sluitstuk van het proces is wettelijke verankering van de gebiedsindelingen.

* Bezien wordt in hoeverre het samengaan van de regionale besturen van brandweer en geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, bijvoorbeeld in een personele unie met het regionaal college van politie moet en kan worden bevorderd. Hieromtrent en over de taken en bevoegdheden van een dergelijk geïntegreerd bestuur brengt de Raad voor het openbaar bestuur mij in de tweede helft van dit jaar advies uit. Daarbij betrekt de Raad tevens of en hoe de Regionale Ambulance Voorziening in deze mogelijke integratiebevordering kan worden betrokken.
* Het opstellen van het regionaal organisatieplan kan als wettelijke taak van de regionale brandweer worden opgenomen. Daarbij kan tevens aangegeven worden wat minimaal in het organisatieplan dient te worden geregeld. De bevoegdheid tot het vaststellen van het regionaal organisatieplan dient te berusten bij het regionale bestuur van de brandweer met een inbreng van het regionaal bestuur geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en van de politie. In het organisatieplan zijn de afspraken over kwaliteitsverbetering van de rampenbestrijdingsorganisatie waarvan die drie diensten deel uitmaken neergelegd.
* Ik wil actief streven naar het behoud van het vrijwilligerskarakter van de rampenbestrijdingsorganisatie in het algemeen en de brandweer in het bijzonder. Enerzijds door te streven naar minder tijdsbelasting van de brandweervrijwilliger en anderzijds door het aanbod van vrijwilligers in het algemeen te vergroten. De opleidingseisen van de brandweervrijwilliger kunnen worden gekoppeld aan de functie en niet aan de rang. Ik ben voornemens het Besluit brandweerpersoneel in die zin aan te passen. Het onderzoek Brandweer en vrijwilliger krijgt een vervolg waarin ondermeer bekeken wordt hoe de randvoorwaarden voor vrijwilligers in het algemeen kunnen worden verbeterd.

Voorkomen is beter

* Mijn voornemen is het risicobeleid krachtig in te zetten. Dit risicobeleid moet een methode bieden waarmee vastgesteld kan worden wat een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau is. Het geeft een meetlat voor veiligheid en normen die aangeven of het veilig genoeg is. Het eerste onderwerp dat wordt aangepakt is infrastructuur en transport. In 2002 moet de meetlat voor veiligheid en de normen voor dit onderwerp tot stand zijn gekomen.
* Mijn streven is dat aan het einde van deze kabinetsperiode 25 %van de gemeenten de VeiligheidsEffectRapportage heeft toegepast. De VeiligheidsEffectRapportage is een hulpmiddel om de besluitvorming rond projecten zo te organiseren dat op de daarvoor geëigende momenten de juiste veiligheidsvragen worden gesteld en de juiste veiligheidsactiviteiten worden gestart. Toepassing van het instrument in een beperkt aantal projecten op het terrein van infrastructuur en ruimtelijke ordening is gestart. Daarmee wordt de bruikbaarheid getoetst en het instrument eventueel verbeterd. Ook zal worden bezien of de VeiligheidsEffectRapportage beperkt moet blijven tot ruimtelijke ordening en infrastructuur of dat uitbreiding tot andere soorten besluiten wenselijk is.
* De taakomschrijving van de regionale brandweer kan worden uitgebreid met pro-actie en preventie ten aanzien van de rampenbestrijding. Alom bestaat overeenstemming dat de brandweer een belangrijke rol kan spelen op dat punt. Om de brandweer in staat te stellen deze taak daadwerkelijk adequaat op te pakken zal ik extra personele capaciteit bij de regionale brandweren financieren. Hetzij door middel van structurele uitbreiding van de personele capaciteit, hetzij door projectfinanciering. Dit mede omdat het Rijksbeleid ten aanzien van grote infrastructurele projecten het nodige veroorzaakt binnen de regio's.

Normen voor veiligheid

* Het structurele en systematische proces van ontwerpen van een op de aanwezige risico's toegesneden rampenbestrijdingsorganisatie kan worden bevorderd en ondersteund door het Rijk. Enerzijds door in nauwe samenspraak met de verantwoordelijke besturen en inhoudelijk deskundigen producten te ontwikkelen die de gemeenten en regionale brandweren bij dat proces ondersteunen. Anderzijds door de gemeenten en regio's meer aan te spreken op gerealiseerde en te realiseren producten hetgeen zijn weerslag kan vinden in een nieuwe financieringssystematiek. Ik streef ernaar op 1 januari 2000 een programmatische financieringsregeling in werking te laten treden. Op basis van deze interim-regeling wil ik met de besturen van de regionale brandweren concrete afspraken maken over te realiseren activiteiten en producten. Uiterlijk op 1 januari 2002 moet een geheel nieuwe doeluitkering in werking treden die het huidige Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen en de daarop gebaseerde financiële regelingen vervangt. Het idee is dat deze nieuwe doeluitkering nadrukkelijk aandacht krijgt voor afrekenen op meetbare prestaties. Tevens kan ruimte worden ingebouwd om regio's met meer risico's een grotere vergoeding te geven en wordt de mogelijkheid verkend omwille van bijstandsverlening bij bovenregionale of nationale rampen, een minimum aan capaciteit per regio te verplichten.
* Samen met het veld worden de bestaande Referentiekaders verbreed en verdiept. Met name voor de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij rampen dienen Referentiekaders te worden ontwikkeld. De bestaande Referentiekaders voor de rampenbestrijding zouden verder dienen te worden uitgewerkt, in het bijzonder die gericht op samenwerking tussen de betrokken diensten en organisaties. Naast het verbreden en verdiepen, dient het stelsel van Referentiekaders onderhouden te worden. Na verloop van tijd kunnen bepaalde denkbeelden zijn achterhaald, waardoor actualisatie van de Referentiekaders nodig is. Voor dit structurele onderhoud zal ik in overleg met het veld bezien welke constructie benodigd is.

* Samen met het veld worden de mogelijkheden uitgewerkt die het organisatieplan biedt. Ik doel hierbij op een basis voor een management informatiesysteem. Over de uitvoering van het organisatieplan kan gerapporteerd worden aan de gemeenten en de provincies. De provincies kunnen vervolgens het Rijk informeren. Hoe dit informatiesysteem exact moet worden ingevuld en wat de definitieve vormgeving van het organisatieplan is, is onderwerp van overleg tussen mij, gemeenten en provincies. Bij deze discussie over het organisatieplan wordt nadrukkelijk aandacht geschonken aan de rol van de provincie in de voorbereiding op de rampenbestrijding
5.3 Overleg met betrokkenen
Een nauwe relatie met het bestuurlijke en operationele veld is onontbeerlijk voor een adequate ontwikkeling en uitvoering van de beleidsvoorstellen zoals die in deze hoofdlijnennotitie zijn aangekondigd. Momenteel wordt door de mij in het kader van het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen veelal separaat over de rol van de brandweer bij rampenbestrijding en over geneeskundige hulpverlening gesproken. Daarnaast bestaat regulier overleg met bestaande koepels als de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Inter Provinciaal Overleg, de Koninklijke Nederlandse BrandweerVereniging, het College Commandanten Regionale Brandweren, de Nederlandse Brandweer Federatie, de Landelijke Vereniging voor GGD'en en de Federatie van de werkgevers in de ambulancezorg.
De projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen inclusief de daarbij behorende overlegstructuur zullen in de nabije toekomst worden afgerond. Vanwege de veelomvattendheid van het beleid met betrekking tot de rampenbestrijding hecht ik ook in de toekomst aan een zo integraal mogelijke discussie met het veld. In aanvulling op het bestaande overleg met de sectorale koepels acht ik daarom een breed samengesteld multidisciplinair overleg wenselijk over de rampenbestrijding. Dit multidisciplinair overleg dient structureel, maar wel informeel van aard te zijn. Ook langs deze weg kan aan de rampenbestrijdingsorganisatie in ons land de zo noodzakelijke impuls worden gegeven. Om die reden zal ik het initiatief nemen tot de inrichting van een Landelijk Beraad Rampenbestrijding (LBRB).
5.4 Financiën
De versterking van de rampenbestrijding zal gepaard moeten gaan met een structurele financiële impuls ten behoeve van de brandweer en de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Op basis van gedegen en goed onderbouwd onderzoek zijn de totale kosten geraamd op circa 145 miljoen structureel. Alle betrokkenen, inclusief de leden van de Tweede Kamer, hebben de juistheid van deze raming benadrukt. Bij de behandeling van de begroting 1999 van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is eind 1998 uitgebreid gesproken over de bekostiging van deze middelen. Bij die gelegenheid heeft de Tweede Kamer bij motie aan de regering gevraagd om in overleg met betrokken overheden mogelijkheden te scheppen om de ontbrekende financiële middelen beschikbaar te krijgen en daarover uiterlijk bij voorjaarsnota te rapporteren.
Naar aanleiding hiervan kan ik u mededelen dat de regering voornemens is om in deze kabinetsperiode een substantieel deel van de benodigde middelen voor de versterking van de rampenbestrijding beschikbaar te stellen. Concreet zal het rijksaandeel in de rampenbestrijding, samen met de bedragen die reeds vorig jaar en dit jaar zijn vrijgemaakt, in 2003 zijn toegenomen tot 85 miljoen structureel. Daarnaast heb ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten overleg gevoerd over de benodigde financiële inspanning van de gemeenten. Met de VNG ben ik van mening dat gemeenten de afgelopen jaren reeds een forse financiële inspanning hebben geleverd in de kwaliteitsverbetering van de brandweerzorg en de rampenbestrijding. Zo zijn de gemeentelijke uitgaven voor de brandweerzorg en rampenbestrijding in de periode 1992-1997 met 105 miljoen gestegen. Uit een extern onderzoek dat in opdracht van de Koninklijke Nederlandse Brandweervereniging is verricht naar de gemeentelijke uitgaven voor de brandweerzorg en de rampenbestrijding blijkt dat gemeenten in de periode 1997-1999 tussen de 55 en 65 miljoen meer zijn gaan uitgeven. Verreweg het grootste deel hiervan vloeit voort uit de in het kader van de versterking rampenbestrijding te realiseren kwaliteitsverbetering van de brandweer. Gemeenten hebben hiermee aangetoond hun verantwoordelijkheid voor de aanpak van knelpunten bij de gemeentelijke brandweren voortvarend aan te pakken. Met de bestaande en de nieuwe hiervoor ter beschikking komende rijksmiddelen en de middelen die gemeenten hiervoor de laatste jaren extra zijn gaan uitgeven, kan geconcludeerd worden dat de voorgestane versterking van de rampenbestrijding kan worden gerealiseerd. In de BZK-begroting 2000 zal een financiële meerjarenreeks worden opgenomen. Met de besturen van de regionale brandweren en de samenwerkingsverbanden GHOR zal ik afspraken maken over een traject om deze versterking te realiseren.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie