Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng Rik Hindriks (PvdA) begrotingsbehandeling EZ

Datum nieuwsfeit: 26-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 26 oktober 1999

Inbreng van Rik Hindriks (PvdA)bij de begrotingsbehandeling Economische Zaken

Mevrouw de Voorzitter!

Gezag en verantwoording zijn de centrale woorden in de inbreng van onze fractie. Want gezag is nodig om de maatregelen tot stand te brengen die de Nederlandse economie op een structureel groeipad van 3% moeten houden. Wij verwachten van de bewindslieden een daadkrachtige en sturende rol. En om het de bewindslieden makkelijker te maken daarover verantwoording af te leggen zullen wij vragen om al dit jaar concrete prestatiegegevens in de begroting op te nemen over een tweetal onderwerpen die voor de Partij van de Arbeid essentieel zijn.

Sinds het aantreden van Paars I is het beleid van Economische Zaken gericht geweest op structurele economische hervorming gericht op macro-economische stabiliteit en micro-economische flexibiliteit en vernieuwing. Het macro-economisch beleid is in grote lijnen succesvol geweest, zoals Ferd Crone bij de AFB heeft vastgesteld. Ook op micro-economisch gebied is verbetering gerealiseerd.

De dynamiek is toegenomen, markten zijn ontdaan van concurrentiebeperkingen, het aantal starters is toegenomen.

De economische indicatoren geven aan dat we er goed voorstaan en sommige economen spreken al over een "golden age" en "de nieuwe economie". De PvdA fractie meent dat doorgaande groei niet vanzelf ontstaat, maar alleen tot stand komt als markten goed functioneren en knelpunten in het aanbod tijdig worden onderkend en met gericht beleid worden gereduceerd. Ik wil daarbij in het bijzonder wijzen op

1. Inflatoire tendensen (gelukkig is de inflatie de laatste maand iets minder, maar de Nederlandse inflatie is structureel hoger dan in de andere EU-landen), wellicht mede veroorzaakt door de knelpunten in het aanbod. En dat terwijl de huizenprijzen niet in de consumentenprijsindex of BBP-deflator zijn opgenomen!
2. Knelpunten bij de ontwikkeling van nieuwe producten, diensten en markten. Het innovatief vermogen van Nederlandse bedrijven blijft structureel achter bij het buitenland. Dit geldt zeker ook in Europees verband en de PvdA verwacht daar een veel actievere rol van de minister dan zij tot nu toe heeft laten zien.
3. Knelpunten op de arbeidsmarkt. Het aantal openstaande vacatures heeft een recordhoogte bereikt en werkgevers klagen over moeilijk vervulbare vacatures. Tegelijk staan er nog honderdduizenden langs de kant. Dit vraagt om nieuwe creativiteit, waar van de sociale partners verwacht mag worden dat zij energie steken in het toeleiden van mensen naar de arbeidsmarkt. De PvdA juicht het toe dat de minister hier een eigen rol en verantwoordelijkheid in onderkent.
4. Knelpunten bij de beschikbaarheid van kennis. Beschikbare kennis en kunde komen niet vanzelf beschikbaar voor bedrijven. De afstand tussen het onderwijs en bedrijven moet verkleind worden en daarvoor zijn gerichte maatregelen nodig. Dat geldt evenzeer voor de beschikbaarheid van kennis uit onderzoek voor toepassing door Nederlandse bedrijven. In het bijzonder geldt dit voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van kennis voor het Midden en Kleinbedrijf.
5. Knelpunten bij de beschikbaarheid van leefmilieu en ruimte. Enerzijds dreigt in een aantal specifieke segmenten een tekort aan ruimte voor bedrijven. Tegelijk trekken bedrijven weg uit de Randstad vanwege de druk op het leefmilieu en de aantrekkingskracht van andere gebieden op hoog geschoold personeel.

Vermindering van deze knelpunten is essentieel voor toekomstig economisch succes en vergt dat de beleidsagenda van Economische Zaken wordt afgemaakt. We hebben al gewezen op de MDW-operatie, innovatie en communicatie. Het is belangrijk dat nu snel concrete resultaten worden behaald.

Dat geldt eveneens voor het bevorderen van ondernemerschap, het genereren van voldoende ruimte voor economische activiteit en het inzetten op ontkoppelen van economische groei en milieubelasting.

Mevrouw de Voorzitter!

In de nota "De ondernemende samenleving" worden voorstellen gedaan die het ondernemerschap moeten bevorderen en moeten leiden tot een grotere dynamiek. Die doelstellingen onderschrijven wij van harte. "Marktwerking en ordening horen bij elkaar. Waar het evenwicht tussen marktwerking en ordening precies ligt, is niet op voorhand te zeggen. ... Er moet rekening gehouden worden met de mogelijke nadelen van de markt: machtsvorming, negatieve externe effecten en scheefheid van informatie; èn met de mogelijke nadelen van voorziening door de overheid." Aldus Hans de Boer in de ESB van 15 januari.

Ik citeer hem met instemming. Voor de PvdA betekent dat echter niet dat wetgeving met slechts symbolische waarde moet worden gehandhaafd. Integendeel, juist een goede marktordening vereist dat wetgeving voortdurend wordt getoetst op effectiviteit en handhaafbaarheid. In dat verband wil er op wijzen dat intrekking van de vestigingswet onder handhaving van waarborgen voor de consument en voor ondernemerskwaliteit kan bijdragen aan versterking van de dynamiek. Voorwaarde is wel dat de overheid maatregelen treft om te zorgen dat starters worden uitgedaagd en begeleid bij het opdoen van ondernemersvaardigheden. Ook hier geldt dat deregulering geen doel op zich is, maar moet bijdragen aan dynamiek, vermindering van administratieve lasten en verhogen van kwaliteit en service.

Mevrouw de Voorzitter!

Een grotere dynamiek met meer starters en hoge economische groei leidt onvermijdelijk tot een groter aantal ondernemingen dat in problemen komt. Op zichzelf is dat toe te juichen omdat het voortvloeit uit een groter aantal mensen dat zijn kansen waarneemt, waardoor meer innovatie wordt uitgelokt. Vooral allochtonen en minder geschoolden hebben belang bij een startersklimaat dat toleranter is ten opzichte van het nemen van gecalculeerde risico. Het is dan wel van groot belang dat ondernemers die in problemen komen meer kansen krijgen op een herstart of doorstart. En in situaties dat een doorstart niet mogelijk blijkt te zijn mag een eventuele restschuld niet voor een al te lange periode als een loden last aan de ondernemer blijven hangen. Het ondernemerschap proberen en niet slagen is immers geen schande, maar een bewijs van inzet en durf! De overheid als preferente schuldeiser kan een belangrijke rol vervullen bij de totstandbrenging van een klimaat dat ondernemerschap beloont en de kans op mislukking niet onevenredig afstraft. Vernieuwing van de faillissementswetgeving is daarom een essentieel onderdeel van het verbeteren van de marktordening. De PvdA fractie is dan ook zeer benieuwd naar de voorstellen voor een nieuwe faillissementswetgeving. Kunt U ons nader informeren over het moment dat die voorstellen de kamer zullen bereiken?

Mevrouw de Voorzitter!

Het verlagen van administratieve lasten is een onderdeel van het beleid dat misschien wel de grootste bijdrage kan leveren aan een goed klimaat voor ondernemers. Het gaat er dan wel om dat alleen regels en wetten worden beperkt die wèrkelijk overbodig zijn. Ook hier geldt onze toets: wat zijn de maatschappelijke voordelen van de regels? Wat levert verandering voor consumenten op? Worden de prijzen lager? Verbeteren kwaliteit en service?

Sommige wetten en regels zijn nodig zijn voor het goed functioneren van de markt, een rechtvaardige lastenverdeling of het handhaven van normen en waarden.

Wij verwachten het grootste voordeel van het vereenvoudigen van de uitvoering. Dat kan door een andere organisatie of door het toepassen van IT of een combinatie van beide.

De fractie van de PvdA wil vooral inzetten op concrete maatregelen per ministerie. Die maatregelen willen we koppelen aan toetsbare doelstellingen. Vervolgens willen we tenminste éénmaal per jaar de stand van zaken opnemen en nagaan waar resultaten zijn geboekt en waar nadere maatregelen nodig zijn. Zo is bijvoorbeeld afgesproken de administratieve lasten van wetgeving in de memorie van toelichting bij nieuwe wetgeving op te nemen. Waarom wordt die afspraak niet strenger gehandhaafd?

Het ligt dan niet voor de hand om nieuwe instituties op te richten, anders dan noodzakelijk voor goed interdepartementaal overleg en adequate inhoudelijke ondersteuning.

Hier geldt "goed voorbeeld doet goed volgen". We willen graag van de minister horen welke wetten en regelingen van Economische Zaken de grootste administratieve lasten veroorzaken.

Is het CBS een grote veroorzaker? Of de kamers van Koophandel? Of de vestigingswet?

Ook horen we graag hoeveel reductie de Minister het komend jaar denkt te realiseren. Een aardige indicatie is wellicht dat de minister in een interview meedeelde dat zij een besparing van 2 miljard mogelijk acht. Zou zij bereid zijn daarvan 20% voor haar rekening te nemen? Bij voorkeur zouden we de geraamde besparing middels een prestatiegegeven toetsbaar vastleggen. Niet om daarmee de minister om de oren te slaan, maar om een analyse van de feitelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Kan de minister ons meedelen of deze informatie beschikbaar is, dan wel beschikbaar kan komen. En is de minister bereid toe te zeggen dit als prestatiegegeven op te nemen?

Mevrouw de Voorzitter,

Om een structureel groeipad van 3% mogelijk te maken moet de innovatiekracht van onze bedrijven verbeteren. In Internationaal en Europees verband blijkt Nederland achterstand te vertonen, zeker met betrekking tot de Industrie. Daarom is het van groot belang dat de Minister initiatieven neemt binnen de WTO en binnen de Europese gremia. Op dat internationale toneel dienen initiatieven ontplooid te worden die Nederland in staat stellen een belangrijke rol te spelen en die de mogelijkheid bieden met innovaties nieuwe markten te veroveren en nieuwe samenwerkingsverbanden tot stand te brengen. In Nederland is grotere beschikbaarheid en toegankelijkheid van kennis voor bedrijven een absolute voorwaarde voor vergroting van de innovatieve kracht. Dat geldt vooral voor sectoren waar Nederland een comparatief voordeel heeft. Zoals innovatieve agrarische bedrijven en de zelfscheppende maakindustrie. Een groot aantal fiscale regelingen en subsidieregelingen zijn daar dan ook terecht op gericht. De vraag is echter of het aantal regelingen niet zo groot is dat ze daardoor slecht bereikbaar en toepasbaar zijn geworden voor de bedrijven die er de meeste behoefte aan hebben. Dat zijn de kleine en middelgrote ondernemingen in de fase van snelle groei.

Regelingen worden systematisch geëvalueerd. U kondigt aan het aantal regelingen substantieel te verminderen. Wij zouden graag zien dat U op een rij zet welke regelingen het meest effectief zijn voor de stimulering van de industrie en in het bijzonder de MKB-bedrijven. Daarmee zou een realistisch handvat ontstaan om regelingen af te schaffen of samen te voegen en ze tegelijk beter af te stemmen op de doelgroep. Is daarbij de invoering van subsidievouchers voor MKB ondernemingen een idee dat de moeite van het onderzoeken waard is?

Toegankelijkheid van kennis en de beschikbaarheid van hoog opgeleid personeel, vooral ook technisch personeel, is een erkend knelpunt. Dat geldt des te meer voor bedrijven in het MKB die grote moeite hebben afgestudeerde HBO-ers aan te trekken. Door middel van de KIM -regeling en het ontwikkelen van een duale leerweg (de zogenaamde MKB/HBO route) wordt getracht dit knelpunt te verminderen, maar we stellen vast dat dat nog niet snel genoeg van de grond komt. De aantrekkingskracht van middelgrote bedrijven op studenten en afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs is nog onvoldoende. We zouden graag zien dat er binnen de begroting ruimte wordt gevonden om initiatieven van het bedrijfsleven voortvarend, zonder al te veel voorwaarden en rompslomp, te kunnen ondersteunen vanuit EZ. We denken daarbij aan een budget van beperkte omvang om leerstof (cases) te ontwikkelen en de samenwerking tussen hogescholen en het MKB via regionale overeenkomsten actief te bevorderen.

Mevrouw de voorzitter!

Met de gewenste toename van de kennisintensiteit wordt het tevens steeds belangrijker om hooggeschoold personeel te kunnen aantrekken. Dat vereist dan wel dat er een leefomgeving is waarin zij willen wonen en werken. En daar ontbreekt het aan in verschillende delen van het land. Het ontbreken van een goed leefmilieu is nu al voor hoger personeel, en in toenemende mate ook voor bedrijven, een reden om regio's te verlaten.

Daarmee wordt het een economisch belang om te investeren in de ruimtelijke kwaliteit, de kwaliteit van de stedelijke omgeving en het leefmilieu.

De Bedrijfslocatiemonitor van het CPB schrijft "De sterk teruglopende vraag naar nieuwe bedrijfsterreinen wordt vooral veroorzaakt door de geleidelijke terugloop van de verschuiving naar formele locaties door de verdienstelijking van de economie. Het aandeel van de traditioneel ruimtevragende bedrijfstakken in de werkgelegenheid zal steeds verder afnemen". De gewenste kennisintensivering geeft aanleiding tot flinke verschuivingen in de manier waarop bedrijven zichzelf organiseren en de manier waarop zij omgaan met ruimte en ruimtegebruik.

Daarmee worden zowel medewerkers als bedrijven in toenemende mate footloose. Ze kunnen dus kiezen of ze zich hier vestigen of in het zonnige zuiden.

Zowel de arbeidsmarkt als de samenstelling van de economische activiteiten leiden aldus tot een sterker wordend belang van de ruimtelijke kwaliteit, de kwaliteit van de stedelijke omgeving en het leefmilieu.

Voor een hoog groeipad is het noodzakelijk dat Nederland interessant blijft als vestigingslocatie. Uit diverse onderzoeken blijkt dat daarbij vooral vier factoren belangrijk zijn:

Aanwezigheid van een cluster van kennis, partners en toeleveranciers

Aanwezigheid van voldoende goed geschoold personeel

Aanwezigheid van voldoende en hoogwaardige ruimte

Een goede bereikbaarheid.

Daarmee blijkt het essentieel om te voorzien in een combinatie van een goede leefomgeving en voldoende ruimte voor bedrijven. Die combinatie komt niet vanzelf tot stand en we vragen ons dan ook af of het niet gewenst zou zijn om een bedrijfsterreinenplan te ontwikkelen dat uitgaat van een waarschijnlijk toekomstscenario?

Wellicht is het zelfs gewenst om ten behoeve van zo'n plan een nieuwe scenariostudie uit te voeren (Scanning the Future II). Er zijn immers sinds 1990 grondige veranderingen opgetreden in de economische ontwikkeling, terwijl we de voorspelde ruimtebehoefte nog altijd baseren op historische ratio's en scenario. Is de minister bereid zo studie te entameren?

We stellen op grond van de locatiemonitor vast dat bij de huidige inzichten tekorten dreigen, vooral in de Randstad met betrekking tot droge bedrijventerreinen voor de industrie.

Er zal een forse inspanning nodig zijn om het gat te dichten, maar een aantal factoren belemmeren dat.

In de eerste plaats stellen we vast dat de kostprijsverhoudingen tussen Randstad en periferie zodanig zijn dat het ontwikkelen van nieuwe terreinen in het stedelijk gebied financieel onaantrekkelijk is. Daarnaast bestaan in de Randstad grote ruimtelijke beperkingen, waardoor procedures lang duren. Sommige ontwikkelingen zijn zelfs ongewenst.

De bereikbaarheid van terreinen in de Randstad is moeizaam en zou bij een ongebreidelde groei langs de snelwegen alleen nog maar verder verslechteren. De keuze van de ontwikkelingslocaties binnen de randstad is daarom duur maatwerk waarbij rekening moet worden gehouden met de noodzaak om automobiliteit te beperken.

Tenslotte is grootschalig gebruik van nog resterende open ruimte en groen ongewenst omdat daarmee de als locatiefactor belangrijke leefomgeving in het gedrang komt.

Tegelijk kennen we binnen het stedelijk gebied op diverse plaatsen ruimte voor bedrijven die niet meer voldoet aan de eisen. Ik zou graag van de bewindspersonen willen horen om hoeveel hectaren dat potentieel gaat. We verwachten dat met de herstructurering van deze terreinen veel ruimte op middellange termijn te winnen valt. Maar deze vernieuwingsopgave komt onvoldoende snel van de grond. De PvdA fractie is van mening dat hier een impuls nodig is, vooral gericht op de grote steden en stedelijke regio's in de Randstad. De investeringen die door EZ voorzien zijn (respectievelijk 25 miljoen per jaar via GSB en 50 miljoen via TIPP) zijn een druppel op een gloeiende plaat: nuttig maar onvoldoende. De PvdA stelt voor om verwachte en incidentele meevallers in de ontvangsten van EZ geheel te bestemmen voor een impuls in herstructurering van bedrijfsterreinen en deze gelden via het GSB ter beschikking te stellen van de 4 grote steden.

Verder menen we dat TIPP uitsluitend dient te worden ingezet voor het herstructureren van bestaand terrein en we dagen de bewindspersonen uit om middels een prestatiegegeven te ramen tot hoeveel hectaren herstructurering dat in 2000 kan leiden. Opnieuw :niet om daarmee de bewindslieden om de oren te slaan, maar om een analyse van de feitelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Kan de minister ons meedelen of deze informatie beschikbaar is, dan wel beschikbaar kan komen. En is de minister bereid toe te zeggen dit als prestatiegegeven op te nemen?

De opgave is niet eenvoudig: voldoende ruimte voor bedrijven tot stand brengen en tegelijk de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren. Dat vergt dat zuinig wordt omgegaan met de schaarse resterende groene ruimte, ook de groene ruimte buiten de Randstad. En er is dus een omslag nodig van het steeds verder spreiden van economische activiteit naar verweving met wonen en verdichting van de activiteiten zelf. Ook als we daarin slagen zal nog een aanzienlijk beslag plaatsvinden door het ontwikkelen van nieuwe locaties, alleen al door de uitvoering van bestaande plannen.

Bij de bestaande kostprijsverhoudingen tussen nieuw bedrijfsterrein "in de groene weide" en bedrijfsterrein in stedelijk gebied verwachten we dat zelfs met een extra impuls via het grote Steden Beleid en TIPP de herstructureringssnelheid onvoldoende zal blijven. Er is dus een extra middel nodig om de opgave te realiseren. Wij denken daarbij aan een heffing op nieuw uit te geven terrein in uitleggebieden ten gunste van een subsidie op uit te geven terrein na herstructurering via een vereveningsfonds. We vragen de minister de mogelijkheden daartoe te onderzoeken en ons binnen 6 maanden te rapporteren over de manier en waarop zo'n instrument kan worden gerealiseerd.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie