Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage RPF aan debat over begroting VWS 2000

Datum nieuwsfeit: 27-10-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

Begroting VWS 2000
Bijdrage van RPF-fractie Tweede Kamer
27 oktober 1999

A. Rouvoet

Voorzitter! Mag ik namens de fracties van de RPF en het GPV beginnen met de opmerking, dat ik goed te spreken ben over de nieuwe opzet van de begroting: een toelichting op hoofdlijnen, een beleidsagenda bij een beleidsbegroting. Dat maakt, bij een verstandige behandeling, een begrotingsdebat ook in deze Kamer meer een beleidsdebat, terwijl bij de zorgnota de financiële vertaling en verdeling centraal kunnen staan.

Maar niet over iedere oud-voor-nieuwoperatie ben ik zo positief. Ik noem de nieuwe sturingsfilosofie, waaraan vele enthousiaste woorden worden gewijd: het interactieve beleidsconcept. Ik lees over het belang van een goed samenspel met veldpartijen als cliënten, overheden, zorgaanbieders, financiers, welzijns- en sportorganisaties. Al deze spelers worden medesturende partijen genoemd, partners van de rijksoverheid op wie een actief appèl wordt gedaan, omdat de overheid het ook allemaal niet alleen aankan. Kortom: "In het publieke domein proberen partijen er gezamenlijk toe te komen doeleinden en prioriteiten te stellen en de bijbehorende instrumenten te kiezen. (...) Niet de machtsvraag of het competentiedenken staan voorop, maar het argument, de deskundigheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor de realisering van gemeenschappelijk onderschreven maatschappelijke doelstellingen", aldus de memorie van toelichting.

Nu erken ik graag dat op het terrein van welzijn en volksgezondheid vele andere instanties dan de overheid een essentiële rol vervullen en dat goede verhoudingen van groot belang zijn; ik heb echter grote moeite met dit soort vage formuleringen die het beeld oproepen van een moderne, communicatieve overheid maar al snel het zicht ontnemen op haar eigen, zelfstandige competentie en verantwoordelijkheden. Het "en nu met z'n allen" is mij niet alleen te gemakkelijk maar ook te riskant. Voor je het weet, heb je je als overheid afhankelijk gemaakt van anderen, die andere -- overigens legitieme -- belangen en doelstellingen hebben en nastreven. En dan verkeert interactiviteit zo maar in passiviteit en machteloosheid. Zacht gezegd, denken niet alle veldpartijen gelijk over bijvoorbeeld voorrangszorg, geneesmiddelenbeleid en de verhouding tussen eigen verantwoordelijkheid en solidariteit. Dan mag de overheid niet met gebonden handen en een mond vol tanden staan. Zeker in crisissituaties kan je dat lelijk opbreken. Is dat misschien de achtergrond van die opmerkelijke passage in de toelichting, waarin zeer verdedigend teruggekeken wordt op de rol van de overheid in crisissituaties als de Bijlmerramp, legionella-epidemie en dioxineproblematiek? Hoe zit het in het interactieve beleidsconcept trouwens met het primaat van de politiek, meer in het bijzonder met de rol van het parlement? Natuurlijk, het parlement stelt jaarlijks de begroting vast maar naarmate de beleidsvorming horizontaliseert, heeft het parlement minder in te brengen. Een duidelijk voorbeeld zijn de meerjarenafspraken. Ik heb daarover eerder mijn aarzelingen geuit en als ik lees, dat het meerjarenoverleg zich ontwikkelt tot "het voornaamste instrument voor de strategische agendavorming van de betrokken partijen over de wenselijke ontwikkeling van de diverse sectoren", wordt de vraag naar de betekenis van parlementaire betrokkenheid prangend. En is het wel heel voorzichtige spreken over de toekomst van het verzekeringsstelsel misschien ook een illustratie van de afnemende beleidsvrijheid van de overheid als gevolg van de toegenomen interdependentie? Na de blauwdrukken en grootse, omvattende plannen -- ik noem de namen Dekker, Simons en Dunning -- durft men nu niet verder te gaan dan een adviesaanvraag aan de SER over "eventuele aanpassingen" van het stelsel. Is de minister echt van plan te blijven "lappen" aan de lappendeken of komt er nog eens een mooi nieuw dekbed? Voorzitter! Ik zou het op prijs stellen als de minister haar visie op het interactieve beleidsconcept nader wil inkleuren en vooral ook op de grenzen en risico's ervan wil ingaan.

De eigen verantwoordelijkheid van de overheid, gericht op het bevorderen van publieke gerechtigheid en het dienen van het publieke belang, impliceert de bevoegdheid tot het stellen van normen, van grenzen aan de vrijheid en het gedrag van burgers. Eigen wensen van die burgers, particuliere opvattingen over wat wel en niet geoorloofd is en zelfs eventuele claims van een vrije beschikkingsruimte van het individu, moeten onder omstandigheden wijken voor wat vanuit de optiek van de res publica wenselijk of noodzakelijk wordt geacht. Het respect voor de verschillende in die samenleving levende opvattingen kan nooit een excuus zijn om als overheid geen eigen keuze te maken en die vervolgens normatief aan de samenleving voor te houden. Een misprijzend spreken van betutteling of moralisme miskent de overheidsverantwoordelijkheid om ordenend en normstellend in de samenleving op te treden.

Ik maak deze opmerkingen niet in de laatste plaats met het oog op de medisch-ethische kwesties. In plaats van een overheid die heldere normen stelt en handhaaft, zien we namelijk op medisch-ethisch vlak een overheid die ten aanzien van sommige urgente kwesties talmt met wetgeving en normstelling -- ik denk aan de experimenten met embryo's, aan kloneren en xenotransplantatie -- en in andere opzichten bestaande wettelijke kaders en normen ter discussie stelt. In dat verband noem ik: euthanasie en late zwangerschapsafbreking. Zeker op dit vlak, waar het gaat om leven en dood, om lijden en leed en verlichting ervan, en om de maatschappelijk-ethische aanvaardbaarheid van technologische mogelijkheden -- de vraag daarbij is: mag alles wat kan? -- is het niet verantwoord wanneer de overheid besluiteloos is of niet verder komt dan achteraf gegroeide praktijken "regulariseren". Een helder normatief kader is onontbeerlijk en dat kader behoort niet door de medische beroepsgroepen, de wetenschap of de techniek te worden gesteld, maar door de overheid.

Nu spreekt ook de begrotingstoelichting over een normatief kader. In de algemene inleiding wordt zelfs gerefereerd aan "ideële opvattingen". De vraag dringt zich op welke dat zijn, uit welke ideologische bron ze voortkomen én -- en hier wordt het spannend
-- of deze minister of dit kabinet het legitiem vindt om de eigen ideologisch gefundeerde opvattingen via wet- en regelgeving bindend aan de samenleving op te leggen. In een tweetal interviews, in de Volkskrant van 16 juli en in Trouw van 10 september, heeft de minister hierover enkele intrigerende uitspraken gedaan. Zo zegt zij in beide interviews, dat zij met de onderhavige voorstellen tot haar eigen grenzen is gegaan. Tegelijkertijd baseert zij de voorstellen expliciet op het zelfbeschikkingsrecht en, zo zegt ze in Trouw, wil ze, mét haar partij, de eigen opvattingen niet aan derden opleggen. Dat doet ze intussen natuurlijk wel, alleen al door te stellen dat het zelfbeschikkingsrecht inhoudt, dat het individu de vrijheid heeft om "tot op bepaalde hoogte" over het eigen leven en de eigen dood te beslissen. Maar waarin vindt zij dan de legitimatie om op dat zelfbeschikkingsrecht beperkingen aan te brengen en daarbij haar eigen grenzen als maatgevend te beschouwen? En waarom ontzegt zij vervolgens in Trouw anderen het recht om vanuit hun geloof ook grenzen te trekken, zij het eerder dan de minister?

Voorzitter! Ik stel deze vragen niet vanuit de behoefte aan confrontatie, maar uit oprechte interesse in de visie van de minister op de normatieve taak van de overheid. Verheldering op deze fundamentele punten kan eraan bijdragen, dat we elkaar beter verstaan, ook in de komende debatten, waarin wij wat meer specifiek op de voorstellen zullen ingaan.

Wat ik werkelijk niet begrijp, is dat over late abortus en euthanasie bij 12- tot 16-jarigen volgens de minister eerst de politieke besluitvorming moet plaatsvinden, waarna bezien kan worden of een maatschappelijk debat nog wenselijk is. Kan deze minister van D66-huize mij dat uitleggen? Overigens vind ik het onjuist en onzuiver dat in de toelichting euthanasie en late abortus onder de gemeenschappelijke noemer van "menselijke noodsituaties" worden gebracht. Is de minister het met mij eens, dat zo wordt verhuld dat bij euthanasie de noodsituatie en de dood betrekking hebben op een en dezelfde persoon, terwijl bij abortus de noodsituatie van de ene mens leidt tot de dood van de andere, namelijk die van het ongeboren kind?

In de Volkskrant spreekt de minister over de onderhavige voorstellen in termen van "wat wij als liberalen willen". Een andere liberaal, dr. Kinneging, stelt dat de onschendbaarheid van het leven beter past bij de liberale traditie dan de thans gangbare lijn, die hij omschrijft als utilistisch. Het is precies dit denken in termen van nuttigheid, zinvolheid en zinloosheid en kwaliteit van leven, waarvan, hoe onschuldig misschien ook, in de begrotingstoelichting voorbeelden te vinden zijn, die aanleiding is voor het onder mensen met een handicap ontstaan van grote verontrusting. Ik kan dat goed begrijpen. De mogelijkheden van de moderne techniek om de fysieke en genetische eigenschappen al voor de geboorte in kaart te brengen en te beïnvloeden, roepen bedreigende visioenen op van "het perfecte kind". Ik denk hierbij ook aan de recente berichten over eicel- en spermaveilingen via internet. Wat is het oordeel van de minister daarover? Welke mogelijkheden ziet zij om dergelijke praktijken, die elders in de wereld kennelijk toelaatbaar worden geacht, in Nederland tegen te gaan?

Dergelijke ontwikkelingen voeden gevoelens van onzekerheid over de eigen plaats van gehandicapten in de maatschappij en angst voor een afnemende tolerantie ten opzichte van handicaps én de mensen die ze hebben. In al hun verwerpelijkheid bepalen opvattingen van mensen zoals Singer en Rietdijk ons erbij dat het misschien niet zozeer de vraag is of mensen kunnen leven met hun handicap, maar of wíj, de samenleving, kunnen leven met lijden, met gebreken en met handicaps. Het maakt nogal verschil of ons antwoord bestaat in het regelen van het doden van ongeboren kinderen met ernstige aandoeningen respectievelijk van ernstig lijdende zieken of in het versterken van zorg- en hulpverlening voor gehandicapten en chronisch zieken, in verbetering van palliatieve zorg en stervensbegeleiding, in opvang en begeleiding van vrouwen voor wie de zwangerschap moeite meebrengt en in een effectieve regelgeving ter bestrijding van discriminatie en bevordering van de maatschappelijke participatie van gehandicapten. Wat dit laatste punt betreft is ons veel beloofd, maar wij hebben nog niets gezien. Opnieuw wordt uitstel van wetgeving aangekondigd. Het zou mij een lief ding waard zijn, wanneer het kabinet híér de ambitie had om in internationaal verband voorop te lopen.

Ik vraag de staatssecretaris welke vorderingen er het afgelopen jaar op het terrein van het gehandicaptenbeleid zijn geboekt. Hoe denkt zij over de suggestie om samen met Economische Zaken ten behoeve van visueel gehandicapten een onderzoek te laten uitvoeren naar de ontwikkeling van alternatieven voor visuele displays in winkels en publieke ruimten? Ik ben overigens ingenomen met de recente brief waarin de juridische erkenning van de gebarentaal in het vooruitzicht wordt gesteld, waarvoor dank.

Toen ik de staatssecretaris vorig jaar vroeg naar de slechte toegankelijkheid van het nieuwe departement van VWS voor gehandicapten, sprak zij van "kinderziekten". Mij bereiken berichten dat die maar niet willen overgaan. Ik hoor graag hoe het ervoor staat.

Ik rond af met enkele losse punten. Tot onze verbazing wordt de extra bijdrage ten behoeve van de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven beëindigd, zelfs nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden. Wat is de reden voor dit negatieve signaal? Mijn amendement op stuk nr. 13 voorziet opnieuw in deze extra bijdrage, die met 1,5 mln. iets is opgehoogd, maar op het totaal van het bedrag dat gemoeid is met onderzoek waarbij dierproeven aan de orde zijn nog altijd zeer bescheiden mag heten.

Er zijn vorige week EU-afspraken gemaakt over de etikettering van GGO-voedsel. Loopt deze besluitvorming synchroon met het voornemen om een etiket "zonder biotechnologie geproduceerd" te introduceren? Geldt dit dan alleen voor het product of voor het gehele productieproces? Is met het accepteren in de EU-voorstellen van een drempelwaarde van 1% vervuiling met GGO's de eerste slag al niet verloren?

De Nationale hoorstichting heeft aanstaande zaterdag uitgeroepen tot de "dag van het oor". Dan start een campagne, gericht op preventie van gehoorschade. Samen met collega Van Dijke heb ik in Kamervragen aandacht gevraagd voor dit ernstige probleem, meer specifiek het gevaar van "discodoofheid" onder jongeren. Gezien de urgentie wil ik de resultaten van het nog lopende onderzoek zo spoedig mogelijk bespreken. Ik vraag de minister wanneer we die met een kabinetsstandpunt mogen verwachten.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie