Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

50 Jaar Molukkers in Nederland

Datum nieuwsfeit: 05-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

5 November lezing over integratieproblematiek in Drenthe van minister Van Boxtel in Assen

4 november 1999
50 Jaar Molukkers in Nederland
Over anderhalf jaar is het vijftig jaar geleden dat de Molukkers de overtocht maakten naar Nederland met de Kota Inten, de Atlantis, de Fairsee, de Roma en de Asturias - ik noem deze scheepsnamen nog maar eens, die in het geheugen van de oudste generatie gegrift staan - is het vijftig jaar gelden dat ze tijdens die overtocht ontslagen werden uit Nederlandse dienst. Een gebeurtenis die doet denken aan een gedicht van drie-en-een halve eeuw geleden (1637), welhaast voorspellend, in de vertaling van Ada Lilipaly:
Onder het zachte deinen van het schip
zullen mijn tranen onophoudelijk stromen
Wij zullen de wijde zee doorklieven
maar ikzelf weet niet waarheen.
De Molukkers kwamen aan in Nederland tijdens de koude wintermaanden van 1951 en werden gehuisvest in leegstaande kampementen, want het was toch maar voor een korte tijd. De Molukkers werden tenslotte gezien als passanten, als tijdelijke migranten die weer terug gestuurd zouden worden. Ze werden ondergebracht in allerlei soorten kampen: DUW-barakken. Kazernes, kloosters, maar ook in vroegere concentratiekampen als Westerbork en Vught, waarin de angsten van gedeporteerde joden, zigeuners en andere Nederlanders nog niet waren verstild.
Waar gaat het om?
Want wanneer ik dan aan uw stad en aan uw provincie denk, zeker nu ik uitgenodigd ben om een lezing te houden over het integratiebeleid, kan ik er niet omheen om te spreken over de Molukse gemeenschap in uw midden: hier in Assen, in Hoogeveen, Meppel en Middenveld.
Niet omdat ik denk dat de integratieproblematiek hier in Drenthe alleen om de Molukse gemeenschap draait, zeker niet! Maar het is wel een eerste en vooral ingrijpende kennismaking geweest met de gevolgen van migratie. Daarna is er natuurlijk meer gebeurd, en gaat het bij het integratiebeleid niet meer alleen om de Molukse gemeenschap. Het gaat nu om de Assense en de Drentse samenleving, waarin óók de mensen met Molukse roots wortelen en waarvan zij samen met de andere Assenaren en Drenthen deel uitmaken. Maar zij zijn niet de enigen die uw samenleving bijgekleurd hebben. Daar betrek ik graag ook de leden van andere minderheidsgroepen bij: medeburgers van Antilliaanse, Joegoslavische, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse afkomst en die vele nieuwe inwoners uit derde-wereldlanden. De vraag die ik hier in uw midden wil neerleggen is: hoe maken we met elkaar een coherente samenleving waarin iedereen, wat zijn of haar achtergrond en zienswijze ook is, tot zn recht kan komen en waar we met zn allen verantwoordelijkheid voor willen dragen?
Het ongemakkelijjke samengaan van Molukkers en Nederland Maar toch lijkt het me gepast om even apart stil te staan bij de Molukse gemeenschap hier in Drenthe, zeker gezien het feit dat zij al jaren, in 2001 zelfs dus al vijftig jaar, onderdeel uitmaken van de geschiedenis van deze provincie en de geschiedenis van deze stad. Zij zullen dat zeker gaan gedenken en ik wil nu vanaf deze plaats al toezeggen dat ik dan graag tussen hen in wil staan om nog eens al die gebeurtenissen de revue te laten passeren: Gebeurtenissen zoals de teleurstelling toen de hun bij de ronde-tafel-gesprekken in het vooruitzicht gestelde deelstaat van de Molukken door de Indonesische unificatiepolitiek niet doorging. Zoals de overtocht naar en aankomst in Nederland die ik al memoreerde. En jaren later, in 1956, de opgelegde "zelfzorg" en weer een paar jaar later de uitplaatsing naar "Molukkerswijken" waardoor duidelijk werd dat men zijn eigen weg in Nederland moest zien te vinden en de kans op terugkeer kleiner en kleiner werd. De afgelopen bijna vijftig jaar hebben zowel de Molukkers als de ontvangende samenleving het samen niet gemakkelijk gehad. De Molukkers werden niet alleen als passanten, tijdelijke gasten, behandeld, maar voelden en gedroegen zich ook zo. Omdat zij steeds de hoop bleven koesteren dat ze terug zouden keren naar een eigen, onafhankelijke staat hebben de meeste Molukkers zich lang afzijdig gehouden en zochten zij nauwelijks contact met hun omgeving. Maar zij stelden zich ook vaak confronterend op ten opzichte van het Nederlandse bestuur, uitgaande van hun gevoel dat zij een bijzondere status hadden, ook ten opzichte van andere nieuwkomers, andere etnische minderheden die zich in ons land gevestigd hebben en die evenzeer bestuurlijke aandacht verdienen. Al met al een geschiedenis die gekleurd is door teleurstellingen en afzijdigheid, door een werkelijkheid die anders was dan de wens, een werkelijkheid die zeer dramatische momenten heeft gekend die in de jaren zeventig uw provincie en uw stad zo gevoelig hebben geraakt.
De rijksoverheid bracht in 1978 voor het eerst een integrale nota uit over de positie van de Molukse minderheid. Deze nota was er, onbedoeld, één in een rij van notas over wat wij nu het integratiebeleid noemen. Een reeks notas over buitenlandse werknemers en hun gezinnen, over het beleid ten aanzien van Surinamers, over Molukkers, over vluchtelingen en over woonwagenbewoners. Het waren de eerste èn de laatste notas over de verschillende - toen nieuwe- groepen van minderheden, want spoedig daarna, in 1980 besloot de regering om een geheel nieuwe weg in te slaan. Op dat moment werd een begin gemaakt met een minderhedenbeleid waarvan het uitgangspunt luidde: de aanwezigheid van nieuwe bevolkingsgroepen van elders is van blijvende aard en we zullen onze samenleving opnieuw moeten inrichten om ook hen daarin een gelijkwaardige plaats te geven. Dat is, zeker sinds de "Gezamenlijke Verklaring" van 1986, ook het beleid als het gaat om de Molukkers in ons land, een beleid dat in het teken staat van "normalisatie": de regering wil daar ook de Molukse partner graag aan houden.
Met andere woorden: de regering voert geen specifiek Molukkersbeleid, erkent geen bijzondere juridische positie van Molukkers. Zij erkent met respect de bijdragen van vroegere generaties in Nederlands Indië, maar acht de positie van de huidige generaties in ons land gelijk aan die van andere bevolkingsgroepen, die ook hun historische rollen hebben. Vanuit deze gedachtegang heb ik mij bijzonder ingespannen toen op de Molukse eilanden in het begin van dit jaar verschrikkelijke onlusten losbarstten. Ik heb met vele Molukkers gesproken en we hebben in het kabinet 2 miljoen gulden vrijgemaakt voor noodhulp en als bijdrage aan de wederopbouw. Zoals we ook naar aanleiding van de aardbeving in Turkije op vele manieren van ons medeleven hebben blijk gegeven.
Integratiebeleid in plaats van doelgroepenbeleid Sinds 1980 is het overheidsbeleid gericht op de totstandkoming van een geïntegreerde samenleving, waaraan ook de leden van etnische minderheden op gelijke voet moeten en kunnen deelnemen. Natuurlijk wordt daarbij rekening gehouden met ieders culturele, historische en levensbeschouwelijke achtergrond, maar participatie en actief burgerschap voor en door iedere ingezetene staat voorop. Dit integratiebeleid is gericht op de toekomst van onze samenleving. Elke medeburger, autochtoon of allochtoon, heeft dezelfde rechten en dezelfde verantwoordelijkheden ten opzichte van onze democratische rechtstaat.
Geen eenvoudige opgave, dat zult u zeker met mij eens zijn. Om een werkelijke multiculturele, of zoals het ook heet multi-etnische en interculturele samenleving te realiseren staan ons nog grote opgaven te wachten. Zeker ook omdat we niet kunnen werken vanuit een status quo, een onveranderlijke beginsituatie. Er komen steeds nieuwe mensen naar Nederland, mensen uit steeds meer verschillende landen, allemaal met hun eigen achtergrond, hun eigen problemen en
- niet te vergeten - hun eigen mogelijkheden. Deze voortdurende internationale migratie bezorgt ons de nodige hoofdbrekens, want "Migratie betekent verstoring van evenwicht". Dat heb ik niet van mijzelf, maar dit is de zeer terechte waarneming van de Oostenrijkse literator Stefan Zweig. Het gaat in deze problematiek niet alleen om een beheersingsvraagstuk. Belangrijker is het antwoord op de vraag hoe wij ons een moderne samenleving voorstellen.
Volgens Stefan Zweig ligt de essentie in het herstel van de balans in onze samenleving; het herstel van de sociale cohesie; het optimaal laten functioneren van onze samenleving in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk "samen leven". Er is in het integratiebeleid sprake van een duidelijke verschuiving van een collectieve emancipatie-doelstelling naar een individuele verantwoordelijkheid. Met andere woorden: naast rechten gaat het steeds meer ook over plichten. Het woord burgerschap duikt op. Wat mij betreft is de primaire doelstelling van het integratiebeleid de realisering van een actief burgerschap voor leden van alle etnische groepen, inclusief de autochtone Nederlanders dus. Actief burgerschap is tenslotte de basis van een volwassen democratie. Een fundamentele norm daarbij is de gelijkwaardigheid en gelijke inzet van iedere burger als basis voor zelfredzaamheid, voor het creëren van eigen oplossingen. Daarnaast heeft burgerschap ook een sociale betekenis: burgerschap als maatschappelijke attitude, als Leitmotief van het dagelijks bestaan: als klant, ondernemer, lid van een vereniging, werknemer, opvoeder. Daar vindt de interactie plaats waar ik het net over had: het samenleven op voet van gelijkheid. Burgers horen te staan voor hun keuzen, moeten tegen een stootje kunnen, moeten elkaar voldoende ruimte geven, bereid zijn om grenzen te verleggen. Door actief burgerschap wordt de eigen verantwoordelijkheid van ieder lid van de samenleving voor het welslagen van het integratieproces veel sterker onderstreept. Er is steeds meer oog voor het individuele en face-to-face karakter van integratie. Een mooi voorbeeld van de emancipatie op dit vlak zijn de Marokkaanse vaders die sinds kort zelf het initiatief hebben genomen om s avonds op straat te patrouilleren in Amsterdam Nieuw West. En daar ligt ook precies het zwaartepunt van het samen leven, het beginpunt, de spil, de kern van actief burgerschap: vlak bij huis, namelijk daar waar het individuele en het collectieve samenkomen, daar waar mensen elkaar ontmoeten: op straat, in de buurt, de wijk, op school en op het werk; in de winkels, in buurtcentra, de verenigingsgebouwen en gemeentehuizen.
Op al die plaatsen blijkt dat grotestedenbeleid en integratiebeleid twee delen zijn van hetzelfde vraagstuk, twee kanten van dezelfde medaille, namelijk het streven naar een maatschappij waarin iedereen als actief burger gelijkwaardig kan participeren. In het grotestedenbeleid proberen we dat te bereiken door een integrale aanpak van drie pijlers: de verbetering van de fysieke, de sociale en de economische infrastructuur van de steden in al hun onderdelen. Een aanpak die vorm moet krijgen door maatwerk, door een gebiedsgewijze aanpak, een aanpak die ruimte laat voor eigenheden en eigenaardigheden van bepaalde buurten en wijken, die iedere stad de ruimte laat om andere keuzes te maken, een andere stad te zijn.
De werkelijkheid van alledag
De afgelopen periode heb veel bezoeken gebracht aan verschillende wijken, buurten, groeperingen en organisaties in onze grote steden, bij voorkeur die plaatsen gegaan waar het samenleven niet gemakkelijk is, waar sprake is van een cumulatie van sociaal-economische problemen: wegtrekkende bedrijvigheid, suburbanisatie van een welvarend deel van de bevolking, scheefgroei op de arbeidsmarkt, concentratie en segregatie van etnische groepen, dreigende onleefbaarheid van bepaalde vooral naoorlogse wijken, toenemende onveiligheid en criminaliteit, vroegtijdige schoolverlaters. Ik heb tijdens deze bezoeken veel gezien, veel gehoord en veel geleerd. Goed nieuws en slecht nieuws.
Het slechte nieuws is dat in de achterstandswijken té veel mensen het gevoel hebben er alleen voor te staan, té veel mensen de bestuurlijke aandacht voor hun wijk en buurt, voor hun directe leefomgeving, niet als toereikend erkennen en herkennen. Zij hebben steeds meer het gevoel dat de welvaart aan hun voorbij trekt, dat alle goede dingen ergens anders gebeuren, dat zij geen deel meer uitmaken van onze maatschappij. Ze bereiken een punt dat ze ophouden te geloven dat het anders kan en hebben geen zin meer om zich druk te maken, zeker niet over dingen die zich buitenshuis afspelen. De rek is er vaak uit en de betrokkenheid met de publieke ruimte in de breedste zin ontbreekt . Met andere woorden: mensen trekken zich steeds meer terug achter hun voordeur, in hun eigen domein en laten de openbare ruimte verslonzen. Er is een afnemend besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en solidariteit, of om het in ronde bewoordingen te zeggen: de egoïsten roeren zich brutaal en zijn meedogenloos als het er om gaat te bereiken waar zij zin in hebben. Deze ontwikkelingen drukken hun stempel op de leefbaarheid van een buurt, maken dat mensen zich steeds onveiliger voelen, wat onze politiestatistieken ook beweren.
Maar er is zeker ook goed nieuws: tijdens mijn werkbezoeken ben ik gelukkig steeds weer mensen en initiatieven tegengekomen die mij de hoop geven dat we het tij kunnen keren. Want ondanks alle tegenslag kom ik in iedere wijk weer mensen tegen die steeds opnieuw hun nek uitsteken om iets te doen aan het verbeteren van het leefklimaat. Allerlei wijkorganisaties (kerken, actiegroepen, organisaties van minderheidsgroepen) en individuele buren, nemen steeds opnieuw initiatieven om het gesprek op gang te houden en medebewoners te motiveren. Initiatieven en activiteiten waar ook steeds vaker etnische minderheden in participeren. Bedrijven blijken steeds vaker bereid om verder te kijken dan hun winkeldeur, zij beseffen steeds meer dat een leefbare omgeving een economisch interessante omgeving is.
Dat laatste is heel belangrijk, want de economische pijler blijkt steeds opnieuw de spil van het grotestedenbeleid. In het SER-advies over het grotestedenbeleid werd gesteld dat "arbeid in onze samenleving het integratiekader bij uitstek is. De beste manier om achterstandsituaties in wijken en steden te bestrijden is dus gelegen in een versterking en benutting van het economisch potentieel op wijk- en stadsniveau. Leefbaarheid is dan een belangrijke uitkomst van beleid. Maar tevens is leefbaarheid een steeds belangrijker onderdeel van het vestigingsklimaat voor bedrijven."
Dat uitgangspunt onderschrijf ik volledig: werk staat niet alleen voor geld, financiële armslag, maar ook voor aanzien en voldoening, collegas en acceptatie. Een economisch startpunt dat leidt tot een sociaal-economisch eindpunt, leidt tot sociaal sterke wijken en ook tot een betere uitgangspositie voor nieuwkomers. Daarom moeten we de komende jaar stevig investeren in het creëren van werkgelegenheid, in het stimuleren van economische bedrijvigheid op stads-en wijkniveau, en niet in de laatste plaats in goede scholing, niet alleen in de vorm van
inburgeringsprogrammas, maar ook net die stap verder naar een werkelijke arbeidsparticipatie. Naar interculturalisatie van personeelsmanagement, zowel bij de overheid bij het groot- en midden- en kleinbedrijf.
Gelukkig kunnen we constateren dat er de laatste jaren met name in de grote steden sprake van een groei van het zelfstandig ondernemerschap onder allochtonen.
De Kamers van Koophandel proberen nu in een aantal grote steden te voorzien in de behoefte aan begeleiding en advisering door de inzet van wijkconsulenten. Dat is een initiatief dat heel veel startende etnische ondernemers nog beter op weg kan helpen. Om de bedrijvigheid daadwerkelijk te stimuleren moeten, onder andere door de overheid, betere voorwaarden worden gecreëerd voor zelfstandig ondernemerschap en voor grotere ondernemingen. Bijvoorbeeld door het aanpassen van bestemmingsplannen, het bevorderen van bedrijfsverzamelgebouwen, het consequent hanteren van de één-loketgedachte. Dat zon aanpak resultaat oplevert kunnen we zien in Groningen. Het bedrijf Marktkauf wilde zich in Groningen vestigen. De gemeentelijke rompslomp kon worden geregeld met één woordvoerder namens alle betrokken gemeentelijke instellingen. Dat leverde winst op voor het bedrijf maar zeker ook voor de gemeente, want Marktkauf nam ruim 80 door de gemeente geselecteerde langdurig werklozen aan in het nieuwe bedrijf. Een snelle vorm van arbeidsbemiddeling die tastbare resultaten oplevert. Want ook op het terrein van de arbeidsvoorziening en reïntegratie moeten we onorthodox durven zijn. Het gaat er om mensen aan het werk te krijgen, en zeker voor de mensen die nu het verst van de arbeidsmarkt af staan, is vaak een extra inspanning nodig. Een inspanning zoals het ArenA-project in Amsterdam Zuid-Oost. Daar houden het uitzendbureau Randstad, de Sociale Dienst en het Arbeidsbureau samen kantoor. Zij werken via dit ene loket nauw samen met elkaar én met lokale ondernemers om langdurig werklozen aan het werk te krijgen, en het is een succes! Niet in het minst door de inzet en betrokkenheid van het bedrijfsleven. Door op deze en ander manieren de bedrijvigheid terug te brengen naar de wijken, naar de steden, versterken we de sociaal-economische positie van stadsbewoners, autochtonen en allochtonen, een uitgangspositie die participatie en dus integratie bevordert
Kansen genoeg in de achterstandswijken
In dit kader wil ik er op wijzen dat de wijken die wij zo onflatteus "achterstandswijken" noemen, vaak wijken zijn met een eigen rijkdom, een eigen potentieel aan mogelijkheden en kansen. Kijk maar naar de Utrechtse wijk Lombok, waar (etnische) ondernemers, buurtbewuste bedrijven, woningcorporaties en gemeentelijke diensten, samen een wijk met een uniek, gezellig en levendig karakter hebben weten te creëren, een buurt die hoog scoort als het gaat om leefbaarheid. Of de Haagse Schilderswijk die door het project City Mondial, een route over en met etnische bedrijvigheid, een toeristische trekpleister is geworden. Achterstandswijken zijn geen wijken zonder toekomst, maar wijken met een toekomst die nog ontdekt moet worden en die er zeker niet vanzelf komt. De toekomstkansen van mensen in die wijken is ook onze zaak en dan bedoel ik niet eens "ons" als bestuurders of vertegenwoordigers van organisaties of verenigingen, maar "ons" als privépersoon, als burger van dit land. Het moet niet allemaal van bovenaf komen, integendeel: besturen is een interactief proces met "de burger" als partner. En zeker als het gaat om de eigen omgeving, is iedere buurtbewoner een ervaringsdeskundige die de moeite waard is om rekening mee te houden. Tegelijk kunnen we een beroep doen op zelfwerkzaamheid, op het delen van verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van een buurtsamenleving. Initiatieven als het "Opzoomeren" in Rotterdam, en veel recenter, het buurtfeest in de Amsterdamse Vrolikstraat waar ik laatst te gast was. Een straat waar zes jaar gelden een meisje werd doodgeslagen door een buurtbewoner, waar de mensen de handen in elkaar hebben geslagen om daar samen overheen te komen en samen te zorgen dat zoiets niet meer zal en kan gebeuren. Dergelijke voorbeelden leren ons dat, - met aanbieding van de nodige instrumenten - wijkbewoners en bloc gemobiliseerd kunnen worden en dat samen iets presteren een buurtfeest kan worden. Die potentie is ook elders aanwezig. Besturen is ook schatgraven. Prioirteit bij de jongeren
Schatgraven door te investeren in onze jongeren. Zij maken tenslotte ons belangrijkste kapitaal voor de toekomst uit. Over twintig, dertig jaar maken zíj de dienst uit in ons land en staan wij, zoals we hier nu bij elkaar zitten, al dan niet aan de zijlijn toe te kijken en denken er het onze van. En gezien de huidige bevolkingsopbouw zullen daar heel wat mensen bij zijn die heel wat exotischere namen hebben dan Pietersen, Jansen, Van As of Van Boxtel. Want onze etnische minderheden zijn momenteel een jeugdige bevolkingsgroep en zullen dat nog wel een tijdje blijven. Een kwart van de totale Nederlandse bevolking is nu tussen de 0 en 19-jaar. Binnen de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroep is dat zelfs 40 tot 46% en bij de Nederlanders met een Surinaamse voorgeschiedenis ruim 30%. Bij de nieuwkomers uit vele derde-wereld-landen is 35% onder de 20 jaar, en deze categorie zal in de komende jaren nog de grootste groeicijfers laten zien. Dus de groei van onze bevolking is vooral op het conto te schrijven van de etnische minderheden: door een geboorte-overschot én door de voortgaande immigratie van ook weer voornamelijk jongere mensen.
Wat zijn hun kansen? Veel hangt natuurlijk af van wat ze van huis uit mee krijgen. De ouders spelen daarin een hoofdrol: zij bepalen de richting en leggen de fundamenten. In de meeste gevallen hebben zij het beste voor met hun kinderen en zouden ze graag zien dat het hun goed gaat. Maar toch is de thuissituatie in een aantal gevallen de veroorzaker van een (blijvende) achterstand, met name op het gebied van de beheersing van de Nederlandse taal, vooral bij kinderen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. De opvoeding in het gezin is dus, bij deze groepen, niet in alle gevallen in staat het kind voldoende voor te bereiden op zijn toekomst. Taalbeheersing is essentieel. Als je elkaars taal, de taal van je omgeving, niet spreekt, versta je elkaar niet en is het al gauw praten tegen dovemansoren.
Onze scholen en onze maatschappelijke voorzieningen zijn er voor om die jongeren instrumenten in handen te geven om hun toekomst in eigen hand te nemen. Ik heb al vaak mijn waardering laten blijken voor alle inspanningen van het onderwijsveld om er het beste van te maken. En toch moet het een tandje hoger. We hebben vorige maand weer een dik rapport gekregen van het Sociaal en Cultureel Planbureau met als conclusie dat vooral de taalachterstanden in een aantal gevallen niet worden ingelopen. En dat is van invloed op de doorstroom naar secundair onderwijs waar tè veel kinderen van etnische minderheden in de lagere echélons blijven hangen, en aldus maar een bescheiden perspectief op de arbeidsmarkt hebben. Als ze al hun opleiding afmaken en niet voortijdig uitstappen... Want dan wordt het uitzicht op een reguliere broodwinning wel erg smal.
En dan is het natuurlijk zaak hoe onze samenleving zich in haar volle breedte openstelt om deze jongeren de kans te geven zich te ontplooien. En dan doel ik op de zogenaamde "instanties", en ook en vooral op hoe mensen in het gewone leven met elkaar omgaan; op ondernemers die nieuw personeel zoeken; op de portiers in discos en bioscopen; op Drentse leeftijdgenoten in hun relatie met jongeren van andere afkomst. En dan hoeft het nog niet eens te gaan om flagrante discriminatie: geen enkele vorm van discriminatie mag worden getolereerd, daar moet iedereen keihard tegenin gaan, bestuur en justitie, maar evengoed elke burger in de straat. Ik doel ook op gevoelens van onverschilligheid. Het ergert mij vaak als ik merk dat veel autochtone mensen er zich niet voor blijken te interesseren dat de veranderingen door migratie zo zijn consequenties hebben; ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er een hele laag in onze bevolking is van de zogenaamd brave middle class die net doet alsof er de laatste halve eeuw niets gebeurd is. Onverschilligheid is dodelijk voor intermenselijke relaties en het integratieproces is toch eigenlijk vooral een interactieproces, is communicatie tussen mensen en groepen met verschillende culturele en historische achtergronden. Jongeren als diversiteit
De tweede en derde generatie van de etnische minderheden reageert op haar eigen wijze op de Nederlandse samenleving. De tweede generatie is hier geboren, gaat hier naar school en maakt zich de leefstijl van leeftijdgenoten eigen. Tegelijk leven ze in een gezin waar achter de voordeur vaak een andere leefstijl en andere regels gelden.
Dan is het te gemakkelijk, te zeggen dat ze "tussen twee culturen" leven. Het plaatje is veel gecompliceerder en niet zelden mede afhankelijk van de opstelling van vader en moeder thuis. Er is steeds sprake van een waaier van mogelijkheden, van volledige vernederlandsing tot een zich afzetten tegen de Nederlandse omgeving. Een mooi voorbeeld daarvan zag ik laatst in een publikatie van Forum over Molukse jongeren en identiteit, met de brutale titel "Wij zijn de geschiedenis van Nederland". Hierin komen alle varianten aan bod. De jonge Molukker die zegt: "In één woord ben ik er trots op Molukker te zijn. Wat het betekent: alles eigenlijk voor mij. Ik heb er ook alles voor over." En de ander die zegt: "Ik ben gewoon Nederlands hoor, of Nederlander. Nou gewoon: ik heb ook de Nederlandse nationaliteit en zo, toch, gewoon in Nederland geboren, zulke dingen gewoon". En dan nog eens alle varianten daartussen in.
We missen overigens actuele kennis met betrekking tot de maatschappelijke positie van de jongere Molukkers in ons land. Ik heb inmiddels prof. Veenman uit Rotterdam gevraagd daarnaar een breed onderzoek te verrichten. Hij heeft mij toegezegd mij zijn eindrapport in februari 2001 toe te zenden.
Onze samenleving is in zijn algemeenheid diverser geworden. Maar binnen de verschillende etnische minderheidsgroepen heeft zich op zijn beurt een even grote verscheidenheid ontwikkeld. Dat maakt de problematiek van de tweede en derde generatie niet tot een eenduidig probleem met een standaardoplossing die we alleen nog maar even hoeven uit te vinden. En het is niet alleen maar problematisch. Het onderwijs heeft misschien niet het rendement dat wij hoopten, er vallen helaas nog steeds veel jongeren van etnische afkomst af. Maar, het overgrote merendeel weet zich er redelijk doorheen te slaan, en er zijn er ook heel wat die alle sporten van de onderwijsladder beklommen hebben om toch bovenaan te eindigen. En wat heel bemoedigend is: de verschillende rapporten signaleren een sterke toename van de succeskansen voor de meisjes. Doorstroming naar hogere, zichtbare leidinggevende functies, stagneert echter nog.
Integratie is participatie, is samen leven. Dat is mooi gezegd, zult u denken, maar hoe vertalen we dat in een bestuurlijk instrumentarium? Met onze gebruikelijke, centralistische en vaak gefragmenteerde aanpak zullen we de integratieproblematiek niet effectief kunnen aanpakken. Al die verschillende maatregelen die we ontwikkelen zijn steeds gericht op onderdelen van de problematiek. Waar het in onze aanpak vaak aan ontbreekt, is samenhang en samenwerking:


* samenhang, om alle aspecten van de problematiek in een logisch verband bijeen te brengen en onze operaties zo te organiseren dat ze elkaar wederzijds aanvullen en versterken;

* samenwerking tussen overheden en maatschappelijke instituties èn samenwerking tussen overheden èn - ik zeg dat ook met zelfkritiek!
- samenwerking tussen de verschillende diensten binnen ons eigen bereik.

Hoe gaan we met de nieuwe uitdagingen als bestuurders om? Samenhang en samenwerking zijn ook de kernwoorden van het grotestedenbeleid. Daarbij laat ik me leiden door een wezenlijk andere gedachte dan de ouderwetse decentralisatie die zo ongeveer neerkwam op overdracht van verantwoordelijkheden en middelen en u knapt het maar op, gemeente. Nee, ik wil dat overheden consequent en van meet af hun visie en hun strategieën op elkaar afstemmen. Daarom heb ik de gemeenten in het kader van het GSB eerst om een "visiestuk" gevraagd en discussiëren we nu samen over hun
"meer-jaren-ontwikkelingsprogrammas".

Het is mijn ambitie om nog tijdens deze kabinetsperiode tastbare en meetbare vooruitgang te boeken. Dat is mijn inzet in het grotestedenbeleid, dat is mijn inzet in het integratiebeleid, en die twee overlappen elkaar op belangrijke onderdelen. Ook al is Assen geen grote stad in termen van het grotestedenbeleid, Assen kan wel haar voordeel doen met best practices uit GSB-steden. Dat kan een inspiratie zijn om samenhang en samenwerking voorop te zetten. Alleen op die manier kunnen we ons multi-etnische samenleving tot een succes maken.
Nog geen jaar geleden heb ik een nota "Kansen krijgen kansen pakken" uitgebracht met in april een aanvullende uitvoeringsnotitie. Dit zijn geen essays met grootse, louter theoretische, beleidsmatige vergezichten, maar op actie gerichte stukken. De kern bestaat uit een aantal actieprogrammas, met als eerste een actieprogramma gericht op "Jeugd uit etnische minderheden".
De ruggegraat van deze actieprogrammas is de ketenbenadering, met andere woorden: begin zo vroeg mogelijk een hand toe te steken waar dat nodig is en houd dat consequent vol om te voorkomen dat de jongere voortijdig uitvalt en van kwaad tot erger vervalt. In het actieprogramma heb ik bouwstenen aangereikt om een doorgaande ontwikkelingslijn van 0 tot 18 jaar aan te brengen. Effectief beleid begint bij de consultatiebureaus en loopt via de GGD-en, de voorschoolse voorzieningen, de brede basisschool en het voortgezet onderwijs als een life line door het leven van opgroeiende jongeren. Allerlei partners moeten hierbij betrokken worden: partners uit de gezondheidszorg en het welzijnswerk, uit de eigen organisaties van etnische minderheden, de Regionale Meld- en Coördinatiefuncties en de Regionale Opleidingscentra, de arbeidsbureaus en het Expertisecentrum Allochtonen Hoger Onderwijs. En als deze organisatie daar nog niet klaar voor zijn, dan moeten ze daar met prioriteit aan werken. En als deze organisaties niet weten hoe ze met etnische minderheidsgroepen moeten omgaan, dan zullen ze zich dat in hoog tempo eigen moeten maken. Want het gaat zeker niet om een nieuw probleem, het gaat juist om een door de jaren heen steeds schrijnender probleem dat vraagt om onorthodoxe oplossingen, om een nieuwe integrale aanpak die geen ruimte laat voor het bestaande eilandenrijk van organisaties en beleidsmaatregelen.

Ik wil daar wel voor de duidelijkheid nog even aan toevoegen dat integraal beleid niet uitsluit dat er op bepaalde terreinen specifiek of categoriaal beleid wordt gevoerd. Daarover bestaan heel wat misvestanden. Voor mij ligt het primaat bij algemeen beleid: beleid voor alle burgers en ingezetenen, die op voet van gelijkheid worden benaderd.
Maar het kan zijn dat niet al die burgers en ingezetenen gelijkelijk profijt hebben van dat beleid; of dat het bij de ene langer duurt dan bij de ander om resultaat te boeken, of dat de ene groep anders benaderd moet worden dan andere groepen. Dus als blijkt dat algemeen beleid niet toereikend is, moet er een tandje bij, zoals onze Minister-President pleegt te zeggen. Dan is er specifiek beleid nodig om ervoor te zorgen dat het algemene beleid inderdaad op gelijke wijze en in gelijk tempo eenieder ten goede komt, wat zijn achtergrond of maatschappelijke positie ook is. Specifiek als een intensivering van algemeen beleid en derhalve in principe tijdelijk. Het doel blijft gelijk; de in te zetten middelen worden aangepast aan de feitelijk gebleken behoeften en omstandigheden: maatwerk dus! Er is dus helemaal geen principiële noodzaak om voor specifiek beleid extra geldmiddelen ter beschikking te krijgen: specifiek beleid is geen vreemde eend in de bijt, maar een vanzelfsprekende consequentie van artikel 1 van de Grondwet dat eenieder die in ons land verblijft in gelijke gevallen gelijk behandeld wordt. Dat in de ene burger wat meer geïnvesteerd moet worden dan in de ander, is van eenzelfde vanzelfsprekendheid. Overigens, de provincie Drenthe heeft onder ex-gedeputeerde Marja Kool, steeds de categoriale benadering waar die nodig was gekoesterd. Daar heb ik vaak met haar over gesproken.
En inderdaad: zolang categoriaal beleid nodig is moeten we daar niet vies van zijn. Als etnische minderheden geen toegang blijken te krijgen, is extra aandacht nodig, zoals ook in de Cultuurnota van staatssecretaris Van der Ploeg is voorgesteld.

Tot slot een oproep: Een succesvol integratiebeleid vraagt om een integrale aanpak met ruimte voor maatwerk! Ik nodig hierbij ook uw gemeente uit om u deze ketenbenadering eigen te maken, om ook in Assen de durf te hebben om dingen anders aan te pakken. Uw medewerking, sterker nog, uw voorbeeld, is van groot belang. Want veel sleutels liggen in de handen van de gemeente. Bij veel belangrijke onderdelen van het integratiebeleid hebt u de regie in handen, of bent u in ieder geval actief betrokken. Het hele beleidsinstrumentarium moet ingezet worden om onze doelstellingen te bereiken.

Naar een coherente samenleving?
Want wij zijn nu bezig de toekomst te maken! En dat brengt mij meteen terug bij de vraag die ik u aan het begin voorlegde en die mij geleid heeft in het afgelopen half uur: Hoe maken we met elkaar een coherente samenleving, waarin iedereen, wat zijn of haar achtergrond en zienswijze ook is, tot zn recht kan komen en waar we met zn allen verantwoordelijkheid voor willen dragen.
Voorop staat dat we met zijn allen erkennen dat onze samenleving een andere is die van enkele decennia geleden uitzag. Simone Signoret verzuchtte al "Nostalgie is ook niet meer wat het geweest is", en er zeker geen enkele reden om het verleden te idealiseren. Er was heel wat onmin in de tijd van Drees. Denkt u maar eens aan de commotie die het Bisschoppelijk mandement van 1954 heeft opgeroepen over het stemmen op socialistische partijen en het luisteren naar de Vara. Uiteindelijk was alles in die tijd wel heel overzichtelijk en waren de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen heel stabiel. Verkiezingen - toen met maximale opkomstcijfers! - leidden steevast tot maar kleine verschuivingen en een verlies van twee, drie zetels, was al een politieke aardverschuiving.
De tijden zijn wel grondig veranderd en daarmee de maatschappelijke verhoudingen. Die constatering lijkt zo vanzelfsprekend. Maar, ik heb het al betoogd, het zit nog lang niet tussen de oren van onze burgers. We moeten er als bestuurders op blijven hameren dat onze moderne tijd nieuwe eisen aan ieder van ons stelt in termen van wederzijdse acceptatie, inschikken en ruimte maken en gelijke behandeling. Dat is daarom zo belangrijk omdat de samenleving die we met elkaar aan het opbouwen zijn, geen louter bestuurlijke constructie is, maar een wijze van omgaan van medeburgers met elkaar. Het gaat uiteindelijk om de keuzen die mensen in interactie met elkaar maken: op straat, in de school, op de werkplek en in het winkelcentrum. Zij bepalen uiteindelijk in welke mate onze samenleving intercultureel zal zijn en blijven. Zij bepalen of onze samenleving gedragen wordt door een besef van saamhorigheid over de grenzen van verscheidenheden heen of dat we gekenmerkt wordt door belangentegenstellingen waarin het recht van de sterkste zegeviert.

Wij, de bestuurders, de ambtenaren, de vertegenwoordigers van de verschillende overheden hebben, samen met alle maatschappelijke krachten, tot taak om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan, cohesie aan te moedigen en te bevorderen en voorwaarden te scheppen zodat onze medeburgers met welke achtergronden dan ook, zich gewaardeerd weten en zich kunnen ontplooien. Dat is geen eenvoudige taak en, ik heb het al gezegd, met de gewone beleidsinstrumenten in de hand komen we er niet. We zullen samenhang en samenwerking als leidraad moeten nemen: samenhang door een ketenbenadering waarin we alle facetten op elkaar afstemmen; samenwerking met alle actoren in onze samenleving. Laten we er voor zorgen dat onze etnisch en cultureel verscheiden samenleving geen etnisch gelaagde samenleving wordt, waarin de etnische minderheden onderop liggen.

50 Jaar multi-etnische samenleving
Dat is ook de uitdaging die in mijn vraag besloten ligt. De Molukse gemeenschap herdenkt over anderhalf jaar haar komst naar Nederland, een feest met een grijs randje. Wij kunnen, samen met hen, op dat moment herdenken dat we nu vijftig jaar ervaring hebben met samenleven in een etnisch en cultureel gemengde samenleving, dat we van hen veel hebben geleerd en nog steeds veel kunnen leren, bijvoorbeeld over de derde-generatie-problematiek, en zo het feest van een gouden randje voorzien.
Een moment om definitief afscheid te nemen van de eenzijdige samenleving van Kees de Jongen en Bartje, van een Nederland in de grijstinten van Reves Avonden, verzuild tot op de vierkante centimeter, met ieder zijn eigen huisje-boompje-beestje, zijn eigen taaie ongerief, zijn eigen kerk, partij en beroepsorganisatie. Een moment voor een warme viering van onze verworvenheden, onze moderne samenleving, die ook door haar multiculturaliteit in allerlei facetten zeer gemêleerd is geworden. Een samenleving met een nieuwe rijkdom en nieuwe vergezichten, in huidskleur, levensbeschouwelijke stromingen, maatschappelijke opvattingen en mondige burgers.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie