Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

GroenLinks discussienota: De krijgsmacht als vredesstichter

Datum nieuwsfeit: 25-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GroenLinks

De krijgsmacht als vredesstichter

Discussienota over de rol van de Nederlandse krijgsmacht in het vredes- en veiligheidsbeleid

GROENLINKS Tweede-Kamerfractie

oktober 1999

Voorwoord

Deze discussienota van de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks is een antwoord op de Hoofdlijnennotitie van Staatssecretaris De Grave en een bijdrage aan het debat over de komende Defensienota van het kabinet, waarin de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht en haar internationale inzet voor de middenlange termijn wordt vastgelegd.

In het eerste deel van de nota is geprobeerd om een schets te geven van een Nederlandse krijsmacht die door afslanking en aanpassing een bescheiden, maar belangrijke, rol kan spelen als vredesstichter. De nota is daarmee ook een aanzet voor het debat over de rol van de krijgsmacht in het vredes- en veiligheidsbeleid. Een debat dat plaatsvindt in het najaar van 1999 in de partij en met organisaties en deskundigen van buiten.

Niet alleen het lopende en op stapel staande regeringsbeleid vormt een aanleiding voor de discussienota, maar zeker ook de crisis rond Kosovo en de keuzen van GroenLinks daarbij (de evaluatie hiervan is in een aparte notitie ondergebracht).

De Tweede-Kamerfractie van Groenlinks zag zich de afgelopen jaren meerdere keren voor de paradox gesteld, dat een organisatie - de NAVO
- die volgens het verkiezingsprogramma opgeheven dient te worden, in de praktijk met instemming van de fractie de opdracht kreeg om in de zwaarste crisissituaties vrede en veiligheid op het Europese continent te herstellen.

Hoe om te gaan met deze NAVO-paradox? Het zou in onze ogen goed zijn om daarover binnen GroenLinks een nadere programmatische discussie te voeren. Het tweede deel van de nota beoogt daar een bijdrage aan te leveren. Tevens zal worden ingegaan op de recente ontwikkelingen in de Europese Unie en de NAVO als het gaat om een meer zelfstandige, Europese defensierol.

De nota is tot stand gekomen na consultatie van deskundigen binnen de partij, waaronder leden van de Europawerkgroep, de GroenLinks werkgroep vrede en veiligheid en het wetenschappelijk bureau, maar ook met deskundigen van buiten, o.a. van de vredesbeweging, van het instituut Clingendael en uit de krijgsmacht.

De Tweede-Kamerfractie hoopt dat deze bondige nota aanzet tot een richtinggevend debat, dat zowel gaat over de nieuwe structuur van de krijgsmacht als de institutionele kaders waarbinnen deze een rol als vredesstichter zou kunnen vervullen.

Tweede-Kamerfractie GroenLinks

Den Haag, oktober 1999

Inleiding

In de programmatische ontwikkeling van GroenLinks heeft de zoektocht naar een ideale vormgeving van vrede en veiligheid in de wereld, met goed functionerende internationale organen, altijd een belangrijke plaats ingenomen. Helaas is de werkelijkheid nog ver verwijderd van haar idealen en moet Groenlinks in de dagelijkse politiek keuzen maken in (internationale) machtsverhoudingen die vaak niet de hare zijn. Dit leidt tot een permanent debat. De Tweede- Kamerfractie juicht dat ook toe. Het is goed met elkaar te zoeken naar afgewogen standpunten die richting geven in de vaak weerbarstige praktijk van alledag als het gaat om gewelddadige conflicten en humanitaire crises.

Deze discussienota is dan ook niet veel meer dan een volgende stap in een veelomvattend debat. Het begint met een schets van een Nederlandse krijsmacht die door afslanking en aanpassing een bescheiden, maar belangrijke, rol kan spelen als vredesstichter. Het eindigt met een mogelijke oplossing voor de NAVO-paradox waarvoor GroenLinks zich ziet geplaatst.

Het eerste hoofdstuk gaat over het veiligheidsbeleid. Daarbij staat naar de beste GroenLinks-traditie conflictpreventie voorop. Conflictpreventie hoort hoger op de internationale agenda en vraagt om meer politieke en financiële investeringen. Conflictpreventie vereist ook een scherpe vermindering én reglementering van wapenhandel. Conflictpreventie staat kortom centraal in het buitenlands- en veiligheidsbeleid. Dat neemt niet weg dat ook conflictpreventie kan falen. Helaas doet het dat ook vaak, omdat er onvoldoende op is ingezet. Maar het opwaarderen van conflictpreventie alleen is niet genoeg. Een politieke partij dient zich ook te buigen over de vraag wat te doen als een conflict daadwerkelijk plaatst vindt en escaleert; over de vraag of er militair geïntervenieerd moet worden. Daarom wordt er in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de legitimatie van Nederlandse deelname aan militaire interventies. De voorwaarden waaronder worden uiteengezet en getoetst aan de gang van zaken bij recente vredesmissies

In hoofdstuk 2 en 3 wordt de keuze van GroenLinks voor een Nederlandse krijgsmacht die zich richt op vredestaken nader uitgewerkt voor structuur, materieel en personeel. Er wordt een schets gegeven van de Nederlandse krijgsmacht, die afgeslankt en aangepast, beter als vredesstichter kan optreden. Ook wordt nader bekeken hoe zo'n vredesleger het beste kan worden ingepast in internationale militaire verbanden. Immers door de steun aan de inzet van de krijgsmacht voor vredesmissies en voor het stoppen van genocide en grootschalige schendingen van de mensenrechten, verplicht GroenLinks zich ook bij te dragen aan de discussie over de inrichting van de krijgsmacht.

Al lang stellen wij vragen bij het bestaansrecht van delen van de krijgsmacht die vooral gericht zijn op de traditionele verdedigingstaken. Maar er is bij GroenLinks anderzijds ook gehoor voor terechte vragen naar voldoende mensen en materieel ten behoeve van vredesmissies en conflictbeheersing. De materiële vertaling van een dergelijke nieuwe krijgsmacht is nog niet tot de laatste soldaat en het laatste pantservoertuig ingevuld. Er wordt wel duidelijk een richting gekozen. Met de hulp van deskundigen zal mogelijk op afzienbare termijn een verdere financiële uitwerking beschikbaar komen.

In hoofdstuk 4 wordt tenslotte ingegaan op de institutionele ontwikkelingen in het vredes- en veiligheidsbeleid. Zeker na Kosovo is de herhaald voorkomende patstelling binnen de VN een urgente kwestie die nadere overdenking vergt. Voor wat betreft de korte termijn is het juist de patstelling in de VN die het voor de fractie van GroenLinks zo belangrijk maakt om een oplossing voor de NAVO-paradox te zoeken. Naar ons idee vraagt de rol van de NAVO in Bosnië en Kosovo - in ieder geval voor de korte termijn - om een nog verdere ombouw van dit militaire verbond naar een organisatie die onder betere politieke controle incidenteel kan worden ingezet bij vredesmissies. Maar ook de pan-Europese ontwikkeling binnen de NAVO via het zogenaamde partnership for peace met Midden- en Oost-Europese landen en Rusland vraagt om een nieuwe beoordeling van de rol van de NAVO in het denken van GroenLinks.

Tot slot wordt ingegaan op de discussie over de Europese Veiligheids- en Defensie-identiteit (EVDI). Deze staat nog in de kinderschoenen. Politieke en financiële conclusies zijn nog amper te trekken. Waarschijnlijk zal blijken dat Europa meer moet investeren in inlichtingen- en strategische transport-capaciteit en dat er sprake zal moeten zijn van meer flexibele, sneller inzetbare en daardoor meer parate eenheden. Dat hoeft echter niet te leiden tot verhogingen van budgetten. Nog veel legers in Europa zijn uitermate log en inefficiënt vanwege de traditionele concepten waarmee gewerkt wordt. De nieuwe capaciteiten zullen deels deze oude structuren vervangen. Wie de uitdaging van een moderne Europese Veiligheids- en Defensie-Identiteit vooral ziet als een breekijzer voor meer geld, die reageert visieloos en miskent de vele mogelijkheden die we nu nog onbenut laten.


1 Het veiligheidsbeleid

De rol van de krijgsmacht is voor GroenLinks altijd een afgeleide van het buitenlands- en veiligheidsbeleid geweest. Het internationale beleid van Nederland, al of niet in EU-verband, hoort gebaseerd te zijn op eerlijke handel, duurzame ontwikkeling en vreedzame coëxistentie. Hoekstenen daarbij zijn respect voor de mensenrechten en voor de rechten van minderheden. Waar door armoede, milieurampen, etnische en religieuze verschillen of historische verhoudingen conflicten dreigen, is preventie met alle beschikbare politieke, economische en diplomatieke middelen geboden. Voorop daarbij staan de internationale volkenrechterlijke of politieke organen als het gaat om veiligheids- en mensenrechtenbeleid.

Dit is de bondige samenvatting van de GroenLinks visie op vrede en veiligheid. In de opeenvolgende verkiezingsprogramma's is deze visie verankerd en uitgewerkt. Wat ons betreft staat deze nog fier overeind. Het valt buiten het bestek van deze nota om die brede visie volledig weer te geven. Dat is al uitvoerig gedaan in de fractienota's die de opmaat waren voor onze inzet bij de Prioriteitennota en de Herijking van het Buitenlandsbeleid.


1.

1. Conflictpreventie

Waar wij wel nadrukkelijk bij stil willen staan is het belang van conflictpreventie. Dat verdient een veel hogere plek op de internationale agenda en vraagt om meer politieke en financiële investeringen.

De VN en haar Veiligheidsraad, regionale organisaties zoals de OVSE in Europa en de OAE in Afrika dienen beter toegerust te worden voor een actieve rol bij conflictpreventie. Dat betekent niet alleen dat men over voldoende budgetten beschikt. Zo valt er op dit moment nog te veel aan te merken op de besluitvorming binnen de Verenigde Naties. Die moet soepeler om sneller en adequater te kunnen reageren. Wij willen dat de VN zich omvormt tot een slagvaardige organisatie met een integrale opdracht op het terrein van de menselijke veiligheid (human security), zij moet in staat zijn om door de schotten tussen diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, economische relaties en het vredes- & veiligheidsbeleid heen te breken.

Wat zeker moet veranderen is de wijze waarop de Veiligheidsraad haar besluiten neemt. Allereerst dienen er meer waarborgen te zijn voor een open besluitvorming. De huidige structuur van de raad leidt te veel tot een belangenafweging waarin harde `Realpolitik' domineert of een volledige patstelling in de besluitvorming een triest resultaat is.

Voor GroenLinks betekent dat al langer: afschaffing van het vetorecht. In de plaats daarvan dient er beslist te worden met een gekwalificeerde meerderheid. Het lijkt ook verstandig om het aantal permanente leden van de Veiligheidsraad uit te breiden. Bijvoorbeeld met enkele ontwikkelingslanden en Japan. De Europese Unie kan vervolgens volstaan met één vertegenwoordiging.

In Europa betekent betere conflictpreventie onder meer het verlenen van meer middelen en bevoegdheden aan de OVSE. Deze organisatie moet over beter toegeruste humanitaire en diplomatieke staven kunnen beschikken. Mensen die snel ingezet kunnen worden in gebieden waar potentiële conflicten dreigen. Landen moeten op zeer korte termijn op verzoek van de OVSE getrainde burgerwaarnemers, conflictbemiddelaars en bestuuradviseurs kunnen leveren. Het zou goed zijn als elk land hiervoor een aparte afdeling conflictpreventie in het leven roept. Die analyseert, mensen klaarmaakt voor uitzending, de noodzaak van economische hulp signaleert of juist de effectiviteit van boycotmaatregelen aantoont.

Hierbij is een goede samenwerking met Niet Gouvernementele Organisaties (NGO's) van groot belang. Internationaal opererende NGO's spelen een steeds grotere rol in de internationale betrekkingen. Overgangen van dictatuur naar democratie lopen vaak op geweld uit. In dit soort situaties hebben organisaties voor vrede, humanitaire hulp en mensenrechten via eigen netwerken mogelijkheden tot preventief handelen. Samenwerking tussen organisaties in de civiele samenleving en overheid levert vaak de beste resultaten op. NGO's verdienen daarom steun met kennis en geld van Defensie en Buitenlandse Zaken. Samenwerking in het opleiden van mensen tot waarnemer, bemiddelaar of lid van een burgervredesteam ligt voor de hand. Zowel in situaties van conflictpreventie als het interveniëren in conflicten is een goede samenwerking met veldwerkers van NGO's cruciaal.

Interessant in dit verband is dat de VN het jaar 2000 heeft uitgeroepen tot internationaal jaar voor een cultuur van de vrede en geweldloosheid. Het is te hopen dat daar een impuls vanuit gaat voor versterking van de conflictpreventie.

Wij achten het, ook uit oogpunt van conflictpreventie, een goede ontwikkeling dat de internationale gemeenschap daders van oorlogsmisdrijven bij conflicten zoals in voormalig Joegoslavië door een oorlogstribunaal tracht te berechten. Ofschoon dergelijke processen veel tijd kosten en ze haast per definitie pas achteraf plaats vinden kan er wel degelijk een preventieve werking naar andere potentiële daders in nieuwe conflictsituaties van uitgaan.

Uiteraard zijn er tal van economische en politieke drukmiddelen die een rol kunnen spelen bij conflictpreventie. Dikwijls hebben wij al bepleit dat deze middelen, variërend van een diplomatieke onderhandelingsmissies tot een handelsembargo, van grote betekenis zijn voor een modern buitenlands- en veiligheidsbeleid. Het voert veel te ver om alle instrumenten op dit terrein langs te lopen. Wel achten wij het nodig om nadrukkelijk stil te staan bij het beleid inzake wapenhandel.


1.2 Wapenproductie en -handel

In het algemeen geldt dat de internationale wapenproductie en wapenhandel sterk moet worden verminderd en scherp geregistreerd en gereglementeerd. Dat is een basisvoorwaarde om een beleid dat gericht is op conflictpreventie ook echt kans van slagen te geven.

De GroenLinks Tweede-Kamerfractie wil de regering op een aantal punten uitdagen om haar inspanningen te verhogen:
a. Een absoluut verbod op wapenhandel naar dubieuze regimes en spanningsregio's en een voortvarend meewerken aan een goed functionerend VN-register inzake de wapenhandel is het minste dat de Nederlandse regering kan doen.
b. Nederland dient zich op nationaal niveau strikt aan wapenembargo's van de Veiligheidsraad en de Europese Unie te houden en de omschrijving van militaire goederen ruim te hanteren. Nederland zal ook diplomatieke druk uitoefenen op landen die zich niet aan embargo's houden.
c. De Nederlandse regering zal zich ook actief moeten inspannen voor het terugdringen van wapenleveranties door andere EU-landen wanneer deze leveranties mogelijk bijdragen aan mensenrechtenschendingen.
d. Nederland gaat daarom actief pleiten voor een versterking van de EU-gedragscode inzake wapenexport. Deze dient een bindend karakter te krijgen.
e. Bij iedere wapenleverantie dienen standaardgaranties gevraagd te worden opdat de door Nederland (of ieder andere Unie-lidstaat) geleverde wapens niet ingezet zullen worden tegen de bevolking. f. Landen die niet of onvolledig aan het VN register (9de criterium, nog niet vastgelegd) rapporteren moeten worden uitgesloten van wapenleveranties. Bovendien moet Nederland dit criterium bepleiten in de geëigende internationale fora.

Wij hebben tot onze spijt al vaker moeten constateren dat het te veel ontbreekt aan krachtige instrumenten om een wapenleverantie van een Unie-lidstaat naar een dubieus land tegen te houden. Dit is des te meer urgent gezien de tendens naar een verdere Europeanisering van de wapenindustrie. Bovendien vormen de huidige acht criteria van de EU-gedragscode nog onvoldoende een garantie voor de preventie van handel in wapens die worden gebruikt bij mensenrechtenschendingen. Een verdere aanscherping van de criteria is in onze ogen wenselijk en dient door de Nederlandse regering ook op Europees niveau bepleit te worden.

Zowel voor het nationale, het Europese als het internationale beleid inzake wapenhandel geldt dat niet geleverd mag worden aan een `spanningsgebied'. Maar wat is een spanningsgebied? Hierover dient meer duidelijkheid te komen. Feitelijk is er een doorlopend, onafhankelijk en openbaar onderzoek nodig naar welke landen en regio's vallen onder het criterium (potentieel) gevoelige regio. Het is daarom wenselijk dat er in ieder geval op Europees, en mogelijk later ook op mondiaal niveau, een instituut ontstaat dat onderzoekt op basis van door VN of EU vastgelegde criteria welke landen en/of regio's als spanningsgebied moeten worden aangemerkt.

Naast de noodzaak om meer helderheid te krijgen over de definitie van een spanningsgebied, dient er - hoe vreemd misschien ook - meer duidelijkheid te komen over de vraag welke producten als wapen mogen worden aangemerkt. Helaas bestaat er in de praktijk veel onenigheid over deze vraag. GroenLinks bepleit een ruime definitie van militaire goederen en vindt dat er zowel in VN-kader als Unie verband heldere lijsten moeten worden aangelegd, die maatgevend dienen te zijn bij de uitvoering van het beleid rond wapenhandel.

Een scherpe vermindering én reglementering van wapenhandel is een belangrijke bijdrage aan conflictpreventie. Wij onderkennen echter dat, zelfs bij een veel sterker beleid rond conflictpreventie en wapenhandel, er conflicten kunnen ontstaan waarbij de Nederlandse krijgsmacht een rol dient te spelen als peace-keeper of zelfs als peace-enforce'. De erkenning dat een

grootschalige schending van mensenrechten of genocide noodgedwongen kan leiden tot militaire interventie houdt voor ons in dat wapenproductie of -handel binnen zeer strakke kaders mogelijk moet blijven.

Dit betekent voor ons dat de verkoop van overtollige wapens van de Nederlandse krijgsmacht, binnen de gegeven beperkingen van het wapenexportbeleid, kan worden toegestaan. Daarbij geldt wel dat de politieke afweging zwaarder weegt dan de financiële. De meest biedende partij is zeker niet altijd de meest gewenste. Als bij voorbeeld de samenwerking met voormalige Oostbloklanden in het kader van het partnership for peace gediend is met de levering van overtollig materieel tegen een vrij zachte prijs, is dat een denkbare optie.


1.3 Criteria voor inzet militaire middelen

Eigenlijk zou deze discussienota hier al horen te eindigen. Want conflictpreventie is erop gericht te voorkomen dat militaire inzet nodig is. In nota's over defensie gaat het telkens om ambitieniveaus: wat en hoeveel gevechtskracht kan een land leveren, aan hoeveel (vredes)missies kan de krijgsmacht simultaan meedoen. In die zin moet het uiteindelijke ambitieniveau natuurlijk nul zijn. Dat de wereld er helaas nog anders uitziet, betekent niet dat dit uiteindelijke doel vergeten en verwaarloosd mag worden. De noodzaak van inzet van militaire middelen hoort nooit vanzelfsprekend te zijn.

In de praktijk doen zich helaas nog al te vaak situaties voor waar vreedzame middelen niet volstaan en inzet van militaire middelen noodzakelijk is. Maar dan wel als sluitstuk, wanneer andere middelen falen en wanneer er sprake is van ontoelaatbare grootschalige schendingen van de mensenrechten of (dreigende) genocide.

Politieke organisaties en verbanden zoals de VN bieden politieke kaders voor militair optreden. De inzet van militairen kan vele vormen aannemen. Het kan gaan om eenheden die preventief ontplooid worden aan de randen van een conflicthaard. Het kunnen ook eenheden zijn die ingezet worden ter ondersteuning van humanitaire missies of ter bewaring van de vrede. Dit laatste kan soms een zwaardere inzet vergen en in geval van grootschalige mensenrechtenschendingen en/of (dreigende) genocide voorafgegaan worden door vormen van peace-enforcement.

Het laatste verkiezingsprogramma van GroenLinks is hier ook vrij duidelijk over:

"waar diplomatie niet meer helpt, burgerinzet voor preventie van conflicten faalt en economische en politieke dwangmiddelen zonder resultaat blijven, moet in een aantal gevallen inzet van militaire middelen mogelijk zijn. Dat is in het geval van dreigende genocide of als er bescherming moet worden geboden ten behoeve van humanitaire hulpverlening".

Hiermee erkent de partij dat er een morele rechtvaardiging kan bestaan voor het inzetten van de Nederlandse krijgsmacht bij vredesoperaties. Tegelijkertijd acht het programma een juridische inkadering wenselijk, daar waar het stelt:

"Nederland neemt alleen deel aan internationale vredesoperaties als er sprake is van een helder en uitvoerbaar mandaat en van een legitimering door een resolutie van de Veiligheidsraad".

Wij vinden dat deze hoofdregel moet blijven bestaan. Tegelijkertijd is hier door de fractie van afgeweken toen zij vorig jaar instemde met de interventie in Kosovo. In de evaluatie van haar Kosovo standpunt gaat de fractie daar nader op in. Hier volstaat het om te stellen dat er zich zeer bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, waaronder van de hoofdregel wordt afgeweken.

Over deze uitzonderingsbepaling en de mogelijk daaraan verbonden consequenties is veel discussie mogelijk. In hoofdstuk 4 wordt daar nader op in gaan. Het betreft dan de vraag: hoe om te gaan met een conflict waarin sprake is van (dreigende) genocide, maar een patstelling in de Veiligheidsraad een volledig gemandateerd optreden verhindert.

In deze paragraaf wensen wij vooral stil te staan bij de criteria, die gehanteerd moeten worden bij besluitvorming over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht bij vredesoperaties. Hiervoor zijn drie punten van cruciaal belang:

1. Uiteraard is voor ons de morele rechtvaardiging een voorwaarde vooraf. Er dient dus sprake te zijn van grootschalige schending van mensenrechten, een (dreigende) genocide of de noodzaak om bescherming te bieden ten behoeve van humanitaire hulpverlening, vóórdat een bijdrage van de Nederlandse krijgsmacht aan een militaire interventie in beeld komt.

2. De juridische inkadering in een VN-mandaat, weloverwogen uitzonderingen daargelaten, is een tweede voorwaarde.
3. Een zorgvuldige toetsing door het parlement, volgens de criteria van het bestaande Toetsingskader, is als derde voorwaarde vereist.

Nu zal niet voor iedereen bekend zijn hoe het bestaande toetsingskader er uit ziet. Het is niet doenlijk de volledige inhoud van het toetsingskader weer te geven. Daarvoor verwijzen wij naar het desbetreffende Kamerstuk (nummer 23591).

De belangrijkste aandachtspunten die in het toetsingskader zijn vastgelegd:

De politieke wenselijkheid. Daarbij gaat het volgens het Toetsingskader voor Nederland om drie zaken:

a. handhaving van de internationale vrede en veiligheid

b. handhaving van de normen van het internationale recht, waaronder de fundamentele mensenrechten.

c.Bescherming van nationale, Europese of bondgenootschappelijke belangen.

Dit wordt uitgewerkt in het licht van de Nederlandse belangen, waarbij de volgende zaken aan de orde zijn:

Bij de formulering van Nederlandse belangen en/of de bevordering van de internationale rechtsorde gaat het niet alleen om de aantasting van de soevereiniteit van een land , maar ook grove schendingen van de mensenrechten kunnen reden zijn voor internationaal optreden.

Uitzending van militairen dient in overeenstemming te zijn met het volkenrecht; bij voorkeur met mandaat van VN. Bij een Nederlandse bijdrage spelen factoren als solidariteit, geloofwaardigheid en spreiding van verantwoordelijkheden, risico's en lasten een rol

Een multinationale benadering verdient de voorkeur.

Uitzending van eenheden is geen automatisme. Per geval beslist Nederland. Een dergelijk besluit wordt, behoudens uitzonderingen, niet uitgevoerd dan nadat het parlement hierover is ingelicht.


2. De haalbaarheid

Er moet sprake zijn van een concrete militaire opdracht.

Beoordeeld moet worden of gestelde politieke en militaire doelen redelijkerwijs haalbaar zijn. Een toereikend politiek en maatschappelijk draagvlak moet aanwezig zijn. Spreiding over meerdere landen bevordert dat.

Beschikbaarheid van noodzakelijk eenheden, ook in het licht van andere operaties.

Een duidelijke commandostructuur moet aanwezig zijn.

De risico's moeten zo goed mogelijk beoordeeld zijn. moeten ondubbelzinnig zijn geformuleerd. Daarin gaat het om de mate van bewapening, situaties waarin gewapend optreden geoorloofd zijn, e.d.

De financiering moet gewaarborgd zijn.

Iedere toezegging voor deelname aan operaties moet een termijn bevatten, waarna de deelname be\'ebindigd wordt, of, in geval van voortzetting, een nieuw besluit nodig is.

Bovengenoemde drie voorwaarden en de aandachtspunten uit het Toetsingskader vormen niet meer of minder dan een handvat voor de totstandkoming van een weloverwogen politiek oordeel van de Tweede-Kamerfractie op basis van de specifieke karakteristieken van elk afzonderlijk geval. Ze lenen zich niet voor mechanische toepassing. Er is geen ideale blauwdruk die voorschrijft hoe te handelen in het geval van mogelijke deelname aan een vredesmissie.

Dat neemt niet weg dat er sprake is van een volledige verantwoordingsplicht voor hen die instemmen met uitzending van Nederlandse militairen. Net zo als wij het kabinet ter verantwoording roepen, mag en moet de partij de fractie ter verantwoording roepen. De ervaring met Kosovo heeft laten zien dat - hoe moeilijk soms ook - een open discussie en verantwoording in de partij voor alle betrokkenen nuttig en leerzaam kan zijn.

Bij de totstandkoming van een weloverwogen politiek oordeel is het niet alleen zaak om te bezien of de drie voorwaarden vervuld zijn. Het is zaak om zo goed als mogelijk de risico's van een mogelijk militair optreden in te schatten. Het gaat dan om zaken als de effectiviteit en het draagvlak, maar ook om de risico's voor de burgerbevolking, de militairen en omliggende regio's.

Ingrijpen kan moreel gerechtvaardigd zijn en juridisch gedekt, maar als dat niet leidt tot het gewenste doel of slechts ten koste gaat van zoveel militaire en/of burger slachtoffers dat het draagvlak halverwege wegvalt, dan is het onverstandig om aan zo'n operatie te beginnen.

Het is onmogelijk om in één of meerdere vuistregels voor alle landen en situaties te bepalen of militair optreden zinvol en haalbaar is. De grootschalige schending van mensenrechten door Serviërs in Bosnië en Kosovo heeft tot internationale militaire interventies geleid. Er valt wellicht te twisten over de zin van deze interventies. Voor velen zal echter wel vaststaan dat een zinvolle militaire interventie vrijwel ondenkbaar is als het gaat om een enorme toename van grootschalige mensenrechtenschendingen in bijvoorbeeld China. Het risico van een onbeheersbare militaire escalatie is dan al gauw onaanvaardbaar.

Dit probleem heeft zich gelukkig niet voorgedaan in het geval van Oost-Timor. Maar wat als de Indonesische regering niet had ingestemd met de komst van een VN-vredesmacht? Hoe was dan het risico van een militaire escalatie afgewogen tegen de belangen van de Oost-Timorezen?

Dergelijke risico's zijn zeer moeilijk in te schatten en vereisen veel kennis van het betrokken gebied. Dat verklaart ook waarom factoren als regionale nabijheid of actieve politieke betrokkenheid uit het verleden vaak een rol spelen bij de standpuntbepaling over de deelname aan militaire interventies. Daarnaast kunnen natuurlijk ook hele andere, politieke of economische, belangen een rol spelen bij het maken van een risico-analyse. Het is zaak er op toe te zien dat hierin geen vervuiling optreedt.

Het is echter in onze ogen vrijwel onvermijdbaar dat het inschatten van risico's tot onbegrip en gevoelens van willekeur kunnen leiden. Het is nu eenmaal onrechtvaardig dat in het ene geval van grootschalige schending van mensenrechten wel wordt ingegrepen, en in het andere geval niet. Hoe begrijpelijk het ook is als de vraag gesteld wordt: waarom in Kosovo wel en in Rwanda of Turkije niet? Het mag niet zo zijn dat dergelijke gewetensvragen bij voorbaat iedere militaire interventie verhinderen. Dan verstrek je onbedoeld een vrijbrief aan autoritaire regimes.

Als er een morele rechtvaardiging, een juridische inkadering en een afweging op basis van het toetsingskader heeft plaatsgevonden moet een interventie ook plaats kunnen vinden. Dan geldt zowel voor het besluit om deel te nemen aan een militaire interventie, als voor de beoordeling van het verloop van de interventie, die met risico-analyses voortdurend getoetst moeten worden.


1.4 De wereld is groter dan het Westen

Een voorbeeld van een risico dat voortdurende toetsing behoeft en in de praktijk een veel grotere rol speelt dan vaak wordt onderkend, is het risico voor de regio. Het kan daarbij gaan om het risico voor de gebieden die grenzen aan een conflicthaard. Denk bijvoorbeeld aan de risico's die de buurlanden van Kosovo liepen. Maar het kan ook gaan om de destabiliserende werking die uitgaat van een conflict voor een grote regio of een heel continent.

Het mag duidelijk zijn dat de bereidheid om deel te nemen aan een militaire interventie vaak wordt ingeven door het feit dat het om een conflict in de eigen regio gaat. Uit oogpunt van gedeelde veiligheid is er volgens ons in beginsel niets tegen een zekere regionalisering van het veiligheidsbeleid. Dat kan het draagvlak en de effectiviteit van een interventie ten goede komen.

Het moet dan wel een proces zijn waar de internationale gemeenschap bewust aan werkt en waarin regionale veiligheidsconcepten worden uitgewerkt. Het mag geen sluipend proces zijn waarbij vooral belangen van de rijke landen en het schoonvegen van hun eigen stoep leidraad worden en continenten als Afrika aan zichzelf worden overgelaten.

Voor alle duidelijkheid: regionalisering van het veiligheidsbeleid mag nooit betekenen dat er een regionalisering plaatsvindt van wat als mensenrechten en de schending ervan wordt gezien. De bepaling daarvan moet ten alle tijden voorbehouden blijven aan de VN en debatten daarover dienen op mondiaal niveau plaats te vinden. Daar gaat het over mandaten en over de politieke inhoud. Regionaal gaat het hooguit om de uitvoering van dergelijke VN-besluiten.

Bij regionalisering van het veiligheidsbeleid moeten rijke en militair machtige landen en verbanden zich medeverantwoordelijk blijven voelen voor conflicten in een armere regio.

De vraag is wel hoe dat geregeld wordt. In het verleden hebben we vaak gezien dat de bemoeienis van Westerse landen met conflicten in bijvoorbeeld Afrika voortkwam uit het feit dat de conflicthaard een voormalige kolonie betrof. Dit heeft in de regel tot desastreuze resultaten geleid. Het is echter niet verstandig om iedere betrokkenheid van Westerse landen bij conflicten in Afrika uit te bannen. Integendeel, het is zaak betrokkenheid zo te kanaliseren dat alle betrokkenen ervan kunnen profiteren.

Het is wellicht denkbaar dat een geprofessionaliseerde ECOMOG in een deel van Afrika de rol van vredesleger vervult, indien een politiek verband als de VN (of OAE) daar de opdracht toe geeft. Zonder de verantwoordelijkheden van deze regionale veiligheidsorganisaties over te nemen kan er wel sprake zijn van actieve ondersteuning uit het Westen in de vorm van training, levering van materieel en communicatiemiddelen, inlichtingen- en transportcapaciteit. Deze hulp is uiteraard niet bedoeld voor de opbouw van nog meer militair vermogen in ontwikkelingslanden. Integendeel, het vormgeven van een dergelijke regionale veiligheidsorganisatie kan wel eens een grote bijdrage zijn aan de aanpak van ongecontroleerde wapenhandel en een zekere mate van ontwapening stimuleren.

Indien er zich echter een conflict voordoet dat om een interventie vraagt die door ECOMOG niet te dragen valt, moet het natuurlijk altijd mogelijk blijven dat er een VN-macht tot stand komt, waarin Westerse landen ook actief participeren. Het verdient dan wel de voorkeur dat het om ongebonden Westerse landen, die geen koloniale relatie hadden met het conflictgebied.

Het is denkbaar dat elders in de wereld, in Azië en Midden- & Zuid-Amerika vergelijkbare veiligheidsverbanden gevormd kunnen worden.


2 De krijgsmacht in internationaal verband

In het vorige hoofdstuk is niet alleen gepleit voor een opwaardering van conflictpreventie en de aanpak van wapenhandel, maar ook uiteengezet onder welke voorwaarden de Nederlandse krijgsmacht ingezet zou kunnen worden voor militaire interventies in het kader van vredesmissies.

In de volgende twee hoofdstukken wordt geprobeerd een schets te geven van de afslanking en aanpassing die de krijgsmacht moet ondergaan wil het de bescheiden, maar belangrijke rol, als vredesstichter ook in de praktijk waar kunnen maken. Onze inzet is daarbij duidelijk: voortaan dient de hoofdtaak van vredesstichter voorop te staan, in plaats van de traditionele taak van de landsverdediging.


2.1 Nederland levert inpasbare eenheden

Het is voor GroenLinks al langere tijd vanzelfsprekend dat haar brede visie op het vrede- & veiligheidsbeleid logischerwijs tot de conclusie leidt dat humanitaire, preventieve en `peace-keeping' of `peace-enforcing' acties de hoofdtaak dienen te vormen voor de Nederlandse krijgsmacht.

Dergelijke acties vinden per definitie in internationaal verband plaats. De flexibele en mobiele troepen die hiervoor nodig zijn moeten passen in internationale eenheden. Daarbij moet Nederland niet de ambitie hebben grote zelfstandige gevechtseenheden te leveren. In brigades van een groot Europees land of in internationale divisies kan Nederland eventueel goed inpasbare eenheden (modules) leveren voor inzet bij een vredesmissie.

Het is goed om eerst een overstap te maken naar de praktijk van de afgelopen jaren en de wijze waarop de Nederlandse krijsmacht onder diverse militaire bevelstructuren is ingezet voor internationale vredesmissies. Het gaat in het navolgende heel nadrukkelijke over de militaire bevelstructuur, niet over de politieke besluitvorming vooraf en de politieke controle tijdens de inzet van een vredesmacht. Daarvoor gelden de regels uit paragraaf 1.3.

Er zijn drie verschillende militaire bevelstructuren te onderscheiden, waaronder eenheden van de Nederlandse Krijgsmacht zouden kunnen functioneren in het geval van vredesoperaties. Met de eerste twee opties is de afgelopen jaren ook ervaring opgedaan. a. Allereerst zijn er de vredesoperaties waarbij de VN zelf ook de directe militaire leiding in handen heeft. Hiervan was onder andere sprake bij de oorlog in Bosnië. Helaas bleek de VN daar niet bij machte om een grootschalig militair optreden slagvaardig en efficiënt aan te sturen. Mede hierdoor kon het gruwelijke bloedbad na de val van Srebrenica niet voorkomen worden en werd Dutchbat in een vrijwel onmogelijke positie gebracht. b. Na het akkoord van Dayton (1995) dat een eind maakte aan de Bosnische oorlog werd de bevelsstructuur over de internationale troepenmacht in handen van de NAVO gelegd. De NAVO werd een soort uitvoeringsorganisatie van de VN. Daarmee zijn we bij de tweede optie gekomen. Nederlandse eenheden zijn in Bosnië en later in Kosovo ingezet binnen bevelstructuren van de NAVO. Opgemerkt moet worden dat hier sprake was van keuzevrijheid. De NAVO werkte immer met zogenaamde coalitions of the willing. Wisselende coalities van lidstaten die bereid zijn een bijdrage te leveren. Per geval wordt door landen beslist of en hoeveel troepen men levert. De NAVO levert staf- en commandostructuren, maar beschikt amper over eigen inzetbare eenheden. Bij die coalitions of the willing kunnen zich ook niet-NAVO landen aansluiten. Gezegd moet worden dat deze tweede optie in de praktijk tot een effectiever optreden van eenheden heeft geleid dan de eerste optie.
c. Er bestaat ook nog een derde mogelijkheid, waarbij onafhankelijk van de militaire bevelstructuur van de VN of de NAVO een coalition of the willing tot stand komt onder leiding van één van de deelnemende landen. Op dit moment is er met de vredesmacht Interfet op Oost-Timor sprake van zo'n constructie, in dit geval onder militaire leiding van Australië. Nederland neemt hier overigens niet aan deel. Het is denkbaar dat in de toekomst vergelijkbare VN-missies tot stand komen, waarin Nederland wel zou willen participeren. Uiteraard vergt dit een zorgvuldige afweging en een beoordeling van het land dat de coalition of the willing leidt. Wil Nederland aan zo'n constructie meedoen dan is het geboden om aan te haken bij grotere bondgenoten en te beschikken over kleine mobiele eenheden die in een groter geheel zijn in te passen.

Er is overigens nog een ontwikkeling gaande die maakt dat de Nederlandse krijgsmacht zich los moet maken van de traditionele taak van de landsverdediging. Al enige tijd is er sprake van een nieuw verdedigingsconcept. Het zogenaamde CJTF-concept. Het draait daarbij niet langer om een collectieve verdediging met grote (staande en/of mobilisabele) legereenheden, zoals ten tijde van de Koude oorlog. Het is veeleer het flexibel reageren op actuele dreigingen, waarvoor op maat combined en joint troepen worden geformeerd. Dit concept wordt in toenemende mate bepalend binnen de NAVO, al dan niet in samenwerking met niet-NAVO-landen. CJTF-oefeningen vervangen steeds vaker de oefeningen van de staande verdedigingsstructuren en moeten dan ook consequenties hebben voor de toekomst van die structuren.

Voordat we nader ingaan op de vraag hoe de structuur van de Nederlandse krijsmacht zich dient aan te passen als het gaat om haar inzet bij vredesmissies, willen wij stilstaan bij de Hoofdlijnennotitie van het kabinet.


2.2 Hoofdlijnennotitie regering

De begin dit jaar verschenen Hoofdlijnennotitie van minister De Grave is een pakket maatregelen, die niet alleen bedoeld is om fl. 375 miljoen aan bezuinigingen in te vullen, maar ook de aanzet vormt tot een nieuwe beleidsvisie die straks zijn weerslag vindt in een nieuwe Defensienota van het kabinet.

De inhoud van deze beleidsvisie bestaat in hoofdlijnen uit de handhaving van huidige taken, waarbij meer accent komt te liggen op vredestaken dan op de verdediging tegen "een massale aanval, die immers minder waarschijnlijk is geworden".

Vredestaken en hulpverlening worden daarmee voor het eerst ook in de praktijk volwaardige taken van de krijgsmacht. Deze accentverschuiving komt tot uiting in het beperkt snijden in mobilisabele eenheden. Er wordt wat meer nadruk gelegd op parate eenheden voor uitzendingen en de vorming van een structurele capaciteit voor civiel-militaire betrekkingen (Cimic) wordt bepleit.

Wij kunnen in vier stappen aangeven wat ons kernprobleem is met betrekking tot de Hoofdlijnennotitie. Er wordt (a) een inschatting van veiligheidsrisico's gegeven die te ver is opgerekt, waardoor (b) ruimte ontstaat voor de introductie van het begrip crisisbeheersing, waarmee vervolgens (c) een legitimatie wordt gevonden voor een krijgsmacht die geacht wordt in alle stadia van het geweldsspectrum mee te kunnen doen, ook buiten het verdragsgebied, zodat uiteindelijk (d) niet echt gekozen wordt tussen algemene verdedigingstaken en vredestaken.

Het eerste punt van kritiek op de Hoofdlijnennotitie richt zich op de inschatting van de veiligheidsrisico's in de nabije toekomst. De hoofdlijnennotitie somt zoveel veiligheidsrisico's op (van de Balkan tot Zuidelijk Afrika) dat het onduidelijk is waarop Nederland zich nu echt moet voorbereiden. Het is volgens ons onzinnig en onhaalbaar om te streven naar een krijgsmacht die berekend is op alle denkbare veiligheidsrisico's. Wie dit wel als invalshoek kiest, komt onvermijdelijk tot de conclusie dat Nederland zich meer moet bewapenen om op alles voorbereid te zijn. Een werkelijke en eerlijke inschatting van de te verwachten inzet van de krijgsmacht ontbreekt echter, evenals de inkadering in het buitenlands beleid. Het is voor ons een gegeven dat de Nederlandse krijgsmacht zich dient te specialiseren. Het is jammer dat het kabinet hierop bij de analyse van veiligheidsrisico's niet heeft willen anticiperen.

Duidelijk is wel dat er door het kabinet geen (massale) aanval op het Nederlandse grondgebied verwacht wordt. De problemen worden meer gezocht in crisissituaties in de periferie van het NAVO-grondgebied (Balkan, Midden-Oosten, voormalige Sovjet-republieken en Noord-Afrika). Het gaat dan vooral om mogelijke veiligheidsrisico's veroorzaakt door zogenaamde "schurken-staten". Dictatoriale regimes die hun regio dusdanig destabiliseren dat buurlanden bedreigd worden. Ze maken NBC- wapens (Nucleaire, Biologische en Chemische wapens), schaffen lange afstandsraketten aan en vormen broeinesten voor terrorisme.

Ook volgens GroenLinks zijn dit reële veiligheidsrisico's. Niet alle mogelijk bedreigingen uit de hele wereld moeten leidraad zijn voor de opbouw van onze krijgsmacht. Conflicten met een regionale omvang, waarbij Nederland betrokken raakt vanwege bondgenootschappelijk verplichtingen en/of vredestaken, zijn de meest waarschijnlijke risico's. Ook de incidentele inzet van ballistische raketten en georganiseerd internationaal terrorisme zijn zaken waarop we moeten zijn voorbereid. Maar te vanzelfsprekend wordt daarbij het begrip crisisbeheersing geïntroduceerd.

Hiermee komen wij op het tweede punt van kritiek. Onder het begrip crisisbeheersing schuilt in de Hoofdlijnennotitie de kabinetsvisie dat: "tijdige inzet van militaire middelen voor de bestrijding van veiligheidsrisico's vooral aan de periferie van het NAVO verdragsgebied inzet van massale middelen ter verdediging van het bondgenootschappelijke grondgebied kan voorkomen".

Wij storen ons aan de suggestie die uit deze visie spreekt. Alsof militair ingrijpen in dergelijke situaties de enige weg is. In de visie van GroenLinks dient juist maximaal ingezet te worden op conflictpreventie en de inperking van wapenhandel. De vraag is gerechtvaardigd of permanente dreiging van militair optreden door de NAVO in de periferie van haar grondgebied op zich al niet een nieuw veiligheidsrisico vormt en een excuus voor andere landen om zich te bewapenen. Onduidelijk blijft bovendien wanneer en op welke wijze opgetreden mag worden. Heldere criteria ontbreken hierbij.

Conflicten in de periferie van het verdragsgebied vragen om een actieve politieke bemoeienis en waar gewenst zelfs een vredesmacht (met instemming van de partijen of onder mandaat van de VN). Maar ongevraagde preventieve militaire actie is voor de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks niet zomaar te rechtvaardigen. Voor de rechtvaardiging van preventieve militaire acties in de periferie van het verdragsgebied dienen in beginsel dezelfde voorwaarden vervuld te zijn als beschreven in paragraaf 1.3. Het gaat dan om een morele rechtvaardiging, een juridische inkadering en een afweging op basis van het Toetsingskader.

In onze ogen moet er sprake zijn van grootschalige schendingen van mensenrechten of (dreigende) genocide. Ook in het zeer onwaarschijnlijke geval van een aanvalsoorlog gericht op een bondgenoot kan Nederlandse deelname aan een verdedigingsmissie uiteraard aan de orde zijn. Maar wij voelen niets voor de introductie van het begrip crisisbeheersing zoals het kabinet voorstaat. Daarmee ontstaat er te snel een schimmig afwegingsproces wat waarschijnlijk op basis van veel onzekerheden en willekeur tot preventief militair optreden kan leiden buiten het verdragsgebied.

Een derde punt van kritiek op de hoofdlijnennotitie is onze vrees dat het onduidelijke en uitwaaierende concept van crisisbeheersing te snel een legitimatie gaat bieden voor een krijgsmacht die in alle stadia van het geweldsspectrum vanuit alle krijgsmachtdelen volledig mee moet kunnen doen. Deze ontwikkeling achten wij zeer onwenselijk. Het zou ten onrechte een grote financiële en materiële impuls voor de Nederlandse krijgsmacht betekenen. Dan dreigt een situatie dat men uit gebrek aan (politieke) wil niet wenst te specialiseren en een krijgsmacht opbouwt voor conflicten die ons voorstellingsvermogen te boven gaan. Want wie kan een reëel scenario schetsen van een conflict in de periferie van het NAVO-verdragsgebied, waarbij een groot deel van ons (deels mobilisabele) leger zou moeten worden ingezet met het risico dat zelfs duizenden reservisten zouden kunnen sneuvelen. Als de humanitaire catastrofe in Kosovo nog niet voldoende was om er de parate (grond)troepen voor in te zetten, dan is de vraag voor wat voor soort oorlog een deels fictief leger in stand gehouden moet worden?

Dat brengt ons tenslotte bij het vierde punt van kritiek op de Hoofdlijnennotitie: er wordt niet echt gekozen tussen algemene verdedigingstaken en vredestaken. Natuurlijk steunen wij de accentverschuivingen die worden voorgesteld. Het is goed dat er wat meer nadruk komt op parate eenheden voor uitzendingen. Wij juichen het ook toe dat er een structurele capaciteit voor civiele-militaire betrekkingen (Cimic) wordt opgericht. Deze lijn wordt echter niet consequent doorgetrokken. Wat leek aan te koersen op echte keuzen, vindt niet zijn vertaling in de invulling wat betreft troepen en materieel. Daarbij blijft zo ongeveer alles in tact, met hier een onsje minder en elders een onsje meer. Waardoor er een vlees-noch-vis krijgsmacht resteert.

Er blijft nog een omvangrijk mobilisabel deel van de krijgsmacht gehandhaafd, evenals allerlei standaardtaken van de marine ter verdediging van de Atlantische oceaan. Er wordt ten onrechte gesuggereerd dat Nederland in alle delen van het geweldsspectrum volwaardig mee moet kunnen doen. Van peacekeeping, via peace-enforcing naar crisisbeheersing en grootschalige oorlog. In de studie "Krijgsmacht of vredesmacht" van het instituut Clingendael wordt betoogd dat Nederland deze ambitie niet kan waarmaken zonder fors extra geld. De vraag is of dat er inzit. Voor de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks is dat in ieder geval geen optie. Mocht Groenlinks deze ontwikkeling niet kunnen keren dan dreigt Nederland in de praktijk met een weinig adequate krijgsmacht te worden opgezadeld.

Met een personeelsbestand van zo'n 75.000 werknemers kost het nu al de grootste moeite om langdurig een paar duizend man en vrouw werkelijk uit te zenden voor actuele operaties. Als er al een grootschalige inzet gevraagd mocht worden - wat waarschijnlijk zelden of nooit zal gebeuren - dan zal het zeer moeilijk worden om de benodigde eenheden paraat te krijgen. Bovendien zal een dergelijke grootschalige inzet maar voor een zeer korte tijdsperiode mogelijk zijn.

Het verdient in onze ogen de voorkeur om echt voor een vredesmacht te kiezen. Dat betekent het schrappen van tal van zaken die overbodig zijn of zelfs een belemmering vormen voor noodzakelijke structuur wijzigingen. Voor de goede orde, de Nederlandse bijdrage aan een vredesmacht gaat niet alleen om uitzending van lichtbewapende eenheden. Het zal ook kunnen gaan om goed bewapende, snel inzetbare eenheden, zoals SFOR in Bosnië en KFOR in Kosovo, waarvan zware tanks en geschut deel kunnen uitmaken.


2.3 Algemene verdedigingstaken

Naast troepen en gevechtskracht leveren voor vredesmachten kent Nederland als lid van de NAVO ook enkele verdragsrechtelijke verplichtingen, die concreet vorm krijgen in een Nederlandse bijdrage aan enkele algemene taken. Zoals al eerder betoogd moeten de verdedigingstaken een andere vorm krijgen. Waar sprake is van verdediging tegen een aanval op een land van het bondgenootschap, zal dat ook eerder het karakter hebben van een conflict met regionale proporties i.p.v. een `grote oorlog' De flexibele en mobiele eenheden, die geschikt zijn voor vredesbewarende en -afdwingende operaties in diverse delen van het geweldsspectrum, moeten ook inzetbaar zijn voor dit soort verdedigingstaken.

Daarnaast is er ook sprake van enkele (nieuwe) taken van meer algemene aard.

Enkele voorbeelden van dergelijke verplichtingen zijn het bijdragen aan de verdediging tegen mogelijke aanvallen met ballistische raketten die een chemische, biologische of nucleaire lading voeren, de verdediging tegen internationaal terrorisme en tegen IT-oorlogsvoering.

Bij dergelijke dreigingen is het volgens ons niet noodzakelijk om grote statische verdedigingssystemen op te zetten, waarbij elk vermeend risico wordt afgedekt, maar veeleer om mobiele eenheden en systemen. Aanvallen met ballistische raketten en terroristische aanslagen komen niet uit de lucht vallen. Nederland zal daar vooral mee te maken kunnen krijgen bij de inzet van troepen in een conflict elders. De bescherming van de eigen troepen bij zo'n uitzending is dan ook uitgangspunt bij de keuze van verdedigingssystemen. Dergelijke systemen moeten vooral mobiel en flexibel inzetbaar zijn, daar waar de dreiging te verwachten is.

Ook internationaal terrorisme en de dreiging van IT-oorlogsvoering vragen om gerichte antwoorden op maat. Algemene reacties op bijvoorbeeld terrorisme, zoals het preventief of uit wraak bombarderen van bases van terroristen of objecten van landen die terroristen steunen, verergeren de spanningen vaak meer dan dat zij een oplossing vormen. Doorgaans is het niet meer dan `krachtpatserij ten behoeve van het thuisfront'. Voorbeelden als de Amerikaanse reactie op vermeende acties van de terroristen van Ousama Ben Laden en de Russische reactie op vermeend Tsjetsjeens terrorisme zijn voorbeelden van `terrorismebestrijding' die voor GroenLinks niet de weg zijn die we op moeten gaan. Terrorismebestrijding vergt veeleer betere internationale samenwerking op het gebied van politie en inlichtingenwerk en een internationale politieke samenwerking gericht op het wegnemen van de financiele bronnen en politieke rugdekking van terrorisme.

IT-oorlogsvoering is vooralsnog een theoretisch concept, dat om waakzaamheid vraagt in de vorm van teams van specialisten op dit gebied die de ontwikkelingen nauwkeurig kunnen volgen.


3 De structuur van de Nederlandse krijgsmacht

In het navolgende proberen wij een structuur te schetsen van een Nederlandse krijsmacht die door afslanking en aanpassing een bescheiden, maar belangrijke, rol kan spelen als vredesstichter.

Opmerkelijk genoeg poneert de Hoofdlijnennotitie de stelling: "de middelen die nodig zijn voor regionale collectieve verdediging zullen vaak nauwelijks verschillen van de middelen die nodig zijn voor conflictbeheersing of voor internationaal gemandateerde vredesoperaties. Zowel voor de collectieve verdediging als voor crisisbeheersing zijn parate eenheden van doorslaggevend belang".

De consequentie hiervan moet volgens de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks dan ook zijn dat de structuren die bij de traditionele verdedigingstaak horen kunnen worden afgebroken. Dat betekent niet alleen de afschaffing van alle niet-parate mobilisabele eenheden, maar ook de opheffing van het Duits-Nederlandse legercorps. Dat is de grootste legereenheid die de Nederlandse krijgsmacht kent. Legercorpsen passen in traditionele legerstructuren en hadden bijvoorbeeld tot taak op de Duitse laagvlakte een eigen vak van vele tientallen kilometers te verdedigen.

In plaats van de traditionele structuren die uit de verdedigingstaak volgen dient een eigentijdse krijgsmacht zich te concentreren op de vorming van voldoende parate bataljons, die direct uitzendbaar zijn voor vredesoperaties.

Allereerst wensen wij te breken met de huidige legercorps- en divisiestructuur van de krijgsmacht. Die structuur is achterhaald, en verspilt tijd en geld met de voorbereiding op fictieve scenario's. Terwijl datgene waar wel vraag naar is, namelijk parate bataljons, in onvoldoende mate ter beschikking staat voor vredesoperaties.

Veel staf- & divisie-eenheden (zoals verbindingsbataljons) en mobilisabele complexen kunnen verdwijnen, als in Nederland gekozen wordt voor het bataljon (500-1000 man/vrouw sterk) als uitgangspunt. Dergelijke bataljons dienen flexibel inzetbaar te zijn in internationale brigades (2000-3000 man/vrouw sterk). Dit betekent dat er ook geoefend moet worden met brigade-staven en brigade ondersteunende troepen. Dat gebeurt dan wel in internationaal verband.

Wij willen onze hand niet overspelen door in te zetten op een uitzendbare Nederlandse brigade. In onze ogen past het niet bij de internationale positie van Nederland om het ambitieniveau voor wat betreft uitzendingen zo hoog te leggen. Een dergelijk ambitieniveau staat ook in geen verhouding tot de internationale inzet van Nederlandse militairen uit te afgelopen jaren. Probeer bestaande kwaliteiten uit te bouwen, begeef je niet op een terrein waar je als klein land niets te zoeken hebt.

Overigens betekent de opheffing van het Duits-Nederlandse legercorps niet het einde van een mooie internationale samenwerking. Er zullen juist nieuwe samenwerkingsverbanden tot stand komen, die zijn toegespitst op de actuele vredestaken. Dat kan met onze Duitse buren, maar zal met meer bondgenoten moeten worden opgebouwd.

Als langs deze lijnen gewerkt zal worden, kan Nederland juist wat meer parate bataljons voor internationale inzet beschikbaar krijgen, zodat ook de belasting van de uit te zenden militairen en hun familie binnen aanvaardbare grenzen blijft. Zo zou er ook ruimte kunnen ontstaan om de bestaande uitzendnorm wat te verlichten. In plaats van de uitzendnorm van een half jaar uitzending eens in de anderhalf jaar, kan er gewerkt worden met de norm een half jaar eens in de twee jaar. Dat extra half jaar in Nederland kan gebruikt worden voor betere scholing in het moderne vak van vredessoldaat en voor het versterken van carrière perspectieven voor BBT-ers (Beroeps voor Bepaalde Tijd), zodat zij ook in de periode na de krijgsmacht goed op de arbeidsmarkt uit de voeten kunnen.

De overstap naar meer parate bataljons zal per krijgsmachtsdeel (landmacht, marine & luchtmacht) nader worden uitgewerkt.


3.1 De landmacht

Voor de landmacht betekent de voorgestelde lijn een uitbreiding van het aantal uitzendbare parate bataljons, meer aandacht en middelen voor werving van mensen en opleiding voor de complexe vredestaken en versterking van de CIMIC-componenten. De Hoofdlijnennotitie maakt hier een begin mee. De Tweede-Kamerfractie van GroenLinks wil verder gaan met de beschikbaarstelling van deze parate bataljons. Ruimte hiervoor ontstaat door het afstoten van de totale mobilisabele component en het terugbrengen van het daaraan verbonden materieel tot een functionele operationele reserve; door het verder inkrimpen van het Nationale Commando (NATCO) en door te snijden in de divisie- en legercorps-structuren.

Deze vorm van afslanking betekent dat er veel functies wegvallen waarvoor geen nieuwe BBT-ers geworven hoeven te worden. Daardoor kunnen potentieel geïnteresseerde jongeren vooral opgeleid worden voor de uit te zenden bataljons. Dit laat onverlet dat het een forse krachttoer zal zijn om voldoende jongeren te interesseren voor de extra parate functies. Het langer binden van jongeren, betere perspectieven bieden in de burgermaatschappij en het verbeteren van imago en werkomstandigheden zullen hard nodig zijn. Ook dat kost extra geld. Het zijn in ieder geval betere maatregelen dan de huidige rekrutering van 17-jarigen. Nederland schendt daarmee de internationale afspraken over kindsoldaten. Deze maatregel moet zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt. Ook al worden jongeren gelokt met een (niet-militaire) vooropleiding, pas op iemands achttiende jaar mag iemand gevraagd worden te kiezen voor het beroep van militair.

Bij de luchtmobiele brigade kan de gevechtsfunctie van de Apaches en daarmee de lucht-mobiele gevechtsfunctie van de brigade ter discussie gesteld worden. Uiteindelijk kwam het idee van de gevechtsfunctie van de Apache nog uit de staart van de Koude oorlog, waarin men een modern antwoord zocht op oprukkende colonnes tanks. Dat dit concept één keer bruikbaar bleek in de strijd rond Koeweit, wil nog niet zeggen dat het ook een geschikt instrument is voor doorsnee vredesoperaties en de Nederlandse bijdrage daaraan. De Apaches functioneren doorgaans alleen in combinatie met onder meer aerea-weapons (MLRS), die niets en niemand ontziend een heel gebied onder vuur nemen. Daarmee is de Apache bij uitstek ongeschikt voor gebieden waarin zich nog veel burgers ophouden. Het concept van de luchtmobiele brigade zou beter gericht kunnen worden op snel invliegbare bataljons die ook geschoold zijn in het gemechaniseerd optreden.


3.2 De marine

Voor de marine betekent de keuze voor een vredesleger een verschuiving van de nadruk van algemene verdedigingstaken op zee naar de inzet van mariniers voor vredesoperaties en logistieke ondersteuning en transport (Amfibisch transportschip). Eventueel kan die transportcapaciteit in de toekomst nog iets uitgebreid worden.

Er kan volgens ons fors gesneden worden in de taken ter algemene verdediging en beheersing van de zeeën en voor het openhouden van handelsroutes. De eigen onderzeedienst kan worden afgestoten, de onderzeebootbestrijding en de mijnenruimcapaciteit minstens gehalveerd en het aantal fregatten teruggebracht tot het aantal dat nodig is voor begeleiding van transport, taken op de Antillen en bijdragen aan het handhaven van economische embargo's voor goederen aangevoerd over zee. Een achttal fregatten lijkt hiervoor voldoende.

Waar er in Nederland of op de Antillen sprake is van normale kustwachttaken kan volstaan worden met kustwachtschepen. Fregatten en andere marineschepen zijn daarvoor te duur en uitgerust met voor die taken overbodige bewapening, apparatuur en bemanning.

Bij deze keuzen past ook het staken van de voorgenomen vervanging van de Lynx-helikopters door de NH-90. Een peperduur toestel vol met moderne apparatuur voor oppervlakte oorlogsvoering en onderzeebootbestrijding. Wellicht kan het geld beter gebruikt worden voor de vergroting van de transportcapaciteit, die ook geschikt is voor maritieme inzet. Als de nadruk op transport en search and rescue komt te liggen is de aanschaf voor een andere, goedkopere, helikopter veel vanzelfsprekender.

Vliegkamp Valkenburg wordt gesloten. Alle luchttaken van de marine die overblijven worden ondergebracht bij gespecialiseerde afdelingen van de luchtmacht.

Sommigen betogen dat Nederland als klein land zich juist moet specialiseren in een taak met een grote traditie. Laten wij de marine doen en de Polen de "zandhazen" leveren, klinkt het oneerbiedig. Dat denken gaat echter nog steeds uit van standaardtaken ter voorbereiding op de grote oorlog. En het gaat ervan uit dat het bij die techniek gaat om de kwaliteit (Nederland high-tech marineland) en bij de inzet van landsoldaten om kwantiteit.

De werkelijkheid van vredesmissies laat echter iets heel anders zien. Er wordt juist erg veel kwaliteit van de betrokken militairen gevraagd. Zij dienen zelfstandig te kunnen opereren en beslissingen te nemen, zij moeten goed om kunnen gaan met de lokale bevolking en begrip kunnen opbrengen voor culturele verschillen. Van de high-tech marine wordt vooral het minder technische gedeelte gebruikt: de mariniers als vredessoldaten en de transportcapaciteit om de bevoorrading te regelen. Het is dan ook logischer die werkelijkheid als uitgangspunt te nemen.

Dat betekent voor de mariniers, dat zij nog meer zullen moeten opereren als vredessoldaten, die ook als gemechaniseerde eenheden kunnen opereren. Zij zullen immers niet gauw worden ingezet als lichtbewapende eenheden die (van uit zee) kusten bestormen.

Volgens ons zouden gepantserde infanteriebataljons, luchtmobiele bataljons en bataljons mariniers onder één leiding de kern moeten vormen van de vredestroepen die Nederland levert. Luchtmobiele vaardigheden en het gewend zijn vanuit zee te opereren zijn dan aanvullende kwaliteiten, die ook de inzet in internationaal verband ten goede kunnen komen. Helaas wordt ook in andere landen nog sterk in afzonderlijke krijgsmachtdelen gedacht. Nederland kan een voorhoedefunctie vervullen door de schotten tussen landmacht, marine en luchtmacht op deze wijze te slechten.


3.3 De luchtmacht

Voor de luchtmacht betekent de keuze voor bataljonsgewijze (= squadrons-gewijze) inbreng in internationaal verband dat het aantal jachtvliegtuigen terug gebracht kan worden naar zo'n 80 stuks. Zeker als de samenwerking met de Belgen wordt gecontinueerd is dit ruim voldoende om, rekening houdend met aflossing van personeel, opleidingen en onderhoud van materieel, telkens een squadron in te kunnen zetten voor internationale vredestaken.

De luchtmacht krijgt in onze visie de leiding over al het vliegend materieel van de krijgsmacht, dus ook over de marineluchtvaartdienst. Als dit past binnen de ontwikkeling van een Europese veiligheids- en defensie-identiteit is een beperkte uitbreiding van de strategische transportcapaciteit via de lucht bespreekbaar.


3.4 Nieuwe taken

Gestudeerd moet worden op een aantal mogelijke nieuwe taken die de Hoofdlijnennotitie in navolging van de NAVO signaleert.

Tot deze nieuwe taken wordt een verhoogde inspanning op het gebied van verdediging tegen ballistische raketten met NBC-lading gerekend. GroenLinks onderkent dit veiligheidsrisico maar wijst de dreiging met nucleaire wapens als antwoord hierop af. Ook het creëren van een ruimteschild als totaal antwoord op deze dreiging is ongewenst. Deze ontwikkeling is strijdig met het ABM-verdrag en lokt een nieuwe wapenwedloop uit. Veeleer vraagt deze dreiging om een gerichte en mobiele afweer. Nederland zou hieraan kunnen bijdragen met de gespecialiseerde mogelijkheden van de jachtvliegtuigen en de uitrusting van de luchtverdedigings- en commandofregatten met anti-ballistische raketsystemen. Dit zijn mobiele systemen die ingezet kunnen worden waar dat nodig is.

In dit kader bestaat ook nog het Patriot-afweersysteem. Wij vragen ons af of dit (voor dit doel eigenlijk niet bedoelde) systeem behouden en omgevormd dient te worden. Als men die keuze per se wil maken, ligt het niet voor de hand om ook de fregatten uit te rusten met anti-ballistische raketsystemen. Nederland hoeft niet drie keer bij te dragen aan deze taak.

Terrorismebestrijding wordt ook vaak als zo'n nieuwe taak genoemd. Wij zien op dit terrein niet onmiddellijk nieuwe taken voor de krijgsmacht. Eerst moet goed worden aangegeven in hoeverre het hier een politietaak betreft, voordat de krijgsmacht in beeld komt. Al eerder gaven we aan hier vooral te denken aan betere internationale samenwerking van politie en op het gebied van inlichtingenwerk. Vanuit de krijgsmacht zijn nu al bepaalde gespecialiseerde eenheden inzetbaar, vooral op het gebied van kaping en gijzeling. Dat moet uiteraard blijven. Maar zijn er echt meer specialismen nodig? Zo ja, welke en waarom dienen daarvoor militairen beschikbaar te komen? Dat zijn vragen die beantwoord moeten worden voordat dit als nieuwe taak voor de krijgsmacht wordt opgezet.

In dit kader wordt wel gesproken over veiligheidsrisico's, die kunnen uitmonden in de vernietiging van informatienetwerken. Het spreekt voor zich dat de Nederlandse krijgsmacht voorbereid dient te zijn op elektronische oorlogsvoering, vooralsnog valt echter nog niet in te zien dat er voor haar ook een vergelijkbare taak is weggelegd op civiel terrein. Voorlopig kan volstaan worden met een team specialisten dat ontwikkelingen op dit gebied volgt.

Er liggen nog meer vraagstukken op het snijvlak van krijgsmacht en politie. Allereerst natuurlijk de vraag waarom de Marechaussee nog steeds onder Defensie valt. De werkzaamheden van de Marechaussee liggen immers voor 80% op civiel terrein. Het is in onze ogen goed denkbaar dat de Marechaussee in de toekomst betrokken wordt bij de vorming van een nationale politiedienst, waarin diverse taken die nu verspreid liggen over tal van ministeries worden samengebracht (vreemdelingencontroles, economische controle, fiscale fraude).

Omgekeerd zien we ook dat soldaten geconfronteerd worden met politiewerk in vredesmissies. Daartoe zijn ze vaak onvoldoende uitgerust en opgeleid. Wachten op politieagenten onder supervisie van de VN is dan een mogelijkheid, maar kan in de praktijk betekenen dat men redelijk machteloos staat tegenover (kleine) terreurdaden en moorden. In situaties als Kosovo is onmiddellijk politie nodig of soldaten die opgeleid en toegerust zijn om (tijdelijk) dit werk waar te nemen. Hierin dient ook de Nederlandse krijgsmacht te kunnen voorzien. Hetzij door bepaalde vredessoldaten speciaal te trainen of door de 20 % van de Marechausse die met militaire taken bezig zijn hiertoe speciaal toe te rusten en zo nodig hun aantal uit te breiden voor uitzending in vredesmissies.

Deelname aan vredesoperaties brengt ook vragen naar voren die bij traditionele oorlogvoering minder prominent in beeld kwamen. Bijvoorbeeld het voeren van gevechten in een omgeving waar zich veel burgers bevinden, die (al dan niet onder dwang) als levend schild of als storende factor worden gebruikt. Zijn er andere wapens (niet-dodelijke) nodig om dergelijke situaties beter te kunnen controleren zonder onnodige burgerslachtoffers te maken? Een andere belangrijke vraag is bijvoorbeeld hoe Nederlandse eenheden dienen samen te werken met NGO's opdat de humanitaire hulpverlening ook tijdens een interventie zo goed als mogelijk door kan gaan. Het zijn deze en soortgelijke vragen die ons er toe brengen om er voor te pleiten dat de Nederlandse krijgsmacht zich hier (nog) meer op dient te specialiseren. De structurele capaciteit voor Cimic biedt hiervoor een basis die uitgebouwd kan worden.


3.5. Samenvattende schets

Samenvattend, komt de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks tot de volgende schets van een Nederlandse krijgsmacht als vredesstichter.

De nadruk op de verschillende krijgsmachtdelen zal gaan verdwijnen. Waar mogelijk zullen opleidingen en staven ineengeschoven worden en mensen inzetbaar zijn op meerdere terreinen.

De kern van de krijgsmacht wordt gevormd door de parate bataljons landmacht, luchtmobiel en mariniers, die allen gemechaniseerd kunnen optreden. Een drie à viertal brigadestaven houdt zich afwisselend bezig met de uitgezonden bataljons, de net teruggekeerde bataljons en de bataljons in voorbereiding van uitzending. Facilitaire taken zijn voorbehouden aan de logistieke eenheden en de transportcapaciteit van landmacht, marine en luchtmacht.

Ondersteunend voor modulaire inzet op brigadeniveau in internationaal verband zijn verbindingseenheden, vuursteuneenheden, genie, en de varende en vliegende equivalenten van een bataljon (squadron jachtvliegtuigen, 2 fregatten).

Voor internationale samenwerking is het vooralsnog niet wenselijk om elk onderscheid tussen de krijgsmachtdelen te laten verdwijnen en zelfs de uniformen te integreren. Het gaat niet om het willens en wetens wegwerken van het onderscheid tussen de krijgsmachtdelen. Het gaat om een zo goed en efficiënt mogelijk optreden, met zo min mogelijk dubbelingen en overbodige bevelslagen. Het waterhoofd van een teveel aan staf- en bureaufuncties moet teruggebracht worden ten gunste van de operationele eenheden. Dat zijn de mannen en vrouwen die het vredeswerk in de praktijk moeten uitvoeren.


3.6 Financiën

Bij het uitzetten van deze schets zijn wij niet uitgegaan van een bepaald te behalen bedrag aan bezuinigingen. Er is primair geredeneerd vanuit de inhoud. Enerzijds kan er nog fors worden gesneden in een aantal traditionele taken van de krijgsmacht. Anderzijds worden in deze nota meer intensiveringen bepleit voor extra parate bataljons die uit te zenden zijn, voor opleidingen, voor personeelsbeleid en eventueel voor strategische transportcapaciteit (over zee) en voor inlichtingencapaciteit.

Een deel van de bezuinigingen zal ook verschoven moeten worden naar de begroting van Buitenlandse Zaken om het beleid voor conflictpreventie te versterken, onder meer voor een beter uitgeruste OVSE.

Wij verwachten wel dat extra intensiveringen bij de landmacht zonder meer gecompenseerd zullen worden door de voorgestelde besparingen op mobilisabele reserves en divisie- en legercorps-structuren. De besparingen bij marine en luchtmacht zullen zeker netto besparingen opleveren. Hoe een financieel eindplaatje er precies uit zal gaan zien, hangt af van de nadere invulling. Eventueel kan in een later stadium een doorrekening worden gemaakt met behulp van deskundigen. Een verdere bezuiniging op het defensiebudget is een uitkomst die wij verwachten.

Wij achten een zekere netto-bezuiniging op de krijgsmacht niet in tegenspraak met de hoge ambitie in deze nota als het gaat om het meedoen aan internationale vredesoperaties. Het voorgestane beleid zal de krijgsmacht juist meer inzetbaar maken. De Tweede-Kamerfractie van GroenLinks stelt immers voor dat de krijgsmacht zich vooral daarop specialiseert. Opruimen en bezuinigen gebeurt op grote schaal in de logge traditionele delen van het apparaat, waardoor de bezuinigingen de investeringen zonder veel schade kunnen overtreffen.

Andere partijen pleiten al op voorhand voor het stopzetten van bezuinigen of zelfs voor extra geld. Met name de strijd rond Kosovo en de discussie over de Europese Veiligheids- en Defensie-identiteit (EVDI) gelden daarbij als argumenten. Volgens de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks is dat wel erg kort door de bocht en te veel ingegeven door de waan van de dag. Dit kan ook met een voorbeeld worden geïllustreerd.

De luchtmacht heeft een duidelijk zichtbare bijdrage geleverd aan de luchtacties tegen Servië. Sommigen hebben daar zeer snel de conclusie aan verbonden dat de voorgenomen inkrimping met één squadron F-16's niet door mag gaan. Dit is in onze ogen niet logisch. Inzetproblemen in deze uitzonderlijke gevechtssituatie werden eerder veroorzaakt door het plafond aan vliegers en technisch personeel dan door het aantal beschikbare squadrons F-16. Werken aan minder vliegtuigen en meer getraind personeel ligt dan veel meer voor de hand.

Wij bestrijden dat een verhoging van het defensiebudget een belangrijke les zou zijn uit de Kosovo oorlog. Er zijn intensiveringen op het gebied van personeel en inzetbaarheid nodig, maar dat laat onverlet dat een groot deel van de huidige krijgsmacht bezig is met zaken, waar grote vraagtekens bij te plaatsen zijn. Dat debat stopt niet na Kosovo.

Uiteindelijk staat elke partij bij ieder beleidsterrein voor een politieke afweging als het gaat om inzet van middelen. Als een financiële uitkomst van de defensieplannen niet gewenst is, dan bestaan er twee mogelijkheden. Of je stelt het ambitieniveau naar beneden bij. Of je past je financiële wensen aan. Duidelijk moet wel zijn dat het een politieke verantwoordelijkheid is om de taken en uitrusting van de krijgsmacht zo precies als nodig te omschrijven. Daarbij moet geaccepteerd worden dat dit wel eens kan botsen met tradities binnen de huidige krijgsmacht. Dat kan een schop tegen het zere been van generaals en hun ondergeschikten betekenen, maar omgekeerd mogen allen in de krijgsmacht van de politiek verwachten dat de taken die ze krijgen opgedragen ook uitvoerbaar zijn. Zowel qua mensen als middelen. Ook in de ogen van de GroenLinks Tweede-Kamerfractie dient een vredesmacht een goed toegeruste, op zijn taak berekende professionele organisatie te zijn.


4 De instituties

In voorafgaande hoofdstukken is het beeld geschetst van een Nederlandse krijsmacht die door afslanking en aanpassing een bescheiden, maar belangrijke, rol kan spelen als vredesstichter.

Ook zijn de voorwaarden beschreven waaronder die krijgsmacht in het internationale vredes- en veiligheidsbeleid ingezet kan worden.

Of een dergelijke op vredestaken toegesneden Nederlandse krijgsmacht ook optimaal benut zal worden, hangt af van de ontwikkelingen bij de internationale organisaties die daar een belangrijke rol in spelen: VN, OVSE, NAVO en EU.

Institutioneel zijn er ten aanzien van al deze organisaties interessante ontwikkelingen gaande waarop ook GroenLinks een antwoord zal moeten geven en die in het in 1997 geschreven verkiezingsprogramma nog onvoldoende hun weerslag hebben kunnen vinden. Nu tien jaar na het einde van de Koude oorlog, beginnen de contouren van de nieuwe veiligheidsstructuur vaste vormen aan te nemen. Helaas hebben de bloedige conflicten op de Balkan hierbij een grote rol gespeeld.

De GroenLinks Tweede-Kamerfractie zag zich de afgelopen jaren meerdere keren voor de paradox gesteld, dat een organisatie - de NAVO - die volgens het verkiezingsprogramma opgeheven dient te worden, in de praktijk met instemming van de fractie de opdracht kreeg om in de zwaarste crisissituaties vrede en veiligheid op het Europese continent te herstellen.

Hoe om te gaan met deze paradox? Het zou in onze ogen goed zijn om binnen GroenLinks een nadere programmatische discussie te voeren over deze vraag. In het laatste hoofdstuk van deze discussienota proberen wij daarvoor een bijdrage te leveren. Tevens zal worden ingegaan op de recente ontwikkelingen in de Europese Unie en de NAVO als het gaat om een meer zelfstandige, Europese defensierol.


4.1 Primaat VN en rol OVSE

De patstelling binnen de Veiligheidsraad is voor de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks een reden geweest om inzake Kosovo in te stemmen met een optreden zonder expliciet VN-mandaat. Maar deze uitzondering mag geen regel worden. De inzet blijft hervorming van de VN en het zoveel mogelijk werken met mandaten van deze volkenrechterlijke organisatie. Dit sluit uiteraard niet uit dat zich opnieuw situaties als Kosovo kunnen voordoen.

Het is helaas denkbaar dat er zich weer een patstelling in de Veiligheidsraad voordoet op het moment dat er sprake is van grootschalige schending van mensenrechten of (dreigende) genocide binnen een soevereine staat. Dan dient een zo breed mogelijke consensus gezocht te worden in de internationale gemeenschap. Het mag niet zo zijn dat in dergelijke gevallen een stilzwijgende automatische overdracht van bevoegdheden aan de NAVO plaatsvindt als de VN faalt. Ook bij Kosovo, waar de NAVO optrad zonder VN-mandaat, is wel degelijk gezocht naar een zo breed mogelijk draagvlak in de internationale gemeenschap en in de breed gedragen resoluties die al eerder de Federale Republiek Joegoslavië veroordeelden. Na het beëindigen van het militaire geweld is weer aansluiting gezocht bij de VN, die met Veiligheidsraadresoluties de basis legde voor een vredeopleggend optreden van KFOR, voor humanitaire hulp en wederopbouw. Voor GroenLinks blijft dat primaat van de VN bijzonder belangrijk.

Uiteraard hoort Nederland voluit steun te blijven verlenen aan de eigen VN-vredesacties. Doorgaans zijn dat lichtere acties in het kader van peace-keeping. Daarbij is het niet uitgesloten dat de VN soms ook op kleine schaal zelf snel troepen inzet. De fractie blijft de Nederlandse inzet voor snel inzetbare VN-vredestroepen, zoals beoogt met SHIRBRIG, waarin een aantal VN-lidstaten invulling geven aan het UNSAS-concept, steunen. Deze brigade zal als alles meezit over twee jaar operationeel kunnen zijn. Gezien de onmacht van de VN, vooral bij conflicten binnen soevereine staten, is het echter onverstandig alle kaarten te zetten op de uitbouw van dit soort VN-eenheden.

Een eigen staand VN-vredesleger is een optie die nog ver achter de horizon ligt. Zo'n VN-vredesleger kan immers alleen opereren als er een wereldwijde steun voor is. Het is bovendien een optie die nog nooit goed uitgewerkt is. Hoe voorkom je bij voorbeeld dat een vaste VN-vredesmacht die overal ter wereld zou mogen optreden niet verwordt tot een soort "vreemdelingenlegioen"?

Ook de OVSE, met 51 lidstaten, is niet het platform waarvan op afzienbare termijn militaire daadkracht verwacht kan en mag worden in geval van genocide of grootschalige schendingen van de mensenrechten. Er is ook geen lidstaat van de OVSE die dat zou willen. De OVSE heeft een eigen taak waar het gaat om conflictpreventie. In de praktijk (zie Bosnië en Kosovo) werkt ze eendrachtig samen met andere organisaties als EU en NAVO, die weer de expertise bezitten als het om wederopbouw en militaire inzet gaat. In onze ogen kunnen waar nodig militair personeel en middelen op deze wijze worden ingezet bij conflictpreventie van de OVSE. Maar verdergaande militaire aansturing vanuit de OVSE is vooralsnog geen haalbare zaak. Zoals eerder vermeld is het daarom ook belangrijk de OVSE te versterken zodat ze haar taken ten volle aankan.


4.2 Beoordeling NAVO

In de praktijk van vredesoperaties speelt de NAVO een grote rol. Het is één van de weinige instituties die op korte termijn adequate militaire inzet kan leveren. Dat stelt hoge eisen aan de politieke aansturing van de NAVO, de transparantie van de besluitvorming en de onderlinge verhoudingen binnen de NAVO.

Ook GroenLinks heeft in haar politieke keuzen rond Bosnië en Kosovo de vooralsnog noodzakelijke bijdrage van de NAVO erkend, door (tijdelijk) in te stemmen met inzet van de middelen en de structuren van de NAVO. In de praktijk heeft de NAVO een andere rol gekregen dan de blok- en afschrikkingsorganisatie van de Koude oorlog. Peacekeeping en peace-enforcing zijn ook taken die het bondgenootschap kan vervullen. Zij verricht die taken ook daadwerkelijk in Bosnië en Kosovo. Dit optreden vergt overigens nog wel een verdere ontwikkeling van snel inzetbare eenheden, civiel-militaire samenwerking en politieke sturing en democratische controle tijdens militaire acties. Ook de samenwerking met niet-NAVO landen kan beter. Met name de plaats van niet-NAVO landen in de bevelsstructuur van gezamenlijke troepen vergt nadere uitwerking.

Bovenstaande ontwikkelingen geven aanleiding om de NAVO opnieuw te beoordelen. In de praktijk van Bosnië en Kosovo laat de NAVO zien niet meer het totaal gesloten blok van de Koude oorlog te zijn. De Tweede Kamerfractie van GroenLinks kwam door deze ontwikkeling in de afgelopen jaren meerdere keren voor de Navo-paradox te staan. Enerzijds betreft het hier een organisatie die volgens het verkiezingsprogramma van GroenLinks opgeheven dient te worden, anderzijds werd deze organisatie in de praktijk met instemming van de fractie belast met de taak om in de zwaarste crisissituaties vrede en veiligheid op het Europese continent te garanderen. In het geval van Bosnië gebeurde dat onder VN-mandaat. In het geval van Kosovo ontbrak het daaraan door een patstelling in de Veiligheidsraad. Het eerste optreden werd in de partij breed gedragen. Voor wat betreft het tweede optreden ligt dat minder eenduidig. Er ontstond een fors debat, dat de noodzaak van een nader programmatisch beraad onderstreept.

Er zijn echter nog meer ontwikkelingen gaande die aanleiding geven tot dit beraad.

De Europese poot van de NAVO wordt versterkt, ook de inzet van de Europese landen voor een goede verhouding met Rusland en andere Oost-Europese landen krijgt een vastere plek binnen het denken en handelen van de NAVO.

Juist die goede verhouding met Rusland was voor GroenLinks altijd de reden om te zoeken naar een andere veiligheidsorganisatie in Europa, dan de NAVO.

De OVSE werd vaak genoemd, als het pan-Europese orgaan, waaraan militaire middelen zouden moeten worden toegevoegd voor vredes- en veiligheidstaken. In de praktijk blijkt het echter al een hele toer te zijn om de OVSE slagvaardiger te maken als het gaat om de uitvoering van de aan haar opgedragen taak van conflictpreventie. Het is op afzienbare termijn nauwelijks denkbaar dat hieraan militaire taken kunnen worden toegevoegd die praktisch inzetbaar zouden zijn. Met 51 landen is het moeilijk om tot consensus te komen.

Door de deelname van 4 van de 5 permanente leden van de Veiligheidsraad in de OVSE, dreigt ook hier de politieke patstelling als genocide of grootschalige schendingen van de mensen-rechten zich afspelen binnen een soevereine staat. Vooralsnog is niet te verwachten dat bijvoorbeeld Rusland in OVSE-verband wel zou instemmen met optreden in een kwestie als dit in de Veiligheidsraad al tot een (verdekt) veto heeft geleid.

Bovendien is het nog de vraag of het verstandig is heel nieuwe structuren op te bouwen, waar een ombouw van bestaande structuren tot een pan-Europees veiligheidsconcept wellicht mogelijk is. Juist in het uitbouwen van het partnership for peace tussen de NAVO, Midden- en Oost-Europese landen en Rusland liggen goede kansen. Dit gepaard aan het meer onafhankelijk van de Verenigde Staten opereren door Europa in de vorm van een Europese Veiligheids- en Defensie-identiteit, maakt de NAVO tot een organisatie in ontwikkeling. Waarbij ook door GroenLinks gewenste structuren dichterbij kunnen komen. Op termijn kan de NAVO mogelijk een goede bijdrage leveren aan de regionalisering van het veiligheidsbeleid, door zelf als zo'n regionaal veiligheidsverband onder auspicien van de VN op te treden en door de steun die verleend kan worden aan het opzetten van andere regionale veiligheidsverbanden, die VN-mandaten ten uitvoer kunnen brengen.


4.3 Kritiek op de NAVO en voorstellen ter verandering

De Tweede Kamerfractie ziet voor de korte termijn een verdere omvorming van de NAVO in de door GroenLinks gewenste richting als een uitdaging en als een mogelijkheid. Uiteraard stelt dat verdergaande eisen aan de NAVO-structuur.

Allereerst op het punt van democratie en openheid. Zo moet er een duidelijke en evenwichtige politieke leiding over de militaire structuren komen. Het kan niet zo zijn dat de militaire bevelhebbers op eigen gezag handelen. Soms had het daar tijdens de Kosovo oorlog veel van weg. En het kan ook niet zo zijn dat grote landen hun traditionele machtspolitiek ongehinderd door kunnen drukken. Ook de transparantie van het besluitvormingsproces moet beter, zodat democratische controle vooral in de nationale parlementen van de NAVO-lidstaten significant versterkt kan worden. Uiteindelijk zijn het immers de nationale parlementen die beslissen over het leveren van troepen voor NAVO-acties.

Ten tweede is het zaak de neiging binnen de NAVO om bij conflicten sterk in militaire oplossingen te denken, van kritiek te voorzien. Zeker als het gaat om mogelijk optreden buiten het eigen verdragsgebied. Hier is de Tweede-Kamerfractie in beginsel geen voorstander van.

Ten derde is een verdere uitbouw en intensivering van de samenwerking met Rusland, via uitbreiding van het partnership for peace concept, vereist.

Ten vierde, zal er gewerkt moeten worden aan een versterking van de Europese Veiligheids- en Defensie-Identiteit (EVDI). Dit is nodig om de Amerikaanse dominantie binnen de NAVO af te zwakken en het Europese onvermogen om te zetten in zelfstandige daadkracht.

Ten vijfde, blijft de Tweede-Kamerfractie uiteraard de rol van kernwapens in het strategisch concept van de NAVO ondubbelzinnig afwijzen.

Al deze eisen en kritiek zal de fractie blijven inbrengen en waar nodig zal zij met alternatieve oplossingen komen.

De veranderde benadering die de Tweede Kamerfractie voorstelt in haar houding ten opzichte van de NAVO is een strategische verandering, geen inhoudelijke. Inhoudelijk blijft de koers gericht op intensieve conflictpreventie en een pan-Europees veiligheidsconcept. Strategisch sluiten we echter niet langer uit dat dit deels via een veranderende NAVO te bereiken is.


4.4 De nucleaire paragraaf van de NAVO

In de Hoofdlijnennotitie van de Nederlandse regering wordt kort ingegaan op het nieuwe strategisch concept van de NAVO. In het verslag van de Noord Atlantische Raad (NAR) (14-12-1998) schrijft de minister van Buitenlandse Zaken dat Nederland geen aanwijzing ziet voor een drastische wijziging van de nucleaire paragrafen van het Concept, dat bezien zou moeten worden hoe de negatieve veiligheidsgaranties over het gebruik van kernwapens zich verhouden tot het huidige nucleaire beleid van de NAVO en dat de nucleaire paragraaf zou moeten worden geactualiseerd. Volgens de minister spelen kernwapens een cruciale rol in de afschrikking van de pluriforme dreigingen van vandaag, en bestaat er geen brede steun voor een fundamentele discussie over het nucleaire beleid van de NAVO, inclusief de optie van het eerste gebruik van kernwapens.

In April 1999 heeft de NAVO formeel vastgelegd dat de taken van het bondgenootschap verder reiken dan de bescherming van het eigen grensgebied. Het bondgenootschap acht een resolutie van de Veiligheidsraad wenselijk voor militaire acties buiten het NAVO-grondgebied, maar niet in alle gevallen noodzakelijk. De NAVO heeft ook bepaald dat de organisatie wereldwijde gevaren als terrorisme en verspreiding van massavernietigingswapens moet bestrijden. In het licht van het laatste handhaaft de NAVO haar nucleaire paragraaf.

Het voortzetten van het NAVO nucleaire beleid kan echter uitmonden in het falen van het Non-proliferatieverdrag. Ook al wil men (nog) niet voldoen aan het door GroenLinks bepleitte uitbannen van alle kernwapens, dan nog zijn er tal van stappen mogelijk op weg naar kernontwapening. Wij zien tenminste vier punten waarop wij de Nederlandse regering en de NAVO willen uitdagen. a. Het instellen van een kernwapenvrije zone in Europa. Na de koude oorlog heeft de Nederlandse kernwapentaak (op vliegbasis Volkel) niet meer dan een symbolische betekenis. Zo zijn er meer voorbeelden aan te wijzen in Europa. Door dit soort kernwapenaanwezigheid te beëindigen kan er een kernwapenvrije zone ontstaan die - eveneens symbolisch - bijdraagt aan een de-nuclearisering van de wereld.
b. Ook de-alerten van nucleaire wapens is zo'n vertrouwenwekkende maatregel. Dit houdt in dat er geen kant en klaar afschietbare kernwapens zijn. Essentiële onderdelen zijn er uit gehaald en apart gezet. Omdat het altijd tijd kost om de nucleaire wapens weer gebruiksklaar te maken, laat dit zien dat inzet van dit soort wapens voor NAVO-landen echt een laatste, onwaarschijnlijke mogelijkheid is.
c. Ook het afgeven van een no-first-use verklaring past in dit denken.
d. Politieke initiatieven die een verdere denuclearisering beogen verdienen alle steun. De New Agenda Coalition (NAC) (Ierland, Zweden, Zuid-Afrika, Brazilië, Egypte, Nieuw-Zeeland en Mexico) legde op 12 mei 1999 een verklaring af (ondersteund door 25 landen) over de stagnatie in het nucleaire ontwapeningsproces. Door deze coalitie was al eerder (december 1998) in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een kritische resolutie neergelegd die aandrong op verregaande stappen naar nucleaire ontwapening. Deze resolutie is met grote meerderheid aangenomen. Van de NAVO-landen stemden toen alleen de drie kernwapenstaten tegen, de rest onthield zich. Groenlinks ondersteunt de initiatieven van de New Agenda Coalition en vindt dat de Nederlandse regering dat ook zou moeten doen.

De beslissing van de Amerikaanse senaat om het verdrag dat atoomproeven verbiedt niet te ratificeren is een tegenslag voor de beweging voor kernontwapening. O

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie