Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Timmermans (PvdA): Een Interne Markt voor Defensie

Datum nieuwsfeit: 21-10-1999
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Een Interne Markt voor Defensie

Inleiding voor het NIID-Symposium "Europa voor groot en klein",

donderdag 21 oktober 1999, Nederlands Congres Centrum Den Haag

door Frans Timmermans, lid van PvdA fractie in de Tweede Kamer

 

Volgens ingewijden heeft de Europese hemel een Fransman als kok, een Brit als politieman, een Italiaan als minnaar, een Nederlander als chauffeur en een Duitser om te zorgen dat alles netjes is georganiseerd. In de Europese hel echter, is de Brit kok, de Duitser politieman, de Fransman chauffeur, de Nederlander minnaar en is de Italiaan verantwoordelijk voor de organisatie. U begrijpt dat dit grapje niet door een Nederlander is bedacht. Toch geeft het aardig weer dat de Europese eenwording geen zaak is van vandaag op morgen. De praktijk van de Europese samenwerking blijkt door de vele diepgewortelde verschillen vaak weerbarstiger dan wij uit Europees idealisme zouden wensen.

Het integratieproces heeft in de Europese Unie een hoge vlucht genomen. Met de totstandkoming van één markt en één munt zijn de economieën van de lidstaten onlosmakelijk met elkaar verbonden en is Europa onmiskenbaar een economische wereldmacht. De zeer bescheiden politieke rol die de Europese Unie op het wereldtoneel speelt, steekt hier schril bij af. Het in mei van kracht geworden Verdrag van Amsterdam kan hier verandering in brengen omdat het ook op het gebied van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) verdergaande integratie mogelijk maakt. Hierin zal dan wel door de lidstaten moeten worden geïnvesteerd. Niet omdat een grotere rol van de Europese Unie een doel op zich is of een poging de Verenigde Staten de loef af te steken, maar omdat de internationale veiligheidssituatie er om vraagt, zoals de Kosovo crisis duidelijk heeft aangetoond. Bovendien zullen wij er alleen in slagen de Amerikanen bij Europa betrokken te houden, als we bereid zijn zelf grotere verantwoordelijkheid te dragen. Helaas is de stemming in het Congres over het kernstopverdrag geen incident, maar een teken aan de wand.

Een democratisch, welvarend en stabiel Europa is alleen mogelijk indien vrede en veiligheid op het continent worden gewaarborgd en zonodig verdedigd. Bovendien is de Europese Unie als zone van welvaart en stabiliteit niet ongevoelig voor onveiligheid en humanitaire nood elders. Daarbij valt niet alleen te denken aan vluchtelingenstromen, maar ook aan de ontwrichting van de internationale handel. Maar bovenal is internationale solidariteit niet minder dan een plicht voor een van de meest welvarende delen van de wereld.

Het ontbreken van een eensgezind en slagvaardig GBVB, gecombineerd met een afhankelijkheid van Amerikaans leiderschap bij politiek en militair ingrijpen in crisissituaties, maakt het de Europese Unie onmogelijk zelfstandig effectief op te treden. Zeker daar waar de inzet van militaire middelen moet worden overwogen. In de praktijk heeft dit ertoe geleid dat de Verenigde Staten bepaalt en Europa betaalt. Met andere woorden: de Europese rol bij het aanpakken en oplossen van conflicten is ondergeschikt aan de Amerikaanse, terwijl Europa wel de rekening betaalt voor de wederopbouw. Dit is een zeer inefficiënte inzet van middelen. Van Europa mag en moet meer worden verwacht, hetgeen vorm gegeven moet worden in de ontwikkeling van een eigen Europese Veiligheids en Defensie Identiteit (EVDI). Tegelijkertijd moet met de nodige nuchterheid tegen het potentieel van de EVDI worden aangekeken. Het zal op zijn best nog jaren duren voordat de Europese Unie tot concrete resultaten komt op dit gebied. Politieke wil is mooi, maar de (financiële) werkelijkheid blijkt dikwijls weerbarstig. De PvdA staat een realistische aanpak voor ogen, met als doel de mogelijkheid van zelfstandig Europees optreden daar waar dat nodig en wenselijk is. Nederland moet binnen de Europese Unie aan deze ontwikkeling zowel in politieke als in financiële zin een impuls geven, waar mogelijk in samenwerking met gelijkgezinde landen, zoals het Verenigd Koninkrijk. Uiteraard speelt de Navo hierbij een belangrijke rol. Het versterken van de Europese defensie inspanning draagt bij aan de versterking van de transatlantische band. Daarom is in het Nieuwe Strategisch Concept van de Navo ook uitdrukkelijk ruimte gemaakt voor inzet van Navo middelen bij een zelfstandig Europees optreden. Dit is een eerste stap op weg naar een grotere autonome rol van Europa die tegelijkertijd geen afbreuk doet aan de politieke eenheid van het Atlantisch Bondgenootschap.

De Europese Unie zal intern ook nog veel werk moeten verzetten. De benoeming van Javier Solana als nieuwe Secretaris-Generaal van de Raad en 'Meneer GBVB' is een belangrijke stap in de goede richting. Hij zal niet alleen invulling moeten geven aan de Europese ambities op het vlak van het buitenlands beleid, maar ook de Europese Unie in de Navo gaan vertegenwoordigen. Zo kan de Europese Unie zich gaan toeleggen op de ontwikkeling van de nieuwe taken die in het Strategisch Concept van de Navo worden geformuleerd. Bij de uitvoering hiervan zal snel blijken dat de Europese Unie niet over de noodzakelijke militaire middelen beschikt om haar ambities in de praktijk te brengen. Veel zal dan ook moeten worden geïnvesteerd in de vergroting van de operationele capaciteit, waarbij een realistische taakverdeling op basis van taakspecialisatie en een verdere concentratie van de Europese defensie industrieën noodzakelijke randvoorwaarden zijn. Immers, de versplintering is een van de voornaamste oorzaken van het relatief lage rendement van de Europese defensie inspanningen, in vergelijking met de Verenigde Staten.

De wenselijkheid van een eigen Europese Veiligheids en Defensie Identiteit (EVDI) wordt breed gedragen. Met uitzondering van de VVD fractie in de Tweede Kamer is de hele Navo nu voor.

Intensievere samenwerking op het vlak van militair materieel is een absolute vereiste, wil EVDI een kans maken. Er is immers een wanverhouding tussen de hoeveelheid belastinggeld die Europese landen in hun defensie inspanning stoppen en de hoeveelheid militair potentieel die zij ervoor terugkrijgen. De schattingen lopen uiteen, maar voor een vergelijkbare hoeveelheid geld krijgen de Europese Navo-landen niet meer dan tussen de 40 en 60% van de Amerikaanse defensie capaciteit. Sommigen, zoals voormalig veiligheidsadviseur Brezinski, komen niet verder dan 20%. Op zich zou dat niet zo'n probleem zijn, als we de defensiebegrotingen in Europa konden ophogen om EVDI te realiseren. Maar aangezien de Europese landen er om begrijpelijke redenen voor kiezen hun prioriteiten te leggen bij het aanpakken van de schrikbarend hoge werkloosheid, het terugdringen van begrotingstekorten en het aanpakken van ernstige achterstanden in de gezondheidszorg, de oudedagsvoorziening of het onderwijs, moeten we rekening houden met op zijn best gelijk blijvende defensiebegrotingen. Als dat zo is, dan moet de opbrengst van alle Europese begrotingen samen, fors omhoog. Materieel samenwerking is daarvoor een van de middelen.

De defensie industrie is een vreemde eend in de economische bijt. In de eerste plaats omdat de klandizie alleen uit overheden bestaat. Maar er is meer. Verschijnselen die door liberalisering van de wereldhandel, door de Europese eenwording en door globalisering allang in de geschiedenisboeken van de 'gewone' economie zijn bijgeschreven, zijn in de defensie industrie nog springlevend. Het afschermen van de markt voor buitenlandse produkten, het fors subsidiëren van de nationale industrie, het maken van prijsafspraken, exclusieve leveringscontracten, het op alle manieren schaamteloos voortrekken van de eigen industrie. Evenzovele fenomenen die het hart vormen van hoe de defensie industrie wereldwijd werkt. Van Amerikaanse kant wordt weleens beweerd dat dit allemaal geldt voor de rest van de wereld, maar niet meer voor de US of A. Ik durf dit te bestrijden. Zeker, in de afgelopen jaren hebben we een golf van concentraties gezien, van twintig grote bedrijven naar vijf krachtpatsers, zoals Ferry Versteeg schreef in NRC Handelsblad. Maar dat is vooral het resultaat van een strengere en zuinigere Amerikaanse overheid en van een krimpende markt als gevolg van de gewijzigde internationale situatie. De overheid is niet meer bereid astronomische bedragen te betalen om het beste, snelste, dodelijkste en modernste nieuwe wapen te hebben. Deze vorm van bewapeningswedloop is samen met de Koude Oorlog begraven. Bovendien heeft de moderne industrie, zeker wanneer er high tech aan te pas komt, enorme schaalvoordelen nodig om nieuwe produkten te kunnen ontwikkelen. Maar uiteindelijk is de Amerikaanse markt nog net zo afgeschermd als tevoren, het valt alleen minder op, omdat de markt groot genoeg is om in zijn eentje een sterke en internationaal concurrerende industrie in stand te houden. Daardoor is men goedkoper en kan men het doen voorkomen alsof de exclusiviteit van de Amerikaanse industrie op de eigen defensie markt het gevolg is van het vrije spel der marktkrachten. Voorlopig is derhalve een mondiaal geliberaliseerde defensie markt een volstrekte illusie. Europa moet dan maar bij zichzelf beginnen.

Hier zijn de uitgangsposities vrij treurig. Overheden en de industrie weten dat concentraties bitter noodzakelijk zijn, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Met het voorbeeld van Airbus Industries in het achterhoofd - daar was immers aangetoond dat Europa in de civiele luchtvaart in staat is de Amerikanen de loef af te steken - is de EADC (European Aerospace and Defense Company) opgericht door zes Europese landen met een min of meer zelfstandige defensie vliegtuigindustrie. Alle militaire activiteiten onder een dak, zou moeten leiden tot een slagvaardige en concurrerende industrie. Een aantal van de aangesloten bedrijven was al in vergevorderde fusie-onderhandelingen. British Aerospace zou samengaan met het Duitse Dasa. Uiteindelijk, in januari van dit jaar, lieten de Britten de Duitsers vallen ten faveure van landgenoot Marconi. Het behoeft niemand te verbazen dat even later zal blijken dat ook bij de Fransen het hart klopt op de tonen van de Marseillaise: Aerospatiale fuseert met Matra HT. De Duitsers kopen uit armoede het kleine Spaanse Casa en Schremp geeft aan geen enkel vertrouwen meer te hebben in Europese samenwerking. Even was het treurnis troef. Maar inmiddels kraaien Fransen en Duitsers weer victorie, want vorige week werden we allemaal verrast door de fusie tussen Dasa en Aerospatiale Matra. De nieuwe onderneming, European Aeronautic, Defense and Space Company (EADS) zal aan bijna 90 duizend mensen werk bieden en zo'n 21 miljard euro omzetten. Het is meer dan een lange neus naar het Britse "verraad". Het is een belangrijke stap in een getrapte fusiegolf in de Europese defensie industrie. Hoe de volgende fase zal aflopen, is nog een open kwestie. Misschien sluiten de Britten zich alsnog aan, net als vroeger bij Airbus, waar zij eerst uitstapten en toen, na acht jaar en gebleken succes, alsnog aan mee gingen doen. Of zal nu ook weer voor de Britten de Atlantische oceaan smaller zijn dan het Kanaal? Zullen zij aansluiting zoeken bij Lockheed Martin, zoals wel eens wordt gefluisterd? In ieder geval zijn er goede redenen om de transatlantische banden warm te houden. De Amerikaanse overheid verspijkerd nog steeds zo'n 80 miljard euro voor r en d, terwijl alle Europese budgetten samen niet boven de 45 miljard euro uitkomen. Geld dat bovendien versnipperd wordt ingezet.

Daar komt nog bij dat Europese succes verhalen in deze tak van sport dun gezaaid zijn. Twee maanden geleden zou ik nog zonder aarzeling enthousiast zijn geweest over de NH-90, de nieuwe Europese transport- en maritieme helikopter. Maar al hebben we het op papier met een prachtig produkt van doen, met enorm commercieel potentieel, het blijft een zorgenkindje, door de af en toe Babylonische spraakverwarring tussen de deelnemende landen en de onzekerheid rond bestellingen die, ondanks zogenaamde keiharde afspraken, maar steeds niet kan worden weggenomen.

Toch moeten we niet al te veel somberen. De nationale concentraties die hierboven zijn beschreven kunnen niet meer zijn dan een tussenstap in een grotere beweging, want zelfs de nieuwe giganten uit het Europese vasteland en Engeland kunnen niet alleen bestaan van nationale bestellingen. Gaan ze de internationale markt op, komen zij vanzelf weer de industrieën van derde landen tegen. Immers compensatie eisen zijn niet minder hard dan vroeger. Compensatie blijft lastig en drijft de prijs op, zoals ook blijkt uit het Rekenkamerrapport van vorig jaar. Het zal de concurrentiepositie altijd negatief beïnvloeden en derhalve de roep om industriële samenwerking alleen maar versterken. Het nieuwe modewoord is participatie, hetgeen neerkomt op het betrekken van de industrie van het te compenseren land bij de ontwikkeling van nieuwe produkten. De deelname van de Nederlandse luchtvaartcluster aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter (JSF) wordt daarbij steeds als lichtend voorbeeld genoemd. Zeker, het programma heeft voor de Nederlandse industrie veel voordelen, maar laten wij elkaar niet voor de gek houden. Hoeveel kans is er dat de Nederlandse industrie daadwerkelijk mag meebouwen aan de JSF als de overheid zou besluiten tot aankoop van de Typhoon? Op langere termijn is participatie in haar huidige vorm naar mijn oordeel evenmin een oplossing voor de Europese defensie industrie als compensatie. In dit verband maak ik mij ook zorgen over het JSF project. De Amerikaanse loftrompet over participatie klinkt vals op het moment dat er gesproken moet worden over het delen van kennis. Nog steeds raakt de Amerikaanse overheid (maar ook de industrie) in een kramp als er technologische kennis moet worden overgedragen. Blijft de Amerikaanse houding zo halsstarrig als vandaag, loopt de toegevoegde waarde voor de Nederlandse industrie van het JSF project ernstig gevaar. En dan komen we gewoon weer uit bij ouderwetse compensatie, waarmee we dus geen steek zijn opgeschoten.

Bovendien is het slechts een kwestie van tijd totdat de defensie industrie een bijprodukt is van de civiele industrie. Dit klinkt gechargeerd, maar de ontwikkeling van nieuwe produkten is zo duur geworden, dat er een schaal voor de produktie nodig is, die de kleine defensiemarkt ruimschoots overstijgt. Zeker onder de budgettaire beperkingen die overheden wereldwijd stellen aan de ontwikkeling van nieuwe wapensystemen. Ook in dit opzicht is EADS een interessante onderneming: vooral sterk in de civiele lucht- en ruimtevaart. Ongeveer een kwart van de omzet moet uit de defensie hoek komen, hetgeen een aardige ratio lijkt om ook in moeilijke tijden te kunnen overleven. Overigens kan ik niet nalaten in dit verband een compliment uit te delen aan de Franse regering: dankzij de herstructurering van de Franse wapenindustrie onder Jospin, die ertoe heeft geleid dat het Franse staatsbelang in EADS niet hoger zal zijn dan 15%, zijn de Duitse twijfels over mogelijke fnuikende staatsinmenging goeddeels weggenomen.

In welke richting moet een oplossing dan worden gezocht? Helaas kan ik u geen blauwdruk bieden. Wel wil ik proberen een aantal ideeën op te werpen. Als overtuigd Europeaan wil ik beginnen bij het Verdrag van Rome. Niet meteen met het zo omstreden artikel 223 over de uitzonderingspositie van de defensie industrie op de regels van de gemeenschappelijke markt. Daar kom ik zo op. Nee, het gaat eerst en vooral om de beginselen van de Europese samenwerking. Lotsverbondenheid tussen alle landen, Duitsland en Frankrijk voorop, en het bewaren van een evenwicht tussen de belangen van de grote landen enerzijds en de kleintjes anderzijds, is steeds een beginsel geweest van de Europese integratie. Het Verdrag van Rome is onder meer hierop gebaseerd. Het OCCAR agentschap (Organisme conjoint de coopération en matière d'armement) kent een zelfde uitgangspunt, al vrees ik dat er nog onvoldoende mogelijkheden inzitten om de kleineren aan bod te laten komen. Bovendien ademt OCCAR te zeer de sfeer uit van een markt die moet worden afgeschermd van de buitenwereld. Dat kan niet de bedoeling zijn. De ontwikkelingen in de industrie gaan nu zo hard, dat geen obstakels mogen worden opgeworpen voor intensievere samenwerking op wereldschaal.

Het ware beter geweest dichter bij de bestaande verdragen te blijven, ten einde ook het uitzicht op een vrijgemaakte markt niet te verliezen. De Europese Raad zou de Commissie opdracht moeten geven een witboek voor de defensie industrie op te stellen naar analogie van het witboek van Delors voor de Interne Markt. Dit zou een quantum leap zijn voor de EVDI. In de Kamer heb ik hierover een motie ingediend, die ik aanhoud totdat de regering met haar standpunt over Europese defensie komt.

Een Interne Markt is zo niet de enige, dan toch de beste garantie voor de toekomst van de Nederlandse defensie industrie. Een vrije markt, waarbij overheidsaanbestedingen onder strikte controle staan van de Europese Commissie en het Hof van Justitie. Met andere woorden het schrappen van artikel 223 van het Verdrag van Rome, zonder dat grote lidstaten de kans krijgen, op basis van een gezocht beroep op staatsveiligheid, hun markt af te schermen. Ik ben ervan overtuigd, dat het Nederlandse bedrijfsleven, dat nooit vies is van eerlijke concurrentie, een dergelijke kans met beide handen aan zou weten te grijpen. Als de Britten, Duitsers en Fransen hiertoe bereid zijn, is het hun ernst met de mooie woorden in de verklaringen van Saint-Malo, Keulen en Washington. Blijven zij hameren op een uitzonderingsstatus voor de defensie industrie, zal de militaire capaciteit van Europa onbeduidend blijven en zal EVDI dus niet van de grond komen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie