Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak De Vries bij Amerikaanse Kamer van Koophandel

Datum nieuwsfeit: 20-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE SZW

www.minszw.nl

SZW:Toespraak minister De Vries Am.Chamber

Nr. 99/179
20 oktober 1999

Embargo:
20 oktober 1999 tot
14.00 uur

Toespraak door minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de lunchbijeenkomst van de Amerikaanse Kamer van Koophandel op 20 oktober 1999 in Wassenaar.

Dank dat u in uw drukke agenda tijd heeft gevonden voor deze bijeenkomst. Ik twijfel er niet aan dat uw agenda.s inderdaad druk zijn bezet. Amerikanen, zo las ik laatst in de Nederlandse kranten, zijn de hardste werkers in de hele industriële wereld. Amerikanen hebben de langste werkweken en het minst vakantie, zelfs in vergelijking met de Japanners.

Wat dat betreft lijkt er weinig veranderd in uw moederland. Hard werken was ook het parool toen ik zevendertig jaar geleden in Minnesota studeerde aan de Hamline University in St Paul. Als werkstudent verdiende ik de kost bij de winkelketen Montgomery Wards. Daar verkocht ik, in Volendams kostuum, Hollandse tulpen. En hoewel ik geen verstand van tulpen heb, ging dat vrij aardig. Hoe dan ook, Montgomery Wards heeft het overleefd en als ik de Internetsite van Montgomery mag geloven heeft het bedrijf vandaag de dag met 32.000 werknemers een sterke marktpositie.

Verstand van tulpen heb ik nog steeds niet. Maar ik heb sinds mijn terugkomst uit Amerika wel enige kennis opgedaan van de Nederlandse samenleving en van de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen. Vandaar dat ik u graag te woord sta.

Ik stel vast dat het vandaag de derde keer is binnen vier jaar dat een bewindsman van Sociale Zaken spreekt voor de Amerikaanse Kamer van Koophandel. Daaruit leid ik af dat de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen en de Nederlandse arbeidsmarkt thema.s zijn die u zeer bezig houden. Ik zie dat ook bevestigd in uw .Investor.s agenda of priority points..

Van de tien .priority points. die u op uw agenda heeft staan voor 1999 hebben er maar liefst vier direct betrekking op mijn ministerie. We hebben het dan over verlaging van de belasting op arbeid, over versoepeling van het ontslagrecht, over het schrappen van de algemeen verbindend verklaring van cao.s voor startende en kleine ondernemingen, en we hebben het over liberalisering van de arbeidstijden.

Ik zal zo dadelijk afzonderlijk op deze vier punten ingaan. Maar ik heb er behoefte aan om eerst een opmerking te maken over .priority points. in het algemeen. Ik twijfel er niet aan dat uw .priority points. voortkomen uit knelpunten die Amerikaanse ondernemingen in Nederland dagelijks ervaren. Ik twijfel er ook niet aan dat u oprecht meent dat het aanpakken van die knelpunten niet alleen in het belang is van buitenlandse ondernemingen, maar ook van de Nederlandse samenleving in het algemeen.

Toch wil ik u voorhouden dat aan het selecteren van .priority points. ook een risico kleeft. Namelijk het risico van een geïsoleerde benadering. Een sociaal-economisch stelsel is nooit een optelsom van wetten en maatregelen. Het gaat altijd om een balans. Een balans tussen de verschillende belangen van verschillende groepen in de samenleving. Dat maakt dat er voor sociale en economische vraagstukken zelden eenduidige .first best. oplossingen te vinden zijn. Het gaat steeds om afwegingen die recht doen aan het sociaal-economische stelsel als geheel.

Dat voortdurend zoeken naar evenwicht en balans is bij uitstek een kenmerk van de Nederlandse samenleving. Want Nederland wordt niet gedreven door marktkrachten alleen. We kennen in Nederland een lange traditie van overleg en samenwerking met maatschappelijke groeperingen en in het bijzonder met werkgevers- en werkgeversorganisaties.

Laat me aan de hand van een enkel voorbeeld duidelijker maken wat ik bedoel. Begin dit jaar is in Nederland een nieuwe wet van kracht geworden voor tijdelijke en flexibele arbeid. Werkgevers hebben veel meer mogelijkheden gekregen om tijdelijke en flexibele arbeidskrachten in te zetten. Nederland loopt wat dat betreft voorop in Europa. En anders dan in andere Europese landen bestaat er brede consensus over deze nieuwe wet: niet alleen in het parlement maar ook bij werkgeversorganisaties èn bij de vakbonden.

Hoe is dat mogelijk?
Dat is mogelijk omdat in de wet óók is vastgelegd dat de rechtspositie van tijdelijke en flexibele arbeidskrachten wordt versterkt. Er is met andere woorden een balans gevonden tussen meer dynamiek op de arbeidsmarkt aan de ene kant, en een betere bescherming van tijdelijke en flexibele werknemers aan de andere kant.

Het voorbeeld maakt duidelijk dat -zeker in de Nederlandse cultuur en in de Nederlandse verhoudingen- hervormingen nooit op zichzelf staan, maar altijd in relatie gezien moeten worden tot de samenleving als geheel. En het is diè toets die bepaalt of een nieuwe maatregel of een nieuwe wet meerwaarde heeft, dat wil zeggen, bijdraagt tot een betere performance.

Als je wilt veranderen moet je dus goed naar het systeem als geheel kijken.
Met dit in het achterhoofd kom ik nu toe aan uw .priority points..

Laat me beginnen met het minst controversiële punt, de verlaging van de belastingdruk op arbeid. Ik denk dat we het hierover een heel eind met elkaar eens kunnen zijn. U zult het met mìj eens zijn dat Nederland op dit punt de laatste jaren vooruitgang heeft geboekt. En omgekeerd ben ik het met ù eens dat we nog beter moeten kunnen.

Ik wil dat nader toelichten. Sinds de jaren tachtig is in Nederland consequent een beleid gevoerd gericht op loonkostenbeheersing om zo de werkgelegenheid te stimuleren. Dit is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de bonden van werkgevers en werknemers. Maar de overheid ondersteunt deze afspraken door lastenverlichting. Op die manier kunnen de netto lonen verbeteren zonder dat de arbeidskosten voor werkgevers te snel stijgen.

Dit beleid, gericht op meer banen en lagere lasten, is vruchtbaar geweest. Dat zie je terug in de cijfers voor de werkgelegenheid en in de cijfers voor de belastingdruk. De laatste vijf jaar is het aantal banen in Nederland gemiddeld met 2,5% per jaar toegenomen. Die groei is niet alleen het hoogste in Europa, het is ook zelfs nog iets hoger dan in de Verenigde Staten.
Ook de cijfers over de belasting- en premiedruk spreken duidelijke taal. Als je kijkt naar de totale druk van belastingen en sociale premies - de zogenoemde collectieve lastendruk - dan mogen we vaststellen dat die is gedaald van bijna 50% in 1987 tot minder dan 42% dit jaar.

Er is dus flinke vooruitgang geboekt. Maar het moet nog beter kunnen. U zegt terecht dat in het algemeen de marginale belastingdruk nog steeds te hoog is. Ik zeg met opzet .in het algemeen., want de marginale druk kan sterk verschillen per individuele situatie. U noemt een cijfer van 58% voor de marginale belastingdruk. Ik kan u vertellen dat er ook gevallen zijn waarbij die druk nog veel hoger is. Met name als mensen in de bijstand zitten en dan gaan werken kan het voorkomen dat werken nauwelijks loont. Dit verschijnsel staat bekend als de .poverty trap..

Verlaging van de lasten op arbeid blijft daarom ook voor deze regering prioriteit. Voor deze regeerperiode staat nog een omvangrijke belastingverlaging op arbeid op stapel. Die belastingverlaging krijgt voor een deel een algemeen karakter. Maar voor een ander deel is de lastenverlichting erop gericht om laagbetaald werken aantrekkelijker te maken en om mensen die nu nog afhankelijk zijn van de sociale zekerheid financieel meer te stimuleren om te gaan werken.

Tot zover mijn opmerkingen over de belastingdruk. Now the hard part. Te beginnen met uw pleidooi voor vergaande liberalisering van het ontslagrecht. Ik wil daarover duidelijk zijn: ik heb geen ambitieuze plannen in die richting. Maar ik wil graag ook uitleggen waarom.

U als Amerikaanse Kamer van Koophandel stelt dat het Nederlandse ontslagstelsel een van de meest rigide in Europa is en dat liberalisering zal leiden tot meer banencreatie, omdat werkgevers sneller mensen zullen aannemen.
Om eerst op het laatste in te haken: de snelle groei van onze werkgelegenheid wijst op voorhand niet in de richting van grote knelpunten in ons ontslagrecht.
Maar meer principieel deel ik niet uw analyse dat het ontslagrecht in Nederland zo rigide zou zijn. Het is op zichzelf juist dat de werkgever bij ontslag vooraf toestemming nodig heeft van een derde partij, van de directeur van Arbeidsvoorziening of van de kantonrechter. Daardoor lijkt het in internationale vergelijkingen vaak net alsof er Nederland op dit punt extra obstakels bestaan. Maar in andere landen gelden vaak vergelijkbare regelingen. In diverse landen bestaan speciale commissies die ingesteld zijn door het bedrijfsleven, waar werknemers tegen voorgenomen ontslag kunnen protesteren.

De verschillen tussen Nederland en andere landen zijn dus veel minder groot dan het lijkt. En ook wil ik benadrukken dat op ons ontslagstelsel geen taboe rust. Het stelsel is voortdurend onderwerp van discussie. Sinds begin dit jaar zijn de procedures voor ontslag aanzienlijk verkort. Daarmee is een belangrijk knelpunt voor werkgevers verlicht. En ook is overwogen om het ontslagvergunningensysyteem via de directeur Arbeidsvoorziening te schrappen en net als in het buitenland over te stappen op speciale ontslagcommissies van het bedrijfsleven zelf.
Daarvoor is niet gekozen. Want de werkgevers- en werknemersorganisaties geven de voorkeur aan handhaving van het bestaande systeem. Daaruit concludeer ik dat in het Nederlandse ontslagstelsel een redelijke balans gevonden wordt tussen de belangen van werkgevers en die van werknemers.

Nog een laatste opmerking over het Nederlandse ontslagrecht. Op verzoek van het parlement heb ik een speciale commissie geïnstalleerd die een verkenning uitvoert naar de toekomstige inrichting van het ontslagstelsel. Deze commissie -de Adviescommissie Duaal Ontslagstelsel- zal volgend jaar advies uitbrengen. Mocht ik u niet hebben kunnen overtuigen, dan is het wellicht een goed idee dat u uw wensen aan deze commissie kenbaar maakt.

Ik kom nu toe aan het volgende punt, de algemeen verbindend verklaring van cao.s. U stelt dat vrijstelling hiervan kleine en startende ondernemingen in een gunstiger positie kan brengen ten opzichte van hun grote concurrenten.

Laat mij vooropstellen dat de algemeen verbindend verklaring van cao.s een hoeksteen is van het gecoördineerde proces van loonvorming in ons land. Werkgevers- en werknemersorganisaties maken in een klimaat van overleg en samenwerking richtinggevende afspraken over de arbeidsvoorwaarden. Die worden op decentraal niveau nader ingevuld. Bij die afspraken gaat het niet alleen om een verantwoorde loonstijging, maar ook om gezamenlijke inspanningen die meer een algemeen belang dienen, zoals scholing, banen voor mensen uit etnische minderheden, of over pensioenregelingen.

De algemeen verbindend verklaring van cao.s zorgt ervoor dat alle bedrijven aan die afspraken worden gebonden. Nederland heeft goede ervaringen met de gecoördineerde loonvorming. Gecoördineerde afspraken over verantwoorde arbeidsvoorwaarden draagt bij tot stabiele arbeidsverhoudingen, weinig stakingen en een kleinere kans op een loon-prijsspiraal.

Natuurlijk heeft de algemeen verbindend verklaring ook keerzijden. In theorie is het mogelijk dat de algemeen verbindend verklaring van cao.s concurrentiebeperkend uitwerkt en zo de dynamiek op de arbeidsmarkt vermindert. Daar zullen we alert op moeten zijn. Maar de ervaringen van de laatste jaren geven weinig aanleiding tot bezorgdheid op dit punt. Ook niet waar het gaat om de arbeidsvoorwaarden bij kleine bedrijven.

Daar zijn een aantal redenen voor. Ten eerste krijgen cao.s steeds meer het karakter van keuzemenu.s die door de afzonderlijke bedrijven nader kunnen worden ingevuld. Dat geeft meer flexibiliteit. Ten tweede worden in de cao vaak minimumafspraken gemaakt. Veel bedrijven, en met name ook kleinere bedrijven, betalen salarissen die boven de cao liggen.
En tenslotte is het voor ondernemingen altijd mogelijk om zelf een cao af te sluiten met een of meerdere vakbonden. In dat geval valt de cao niet onder een algemeen verbindend verklaring.

Uw laatste .priority point. op mijn beleidsterrein gaat over de arbeidstijden. Ook hier pleit u, verwijzend naar Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, voor drastische liberalisering. U zegt: laat werkgevers en werknemers in onderling overleg zelf bepalen wat de optimale arbeidstijden zijn.

In antwoord hierop het volgende. Nederland heeft enige tijd geleden de Europese richtlijnen inzake de arbeidstijden uitgewerkt in een nieuwe Arbeidstijdenwet. Die wet geeft de werkgevers en werknemers meer mogelijkheden om zelf afspraken te maken over de arbeidstijden. Uit onderzoek van mijn ministerie blijkt dat nog lang niet alle bedrijven en bedrijfstakken gebruik maken van die nieuwe mogelijkheden. Hier ligt dus nog ruimte.

En daar waar zich nog steeds hardnekkige knelpunten blijven voordoen, staat mijn ministerie open voor overleg. De laatste jaren heeft mijn ministerie met diverse sectoren gesprekken gevoerd. Naar aanleiding daarvan zijn een aantal algemene en specifieke versoepelingen in de regelgeving opgenomen.

Overigens vraag ik me af of u werkelijk blij zou zijn met een drastische liberalisering van de werktijden. Ik proef iets bij u van: als individuele werkgevers en werknemers daarover vrij kunnen overleggen, dan is het afgelopen met al die lange vakanties en die arbeidstijdverkorting in Nederland en dan worden de werktijden weer langer.
Ik vraag me sterk af of dat ook zo zal werken. Want uit onderzoeken blijkt dat de meeste Nederlandse werknemers liever korter dan langer willen werken. Ook op dit punt wil ik u vriendelijk voorhouden: Nederland is Amerika niet.

Tot zover mijn reactie op uw .Investor.s agenda of priority points..
Ik heb niet de illusie dat ik u op elk punt heb kunnen overtuigen. Maar ik hoop wel dat ik heb kunnen bijdragen aan een beter begrip voor hoe in Nederland de sociaal-economische verhoudingen zijn georganiseerd. En vooral dat je een sociaal-economisch systeem moet beoordelen in zijn geheel en niet alleen op onderdelen. Inderdaad verschilt de inrichting van ons stelsel op een aantal punten wezenlijk van de Verenigde Staten. Dat heeft soms nadelen, maar soms ook voordelen. Ik denk dat momenteel beide landen, ieder op hun manier, een succesvol sociaal- economisch beleid voeren. Er is dus geen dringende noodzaak elkaars beleid over te nemen. Maar we kunnen elkaar wel scherp houden en we kunnen altijd van elkaar blijven leren. En daar leveren uw .priority points. een waardevolle bijdrage aan.

Graag beantwoord ik nu uw vragen.


- LET OP EMBARGO -

20 okt 99 14:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie