Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Speech staatssecretaris Benschop op EIPA in Lanaken

Datum nieuwsfeit: 05-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Onderwerp: Persbericht

Datum: 5 november 1999

Nummer: 095/99

(gecorrigeerde versie bericht van 16.04 uur)

LET OP EMBARGO VRIJDAG 5 NOVEMBER 20.00 UUR

BENSCHOP: EU MOET ZICH VOORBEREIDEN OP OMVANG VAN 25 à 27 LEDEN

Staatssecretaris Benschop (Buitenlandse Zaken) vindt dat de EU zich nu moet voorbereiden op een omvang van 25 à 27 leden. Wil een dergelijke uitbreiding mogelijk zijn, dan moet de Europese Top in Helsinki (10-11 december a.s.) volgens Benschop meer opleveren dan alleen besluiten over de omvang van de Commissie, de stemmenweging in de Raad en de uitbreiding van het aantal besluiten dat met gekwalificeerde meerderheid kan worden genomen. De staatssecretaris zei dat tijdens een bijeenkomst van het European Institute of Public Administration in Lanaken (Belgie).

Diner-speech van Dick Benschop, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, ter gelegenheid van een colloquium van het Europees Instituut voor Bestuurskunde EIPA, Maastricht/Lanaken, 5 november 1999


1999 gaf een bijna ongekende dynamiek in de Europese samenwerking te zien. De Euro ging op 1 januari van start, het Verdrag van Amsterdam trad in werking, Europol is sinds 1 juli operationeel, in Keulen werd een belangrijke impuls gegeven aan een Europees veiligheids- en Defensiebeleid, de top van Tampere zette vorige maand de hoofdlijnen uit voor een Europees asielbeleid, een versterkte Europese politie- en justitiesamenwerking en de schepping van één Europese rechtsruimte.

Hoewel dus een stevig positief resultaat door onze gezamenlijke inspanningen is bereikt, is er geen reden om tevreden achterover te leunen. In essentie staat de Europese Unie voor drie grote ambities.


* Eerste ambitie: de verdere ontwikkeling en verdieping van de Unie zelf, van de integratie. Dat is een proces dat op allerlei beleidsterreinen plaatvindt. Het is van groot belang dat op politiek niveau regelmatig nieuwe impulsen worden gegeven. Bijvoorbeeld aan de verdere ontwikkeling van de EMU, de economische en sociale samenwerking, het scheppen van voorwaarden voor groei en innovatie, de ontwikkeling van een Europese kenniseconomie, de uitwerking van de besluiten van Tampere, de vormgeving van een Europees veiligheids- en defensiebeleid,etcetera. We moeten het momentum, het elan vasthouden. Het is niet genoeg omeen nieuw Verdragsartikel te formuleren en dan maar te wachten tot er ietsgebeurt. Ik pleit voor een actieve, betrokken benadering. Identificeren vanproblemen, doelstellingen formuleren, er data bij afspreken, gericht stap-voor-stapde beoogde voortgang boeken. Daarbij past ook een werkmethode die ruimte biedtom van elkaar te leren, elkaar te beïnvloeden en te bewegen naar gezamenlijke doelen. Ik ben ervan overtuigd dat de toekomstige verdieping van de Europese integratie, met name op economisch en sociaal terrein, niet alleen door nieuwe richtlijnen of door fondsen tot stand zal komen, maar vooral ook door 'best practices', 'benchmarking', 'scoreboards' en 'peer pressure'. Er vindt een werkelijke vernieuwing van integratiemethodiek plaats die ik zeer toejuich.


* Tweede ambitie: We moeten de uitbreiding van de Unie tot een succes maken. Onze

opgave is niet zo maar vergelijkbaar met vorige rondes in de uitbreiding. Het gaat nu om de eenwording van Europa als topprioriteit voor het komende decennium. De Unie zal in Helsinki de uitbreiding een politieke impuls geven. We zullen de kring waarmee we onderhandelen verbreden naar in totaal 12 kandidaat-lidstaten. In die onderhandelingen zullen we het tempo opvoeren en van een nieuwe diepgang voorzien. Ik verwacht dat de kandidaat-status van Turkije zal worden bevestigd en dat de samenwerking met Turkije wordt geïntensiveerd. Verder is in dit kader van belang dat de Europese Unie uitspreekt dat zij in 2002 klaar is met de interne hervormingen, waardoor het licht op groen komt te staan voor de eerste uitbreidingen.


* Derde ambitie: de Kosovo-crisis liet dit voorjaar een Europese realiteit zien die je

historisch gezien eerder in 1909 dan in 1999 zou plaatsen. Juist in het licht van de fluwelen revolutie die zich sinds 1989 voltrok en de grote voortgang die de Midden-Europese landen hebben bereikt, steekt de instabiliteit van de Balkan schril af. De rest van Europa kan zich niet van deze regio afwenden. Wij moeten onze verantwoordelijkheid nemen en alles op alles zetten om de oude tegenstellingen in het gebied te ontscherpen. De barrieres van angst en haat moeten op den duur worden geslecht. De Kosovo-crisis maakte overigens eens te meer duidelijk dat de Europese Unie niet alleen een buitenlands beleid moet kunnen formuleren, maar zo nodig ook met militaire middelen (mede) uitvoering aan dat beleid kunnen geven.

Het zijn geen geringe opgaven waar de Europese Unie voor staat. We moeten gelijktijdig en op een samenhangende wijze werken aan de verdieping van de Europese integratie, aan de uitbreiding van de Unie en de stabilisatie van de Balkan. Ambities die niet tegenovergesteld mogen worden, maar die wij gelijktijdig dienen te realiseren.

Het tempo dat we maken in het uitbreidingsproces en de grote vlucht die de Europese beleidsvorming heeft genomen, dwingen ons na te denken over de verdere vormgeving van Europa. De uitbreiding van de Unie van
15 nu naar 25 à 27 straks, is een 'quantum jump'. De Unie wordt niet alleen geografisch breder en getalsmatig groter, maar ook veel heterogener. Dat stelt grote eisen aan de instituties van de Unie en de wijze waarop wij daar gebruik van maken. Effectiviteit, transparantie en democratie zullen opnieuw bevochten moeten worden.

Dat vraagt om enige reflecties over de komende IGC. Tot nu toe wordt door nogal wat landen uitgegaan van een IGC die zich beperkt tot de zogenoemde 'left overs' van Amsterdam: omvang van de Commissie, de stemmenweging in de Raad en de toepassing van de qmv-regel in de besluitvorming. Dat zijn inderdaad belangrijke onderwerpen waar we veel aandacht en tijd voor nodig zullen hebben om aanvaardbare oplossingen te vinden. Maar kunnen we met deze onderwerpen volstaan? Het beeld van een schip dat niet te zwaar moet worden beladen omdat het anders zinkt, wordt wel gebruikt om opdeze vraag bevestigend te antwoorden.

Ik heb begrip voor dat standpunt en voor de motieven en argumenten bij dat standpunt. Laat ik voor alle duidelijkheid ook meteen zeggen dat de gemaakte afspraak over de duur van de IGC (eind 2000 in Nice afronden) absoluut niet ter discussie staat. Ik vind ook dat we de IGC-agenda niet moeten overladen met onderwerpen. Daarom geen debatten heropenen over bevoegdheidsverdelingen tussen de Unie en de lidstaten en ook geen wezenlijke verschuivingen in het interinstitutioneel evenwicht aanbrengen.

De vraag naar de omvang van de interne hervormingen moet naar mijn oordeel vooraf worden gegaan door een inschatting van de uitbreiding. De Amsterdamse veronderstelling dat de uitbreiding in eerste instantie zou gaan om een groep van maximaal vijf landen is achterhaald. Ik weet niet hoe groot die groep zal zijn, maar het zou bijzonder wijs zijn om nu de Unie voor te bereiden op de situatie van 25 à 28 leden.

De voorstellen om de IGC nu beperkt te houden gaan gepaard met de gedachte om straks de eerste kandidaten-lidstaten toe te laten en vervolgens nog een IGC te houden om verdergaande hervormingen door te voeren, waarna dan de verdere uitbreiding kan volgen. Ik vind dat geen verstandige aanpak. Zo'n aanpak zou een dubbelzinnig politiek signaal aan de kandidaat-lidstaten afgeven. Enerzijds wordt de groep van landen waarmee wordt onderhandeld in Helsinki tot twaalf vergroot en anderzijds maken we duidelijk dat we de uitbreiding op zullen knippen in twee of meer groepen van landen. Dat zal tot een scherpe concurrentie tussen deze landen leiden om maar in de eerste groep te komen, want iedereen weet dat een tussenliggende IGC de volgende uitbreiding zeker drie jaar zal opschorten (1,5 jaar onderhandelen en
1,5 jaar ratificatie). Wat Helsinki dan geeft met de ene hand, neemt het met de andere hand weer terug. In Helsinki dient in mijn ogen voor één ronde van institutionele hervormingen gekozen te worden.

Wat betekent dit voor de IGC-agenda? Uiteraard staan de drie 'left-overs' van Amsterdam centraal. Die betreffen de Commissie en de Raad; maar daarnaast vraagt ook het functioneren van het Hof van Justitie en van de Rekenkamer om verbetering. En wat de verhouding tussen Commissie en het Europees Parlement betreft, zou de individuele verantwoordelijkheid van Eurocommissarissen een verdragsbasis moeten krijgen.

Tot slot vormt verbeterde flexibiliteit een belangrijk thema.

Ik zou het goed vinden als we naar de voorwaarden voor nauwere samenwerking gaan kijken. Flexibiliteit is bij uitstek een onderwerp dat in het licht van de uitbreiding op de agenda moet. Niet om in Europa nieuwe scheidslijnen te trekken, maar om recht te doen aan de verschillen die er in het grote Europa nu eenmaal zijn. Niet om sommige landen op afstand te houden van een selecte groep, maar om voortgang te boeken die niet langer kan wachten. Als een positieve agenda met een open uitnodiging voor iedereen om daar aan mee te doen. Indien we geen betere condities voor differentiatie regelen in het Verdrag zal de nauwere samenwerking buiten de Unie worden aangegaan.

Uiteraard zie ik de problemen die verbonden zijn met een meer omvattende IGC-agenda. Ik begrijp de aarzelingen van de toekomstige Portugese en Franse Voorzitterschappen, want zij zullen de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de goede voltooiing van de onderhandelingen. Ik begrijp ook de terughoudendheid van sommige lidstaten die bang zijn dat de IGC meer ter discussie stelt dan zij wellicht wenselijk vinden. Ik begrijp ten slotte ook de vrees van kandidaat-lidstaten die menen dat extra onderwerpen totvertragingen leiden. Dit zijn reële dilemma's die we onder ogen moeten zien.

Aan de andere kant moeten we de omvang van de IGC-agenda niet dramatiseren. De 'left-overs' zijn inderdaad overgebleven vraagstukken: 'built-in' in onze agenda. Met deze onderwerpen hangen direct een aantal andere onderwerpen samen. Je zou kunnen zeggen dat het deelonderwerpen zijn (zo hoort codecisie bij qmv). Andere thema's, zoals de individuele verantwoordelijkheid van Commissarissen, kunnen op basis van een gegroeide praktijk worden gecodificeerd. De aanpak van de werklast van het Hof van Justitie en de verbetering van de samenwerking tussen de Europese Rekenkamer en de nationale Rekenkamers zouden in technische zin kunnen worden opgelost. De onderwerpen zijn niet nieuw, we hebben ze in Amsterdam al eens op ons bordje gehad. Tenslotte denk ik dat een groter aantal onderwerpen ons uiteindelijk zal helpen een 'package' te vinden die voor alle vijftien lidstaten aanvaardbaar is.

Ik kom terug bij waar ik begonnen ben, namelijk onze ambities voor het Europa van de volgende eeuw. We moeten de dynamiek in de Europese integratie houden. We moeten de verwachtingen van onze burgers waarmaken. Als we dat willen moeten we daar nu de goede voorwaarden voor creëren. De vraag wat we in de IGC moeten doen, de discussie over de omvang van de agenda, moet zoals gezegd worden bekeken in directe samenhang met de uitbreiding èn met het nadrukkelijke oogmerk de verdere verdieping van de Europese samenwerking te waarborgen. De institutionele hervorming is in die zin ook een afgeleide vraag van de bredere Europese ambities die ik schetste. De IGC moet de fundamenten van de samenwerking versterken en meer flexibiliteit aanbrengen in die samenwerking. Dat biedt het beste perspectief voor aansluiting van alle Europese landen bij het unieke, dynamische proces van Europese integratie.

NB LET OP EMBARGO VRIJDAG 5 NOVEMBER 20.00 UUR

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie