Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag G10 en IC/ DC

Datum nieuwsfeit: 27-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Verslag G10 en IC/DC

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-1064m

27 oktober 1999

Onderwerp

Verslag G10 en IC/ DC

Hierbij bieden wij u het verslag aan van de vergaderingen van de Groep van Tien, het Interim Committee en het Development Committee, 26-27 september 1999. Hierin is ook een verslag opgenomen van de bijeenkomst van de High Level Steering Group for Donor Coordination in South East Europe op dinsdag 28 september.

DE MINISTER VAN FINANCIEN, DE MINISTER VOOR

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING,

VERSLAG VAN DE VERGADERINGEN VAN DE GROEP VAN TIEN,

HET INTERIM COMMITTEE EN HET DEVELOPMENT COMMITTEE

26-27 september 1999

te Washington

Groep van 10

De Ministers van Financiën en de Presidenten van centrale banken van de Groep van 10 kwamen op 26 september jl. bijeen onder voorzitterschap van de Zweedse Minister Ringholm.

Op de agenda stond een discussie over de voorbereidingen op de millenniumwisseling alsmede een verslag van de Deputies G10 over de betrokkenheid van de particuliere sector bij het voorkomen en oplossen van financiële crises.

Ten aanzien van de millenniumproblematiek werd gesteld dat de vele voorbereidingen, zowel van de zijde van de autoriteiten als door de financiële instellingen zelf, de kans op serieuze problemen in financiële systemen in G10-landen hebben verminderd. Gewaarschuwd werd voor het ontstaan van een crisissfeer in de laatste dagen voor de jaarwisseling, zonder dat er echte problemen zijn. De voorbereidingen in de vorm van contingency-plannen dienen te worden voortgezet. Ook in opkomende economieën zijn verdere inspanningen noodzakelijk. De G10 verwelkomde de opening van een speciale tijdelijke millenniumfaciliteit bij het IMF, waarmee landen eventuele liquiditeitsproblemen als gevolg van de millenniumproblematiek tegemoet kunnen treden.

Wat betreft de betrokkenheid van de particuliere sector bij crises was de vraag aan de orde of de G10-landen een voorbeeld konden stellen door af te spreken in de contracten voor hun overheidsschuld luidende in vreemde valuta een zogenaamde collective action clause op te nemen (dit betreft clausules in obligatiecontracten die het mogelijk maken om met een bepaalde meerderheid van obligatiehouders besluiten te nemen over herstructurering van de schuld). De G10 was het erover eens dat dergelijke clausules in schuldcontracten van opkomende economieën een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen en beheersen van een financiële crisis, maar kon het niet eens worden over het opnemen ervan in schuldcontracten van G10-landen. Wel onderschreef de G10 het principe van gelijke behandeling van particuliere crediteuren in vergelijkbare omstandigheden en onderstreepte de G10 het belang van een goede dialoog tussen debiteuren en crediteuren, zowel in normale omstandigheden als ten tijde van een crisis.

De Deputies zullen hun werkzaamheden op dit terrein voortzetten. Daarnaast zullen de Deputies een analyse en beoordeling maken van de ontwikkelingen met betrekking tot consolidatie in de financiële sector in G10-landen.

Nederland, Zwitserland, België en Zweden stelden de creatie van de G X aan de orde. De

G X is een door de G7 opgericht nieuw forum van systemically significant economies voor discussie over het internationale financiële stelsel. De G X zal bestaan uit de G7 en een groep van, naar verluidt 12, opkomende economieën. De G7 heeft bevestigd dat het EU-voorzitterschap en de ECB uitgenodigd worden. Nederland, Zwitserland, België en Zweden tekenden bezwaar aan tegen het feit dat niet alle G10-landen zijn uitgenodigd. Als belangrijke crediteurlanden verwachten zij direct betrokken te worden bij de G X. In de vergadering van de G10 werd hierop niet gereageerd. De pogingen van de genoemde vier landen zullen worden voortgezet.

Het Heavily Indebted Poor Countries Initiative (HIPC-initiatief)

De besprekingen over het HIPC-initiatief hebben plaatsgevonden in het Interim Committee (IC), het Development Committee (DC)1, en in een gezamenlijke vergadering van IC en DC.

Deze unieke gezamenlijke bijeekomst vond plaats op voorstel van de nieuwe voorzitter van het Interim Committee, de Britse Minister van Financiën Brown. Onderwerpen in deze vergadering waren de uitbreiding en financiering van het HIPC-initiatief en de versterking van de focus op armoedebestrijding in Bank- en Fondsprogrammas.

De in juni jl. door de G-7 gelanceerde en vervolgens door IMF en Wereldbank nader gedefinieerde voorstellen voor aanpassing van het bestaande HIPC-raamwerk, werden door alle delegaties ondersteund. De toegang tot HIPC wordt verbreed, de mate van schuldverlichting geïntensiveerd en de financiële besluitvorming versneld. In concreto:


- de als ijkpunt voor een houdbaar schuldenniveau gehanteerde schuld/export-ratio wordt verlaagd van 200-250% tot 150%; bij het bereiken van het decision point zal een committering worden aangegaan om de schuldenomvang door middel van kwijtschelding tot dit niveau te reduceren; bij relatief open economieën (export/BNP minstens 30%, deze grens was 40%) met een redelijke mate van overheidsinkomsten (inkomsten/BNP minstens 15%, deze grens was 20%) mag de schuld/overheidsinkomsten-ratio worden gehanteerd; deze is nu verlaagd van 280% naar 250%; het hanteren van deze laatste ratio kan er toe leiden, dat de schuld/export-ratio nog lager wordt dan het standaard-niveau van 150%;


- de maximale schuldkwijtschelding in de Club van Parijs wordt verhoogd van 80 naar 90 %, of nog meer in uitzonderlijke gevallen; alle donoren (ook Nederland) stemden in met de oproep de nog uitstaande ODA-schulden op HIPC-ontwikkelingslanden kwijt te schelden;


- de HIPC kwijtschelding zal nu onherroepelijk worden toegezegd bij het decision point, dat nog steeds pas bereikt kan worden na een goede uitvoering gedurende drie jaren van IMF- en Wereldbank- programma's; tussen decision point en completion point kan al een deel van de schuldverlichting plaatsvinden; het resterende gedeelte van de kwijtschelding vindt plaats na het completion point; de periode tussen decision point en completion point kan nu korter zijn dan drie jaren, maar ook langer; dit zal afhangen af van het track record van het ontwikkelingsland in kwestie in de interimperiode.

Deze uitbreiding van de schuldreductie van het HIPC-initiatief zal moeten resulteren in vermindering van de armoede in de betrokken landen. Schuldverlichting alleen is hiervoor niet voldoende. Daarom zullen de betrokken ontwikkelingslanden met steun van IMF en Wereldbank armoedebestrijdingsstrategieën opstellen. Hierin dient op dusdanige wijze macro-economisch, structureel en sociaal beleid te worden verwerkt, dat groei en armoedevermindering het gevolg zullen zijn. Goed bestuur is hierbij van vitaal belang.

Deze benadering zal niet alleen worden gevolgd in HIPC-landen, maar ook in andere landen die gebruik maken van concessionele programma's van IMF en IDA.

De samenwerking tussen IMF en Wereldbank zal worden versterkt, om ervoor te zorgen dat alle IDA- en ESAF-programma's dezelfde armoede-focus zullen krijgen. Om dit te benadrukken zal het ESAF- programma een nieuwe naam krijgen, gedacht wordt aan de naam "Poverty Reduction and Growth Facility".

In een ontmoeting tussen de Utstein-ministers (de Utstein-groep bestaat uit de ministers van ontwikkelingssamenwerking van Duitsland, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk en Nederland, en beoogt onderlinge en bredere internationale afstemming op een toenemend aantal OS-beleidsterreinen) en IMF Managing Director Camdessus werd nog nader van gedachten gewisseld over de te verwachten omschakelingsproblemen bij het concretiseren van de armoedefocus. Belangrijke aandachtspunten zijn verdere bewustwording van de IMF-staf en uitvoering in de praktijk en het opbouwen van nieuwe databestanden in overleg tussen IMF, DAC en Wereldbank. Nederland heeft zich ook in bilaterale verklaringen enthousiast betoond over het feit dat zowel HIPC-schuldenverlichting als ESAF nadrukkelijk in dienst van armoedebestrijding zijn komen te staan. Nederland kondigde aan zowel door monitoring in het veld als door follow-up op hoofdkwartieren en ministeriële bijeenkomsten het toegenomen belang van de armoede-focus in de traditionele benadering van economische groei aan te moedigen en te bevorderen.

Deze nieuwe vorm van samenwerking tussen IMF en Wereldbank, waarbij armoedebestrijding voorop staat, vormt één van de belangrijkste resultaten van de vergaderingen. Op basis van voortgangsrapportages van Fonds en Bank over ervaringen in de eerstkomende landen die voor HIPC-steun in aanmerking komen, zal worden bezien of de organisaties erin slagen deze nieuwe benadering ook daadwerkelijk vorm te geven.

De armoedebestrijdings-strategieën moeten voortkomen uit het ontwikkelingsland zelf, en op transparante wijze worden ontwikkeld met brede deelname van maatschappelijke organisaties, belangrijke donoren en regionale ontwikkelingsbanken. De strategieën moeten worden gekoppeld aan de internationaal overeengekomen
ontwikkelingsdoelstellingen. De voortgang zal worden gevolgd aan de hand van meetbare indicatoren.

Bij ieder HIPC-land dat een decision point bereikt, zal een armoedebestrijdingsstrategie voorhanden moeten zijn. Deze voorwaarde kan gedurende een overgangsperiode worden verzacht, mits bij het completion point aangetoond kan worden dat voortgang is geboekt bij de uitvoering van een armoedebestrijdingsstrategie.

Als gevolg van deze aanpassingen zullen de kosten van HIPC meer dan verdubbelen tot
US $ 27,4 mrd (netto contante waarde) waarvan US $ 13,3 mrd multilateraal en US $ 14,1 mrd bilateraal/commercieel.

Van begin af aan heeft Nederland benadrukt dat volledige en additionele financiering van de uitbreidingsvoorstellen een harde voorwaarde zou zijn voor acceptatie. De volgende principes zouden daarnaast moeten worden gehanteerd bij verwerking van de HIPC- kosten bij internationale financiële instellingen (IFI's):


* additionaliteit, dus niet ten koste van concessionele middelen en loketten zoals IDA;


* geen aantasting van de financiële integriteit van de IFIs;


* brede en eerlijke lastenverdeling.

Nederland slaagde erin deze uitgangspunten nog voor het begin van de vergaderingen in Washington neer te leggen in een verklaring, die door twaalf (niet G-7) landen2 werd ondersteund. Uiteindelijk werden deze uitgangspunten ook overgenomen in het Joint Statement van de voorzitters van de gezamenlijke IC/DC bijeenkomst en het communiqué van het DC.

De vergadering sprak waardering uit voor de vele bijdragen die veel landen reeds aan het HIPC initiatief hadden geleverd, en voor de bijdrage die de IFIs uit eigen middelen hadden vrijgemaakt. Ook werd verwelkomd, dat de Club van Parijs nu op bilaterale basis schuldverlichting wil geven tot 90% (of meer) over commerciële schulden en tot 100% additionele kwijtschelding over ODA leningen.

Over het uitgangspunt van eerlijke lastenverdeling van de kosten van HIPC bestond van meet af aan een interpretatieverschil tussen met name een aantal G-7 landen en de bovengenoemde twaalf gelijkgezinde landen. Deze G-7 landen wilden naast de bijdrage aan het multilaterale deel van HIPC ook kijken naar de omvang van de nog uitstaande bilaterale ODA-portefeuille bij het bepalen van de lastenverdeling. De gelijkgezinden stellen, dat zij de afgelopen jaren aan de armste landen (o.a. HIPC) alleen maar schenkingen hebben gegeven, en hun leningen grotendeels hebben kwijtgescholden. Zij wensten daarom nog uitstaande bilaterale leningen niet te betrekken bij de bepaling van een eerlijke lastenverdeling van het multilaterale deel van HIPC.

Bovendien hanteerden de meeste G-7 landen als uitgangspunt, dat de multilaterale instellingen, met name de Wereldbank, zelf uit hun eigen inkomsten of reserves de kosten van HIPC konden opvangen. De IFI's hadden zelf reeds eerder betoogd dat zij dit alleen zouden kunnen doen ten koste van middelen die bestemd waren voor financiering van hun reguliere concessionele geldstromen naar ontwikkelingslanden, dan wel hun financiële integriteit. Dit punt werd in Washington expliciet ondersteund door de gelijkgezinden. Een andere oplossing zou zijn het verhogen van de leningstarieven. Bij financiering ten laste van de reserves, zou de financiële integriteit in gevaar komen.

De gelijkgezinden stelden, dat op deze manier de rekening voor HIPC neergelegd dreigde te worden bij andere ontwikkelingslanden, danwel lagere of midden-inkomenslanden die leningen afsluiten bij de IFI's. Additionele donor-bijdragen waren hoe dan ook nodig om de financiering van de kosten van het multilaterale deel van HIPC rond te krijgen.

Na intensief overleg, toonde in Washington een aantal G-7 landen zich bereid alsnog bilateraal bij te dragen aan de kosten van het multilaterale deel van HIPC wat de lastenverdeling positief heeft beïnvloed. Zo maakte de regering van de V.S. gedurende de vergaderingen bekend dat een bijdrage van US$ 650 mln aan het HIPC Trust Fund aan het Congres is voorgesteld, en ook een bijdrage van de EU werd in beginsel toegezegd. Het gaat hier om een bijdrage uit niet gealloceerde middelen uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). De besluitvorming hierover is binnen Europa nog niet afgerond. Verder moet een dergelijk besluit worden overlegd met de ACS-landen (landen uit Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) voor wie deze middelen oorspronkelijk zijn bestemd. Nederland zegde daarnaast nog bilateraal een bedrag van US$ 70 mln toe (zie relevante passage in de Nederlandse interventie op pagina 25 van dit verslag). Een negatief aspect van de financiering is dat deze voor een deel gerealiseerd wordt door een steeds groter beroep te doen op de eigen middelen van de Bretton Woods instellingen.
Voor wat betreft de financiering van de kosten voor het IMF is door het Interim Committee ingestemd met de herwaardering van een deel van de goudvoorraad van het IMF. Nederland heeft tijdens het Interim Committee aangegeven het oorspronkelijke plan van goudverkoop te prefereren. De herwaardering van het goud is een vorm van creatief boekhouden en de methode waarop middelen binnen het IMF voor HIPC worden vrijgemaakt is niet transparant. Effectief wordt het grootste gedeelte van de financiering door het IMF via een verslechtering van de reservepositie gegenereerd. Nederland heeft dan ook sterk aangedrongen op maatregelen om het gebruik van deze constructie in de toekomst te voorkomen. Het Interim Committee heeft aangegeven dat deze herwaardering een uitzonderlijke en eenmalige operatie is waarbij maximaal 14 miljoen ounces zullen worden geherwaardeerd. Door deze herwaardering en toegezegde bilaterale bijdragen is de financiering voor het IMF nu rond.
Uiteindelijk kon Wereldbank-President Wolfensohn als eindresultaat bekend maken dat er voldoende financiële toezeggingen waren ontvangen om te kunnen opereren wanneer kwijtschelding voor een land daadwerkelijk aan de orde is.

Interim Committee


1. Inleiding

Het Interim Committee (IC) hield op 26 september jl. zijn 53e en laatste vergadering. Het Interim Comité is nu hervormd tot permanent comité en zal de volgende keer (16 april 2000) bijeenkomen als International Monetary and Financial Committee.

Naast deze institutionele aspecten besprak het IC de situatie in de wereldeconomie, de uitdagingen voor het monetair en financieel beleid, het millenniumprobleem en de versterking van het internationaal financieel stelsel. Bijzondere aandacht was er voor de noodzaak van zorgvuldige besteding van IMF-middelen tegen de achtergrond van berichten over corruptie en witwassen in een aantal landen.

De uitkomsten van het IC zijn in lijn met de prioriteiten van Nederland: verbeterde transparantie van het IMF, overheden en financiële markten; nauwere betrokkenheid van de particuliere sector bij het voorkomen en oplossen van crises, op basis van een aantal kernprincipes in plaats van het nu gevoerde ad-hocbeleid; en de versterking van ESAF.

Minpunten zijn de gebrekkige voortgang met de rol van het IMF bij liberalisatie van kapitaalverkeer en het gebrek aan consensus over de mogelijkheid om IC-werkgroepen in te stellen als onderdeel van het, overigens welkome, pakket maatregelen ter versterking van het IC.


2. Ontwikkelingen in de wereldeconomie en beleidsrespons

Het IC stelde vast dat de wereldeconomie sinds begin dit jaar verder is verbeterd. Met het wegebben van de crisis blijft evenwel de noodzaak van structurele hervormingen in vele opkomende economieën en ontwikkelingslanden overeind. Het gaat hierbij onder meer om bankherstructureringen, belastinghervorming, versterking van juridische stelsels en van het openbaar bestuur.

In Azië is het herstel zichtbaar en ook het vertrouwen van financiële markten in de regio is gegroeid. De uitdaging is nu de beleidsinspanningen op het terrein van bankherstructurering en institutionele hervormingen niet te verslappen. Zo merkte het IC op dat voortgaand herstel in Indonesië een dringende oplossing van structurele en politieke problemen vergt.

Het IC ondersteunde de IMF-betrokkenheid bij stabilisatie en hervormingen in Rusland, maar wees tegelijkertijd op de noodzaak de integriteit van het financiële stelsel, en het bestuur en transparantie in Rusland te verbeteren.

Wat de industrielanden betreft bleek het IC gematigd optimistisch over de vooruitzichten in de VS, Japan en Europa. Het beleid in de VS zou gericht moeten blijven op een sterke begrotingspositie en hogere besparingen, Japan werd opgeroepen het bankherstructureringsproces voort te zetten en van de EU worden verdere budgettaire consolidatie en structurele hervormingen in arbeids- en produktmarkten verwacht.

In dit verband drong Argentinië er mede namens andere Latijns-Amerikaanse landen in zijn kiesgroep erop aan dat niet alleen opkomende economieën zich structureel moeten aanpassen maar dat ook industrielanden hun markten verder moeten flexibiliseren en in het bijzonder de handelsbelemmeringen voor exporten uit ontwikkelingslanden moeten opheffen.

Nederland heeft onder dit agendapunt bijzondere aandacht gevraagd voor de situatie op de Balkan. De Kosovocrisis heeft negatieve economische effecten gehad op diverse landen in de regio, die deel uitmaken van de Nederlandse kiesgroep in IMF en Wereldbank. Op voorstel van Nederland heeft het IC het IMF opgeroepen om de hervormingen van die landen met versterkte programmas te blijven steunen. Daarnaast heeft Nederland in bilaterale gesprekken de IMF-kredietverlening aan Rusland aan de orde gesteld. Nederland steunt de IC-uitspraken over de noodzaak van transparantie en verantwoording, zeker wanneer IMF-middelen worden gebruikt.

Inmiddels heeft het IMF aanvullende voorwaarden gesteld aan de uitkering van de tweede tranche van het stand-by-krediet van $ 4,5 mld, goedgekeurd in juli jl. Het gaat hierbij in het bijzonder om verbetering van het financiële beheer en transparantie door de Russische centrale bank.
Versterking van het internationaal monetair en financieel systeem

Transparantie en standaarden

De afgelopen periode is aanzienlijke vooruitgang geboekt in het verbeteren van transparantie van beleid, zowel van het IMF, van landen als van financiële markten. Het IC kon dan ook het ruime gebruik van zogenaamde Public Information Notices (PINs) verwelkomen, evenals de publicatie van een groot aantal IMF-documenten, samenvattingen van discussies in de Executive Board, vrijgave van
externe-evaluatierapporten, publicatie van Letters of Intent

en het experiment met transparantierapporten van landen. Vermelding verdient voorts het besluit van 46 landen (waaronder Nederland, Aruba en Kroatië) om deel te nemen in het vrijwillige pilot project om artikel-IV-rapporten te publiceren. Het rapport over Nederland zal binnenkort verschijnen.

Het IC wilde verdere transparantie van IMF en autoriteiten bevorderen, maar wees ook op het noodzakelijke evenwicht met vertrouwelijkheid in de relaties van het Fonds met zijn leden.

Wat betreft standaarden heeft het IC de Code of Good Practices on Transparency in Monetary and Financial Policies: Declararion of Principles vastgesteld. Deze code komt daarmee naast de reeds aangenomen Code of Good Practices on Fiscal Transparency. Het werk aan de datastandaarden, in het bijzonder de Special Data Dissemination Standard (SDDS), zal worden voortgezet. Het IC heeft het IMF aangemoedigd om door te gaan met zijn experiment van monitoring van het voldoen van landen aan internationale standaarden en codes. De Board is opgeroepen om te bezien of deze monitoring standaard-onderdeel van het Fondstoezicht (artikel IV-proces) kan worden.

Dat de grenzen aan het beleid van transparantie en het ontwikkelen en vooral het monitoren van het voldoen aan standaarden voor sommige landen in zicht komen, bleek ook uit de interventies van diverse ontwikkelingslanden en opkomende economieën. Zij dringen erop aan dat het IMF zich op zijn kerntaken moet richten en niet op wat genoemd wordt non-core areas als sociale normen, en dat codes vrijwillig moeten blijven.

Onder het agendapunt transparantie onderstreepte het IC voorts het belang van transparantie en verantwoording vooral wanneer IMF-middelen worden gebruikt. Wanneer, zoals experience in a few cases has highlighted, IMF-middelen in verband worden gebracht met corruptie en witwaspraktijken is de geloofwaardigheid en effectiviteit van het IMF in het geding. Daarom heeft het IC het IMF opgeroepen om zijn financiële procedures en controlemechanismen onder de loep te nemen en over het versterken van de waarborgen tegen misbruik van Fondsmiddelen in de volgende vergadering te rapporteren.

Financiële integriteit is niet alleen een zaak van het IMF, ook overheden dienen alles in het werk te stellen om hun nationale financiële stelsels aan de internationale standaarden zoals die bijvoorbeeld bestaan voor het bestrijden van witwassen te laten voldoen.

Nederland heeft de vele transparantie-initiatieven ondersteund. Zo heeft Nederland aangegeven dat het aan de nieuwe vereisten van de SDDS aangaande internationale reserves zal voldoen. Ook zal Nederland zijn artikel-IV-rapport publiceren. Nederland heeft benadrukt dat transparantie geen doel op zich kan zijn, maar een middel om het functioneren van markten te bevorderen.

Betrokkenheid particuliere sector bij financiële crises

Het IC heeft vastgesteld dat de particuliere sector in een aantal recente gevallen (Oekraïne, Ecuador) nauwer betrokken is bij de oplossing van de crisis in die landen. Er zal nu worden gewerkt aan enkele algemene principes die een kader vormen voor private sector involvement in individuele gevallen. Uitgangspunt hiervoor is het rapport van de G-7 van juni jl. De Executive Board is verzocht om op basis van dit rapport te werken en aan het volgende IC te rapporteren hoe de algemene principes in de praktijk worden gebracht.

De gebrekkige voortgang weerspiegelt de kritische opstelling in de interventies van een aantal opkomende economieën, die terughoudendheid met bailing-in-operaties bepleiten. Anderzijds bestaat er een breed draagvlak voor het formuleren van principes zoals gelijke behandeling van debiteurenlanden. Ook preventiemechanismen als het opzetten van crediteuren-debiteurencomités worden door diverse landen genoemd. Kleine industrielanden en andere Europese landen, zoals Duitsland, blijven voorstander van een duidelijk kader van regels. Zo heeft Duitsland gesteld dat officiële crediteuren de financing gap bij een financiële crisis dichten op voorwaarde dat de particuliere sector op adequate wijze betrokken is. Het IMF heeft een centrale katalyserende rol en kan slechts een deel van de gap financieren. Het Fonds zou in Duitse visie als voorwaarde voor zijn uitkeringen moeten stellen dat er voldoende voortgang is in de onderhandelingen van het crisisland met zijn particuliere crediteuren.

Nederland heeft in zijn interventie de nadruk gelegd op het principe van gelijke behandeling, zowel van crediteuren als van debiteurlanden. De huidige van-geval-tot-gevalbenadering bergt het risico in zich van intransparantie voor de markt en ongelijke behandeling van landen en/of crediteuren, waarbij sommige crediteuren niet in de lasten van de oplossing van een crisis delen.

Liberalisatie van kapitaalverkeer en de keuze van een wisselkoersregime

Het IC heeft de IMF-Board opgeroepen om het werk aan deze onderwerpen voort te zetten. Daarbij staan een gefaseerde liberalisatie van de kapitaalrekening en flankerend beleid ter vergroting van nationale financiële stabiliteit voorop. Het IC bevestigde dat landen hun macro-economisch en monetair beleid moeten afstemmen op de keus van hun wisselkoersregime; consistentie tussen die twee is cruciaal.

Het IC liet zich niet uit over het voorstel om de IMF-statuten te amenderen teneinde het IMF een rol te geven in het proces van kapitaalliberalisatie. De VS en diverse ontwikkelingslanden lieten weten hieraan geen grote prioriteit te geven, c.q. terughoudend tegenover dit voorstel te blijven staan. Anderen, waaronder Duitsland, Nederland en andere Europese landen, blijven evenwel voorstander van aanpassing van de statuten.

Institutionele hervorming en versterking van het Interim Comité

Het IC hechtte zijn goedkeuring aan een ontwerp-resolutie waarmee het IC wordt herdoopt tot International Monetary and Financial Commitee en zijn rol als het adviesorgaan van de Board of Governors wordt bekrachtigd. De voorbereiding van het IMFC door vergaderingen van Deputies is nu voorzien. Pogingen van enkele landen, waaronder Nederland, om ook te besluiten tot de oprichting van IMFC-werkgroepen stuitten evenwel op verzet van enkele opkomende economieën. Het IC heeft zich niet uitgelaten over het nieuwe forum, de G X.

Nederland heeft benadrukt dat het IMF in het hart van het internationaal monetair en financieel stelsel moet blijven. Anders dan allerlei ad-hoc-groepen zijn het IMF en zijn fora door hun universele lidmaatschap, vastliggende procedures en kiesgroepenstructuur, bij uitstek geschikt voor besluitvorming over het internationale financiële stelsel. Versterking van die organen verdient dan ook prioriteit.
Millenniumprobleem

Om mogelijke betalingsbalansproblemen van landen als gevolg van computerstoringen bij de overgang naar het nieuwe millennium tegemoet te treden heeft het IC ingestemd met de opening van een tijdelijke millenniumfaciliteit bij het IMF. Deze faciliteit loopt af op 31 maart 2000, heeft een terugbetalingsperiode van zes maanden (eventueel te verlengen tot 12 maanden) en een prijs van 300 basispunten boven standaard-IMF-tarieven. Landen kunnen trekken tot 50 % van hun quotum, bij uitzonderlijke omstandigheden is een hogere toegang mogelijk.

Development Committee


1. Inleiding

Het Development Committee (DC) van Gouverneurs van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank kwam op 27 september bijeen in Washington D.C. onder voorzitterschap van Tarrin Nimmanahaeminda, de Minister van Financiën van Thailand.

In de plenaire sessie lichtte Wereldbank president Jim Wolfensohn de DC-agenda toe, daarbij ingaand op de verdere ontwikkeling van een tripartite armoedebestrijdingsstrategie (IMF, WB en ontvangend land) die uiteindelijk als Poverty Reduction Strartegy Paper het licht moet zien. Door Managing Director Camdessus van het IMF werd uitvoerig stilgestaan bij het armoede-vraagstuk. Verder sprak de nieuwe Directeur Generaal van de WTO, Mike Moore over de betekenis voor ontwikkelingslanden van de binnenkort in Seattle van start gaande nieuwe WTO-onderhandelingsronde.

Tijdens de besloten sessie werd door sprekers met name aandacht besteed aan het HIPC-initiatief, de kapitaaltoereikendheid van de Wereldbankgroep en de internationale handelsagenda.

Nederland heeft zich in het DC een warm voorstander getoond van toenemende internationale coördinatie onder leiding van ontvangende landen. Daarbij verwelkomde Nederland de hernieuwde impuls die aan samenwerking tussen IMF en Wereldbank werd gegeven middels o.m. het gezamenlijk opstellen van poverty reduction strategy papers. Nederland heeft de hoop uitgesproken dat deze nieuwe papers de leidraad zal zijn voor samenwerking van donoren en ontvangende landen met armoedebestrijding als uitgangspunt.


2. Kapitaaltoereikendheid Wereldbankgroep

Het DC is geïnformeerd over de voortgang in de besprekingen. President Wolfensohn van de Wereldbank gaf aan dat de financiële situatie van de Bank op dit moment adequaat is, onder de veronderstelling dat de Bank geen onvoorziene schokken of verzoeken voor grootschalige liquiditeitssteun zal hoeven opvangen. Hij stelde voor dit onderwerp nu niet verder te bespreken. Deze algemene conclusie werd door het DC overgenomen. De Board of Directors van de Wereldbank werd verzocht verder te bestuderen welke financiële capaciteit nodig is om de financiële integriteit van de Bank te bewaken en de Bank in staat te stellen om, binnen haar mandaat, aan de behoeften van lenende landen te voldoen.

Uit de discussie bleek dat meningen over een kapitaalverhoging uiteenlopen. Waar sommige landen in beginsel bereid zijn om een kapitaalverhoging te steunen, zien andere hiervoor op korte termijn geen noodzaak of is men van mening dat eerst moet worden gesproken over de rol en het mandaat van de Wereldbank. Daarbij valt op dat de meeste van die landen die graag zouden zien dat de Bank een rol speelt bij een mondiale financiële crisis zich niet automatisch committeren tot een daartoe benodigde grotere kapitaalomvang.

Nederland ziet in dat de financiële situatie van de Bank bij grote externe schokken onder druk kan komen te staan. De behoefte aan een aanvulling van het kapitaal en de omvang daarvan zijn gerelateerd aan de strategie. Nederland staat positief tegenover voorstellen voor een kapitaalverhoging die nodig zijn om de instellingen in staat te stellen hun mandaat van lange termijn structurele ontwikkeling en armoedebestrijding uit te voeren, maar is geen voorstander van een kapitaalverhoging die slechts beoogt de Bank de mogelijkheid te geven grootschalige betalingsbalansleningen te verstrekken. In de verdere besprekingen in de Board of Directors van de Wereldbank zal hierover meer duidelijkheid moeten worden verkregen.


3. Ontwikkelingslanden en de internationale handelsagenda Het DC benadrukte het belang van handel voor ontwikkeling, armoede bestrijding en duurzaam wereldwijd economisch herstel. De volgende handelsronde zou snel substantiële voordelen moeten opleveren voor ontwikkelingslanden en landen in transitie en met name voor de minst ontwikkelde landen. Dit moet worden bewerkstelligd door verbeterde toegang tot markten en verdere reductie van handelsbarrières. Het DC benadrukte dat deze landen actief betrokken moeten zijn bij de volgende handelsronde, wil internationale handel een bijdrage leveren tot economische ontwikkeling en duurzame armoedevermindering. Wereldbank, IMF, WTO, UNCTAD en andere organisaties werden aangespoord om genoemde landen te assisteren bij het opbouwen van capaciteit om effectief in onderhandelingsronden deel te nemen. Ook werd benadrukt dat capaciteitsopbouw nodig is om ontwikkelingslanden in staat te stellen door hen gedane beloften uit eerdere ronden na te komen.

Verder werden Wereldbank, IMF en WTO opgeroepen om in samenwerking met andere partijen effectieve programmas voor capaciteitsversterking ten aanzien van handel te ontwikkelen, onder andere via het Geïntegreerde Raamwerk voor Handelsgerelateerde Technische Assistentie voor Minst Ontwikkelde Landen. In het bijzonder werd de Bank opgeroepen om financiële en technische ondersteuning te bieden aan de verbetering van infrastructuur en instituties in deze landen en om onderzoek te verrichten naar handelsbarrières voor ontwikkelingslanden.

Enkele landen wezen op de nadelige effecten van handelsrestricties die de rijkere landen hanteren en gaven aan teleurgesteld te zijn over de beperkte voortgang op dit terrein ondanks toezeggingen in eerdere ronden. Sommigen plaatsten deze teleurstellende resultaten in de context van het hoge tempo waarin transitielanden markt-liberaliserende aanpassingen hebben doorgevoerd.

Verschillende landen benadrukten dat het tempo van handelsliberalisatie af dient te hangen van de snelheid waarmee een geschikt institutioneel raamwerk kan worden opgezet.

Nederland heeft er bij de Bank op aangedrongen om handel hoog op de agenda te zetten. Het feit dat tweederde van de aanpassingsleningen en een kwart van de investeringsactiviteiten volgens de Bank handelsgerelateerd is, zegt weinig; veel activiteiten van de Bank zouden formeel aan bevordering van handel kunnen worden toegerekend (bijvoorbeeld iedere lening die de productiviteit verhoogt). Waar het om gaat, is dat de Bank zich richt op de twee groepen landen die nog niet effectief zijn geïntegreerd in het in het wereldhandelssysteem, te weten IDA-ontvangende landen en landen in transitie.

In dit verband heeft Nederland aangedrongen op verdere voortgang ten aanzien van het Geïntegreerde Raamwerk voor technische assistentie. Verder bracht Nederland, in lijn met het door EU-lidstaten gezamenlijk ingenomen standpunt, naar voren dat de Bank in haar uitleenprogrammas rekening moeten houden met de aanpassingskosten die optreden bij handelsliberalisatie (mislopen overheidsontvangsten), een punt dat door meer landen werd benadrukt. Voor wat betreft de transitielanden is meer steun nodig bij WTO-toetreding.

De benadering van de Bank is in zekere zin onevenwichtig. Er worden wel actieve pogingen ondernomen (d.m.v. policy based lending) ontwikkelingslanden tot verdergaande liberalisatie en transparantie te bewegen, terwijl er geen instrumenten bestaan om deze zelfde invloed op ontwikkelde landen uit te oefenen. De Bank zou tenminste meer onderzoek en analyse kunnen verrichten aangaande handelsbelemmeringen die van de kant van de ontwikkelde wereld worden opgeworpen voor ontwikkelingslanden. Meer in het algemeen zou de Bank dergelijk onderzoek ten dienste moeten stellen van de voorbereiding van ontwikkelingslanden op de nieuwe WTO-onderhandelingsronde.

Verder werd door Nederland aangedrongen op snelle heropening van de vestiging van de Wereldbank in Genève, dit om de samenwerking met de WTO te bevorderen. Het voornemen van Wereldbank, IMF en WTO om een gezamenlijke verklaring uit te geven tijdens de Ministriële WTO-bijeenkomst in november in Seattle werd verwelkomd.


4. Rol van de Wereldbank bij het versterken van de Internationale Financiële Architectuur.

Het DC concludeerde dat de rol van de Bank op landen-niveau is gelegen in het versterken van de binnenlandse financiële markten van ontwikkelingslanden en de integratie van deze markten in het internationale financiële systeem te bevorderen. Het doel is het voorkomen van financiële crises. Dit moet worden gedaan door landen te helpen de structurele oorzaken van crisisgevoeligheid te bestrijden, en door de institutionele capaciteit van deze landen te verbeteren. Bank en Fonds zouden zich op dit terrein op activiteiten moeten richten waar hun comparatieve voordeel ligt en moeten samenwerken met andere relevante internationale instellingen. Het DC steunde in dit verband het voornemen van Bank en Fonds om in samenwerking te beoordelen in hoeverre landen internationale normen en best practices op verschillende
terreinen daadwerkelijk hebben ingevoerd. Dit voornemen moet nog worden uitgewerkt.

Drie specifieke onderwerpen stonden op de agenda:

Voortgangsrapport van het Financial Sector Liasion Committee (FLSC)

Het FLSC, waarin senior staf van Bank en Fonds zitting hebben, is een jaar geleden ingesteld om het proces van samenwerking tussen Bank en Fonds in de financiële sector te bevorderen. Zo is het FLSC betrokken geweest bij het opzetten van een nieuw beoordelings- programma (Financial Sector Assessment Program), dat is bedoeld om de analyse van financiële stelsels in lidstaten meer gestructureerd en efficiënter uit te voeren (onder andere door gezamenlijke missies). Op deze manier kunnen zwakheden tijdig worden gesignaleerd. In eerste instantie gaat het om twaalf landen. Voor vijf van deze landen is de beoordeling gestart, waarvan één rapport is afgerond. De uitkomsten van de exercities zullen worden gebruikt voor Artikel IV Consultaties van het IMF en de Social and Structural Policy Reviews van de Bank. Een jaar geleden is een pilot-programma gestart van deze laatstgenoemde rapporten, die een overzicht geven van het sociale en structurele beleid van landen en de mogelijke zwakheden daarbij. Inmiddels zijn voor twee landen rapporten opgesteld en zijn deze voor vijf andere landen in de maak. De voortgang ten aanzien van de Financial Sector Assesment Programs en de Social and Structural Policy Reviews werd door het Comité verwelkomd.

Nederland hecht aan een goede coördinatie van activiteiten tussen Bank en Fonds en is dan ook positief over de activiteiten die tot op heden in het kader van de financiële sector zijn ontplooid. Het verbeteren van de samenwerking tussen Bank en Fonds is uiteraard een proces dat langere tijd duurt en dit proces en de invulling in de praktijk zal dan ook nauwlettend worden gevolgd.

Beheersen van de sociale gevolgen van economische crises

Het DC spoorde de Bank aan de activiteiten op dit terrein verder te ontwikkelen. De Bank zou zich hierbij moeten richten op het verzamelen en verspreiden van kennis van best practices. Landen kunnen van deze kennis gebruik maken bij het opzetten van instituties en het invoeren van beleidsmaatregelen die de sociale gevolgen van crises kunnen beperken, met name voor de allerarmsten. Hierbij kan worden gedacht aan arbeidsmarktbeleid (bijvoorbeeld loonflexibiliteit), programmas die onderwijs toegankelijk houden tijdens crises en sociale vangnetten. Belangrijk is om in goede tijden de basis te leggen voor instituties en beleidsprogrammas zodat daar tijdens crises op gebouwd kan worden. Zo kan een reeds bestaand sociaal vangnet tijdens crises relatief eenvoudig worden uitgebreid.

Nederland heeft met name de relatie tussen macro-economisch beleid en de sociale situatie aangestipt en verder onderzoek hiernaar gestimuleerd. Daarnaast is benadrukt dat de werkelijke vraag bestaat uit het oplossen van het sociaal vraagstuk op de langere termijn, niet slechts in crisistijd. Deze zaken komen ook aan de orde in het kader van ESAF en HIPC (de zogenaamde Poverty Reduction Strategy Papers).

Meer in het algemeen is door Nederland nogmaals aangegeven dat de VN op het sociaal vlak de organisatie is die de normen stelt, terwijl het de taak van de Bank is deze te implementeren, bijvoorbeeld via de beleidsdialoog.

Corporate Governance

Sinds de Aziatische crisis is de aandacht voor corporate governance en hervorming van corporate governance stelsels sterk toegenomen. In dit verband nam het DC kennis van de oprichting van een Global Corporate Governance Forum, dat door de Wereldbank en de OESO zal worden gesteund en waarin ook regionale ontwikkelingsbanken, het IMF en andere relevante internationale instellingen zoals de International Organization of Securities Commissions, en de private sector zijn vertegenwoordigd.

Verslag High Level Steering Group for Donor Coordination in South Eastern Europe, september 28, 1999, wasHINGton, D.c.

Op 28 september vond in Washington, D.C. en marge van de Jaarvergadering van IMF en Wereldbank de tweede bijeenkomst van de High Level Steering Group (verder HLSG) plaats. De vergadering werd voorgezeten door de President van de Wereldbank, dhr. Wolfensohn, en de Europese Commissaris voor Economische en Monetaire Zaken, dhr. Pedro Solbes Mira. Verder waren aanwezig de Ministers van Financiën van de G-8, alsook enkele Ministers voor Ontwikkelingssamenwerking, de Managing Director van het IMF, de President van de EIB, de President van de EBRD, de Speciale Vertegenwoordiger van het Stabiliteitspact voor Zuid-Oosteuropa en de Plaatsvervangend Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en een vertegenwoordiger van de VN Missie in Kosovo (UNMIK). De intensieve Nederlandse lobby-inspanningen waren beloond en Nederland was uitgenodigd om de vergadering van de HLSG bij te wonen. Nederland werd vertegenwoordigd door de Minister van Financiën en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De HLSG was voorbereid door de Working Level Steering Group (verder WLSG).

Wederopbouw van Kosovo en economisch herstelprogramma De vertegenwoordiger UNMIK gaf aan dat er voortgang wordt gemaakt met de opzet van een basis-raamwerk voor de economie, bijvoorbeeld een betalingssysteem en het opzetten van een begroting voor Kosovo voor 1999 en 2000. Er zijn echter veel inspanningen nodig om de economie draaiende te houden, zoals het herstellen van de elektriciteitsvoorziening in Kosovo. De HLSG verwelkomde de voortgang. Men realiseerde zich dat er nog veel werk te verrichten was en kwam overeen dat externe begrotingssteun essentieel was om in de resterende financieringsbehoefte in de begroting van Kosovo tegemoet te voorzien. Hierbij werd door verschillende donoren aangegeven dat transparante begrotingsprocedures en verantwoordingsmogelijkheden een voorwaarde waren voor het verstrekken van deze begrotingssteun. Ook werd UNMIK aangespoord de pogingen voort te zetten om de lopende uitgaven zo snel mogelijk met in Kosovo gegenereerde middelen te financieren. De WLSG werd opgedragen nauw contact te houden met UNMIK tijdens deze cruciale periode.

Nederland voegde de daad bij het woord en zegde toe US$ 15 van het resterende tekort van US$ 20 mln over 1999 voor haar rekening te nemen. Dit onder voorwaarde van genoemde procedures die op korte termijn worden verwacht. Ook werd door Nederland benadrukt dat er een gezamenlijke inspanning moet worden geleverd om UNMIK van voldoende mankracht te voorzien. Dit zouden mensen moeten zijn die zowel met de internationale financiële instellingen als de lokale structuren bekend zijn.
Overigens gaf Nederland ook aan dat de overdracht van de bevoegdheden van UNMIK naar de lokale autoriteiten zo vroeg mogelijk moet plaatsvinden, zodat de Kosovaren zelf de verantwoordelijkheid nemen. Met betrekking tot de eerste donor-conferentie voor Kosovo in juli, waar een bedrag van meer dan US$ 2 mrd werd toegezegd voor humanitaire steun en reconstructie, werd donoren verzocht hun toezeggingen zo snel mogelijk in daadwerkelijke uitbetalingen om te zetten. Een tweede donor-conferentie is gepland voor medio november. Nederland heeft aangedrongen op het tijdig verschijnen (dat wil zeggen ruim voor de donor-conferentie) van het Priority Reconstruction Program voor Kosovo dat door de Wereldbank en de Europese Commissie wordt opgesteld. Dit programma moet namelijk de basis zijn voor de toezeggingen van donoren en het committeren aan sectoren en projecten. Voorkomen moet worden dat donoren zelf projecten zoeken om daar een eigen vlag op te zetten.

Algemeen werd het belang van een geschikt klimaat voor private investeringen onderstreept. UNMIK werd aangespoord tot voortgang op dit terrein en tot het zo snel mogelijk invoeren van een markteconomie in Kosovo. Het bedrijfsleven werd uitgenodigd om de investeringsmogelijkheden in Kosovo te bestuderen.

Nederland heeft aangedrongen op zo open mogelijke aanbestedingsprocedures. Zo mogelijk zouden de landen in de regio die zijn getroffen en niet in aanmerking komen voor concessionele middelen (Bulgarije en Roemenië) een preferentiële behandeling kunnen krijgen.

De vooruitzichten voor en behoeften van de regio De crisis heeft negatieve gevolgen voor de economische ontwikkelingen in de regio. De meest
getroffen landen, Albanië, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Macedonië en Roemenië. De snelle terugkeer van de vluchtelingen naar Kosovo heeft tot lagere behoefte aan financiële ondersteuning geleid, maar het negatieve effect van andere factoren (handel, toerisme en investeringen) werkt nog steeds door.
In de financieringsbehoefte voor 1999 is voor de meeste landen in termen van toezeggingen voorzien. De significante beleidsaanpassingen in de regio hebben hieraan bijgedragen. De daadwerkelijke uitbetalingen moeten echter voor een belangrijk deel nog plaatsvinden. In dit verband werd door

Nederland aangedrongen op een intensivering van de beleidsdialoog tussen de internationale financiële instellingen en deze landen om de beleidsprestaties op peil te houden en daarmee uitbetaling van eerder toegezegde steun mogelijk te maken.

Het IMF gaf aan dat in reactie op de crisis over het geheel genomen goede maatregelen waren genomen door de meest getroffen landen in de regio. Desalniettemin is er behoefte aan aanvullende financiering voor 2000 voor een bedrag in de orde van grootte van US$ 800 tot US$ 900 mln voor de hele regio. Bij de berekening van deze behoeften is overigens al rekening gehouden met de steun van het IMF en Wereldbank.
Hoewel de groei voor de regio voor 1999 naar verwachting van het IMF nog negatief zal zijn, wordt voor 2000 een opleving van de groei verwacht. Deze zal echter niet gelijkmatig zijn verdeeld over de verschillende landen. Zonder aanvullende financiële steun dreigt een terugval in de hervormingsinspanningen en een terugval in de groei. De Wereldbank en de Europese Commissie zullen donorbijeenkomsten blijven organiseren om in de financieringsbehoefte te voorzien. Benadrukt werd dat voortzetting van binnenlandse beleidsaanpassingen en hervormingen in deze landen essentieel is.

Nederland heeft aangegeven dat hulp-afhankelijkheid van de regio moet worden voorkomen. Er moet worden gestreefd naar integratie van de regio met de wereldeconomie. Snelle toetreding van de landen in de regio tot de WTO is hier een onderdeel van.

Regionale initiatieven
Door de EIB en de EBRD is onderzoek gedaan naar de noodzakelijke investeringen in infrastructuur respectievelijk de ontwikkeling van de private sector. De HLSG heeft de Werktafel voor economische wederopbouw, ontwikkeling en samenwerking (één van de drie werktafels onder de Regionale Tafel van het Stabiliteitspact) verzocht dit werk te complementeren met de regionale initiatieven die zijn ontwikkeld door overheden, academici en anderen in de regio. Met name gewenst zijn projecten die meerdere landen in de regio betreffen en handel en investeringen in en met de regio bevorderen.
De uitkomst van de Werktafel van economische reconstructie zal door de WLSG worden besproken teneinde de projecten met de hoogste prioriteit te selecteren voorafgaande aan een regionale donor-conferentie die de Wereldbank en de Europese Commissie in samenwerking met het Stabiliteitspact zullen organiseren. Veel aanwezigen drongen er op aan dat deze regionale donor-conferentie weliswaar zo snel mogelijk moet plaatsvinden, maar alleen wanneer er voldoende geschikte projecten zijn en de conferentie een succes kan worden.

Interactie met het Stabiliteitspact
De hierboven genoemde procedure is een belangrijke stap om de coördinatie tussen de activiteiten van de Werktafel voor economische wederopbouw en de HLSG-activiteiten vorm te geven. In het algemeen werd het belang van deze coördinatie tussen de HLSG en het Stabiliteitspact bendadrukt.
De HLSG ziet een belangrijke rol voor de Werktafel voor economische wederopbouw bij regionale economische kwesties zoals handel, infrastructuur en het klimaat voor private investeringen. Het Stabiliteitspact gaf aan dat de Regionale Tafel het investeringsklimaat als een prioriteit zag en dat men bezig is een Investment Charter op te stellen. De HLSG benadrukte dat de coördinatie van financiële ondersteuning en de donor-conferenties een taak van de HSLG en de WLSG is.

Intervention by Mr. Gerrit Zalm, Minister of Finance of the Netherlands

Interim Committee Meeting

September 26, 1999


1. Institutional Reform and the Strengthening of the Interim Committee

The IMF should remain at the heart of the International Monetary and Financial System. By combining wide membership with well-defined procedures for representation through constituencies, the IMF and its fora are better suited than other informal or ad-hoc groupings to discuss and decide on matters relating to the monetary and financial system. The participatory nature of the decision making process in the IMF guarantees ownership of and accountability for Fund policies in all IMF members. The functioning of the Interim Committee can be strengthened. Improving the preparation of the IC by a deputies-IC on an as needed basis is a clear means of reinforcement. With recent economic crises taking place in emerging markets, I recognise that there is a clear need to improve participation of these countries in the discussion on international monetary affairs. Further strengthening of the IC could take place through the creation of working groups of flexible composition under the IC, with the appropriate participants being selected on the basis of the topic under consideration. Topics for discussion in such working groups could include private sector involvement in forestalling and resolving crises, liberalization of capital flows or choices of exchange rate regimes.


2. Private Sector Involvement

Private sector involvement in the prevention and management of international financial crises is one aspect of the international financial architecture in which progress thus far must be considered insufficient. I call upon the IMF to strengthen its work in this area.

Good debt management is a crucial element of sound preventive policies. I urge the Fund to work on best practices for sound debt management and, in this context, to further look into market-based innovative instruments that a country could use to limit its external vulnerability, such as private contingency credit lines. In addition, debtor countries should be stimulated to improve and maintain good relations with their creditors, just as corporations put a lot of effort in maintaining good relations with their investors. A way to improve relations is through the use of so called debtor-creditor committees. I think this can help to prevent investors panic caused by uncertainty and will also facilitate efficient co-operation during crisis management. The IMF, together with other relevant fora and the private sector, could formulate some basic principles and guidelines on how to set up and run such a committee. It will be far easier for the debtor countries to set up a proper functioning system if they do not have to re-invent the wheel over and over again. In addition, principles and guidelines will help to make debtor-creditor committees a standard feature of a countrys debt management.

A promising possibility is the inclusion of rollover options in debt contracts, in order to create a predictable and transparent process for the role of the private sector in crisis resolution. Along with other proposals to bring about orderly procedures for the involvement of the private sector in international financial crises, maturity call options deserve more attention by the IMF. In addition, the resilience of countries to financial market turbulence can be enhanced by the strengthening of the domestic financial sector. Surveillance and technical assistance by the Bretton Woods institutions can stimulate the implementation of the recent initiatives in this field.

I welcome the Funds increased focus on involving the private sector in crisis management. The case by case approach has succeeded in securing private contributions to the funding of members financing gaps. However, the approach also carries a number of risks. First, this is not very transparent, making the pricing of debt difficult. Furthermore, considering every case on an ad hoc basis might also lead to unequal treatment of countries as well as of creditors. While recognising that every crisis situation has its own specific characteristics, I see a clear need for establishing general principles for the involvement of the private sector in international financial crises. Encouraging emerging markets and the private sector to make use of collective action clauses in bond contracts is one way of achieving this. I also think that the advanced economies could set a strong example by including collective action provisions in their own bonds. Equal treatment for different sorts of creditors also means that it would not be right to restructure only the debt that is relatively easy to restructure, while letting other creditors off the hook.


3. Exchange Rate Regimes

I welcome the analysis and discussion by the Executive Board of appropriate exchange rate regimes in emerging market economies. The success of a foreign exchange arrangement does not rest on the intrinsic superiority of fixed versus flexible regimes, but on their coherence with macro-economic and structural strategies. As far as fixed exchange rate regimes are concerned, what is called for is a commitment of the authorities to the chosen regime by supportive macro-economic and structural policies and by proper debt management. Furthermore, countries with fixed exchange rate regimes should pay appropriate attention to the right response in case the exchange rate moves out of line with fundamentals. The Asian crisis showed once more that countries should exit fixed exchange rate regimes in times of economic calm instead of waiting for the market to enforce the abolition of an exchange rate peg. Factors influencing the choice of the appropriate exchange rate regime should also include the sequencing of capital account liberalisation and financial sector reform and the degree of development of the foreign exchange markets.


4. Orderly liberalisation of capital flows

The international community should proceed with the orderly liberalisation of capital controls and national authorities should continue to avoid as much as possible the use of capital controls. I call upon the Fund to continue to assist member states in their efforts and to my mind, the Fund should be given an explicit, official mandate to underpin this work. I regret that in the last six months we have booked little progress in this field.

Orderly liberalisation of international capital flows is beneficial as it increases growth potential in two ways. Firstly, it makes additional resources available to economies through more efficient allocation of these resources. Secondly, it enhances the disciplinary workings of the markets on domestic policy making. However, to prevent excessive turbulence, this liberalisation should proceed in an orderly fashion. That is to say, it should proceed hand-in-hand with the strengthening and liberalisation of the domestic financial sector and in combination with efforts to put the domestic economic policies on a sound footing. Furthermore, right sequencing is important, where foreign direct investment should probably be liberalised sooner and short term capital flows later.

To promote stable economic growth, sound macroeconomic and prudential policies, including an appropriate exchange rate regime are vital. Capital controls are no substitute for this. If and where present, they should therefore be temporary, as little distortionary as possible and they should be regarded as means to gain time for policy makers to put their house in order. Their effectiveness depends on the administrative capacities of national authorities and possibilities to circumvent the controls.


5. Fund surveillance, standards and transparency initiatives

To improve crisis prevention, we have worked on strengthening surveillance, increasing transparency and developing and implementing standards. These efforts have put considerable and diverse demands on the IMF. It is important that in our efforts we set clear priorities so that the Fund is not overburdened and consequently weakened in the process.

The first field where priorities are called for is Fund surveillance, where the Fund should focus on its core areas of expertise. Core areas are the exchange rate, monetary and fiscal policies, capital account issues, and financial sector issues. Structural issues should also be dealt with, but only if deemed essential for maintaining macro-economic and financial stability.

The second field is transparency of the public and private sector and the corresponding standards. I welcome the Code of Good Practices on Transparency in Monetary and Financial Policies and I look forward to the finalisation of a manual, which should provide us with concrete examples on ways to implement the Code. The Netherlands stands ready to meet the requirements of the new reserve template in the SDDS. However, in deciding on future work, we should judge each new proposal by its added value and its connected costs. After all, more transparency is no free lunch and we should keep in mind that transparency is not an end in itself, but a means to strengthen the functioning of markets.

The third field concerns transparency by the Fund itself, where commendable progress has been booked. In this light, the gold transaction to facilitate the Funds contribution to the HIPC initiative is a regrettable step. As regards the pilot project for voluntary publication of Article IV reports, The Netherlands, Croatia, Romania, Israel and Aruba have committed themselves to publication. However we should ensure that the increasing transparency does not negatively affect the policy discussions with member states, which should be frank. Secondly, the IMF should not turn into a rating agency, however much the markets may call this desirable. Market participants and national authorities have their own responsibilities in the field of transparency and risk assessments. The Fund has a role to play in the monitoring of and assistance with the implementation of standards that lie within its core mandate, in the context of Article IV consultations. It should also promote the co-ordination of the monitoring of other standards set by different organisations. Thirdly, transparency of the IMF to the outside public should not go at the expense of candour of IMF judgements or lead to the pre-editing of relevant information. The Board should receive all the information it requires to make proper judgements.


6. HIPC

Over the years, the Netherlands has always been a strong supporter of debt relief for the poorest countries and we have always backed up our support financially. We have forgiven almost all our outstanding bilateral ODA-debt to these countries, we have tried not to be the cause of the mounting debt problems of the poorest countries by providing bilateral aid only in the form of grants during the last decade, and we have made substantial donations to the HIPC funds of several multilateral institutions, including the Fund.

It should therefore come as no surprise that the Netherlands supports the proposed modifications of the HIPC Initiative with the purpose of providing wider and deeper debt relief whilst encouraging recipient countries to conduct good policies. I support the idea of using floating completion points, and stress the importance of including key social and economic reforms as conditions for completion. These key reforms must be clearly described, easily monitored and must be consistent with a medium to long term strategy for growth and poverty alleviation designed jointly by the Fund, Bank and participating governments, with room for participation by civil society.

Now that the enhanced HIPC framework has attracted broad support, it is high time that agreement is reached on full financing and equitable burden sharing. The Fund should be certain of the financial backing of its commitments to debt relief and for the continuation of ESAF. Resources should be provided in such a way that it does not compromise the resource transfer to other poor countries nor affect negatively the financial position of the Fund. Securing an agreement on funding that meets these conditions must have absolute priority.

As part of the proposals to secure financing of the Funds share in the HIPC initiative and for the continuation of ESAF, the proposal for increased contributions by the Fund through non-reimbursement of the General Resources Account for the costs of administering ESAF can be accepted. We have expressed grave doubts about the proposal to revalue part of the Funds holdings of gold through off-market transactions, and I note with regret that an 85% majority in favour of this proposal exists in the Fund. The gold sales proposal that was originally on the table was preferable by far, since that plan would have delivered real resources for debt relief,

whereas the current proposal is simply creative accounting. This method of freeing Fund resources for debt relief is not transparent, and in effect leads to generating the bulk of financing through a decline in the Funds reserve position. I am concerned about this proposal which basically comes down to weakening of the Funds reserves. I therefore advocate a strong form of ring-fencing of off-market transactions involving a repurchase to prevent the future use of this instrument. In this respect, the speed at which the amount of gold to be revalued was increased from 10 million ounces to 14 million ounces is worrying.

It is very important to realize that the success of HIPC initiative depends on securing full financing for all participating multilateral institutions. The Netherlands therefore proposes to consider the costs of all multilateral institutions that must be borne by bilateral contributions jointly and to reach agreement on a fair burden sharing mechanism for all these costs.

I believe that the costs of bilateral debt relief under the HIPC initiative should be considered separately from the costs of the multilateral creditors that must be financed through bilateral donations. The fact that countries have large debts outstanding from HIPCs is a consequence of the creditors own policies. Since the early nineties, the Netherlands has had a policy of providing ODA only in the form of grant and in this form has provided on a cash basis, USD 6 billion in aid to the HIPC countries from 1990 to 1998.

In conclusion, it is of the greatest importance that we maintain the focus on good policies in the modified HIPC initiative and secure full and equitable financing for debt relief quickly, so that the road to sustained growth and poverty reduction in highly indebted poor nations is cleared.


7. IMF and Social Policy Issues

I welcome the increased attention to social policies and issues in IMF-supported programs and I am particularly pleased that the Fund is taking recommendations from the external evaluation of ESAF seriously.

When addressing the role of the Fund in social issues, the first principle must be that the Funds core area of expertise, sound macro-economic policy advice, forms the basis of its contribution to growth and poverty reduction. In terms of the design of Fund programs, there should be a distinction between normal balance of payments support and ESAF programs. When the goal is to alleviate short-term balance of payments problems, the Funds aims in the social sphere should be limited to mitigating adverse short-term social effects of the program. ESAF programs, on the other hand, should be designed with a long-term goal of growth and poverty reduction in mind, in close co-operation with the World Bank. It is a positive development that the IMF proposes a new approach towards ESAF, one in which, through a joint IMF-World Bank framework, the social objectives of the recipient country are integrated into the policies that are implemented under ESAF.

Because the expertise of both IMF and World Bank is required for the design, implementation and monitoring of policy programs that ensure growth and poverty alleviation, intensive co-operation between the Fund and the Bank is in order. I support the joint formulation of a Poverty Reduction Strategy Paper by the Fund, Bank and governments as a vehicle for such co-operation. The PRSP should be the basis for designing Bank and Fund lending operations in developing countries and serve as a framework with which all ESAF and Bank supported programs must be consistent.


8. WEO

I agree with staffs assessment that the outlook for the world economy has improved but that the downward risks are still considerable. Notably, the speed with which current account imbalances between the major economic regions will unwind is an important factor.

Developments in the U.S. are of key importance. It is still unclear whether the long expected economic deceleration is currently taking shape.

The better than expected figures in Japan are more than welcome, but the fragile recovery is currently threatened by the steep rise of the yen. It is important that corporate and financial sector restructuring efforts maintain momentum.

Recent figures would indicate that economic recovery in the core countries of the eurozone may be faster than expected. Monetary conditions in the eurozone are sufficiently accommodative and the pace of budgetary consolidation in most countries of the eurozone is on track. The major challenge in most eurozone countries now is to use the economic upswing to push forward with structural reform, which has been long overdue.

The events that took place in Kosovo this year have had negative economic effects on other countries in the region. Five out of the six most affected countries are members of my constituency. Coherent stabilisation policies and support from the international financial institutions are important for further economic development in the region. Therefore I would like to call on the IMF to continue its enhanced support in the form of programmes and assistance to the countries involved.

In Asia, economic recovery is under way. Although this is to be welcomed, it should not distract authorities from the continued urgency of structural reform, in order to place economic recovery on a sustainable footing. The economic situation in Latin America continues to improve, although downside risks persist. A point of attention for some countries is their relatively high external debt ratio. Sustained growth in Latin America can only be achieved if it is supported by sound fiscal and monetary policies as well as strong commitments to structural reform. In the transition countries, the economic benefits in countries that are early in the reform process, becomes more visible each year. These countries not only show better medium term growth performance but are also more resilient against external shocks. Countries in which structural reform has lagged behind should learn from this experience.


9. Y2K Facility

Despite the efforts that have been made around the globe to deal with the Y2K problem, a certain degree of uncertainty about the potential economic and financial consequences of the problem remains. In my view, existing facilities are likely to be adequate to alleviate any liquidity needs that might arise from Y2K related problems. However, by introducing a special facility, the Fund underscores its readiness to come to the aid of countries experiencing problems due to the Y2K bug. To deter unnecessary use, the surcharge on this facility will not be any lower than that of the SRF and CCL. Moreover, in our view the access limit of 50 percent of quota should be seen as a strict maximum. If a country needs even more liquidity support, it is doubtful whether its problems are caused solely by the Y2K-bug. In that case it should revert to regular IMF facilities.

= = =
Intervention by Gerrit Zalm, Minister of Finance

and Eveline Herfkens, Minister for Development Co-operation

of the Netherlands

Joint Meeting of the Interim and Development Committees

September 26, 1999

Financing and enhancing the HIPC Framework

Over the years, the Netherlands has been a strong supporter of debt relief for the poorest countries and we have always backed up our support financially. We have in most cases forgiven our outstanding bilateral ODA-debt to these countries and by providing only grants since the end of the seventies we have tried not to contribute to the mounting debt problems of the poorest countries. Since the early nineties, the Netherlands has provided at least USD 6 billion in aid to the HIPC countries. Recently, we have made substantial donations to the HIPC funds of several multilateral institutions, including the Bank and the Fund.

We endorse the enhancement of the HIPC framework as proposed. But this endorsement has to be conditional. Enhancement can only be achieved if full financing for multilateral debt relief which IFIs cannot finance themselves. And this full financing should be based on fair burdensharing in which all donor countries participate.

Securing full financing for all participating multilateral institutions

It is very important to realize that the success of the enhanced HIPC initiative depends on securing full financing for all participating multilateral institutions.

As for the IMF, the Fund should be certain of the financial backing of its commitments to debt relief and for the continuation of ESAF. Resources should be provided in such a way that it does not compromise the resource transfer to other poor countries nor affect negatively the financial position of the Fund. Securing an agreement on funding that meets these conditions must have absolute priority.

As part of the proposals to secure financing of the Funds share in the HIPC initiative and for the continuation of ESAF, the proposal for increased contributions by the Fund through non-reimbursement of the General Resources Account for the costs of administering ESAF can be accepted. We have expressed grave doubts about the proposal to revalue part of the Funds holdings of gold through off-market transactions, and I note with regret that an 85% majority in favor of this proposal exists in the Fund. The gold sales proposal that was originally on the table was preferable by far, since that plan would have delivered real resources for debt relief, whereas the current proposal is simply creative accounting. This method of freeing Fund resources for debt relief is not transparent, and in effect leads to generating the bulk of financing through a decline in the Funds reserve position. I am concerned about this proposal which basically comes down to weakening of the Funds reserves. I therefore advocate a strong form of ring fencing of off-market transactions involving a repurchase to prevent the future use of this instrument. In this respect, the speed at which the amount of gold to be revalued was increased from 10 million ounces to 14 million ounces is worrisome.

The World Bank, IDB and AfDB have already made a major effort to secure internal resources for HIPC. They cannot do much more without either endangering their financial integrity or raising prices, which would mean that borrowing members would foot the bill. This is clearly unacceptable to my constituency. Another financing option, namely using concessional MDB funds for the poorest countries - IDA and AfdF
- is equally unacceptable. This would simply redirect funds destined for one group of poor countries to another! The starting point of the relief effort was additionality. To retreat from this would be an embarrassment for all potential donors.

The way forward

We are under time pressure, since 85 % of the irrevocable commitments for HIPC debt relief are needed before the year 2000. IFIs can only give these irrevocable commitments if financing is secured. We still consider an inclusive approach to be the most constructive: i.e. a financing plan that deals with the necessary contributions to all IFIs that are in need of supplementary financing. The Netherlands would be prepared to deliver its part of the necessary funds, provided that fair burden sharing is agreed. Let me be concrete: so far major shareholders have tended not only to wait for each other but to hide behind each other and behind the World Bank before coming up with amounts commensurate with their size. Small surprise that there is little to show so far. I do want to wait but not to hide: the offer the Netherlands makes is to equal any contribution Italy or Canada makes within the overall framework mentioned above.

If all donor countries would reserve 0,35 % of their GNP annually for ODA (only half of the UN-agreed 0,7 %) the HIPC financing problems could be solved with money to spare for other ways to assist the poorest.

All bilateral and commercial debt outstanding to HIPCs should be subject to equal treatment, in accordance with debt reduction granted by the Paris Club. In the event borrowing members of the Bank or Fund experience difficulties in financing this specific type of debt relief, we feel that the problems of these countries should be solved by making them eligible for additional assistance.

In conclusion, it is of the greatest importance that we maintain the focus on good policies in the modified HIPC initiative and secure full and equitable financing for debt relief quickly, so that the road to sustained growth and poverty reduction in highly indebted poor nations is cleared.

Poverty Reduction and economic growth in Bank and Fund programs

ESAF and HIPC

Debt reduction is of course just an instrument for achieving sustainable poverty reduction. It is of central importance to develop a concept of economic growth that is centered around durable and sustainable poverty reduction. The IMF now acknowledges that growth by itself does not lead to poverty reduction, although it is an indispensable ingredient. It should work on better internalizing the fact that in the end the only growth that is sustainable is poverty reducing growth. For this we are rightly reorienting structural adjustment and traditional macro-economic operations like debt reduction. These are to no developmental avail unless they produce first and foremost results on poverty reduction.

We therefore welcome integration of these objectives in the definition of HIPC decision and completion points. I also welcome the progress that is made with regard to integrating objectives of poverty reduction in ESAF - which is congruent with the fact that ESAF is financially supported by ODA.

Management and staff of the IMF clearly picked up the messages of the external ESAF-evaluation of 1998, which strongly focused on the social aspects of ESAF. It is clear that the IMF will have to rely on the World Bank's expertise, if the new approach to ESAF is to be put into practice. Improved cooperation between the World Bank and the IMF seems to finally come off the ground. We welcome that, especially since mention of this closer cooperation has been panacea for every ill.

Not only should poverty-reducing public expenditure be protected and its quality and targeting improved, emphasis should also be put on the sequencing and fine-tuning of macroeconomic stabilization policies - in order to maximize the benefits and opportunities and to minimize the negative impact on low-income vulnerable groups. To enable the Fund to do so, the quality and depth of the Bank's poverty analysis - as a basis for the IMF's policies - should be enhanced. The IMF should draw on the high quality work done in the context of the World Bank's Special Program for Africa.

We envisage a new, modified ESAF, which will be more effective in combating poverty in program countries, with the assistance and partnership of the World Bank.

Poverty Reduction Strategy Paper

We also warmly welcome the concept of a Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP), to guide operations of both IMF and World Bank in relevant countries, with ownership of the recipient country. A process of consultation with a broad range of governmental and non-governmental actors is instrumental for building real ownership. This new paper should be the foundation for the work of the Bretton Woods sisters. To make this new document central to our development strategy in the wider sense, we should reorganize our present system of documentation around it. The PFP will be a paper of the past, and the present CAS will be an operational World Bank business plan in response to the PRSP. Ideally, and thinking also in the framework of the CDF, the paper should place poverty reduction at the core of our approach, and be an analytical starting point for policy makers and all operations of all CDF-partners (IFIs, UN, bilaterals and others).

Poverty Reduction and Development Effectiveness

I would like to utter a word of caution here as well. We all know that the development business has a tendency to run away with certain fads; we can identify almost entire decades by buzzwords that were fashionable at the time. Often good intentions fall flat in the face of the harsh reality of implementation. I do not want this to be the case with the direction the poverty debate is currently taking in both IMF and World Bank.

We invite the Bank in particular, but also the Fund, to introduce changes in operational practices and guidelines that reflect the new thinking. I know that this is one of the hardest parts of the business, but then again, the most important things unfortunately often are. We applaud the Fund's efforts to reach consensus between Management and Board on the new approach to poverty. The challenge is now to implement the essence of this consensus in the field. Unfortunately our field trips reveal that a lot remains to be done. Our representative in the Bank Board will continue to actively use this platform and that of the Committee on Development Effectiveness to monitor progress of the Bank particularly in this respect. Embassies of the Netherlands in selected countries will report back specifically on the extent to which Bank and Fund operations reflect the changes. The proof of this - hopefully delicious- pudding is as always only in the eating.
BOARDS OF GOVERNORS

1999 ANNUAL MEETINGSWASHINGTON, D.C.

WORLD BANK GROUP

INTERNATIONAL BANK FOR RECONSTRUCTION AND DEVELOPMENT

INTERNATIONAL FINANCE CORPORATION

INTERNATIONAL DEVELOPMENT ASSOCIATION

INTERNATIONAL CENTRE FOR SETTLEMENT OF INVESTMENT DISPUTES

MULTILATERAL INVESTMENT GUARANTEE AGENCY

INTERNATIONAL MONETARY FUND

Press Release No. 32

Statement by the Hon. Gerrit Zalm,

Governor of the Bank for the Netherlands,

at the Joint Annual Discussion

Mr Chairman,

Ladies and Gentlemen, fellow Governors,

Introduction

The recent international financial crisis clearly demonstrated that improvements must be made to enhance the effectiveness and the fairness of the International Monetary and Financial System. Already, the system has been made more open and transparent. The IMF deserves praise for the role it has played in the development of international transparency standards and the promotion of the implementation of these standards.

However, I think we should be more ambitious. I have three particular areas in mind in which work remains to be done: the involvement of the private sector in financial crisis prevention and resolution; the strengthening of the Bretton Woods institutions; and HIPC and its financing.

Private sector involvement

On private sector involvement, in the absence of a set of clear internationally accepted rules on how to promote private sector involvement, the Fund has proceeded on an ad hoc basis. Although this approach succeeded in securing private contributions to the funding of members financing gaps, the approach carries a number of risks. First, this is not very transparent, making the pricing of debt difficult. Furthermore, considering every case on

an ad hoc basis might also lead to unequal treatment of countries as well as of creditors.

While recognising that every crisis situation has its own specific characteristics, I see a clear need for establishing some general principles and instruments for the involvement of the private sector in international financial crises. A key principle is that of equal treatment. Therefore, the following instruments should remain on our agenda: collective action clauses, creditor committees and the use of rollover options in debt contracts.

The Fora: IMF and Interim Committee

I now turn to our institutions. Recent experiences have clearly shown us how important it is to have strong Bretton Woods institutions. The IMF should remain at the heart of the International Monetary and Financial System. By combining wide membership with well-defined procedures for representation through constituencies, the IMF and its fora are better suited than any informal or ad-hoc grouping to discuss and decide on matters relating to the monetary and financial system. The participatory nature of the decision-making process in the IMF guarantees ownership of and accountability for Fund policies with all IMF members. I welcome the fact that the role of the IC as the preparatory body for the Board of Governors has been reconfirmed. Improving the preparation of the IC by a deputies-IC on an as needed basis can contribute to this.

Further strengthening could take place through the creation of working groups of flexible composition under the IC, with the appropriate participants being selected on the basis of the topic under consideration.

Capital adequacy World Bank Group

Let me now turn to the World Bank. Unfortunately, progress with respect to

strengthening the financial position of the World Bank Group has been limited since the Spring Meetings. Naturally, the need for an increase in the risk-bearing capacity and its size are directly related to the IBRDs strategy. We are not in favor of a strategy that takes the excessive liquidity support of the past years as a starting point. I would sympathetically consider proposals for additional capital for the World Bank group, including the IFC, if this is needed for a strategy aimed at long term structural development and poverty alleviation.

ESAF and HIPC

It is of central importance to develop a concept of economic growth that is centred around durable poverty reduction. In that respect, I warmly welcome the enhanced link between debt relief and poverty reduction as exemplified in the new HIPC Initiative. It should therefore come as no surprise that the Netherlands supports the proposed modifications of the HIPC Initiative with the purpose of providing wider and deeper debt relief whilst encouraging recipient countries to conduct good policies. We support the idea of using floating completion points, and stress the importance of including key social

and economic reforms as conditions for completion. It is of the greatest importance that we maintain the focus on good policies in the modified HIPC initiative and secure full and equitable financing for debt relief quickly, so that the road to sustained growth and poverty reduction in highly indebted poor nations is cleared. In this respect, I hope that improved cooperation between the Bank and the IMF takes off. Better quality and depth-of

the Banks poverty analysis should help the Fund to adequately sequence and fine-tune macro-economic stabilization policies. In addition, the financing of the self-sustained ESAF deserves the full attention of the international community.

South Eastern Europe

In addition to their tasks in promoting international financial stability and sustainable growth, the Bretton Woods institutions have an important responsibility to help members whose economies have been severely damaged by a war or natural disaster back on their feet. I welcome the efforts that have been made by World Bank and IMF, in good co-operation

with the EU, to help South Eastern Europe overcome the hardship caused by the crisis in Kosovo. A combination of well-targeted international assistance and sound domestic policies should facilitate a speedy recovery.

Conclusion

Ladies and Gentleman, fellow Governors, Mr chairman,

The world economy is in far better shape than we could envisage last year. The IMF and the World Bank have played a key role in this improvement. I trust that under the leadership of the President and the Managing Director the Bank and the Fund will continue their further work on the various issues that I have outlined. Rest assured of the continued support of the Netherlands in doing so.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie