Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inzet ontwikkelingssamenwerking in Zuid-Oost Europa

Datum nieuwsfeit: 08-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Directie Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 8 november 1999
Kenmerk DEU-610/99
Blad 1/20
Bijlage(n) 2 Email
Betreft Inzet van het Instrumentarium

van OS in Zuidoost-Europa

Zeer geachte Voorzitter,

Hierbij zenden wij U een notitie over de toekomstige inzet van het totale instrumentarium van Ontwikkelingssamenwerking in Zuidoost-Europa. Deze notitie werd U toegezegd door eerste ondergetekende tijdens het Algemeen Overleg over de landenkeuze op 28 juni jl. De uitgangspunten in deze notitie zijn richtinggevend voor de beoogde aanwending van ODA-middelen voor Zuidoost-Europa. Waar dit voor goed begrip van het geheel nodig is, treft U tevens verwijzingen aan naar non-ODA-middelen die voor de regio relevant zijn.


1. Inleiding.


1.1 Algemeen.

Institutionele versterking, goed bestuur en democratisering van staat en maatschappij in Zuidoost-Europa, bevordering van de samenwerking binnen deze regio en verdere integratie van deze landen in Europa en in de wereldeconomie zijn de komende jaren de belangrijkste doelstellingen van het Nederlandse beleid ten aanzien van de Balkan. Verbetering van de levensomstandigheden voor de mensen op de Balkan en stabiliteit binnen (Zuidoost-)Europa zal aldus in samenhang bevorderd worden.

Voor de financiering van de Nederlandse beleidsvoornemens, die door de minister-president reeds aangekondigd werden tijdens de Topconferentie van het Stabiliteitspact in Sarajevo op 30 juli jl., komen ODA- en non-ODA-middelen beschikbaar in de orde van grootte van totaal gemiddeld NLG 500 miljoen per jaar. Deze middelen zijn zoals bekend aan de HGIS toegevoegd als gevolg van de groei van het BNP, waaronder in het bijzonder de statistische herberekening hiervan. Inzet van de extra ODA-middelen voor Zuidoost-Europa betekent voor de ontwikkelingssamenwerking dat deze hulp niet ten koste gaat van de bestaande beleidsvoornemens voor de arme landen in andere delen van de wereld. Over het bilaterale beleid en de criteria die ten aanzien van deze laatste groep gehanteerd worden, heeft eerste ondergetekende Uw kamer in februari jl. geïnformeerd; voor de hulp aan Zuidoost-Europa, die met uitzondering van Macedonië niet verleend wordt met het oog op het opbouwen van toekomstige structurele relaties, zullen andere uitgangspunten gelden die in paragraaf 3 van deze notitie uitgewerkt worden.

In 1999 komt door genoemde herberekening voor Zuidoost-Europa een bedrag van NLG 237,5 miljoen aan ODA-middelen beschikbaar en NLG 130,7 miljoen non-ODA. In 2000 zal ca NLG 400 miljoen ODA beschikbaar zijn en ca NLG 150 miljoen non-ODA. Indien de ontwikkelingen in Zuidoost-Europa dat toelaten, kan dit niveau in de resterende kabinetsperiode geleidelijk afgebouwd worden en worden de ODA-middelen gerealloceerd in het kader van de algemene OS-prioriteiten. Als gevolg van het beslag dat de vredesoperaties thans leggen op de non-ODA-middelen voor Zuidoost-Europa zijn er vooralsnog nauwelijks mogelijkheden voor financiering van andere non-ODA-activiteiten, zoals uitbreiding van de steun aan de niet-DAC-landen Bulgarije en Roemenië.

De extra ODA-middelen die reeds in 1999 naar aanleiding van de crisis in Kosovo aan de DAC-landen in Zuidoost-Europa beschikbaar gesteld zijn, zijn inmiddels lastens het Balkanprogramma gebracht, waardoor er in de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking alsnog ruimte gemaakt is voor dringende zaken elders. Een overzicht van deze voor 1999 voorziene en reeds uitgevoerde bestedingen treft U aan in Bijlage 1. Vanaf het jaar 2000 zullen naast nieuwe activiteiten ook de financiering van lopende activiteiten in Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Moldavië en Albanië lastens het Balkanprogramma gefinancierd worden. Gegeven de mate waarop ook Moldavië getroffen is door zowel de crisis in Kosovo als die in Rusland, zal ook dit op de rand van de Balkan gelegen land in het programma voor Zuidoost-Europa meegenomen worden.

De macro-economische gevolgen van de Kosovo-crisis voor de landen in Zuidoost-Europa zijn geschat op uiteenlopende aantallen miljarden dollars, maar hebben in alle landen geleid tot substantiële afname van het oorspronkelijk voor 1999 en 2000 verwachte economische herstel. Op een aantal evidente uitzonderingen na was dit herstel mede het gevolg van met name in de tweede helft van de jaren negentig eindelijk op gang gekomen economische hervormingen. De Kosovo-crisis leidde echter tot een vooralsnog tijdelijke terugval. Bij uitblijven van nieuwe gewapende conflicten in de regio en bij voldoende internationale steun achten de IFI's in 2000 een herstel mogelijk, waartoe echter door donoren inaanvulling op de WB- en IMF-programma's in dat jaar een bedrag van tussen de USD 800 en 900 miljoen beschikbaar gesteld zal moeten worden. Voor de jaren daarna zijn nog geen schattingen bekend, maar op termijn moet de regio in nauwe samenwerking met de rest van Europa op eigen kracht verder kunnen. Gelet op deze grote behoefte aan extra financiële hulp op korte termijn ligt het in de bedoeling om de Nederlandse hulpgelden in het jaar 2000 voor het grootste gedeelte in te zetten in de vorm van macro-economische steun aan hervormingsprogramma's van de landen in de regio.

Naast macrosteun zullen fondsen beschikbaar gesteld worden voor humanitaire hulp en voor maatschappelijke wederopbouw, democratisering, mensenrechten en goed bestuur. Ook regionale activiteiten die thans in het kader van het Stabiliteitspact ontwikkeld zullen worden (zie 1.2) komen voor ondersteuning in aanmerking.

Ter ondersteuning van de ontwikkeling van het lokaal bedrijfsleven zal kredietverlening voor het MKB ondersteund worden. Ook zal het PSO-programma in de regio aanzienlijk uitgebreid worden (zie 3.1). Voor een stabiele economische ontwikkeling van de regio is voorts bevordering van de onderlinge handelsstromen noodzakelijk. Hiertoe dienen de landen in de regio allereerst hun onderlinge handelsbelemmeringen te beperken. Daarnaast is snelle toetreding tot de WTO van belang; de toetreding van Albanië, Kroatië en Moldavië is op een haar na gevild. Nederland zal zich inzetten voor initiatieven op beide terreinen.

Voorts zal Nederland de (voorbereiding op) toetreding van de landen in Zuidoost-Europa tot de EU actief bevorderen. Bulgarije en Roemenië zullen naar verwachting in 2000 de
toetredingsonderhandelingen kunnen aanvangen. Met Macedonië zal naar verwachting medio 2000 een Associatie- en Stabilisatieakkoord gesloten kunnen worden. Albanië is het eerstvolgende land waarmee de EU deze nieuw generatie verdragen zal sluiten. Voor zover deze individuele akkoorden handelsconcessies betreffen, zal Nederland zich er voor inzetten dat deze voor alle betreffende landen in de regio gelden, teneinde een lappendeken van ongelijksoortige handelsverdragen te voorkomen.

Met uitzondering van Macedonië ligt het niet in de bedoeling om langjarige bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's per land te ontwikkelen. De andere relatief kleine Nederlandse ambassades in de regio worden hier derhalve niet op toegerust. Bij de uitvoering van het beleid in de overige landen zal zoveel mogelijk aangesloten worden bij multilaterale programma's en projecten en bij internationale en lokale NGO's. Nadere toetsing gaf geen aanleiding om andere landen zoals Albanië in aanmerking te brengen voor een structurele bilaterale relatie; ten aanzien van dit laatste land wordt vastgesteld dat er serieuze twijfels bestaan over de kwaliteit van het overheidsbestuur, reden waarom hulpverlening langs multilaterale en particuliere weg vooralsnog de voorkeur verdient.

In paragraaf 3 van deze notitie worden de beleidsvoornemens per land in grote trekken uitgewerkt. In samenwerking met de ambassades in de regio zullen deze voornemens op korte termijn in concrete jaarplannen verwerkt worden, waarna Uw kamer over de nadere invulling van de cijfers geïnformeerd wordt. In het gevalvan Servië zal invulling afhankelijk zijn van toekomstige politieke ontwikkelingen aldaar.


1.2 Organisatie.

Binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken is per 15 september
1999 een Taakgroep Zuidoost-Europa in het leven geroepen die verantwoordelijk is voor de voorbereiding, uitvoering en coòrdinatie van het buitenlands beleid ten aanzien van de regio. De coòrdinator van de taakgroep is verantwoordelijk voor de interne en externe coòrdinatie van het beleid. In de loop van 2000, zodra de nieuwe beleidsvoornemens vertaald zijn in concrete modaliteiten, zullen de verantwoordelijkheden van deze taakgroep geïntegreerd worden binnen de huidige organisatie van het Ministerie.

Na de voorziene opening van de Nederlandse ambassade in Tirana zal de in 1998 geopende ambassade in Skopje zich geheel op Macedonië kunnen concentreren en zal Nederland in alle landen van Zuidoost-Europa over een eigen vertegenwoordiging beschikken. In Pristina in Kosovo is reeds vanaf juli 1999 een onder Ambassade Belgrado ressorterend bureau operationeel. Activiteiten op het gebied van humanitaire hulp, reconstructie, vredesopbouw en democratisering zullen waar mogelijk aan deze posten gedelegeerd worden. Versterking van de economische functie op de posten zal overwogen worden wanneer de economische situatie in de landen daar aanleiding toe geeft. De bezetting van de posten in Zuidoost-Europa zal eind 2000 verder worden bezien in het licht van een zo flexibel en effectief mogelijke inzet van het BZ-personeel.


1.3. Stabiliteitspact en High Level Steering Group.

Het in juni jl. tijdens de Europese Top in het leven geroepen Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa biedt een politiek raamwerk voor samenwerking tussen de landen in de regio en voor integratie van deze landen in de Euro-Atlantische structuren. We verwijzen naar de nota over het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa, die Uw kamer op 18 juni jl. toegezonden werd.

De huidige samenwerkingsactiviteiten, zowel van Nederland als van andere donoren, waren nagenoeg uitsluitend gericht op interne ontwikkeling van de diverse landen in de regio. De meerwaarde van het Stabiliteitspact ligt in het bevorderen van de onderlinge samenwerking tussen de landen in de regio, in het bevorderen van grensoverschrijdende projecten en programma's en uiteindelijk in het bieden van een perspectief op verdere toenadering, tot elkaar en tot de EU.

Inmiddels neemt Nederland ook deel aan de door de G-7 in het leven geroepen High Level Steering Group (HLSG), die de financiële bijdragen van de grote donoren aan de landen in Zuidoost-Europa coòrdineert in nauwesamenwerking met de Wereldbank (WB) en met de Europese Commissie (EC).

Binnen het Stabiliteitspact zijn drie werktafels ingesteld, waarvan de economische werktafel nauw zal samenwerken met de HLSG. Tijdens de eerste bijeenkomst van deze werktafel in Bari op 8 oktober jl. is afgesproken dat deze zich met name zal richten op de ontwikkeling van regionale initiatieven ter versterking van de handel binnen en met de regio, de ontwikkeling van het lokaal bedrijfsleven en de bevordering van investeringen in met name grensoverschrijdende infrastructurele projecten. Ook de werktafels over externe en interne veiligheid en over democratisering zullen de ontwikkeling van regionale samenwerkingsactiviteiten bevorderen.

Macro-economische hervormingsprogramma's zijn in essentie landenspecifiek en worden door de landen zelf geformuleerd en uitgevoerd in overleg met Wereldbank en IMF. Dat dient ook zo te blijven, maar afstemming met voorstellen die in het kader van het Stabiliteitspact ontwikkeld worden blijft over en weer noodzakelijk. Zo heeft de door het Pact voorgestane bevordering van de intraregionale vrijhandel directe gevolgen voor de financiering van de overheidsbegrotingen, die thans nog met instemming van Wereldbank en IMF in hoge mate afhankelijk zijn van douane-inkomsten. De HLSG zal er op moeten toezien dat initiatieven van het Pact samengaan met maatregelen die de financiële grondslag van de overheid in deze landen op termijn verbreden. Nederland is van mening dat de Internationale Financiële Instellingen (IFI's) de leidende rol moeten blijven spelen bij deze hervormingsprogramma's en heeft de Wereldbank in dit verband tijdens de HLSG opgeroepen de beleidsdialoog met de betreffende landen in de regio waar mogelijk te versterken.

Nederland heeft in de HLSG van september jl. in Washington duidelijk gesteld dat het succes van de werktafels van het Stabiliteitspact afgemeten zal worden aan de mate waarin men initiatieven uit de regio zelf zal weten te bevorderen en men instrumenteel is in de verdere uitwerking van dergelijke initiatieven tot concrete samenwerkingsactiviteiten. De huidige werkwijze van de werktafels van het Pact geeft overigens aan dat een extra inspanning van alle betrokkenen nodig zal zijn. Resultaatgericht werken moet bij de volgende tafelrondes het parool zijn. Nederland zal zich hiervoor inzetten. Nadat begin 2000 de eerste bijeenkomsten van de werktafels in de regio zelf hebben plaatsgevonden, zal de werkwijze opnieuw geëvalueerd moeten worden. Inmiddels zet Nederland zich via alle beschikbare kanalen in voor een actievere participatie van de betreffende landen in de regio.


2. Huidige ontwikkelingssamenwerking met Zuidoost-Europa.


2.1 Humanitaire hulp, reconstructie en economische wederopbouw.

Als gevolg van de crisis in Kosovo is de behoefte aan humanitaire hulpin 1999 in Zuidoost-Europa sterk toegenomen. Op dit gebied zijn door Ontwikkelingssamenwerking bijdragen van ruim NLG 80 miljoen verleend, met name voor de opvang van vluchtelingen elders in de regio en voor het eerste herstel van basisvoorzieningen in de tweede helft van dit jaar (zie bijlage 1). Daarnaast is ook humanitaire hulp verleend aan de vluchtelingen en ontheemden die nog lijden onder de gevolgen van het conflict in Bosnië-Herzegovina. Voor deze groep werd in 1999 NLG 25 miljoen gulden beschikbaar gesteld. Uit de Nederlandse bijdrage aan het door WB en EC gecoòrdineerde wederopbouwprogramma voor Bosnië-Herzegovina werd bovendien NLG 38 miljoen bestemd voor de terugkeer van etnische minderheden naar hun oorspronkelijke woonplaatsen binnen dat land.

In 1999 werd de Nederlandse bijdrage aan het door WB en EC geleide internationale reconstructieprogramma in Bosnië-Herzegovina voortgezet met een toezegging van USD 64 miljoen, in hoofdzaak voor macro-economische steun en voor gerichte steun aan de bovengenoemde minderheidsterugkeer. In Macedonië werd naast macro-economische steun met name de onderwijssector ondersteund. In beide landen werden de lopende reconstructie- en hervormingsprogramma's sterk vertraagd door de interne politieke en etnische tegenstellingen en de crisis in Kosovo.

Nederland heeft in 1999 ruim NLG 100 miljoen additionele macro-economische steun beschikbaar gesteld aan de landen in de regio (zie bijlage 1). Daarnaast was reeds in het kader van het wederopbouwprogramma in Bosnië-Herzegovina reguliere begrotingssteun ter waarde van USD 15 miljoen voor eind 1999 en USD 15 miljoen voor begin 2000 toegezegd. Met aanzienlijke buitenlandse hulp en na de drastische bijstelling van de overheidsbegrotingen in de landen zelf zijn de financieringstekorten thans, met uitzondering van Kroatië, voor 1999 opgelost, echter ten koste van de aanvankelijk voor dit jaar verwachte economische groei die nu door het IMF voor de regio als geheel op minus 1 procent geschat wordt.

Bij het verlenen van macro-economische steun in het kader van een met de IFI's overeengekomen economisch herstelprogramma staat de versterking van de lokale bestuurscapaciteit voorop. Op het gebied van de overheidsfinanciën worden de landen ondersteund bij het ontwikkelen van een verantwoorde staatshuishouding, waarbij voldoende overheidsinkomsten gegenereerd worden, de uitgaven effectief gestuurd worden en corruptie op alle niveau's wordt tegengegaan. In de dagelijkse praktijk van de post-conflictsituatie in de Balkan betekent dit dat er verregaande afspraken met WB en IMF gemaakt worden over hervorming van het belastingsstelsel, van het betalingssysteem, van sturing van en controle op de overheidsuitgaven en van het sociale stelsel. Tegelijkertijd dient de privatisering ter hand genomen te worden en moet de ontwikkeling van de private sector en van de financiële infrastructuur actief bevorderd worden, onder meer door het scheppen van afdoende wettelijk kader. De conflicten in het afgelopen decennium en de voortdurende politieke en etnische tegenstellingen in de regio hebben het eind jaren tachtig voorzichtig op gang gekomen proces van economische en maatschappelijke transitie zeer vertraagd. Met een gecoòrdineerde inzet van de internationalegemeenschap in samenwerking met de landen zelf kan dit proces in de nabije toekomst weer momentum krijgen.

Voor de samenwerking van de EU met de landen in Zuidoost-Europa hanteert de EU sinds 1997 ten opzichte van de landen van ex-Joegoslavië (minus Slovenië en inclusief Albanië) specifieke criteria die zijn vastgelegd in de zgn. Regionale Benadering. In deze benadering, die is ingepast in het nieuwe stabilisatie-en associatieproces, wordt aan de hand van een analyse van de ontwikkeling in de individuele landen bepaald welke EU-instrumenten (autonome handelsmaatregelen, ondersteuning uit PHARE en OBNOVA, het aangaan van contractuele betrekkingen) voor die landen opengesteld worden. De Europese Commissie verleent thans steun uit het PHARE-programma aan Albanië, Macedonië, Bulgarije en Roemenië; beide laatste landen komen vanaf 2000 tevens in aanmerking voor de nieuwe pre-accessiefondsen. Uit het OBNOVA-programma verleent de EU reconstructiehulp aan Bosnië, Macedonië en Kosovo en in beperkte mate aan Kroatië en Montenegro. Nederland neemt actief deel in de beheerscomités van beide Gemeenschapsprogramma's.


2.2 Vredesopbouw, mensenrechten, democratisering en goed bestuur.

De Nederlandse bijdrage aan de vredesoperaties op de Balkan behoeft hier geen toelichting. Naast de civiele VN-operaties (UNMIBH en UNIPTF in Bosnië-Herzegovina, UNMIK in Kosovo) wordt ook de grootschalige inzet van troepen door de internationale gemeenschap vooralsnog onontbeerlijk geacht voor de handhaving van vrede en veiligheid. Ook in 1999 heeft Nederland hier in het kader van SFOR en KFOR ruim aan bijgedragen. In aanvulling op hun reguliere werkzaamheden hebben de Nederlandse contingenten in de regio bovendien voor een bedrag van ruim NLG 4 miljoen reconstructie-activiteiten uitgevoerd ten behoeve van de bevolking in hun operatiegebied. Bovendien heeft het SFOR-contingent in 1999 een bijdrage geleverd aan de technische begeleiding van de uitvoering van de bilaterale minderheidsterugkeerprojecten in Midden-Bosnië.

Maar vredesopbouw is meer dan de afwezigheid van openlijk geweld. In de meeste landen binnen de regio is geen sprake van een rechtsstaat. Etnische spanningen, onvoldoende respect voor mensenrechten in het algemeen en voor de rechten van nationale minderheden in het bijzonder, gebrekkige vrijheid, onafhankelijkheid en professionaliteit van de media en de rechterlijke macht, het soms grove politie-optreden en de veelal slechte omstandigheden in de detentiecentra zijn evenzovele obstakels voor de opbouw van een stabiele en welvarende maatschappij. Roma en Sinti vormen een aparte categorie, die onevenredig lijdt onder deze tekortkomingen.

In 1999 zijn uit de diverse programma's activiteiten ondersteund op het gebied van democratisering, mensenrechten en goed bestuur in de regio. In deDAC-landen bedroegen deze activiteiten, die veelal via multilaterale organisaties en via NGO's uitgevoerd werden, in totaal ca NLG 24 miljoen. In Roemenië, Bulgarije en Kroatië werden gelijksoortige activiteiten tot een bedrag van ca NLG 25 miljoen gefinancierd uit non-ODA-middelen via het MATRA-programma.


3. Toekomstige ontwikkelingssamenwerking met Zuidoost-Europa.


3.1 Algemeen

Economische en maatschappelijke wederopbouw vooronderstelt een goed macro-economisch beleid en competente uitvoering daarvan. Dat zijn geen zaken die met de huidige uitvoeringscapaciteit langs bilaterale weg bevorderd kunnen worden. Daarom is Eerste Ondergetekende voornemens om het grootste deel van de beschikbare fondsen in te zetten als begrotingssteun in het kader van de met de IFI's overeengekomen economische hervormingsprogramma's. Waar mogelijk zal dit plaatsvinden via cofinanciering van aanpassingsleningen van de Wereldbank. Bij afwezigheid van deze mogelijkheid zullen in uitzonderingsgevallen andere kanalen gezocht moeten worden, zoals UNMIK en Trustfunds bij de IFI's.

Voor de ontwikkeling van het lokaal bedrijfsleven in de regio worden middelen beschikbaar gesteld voor kredietverlening aan het MKB, bilateraal via de FMO of multilateraal via o.a. de IFC. Ook het PUM kan in de regio een rol spelen.

Met de Minister van Economische Zaken is overeengekomen dat ook het PSO-programma in de DAC-landen van de regio in de komende drie tot vier jaar lastens de Balkanmiddelen uitgevoerd en uitgebreid kan worden tot een kasbedrag van NLG 70 miljoen totaal. De door EZ aanvankelijk voor deze landen reeds geprogrammeerde non-ODA-fondsen zullen vervolgens gebruikt worden voor de financiering van extra PSO-activiteiten in de drie niet-DAC landen in de regio. Op deze wijze zullen reeds in 2000 nieuwe committeringen tot een bedrag van totaal NLG 75 miljoen (waarvan NLG 35 miljoen ODA) mogelijk zijn voor de gehele regio, vooralsnog met uitzondering van Servië. Landbouw, infrastructuur, energiebesparing en milieu zijn hier naar verwachting de belangrijkste aandachtsvelden; voor de programmering zal EZ zoals gebruikelijk overleggen met andere vakdepartementen als LNV, VROM en V&W, met de landen in de regio en met de ambassades aldaar. Op deze wijze kan ook het Nederlandse bedrijfsleven op korte termijn een directe impuls geven aan de ontwikkeling van het lokaal bedrijfsleven in de regio. Voorts staat het generieke instrumentarium op het gebied van export- en investeringsbevordering en exportkredietverzekering (IBTA, IFOM en SENO) open voor de landen in de regio, vooralsnog met uitzondering van Servië.

Ook in de nabije toekomst wordt rekening gehouden met een voortdurende noodzaak tot humanitaire hulp in de regio. De Nederlandse SFOR enKFOR eenheden in de regio worden in staat gesteld om hun kleinschalige reconstructie-activiteiten ten behoeve van de bevolking in hun operatiegebied voort te zetten. Daarnaast zal per land bezien worden in hoeverre lokale organisaties sterker ondersteund kunnen worden bij de maatschappelijke wederopbouw, waarbij de relevante thema's per land uitgewerkt zullen worden. Waar mogelijk zullen dergelijke activiteiten aan de ambassades in de regio gedelegeerd worden. Inmiddels heb ik de Nederlandse MFO's in staat gesteld hun samenwerkingsprogramma's in de regio op korte termijn uit te breiden lastens hun aandeel in de Balkanfondsen. Maatschappelijke organisaties als VNG, SNV en Nederlandse onderwijsinstituten worden uitgenodigd om op korte termijn uitvoerbare samenwerkingsactiviteiten met hun lokale partners voor financiering voor te leggen, waarbij vraaggerichtheid en snelle effectieve implementatie voorop dienen te staan.

Naast de bijdragen per land, waarvoor de modaliteiten en kanalen in de volgende paragraaf nader uitgewerkt worden, zullen ook regionale activiteiten voor financiering lastens het Balkanprogramma in aanmerking komen. Concrete voorstellen zijn nog niet beschikbaar en worden in de komende maanden in het kader van de werktafels van het Stabiliteitspact nader uitgewerkt. In de economische werktafel is overeengekomen dat de EBRD regionale voorstellen voor de ondersteuning van de private sector op haalbaarheid zal beoordelen, waarna deze na prioriteitstelling door het Stabiliteitspact via de HLSG ter (co)financiering aan donoren voorgelegd worden. De EIB zal hetzelfde doen voor regionale infrastructurele projecten. Van de beide andere werktafels worden vergelijkbare initiatieven verwacht. Ook regionale voorstellen van multilaterale organisaties en van NGO's komen voor financiering in aanmerking. Aan voorstellen voor een regionale aanpak van milieuproblemen zal bijzondere aandacht geschonken worden. In alle gevallen zal Nederland prioriteit geven aan goede voorstellen die daadwerkelijk gebaseerd zijn op initiatieven uit de regio zelf.


3.2 Samenwerkingsprogramma's per land.


3.2.1 De Federale Republiek Joegoslavië (FRJ); drie gevallen apart.

Kosovo.

Op korte termijn blijven de Nederlandse hulpinspanningen in hoofdzaak gericht op basisvoorzieningen voor de teruggekeerde bevolking. De UNHCR, in samenwerking met andere VN-organisaties en NGO's, heeft hierbij het voortouw en wordt door Nederland ruimhartig gesteund.

Daarnaast heeft Nederland het voortouw genomen bij de financiering van de opbouw van het civiel bestuur door de United Nations Interim Administration inKosovo (UNMIK). UNMIK is thans doende een Central Fiscal Authority in het leven te roepen en heeft een begin gemaakt met het innen van belastingen. In 1999 hoopt men op deze wijze ca 20% en in 2000 meer dan de helft te kunnen dekken van de begroting van dit interimbestuur; een begroting die vooralsnog slechts salarissen en andere lopende kosten omvat in de meest essentiële sectoren (onderwijs, gezondheid, justitie en politie). De behoefte aan donorbijdragen aan deze voorlopige begroting wordt van september 1999 tot eind 2000 op ca NLG 250 miljoen geschat. Nederland heeft hier inmiddels totaal ca NLG 43 miljoen aan bijgedragen.

Humanitaire hulp zal in 2000 eveneens nodig blijven, met name voor de opvang van nieuwe terugkeerders en kwetsbare groepen, voor voedselzekerheid en basis sociale voorzieningen, met bijzondere aandacht voor de integratie van de traumazorg in de weer op te bouwen reguliere gezondheidszorg en voor humanitaire ontmijning.

De Kosovaren hebben het reconstructieproces voortvarend ter hand genomen, daarbij geholpen door aanmerkelijke financiële transfers van Kosovaren uit het buitenland. Op korte termijn is alle aandacht gericht op overwintering en herstel van basisvoorzieningen, op iets langere termijn zal een substantiële bijdrage geleverd worden aan de maatschappelijke wederopbouw van Kosovo. Daarbij zal de nodige aandacht geschonken worden aan de positie van etnische minderheden, met name Serviërs en Roma, en aan de ontwikkeling van vrije en verantwoordelijke media.

Directe betrokkenheid van de lokale bevolking bij het bestuur in Kosovo zal pas formeel vorm krijgen na de voor de tweede helft van het jaar 2000 voorziene lokale verkiezingen. Intussen dienen samenwerkingsprogramma's zodanig opgezet te worden dat maximale lokale participatie en capaciteitsopbouw plaatsvindt. Dit geldt met name voor het toekomstige wederopbouwbeleid, waarvoor de uitgangspunten en concrete doelstellingen thans door de WB in overleg met lokale participanten, de EC en andere betrokken internationale organisaties wordt uitgewerkt in de vorm van een 'Priority Reconstruction Program' (PRP). Dit PRP voor Kosovo zal het beleidskader vormen voor de lokale en internationale wederopbouwactiviteiten in de komende twee tot drie jaar. Het PRP zal medio november a.s. in de eerstvolgende donorconferentie voor Kosovo besproken worden, waarna het als richtlijn voor toekomstige donoractiviteiten zal gelden. Omdat Kosovo formeel zelf geen leningen kan afsluiten, zal de WB uit eigen middelen een beperkte bijdrage beschikbaar stellen voor begrotingssteun en voor een aantal nog nader vast te stellen sectorale projecten. Nederland zal cofinanciering overwegen zodra de plannen uitgewerkt zijn. Vooruitlopend op het PRP is inmiddels reeds NLG 6 miljoen aan UNMIK beschikbaar gesteld via UNOPS voor herstel van de energievoorziening en eenzelfde bedrag aan de FMO voor de oprichting, in samenwerking met IFC en EBRD, van de eerste kredietbank voor het MKB in Kosovo.

Het behoeft in het raamwerk van deze notitie geen betoog dat eensuccesvolle vreedzame wederopbouw van Kosovo slechts mogelijk zal zijn binnen het kader van resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad.

Servië.

Zonder daadwerkelijke politieke hervormingen zal Servië uitgesloten blijven van wederopbouwhulp en zal de Nederlandse hulp zich beperken tot humanitaire hulp en steun aan democratische krachten.

Nederland heeft zich in EU verband zeer ingezet voor hulp aan de getroffen bevolking in Servië door middel van het "Energy for Democracy"-initiatief, gericht op energievoorziening via niet aan de overheid gelieerde kanalen. Dit initiatief is thans door de Europese Commissie in uitvoering genomen. Voorts zal Nederland blijven bijdragen aan de ontwikkeling van de onafhankelijke media.

De Nederlandse ambassade in Belgrado, die sinds 1998 beschikt over een MATRA-PKP budget, zal in staat gesteld worden om in aanvulling hierop ook lastens de Balkanmiddelen lokale initiatieven op het gebied van democratisering en mensenrechten te ondersteunen.

Montenegro.

Montenegro is zwaar getroffen door de Kosovo-crisis. Macro-economische steun aan de huidige hervormingsgezinde regering wordt echter bemoeilijkt door de verwevenheid van deze deelrepubliek met Servië. Om dezelfde reden kan Montenegro formeel geen economisch hervormingsprogramma met steun van WB en IMF opstellen en uitvoeren en is cofinanciering in dat kader vooralsnog geen optie voor donoren. Zoals toegezegd door eerste ondergetekende tijdens het Algemeen overleg over o.a. Kosovo op 5 oktober jl. zal op korte termijn onderzocht worden op welke wijze enigerlei vorm van macro-economische steun aan Montenegro mogelijk is, in aanvulling op de betalingsbalanssteun van NLG 2,2 miljoen die dit jaar verleend werd.

Voorts zal langs multilaterale weg en via NGO's bevordering van het democratiseringsproces voortgezet worden en onderzoekt EZ thans de mogelijkheden om ook het PSO-instrument in te zetten.


3.2.2 De DAC-landen Albanië, Bosnië-Herzogovina, Macedonië en Moldavië.

Deze landen, die alle door de Kosovo-crisis getroffen zijn, komen in aanmerking voor alle instrumenten die binnen het Balkanprogramma relevant zijn.

Albanië.

Als buurstaat van Kosovo en Macedonië vormt Albanië een belangrijke schakel in de stabiliteit op de Westelijke Balkan. De Kosovo-crisis en de grote hoeveelheid vluchtelingen, die Albanië als gevolg hiervan te verwerken kreeg, heeft de toch al zwakke Albanese economie verder onder druk gezet. Inmiddels heeft men met behulp van internationale steun de ontstane financiële tekorten kunnen aanvullen. Nederland zal in beperkte mate via de Wereldbank de economische hervormingsprogramma's voor de versterking van de Albanese economie medefinancieren.

Daarnaast zal Nederland, waar mogelijk via de te openen ambassade in Tirana, middelen inzetten voor de versterking van het openbaar bestuur, de maatschappelijke opbouw, de mensenrechtenproblematiek en het democratiseringsproces. Met name op deze gebieden kampt Albanië met problemen. Aan SNV zal gevraagd worden de huidige activiteiten op dit gebied voort te zetten en waar mogelijk uit te breiden.

Bosnië-Herzegovina.

In Bosnië-Herzegovina heeft de Kosovo-crisis de voor 1999 voorzie ne groei gehalveerd en het wederopbouwproces vertraagd .

Naast de substantiële humanitaire hulp die dit land sinds 1992 van Nederland ontving, zijn van 1996 tot 1999 reconstructiebijdragen van totaal USD 334 miljoen beschikbaar gesteld in het kader van het door WB en EC gecoòrdineerde Priority Reconstruction Program, waarvoor de internationale gemeenschap gezamenlijk ruim USD 5 miljard toezegde. De uitgaven onder dit lopende programma bedroegen in 1999 NLG 105 miljoen en worden voor 2000 begroot op ca NLG 100 miljoen.

In aanvulling hierop kan het land nieuwe macro-economische steun tegemoet zien, mits er verdere voortgang geboekt wordt met het economisch hervormingsprogramma, waarbinnen reeds veel bereikt is, maar dat nog steeds op alle niveaus door de voortdurende etnische tegenstellingen gefrustreerd wordt.

Daarnaast zullen via de ambassade snelle interventies ondersteund worden, in samenwerking met NGO's en lokale autoriteiten, ter ondersteuning van de terugkeer van etnische minderheden naar hun oorspronkelijke woonplaatsen. Ruim drie jaar na Dayton is deze terugkeer, die vanuit Nederlandse optiek het zwaartepunt van het vredesproces zou moeten zijn, enigszins op gang gekomen. Dit proces zal door Nederland naar vermogen ondersteund blijven worden.

Voorts zullen in 2000 bijdragen verleend worden voor vredesimplementatie en wordt rekening gehouden met voortzetting van humanitaire hulp aan vluchtelingen en ontheemden, o.a. uit Srebrenica. Het Nederlandse SFOR-contingent zal de kleinschalige reconstructie-activiteiten in zijn operatiegebied voortzetten.

Het PSO-programma zal in 2000 aanzienlijk uitgebreid worden tot een voorzien committeringsniveau van ca NLG 15 miljoen.

Macedonië.

Macedonië is door de Kosovo-crisis zwaar getroffen, met name door het wegvallen van de doorvoerhandel en de handel met de FRJ. Naar verwachting zal in 1999 slechts een beperkte groei gerealiseerd worden. Steun aan dit kwetsbare land met een grote etnisch Albanese minderheid heeft voor Nederland hoge prioriteit, teneinde verscherping van de tegenstellingen tegen te gaan die de stabiliteit van het land en van de regio verder zouden bedreigen.

Zo mogelijk nog in 1999 en zeker in 2000 zal aan Macedonië aanvullende macro-economische steun beschikbaar gesteld worden. Ook in Macedonië wordt het economische hervormingsproces en met name het privatiseringsproces door politieke tegenstellingen vertraagd. De vluchtelingencrisis heeft een sterke wissel getrokken op de Macedonische bevolking en de belangentegenstellingen tussen de beide grootste bevolkingsgroepen verscherpt.

Ook op andere gebieden, waaronder de onderwijshervormingen, staat het land op achterstand. Nederland zal steun aan onder meer de hervorming van de onderwijssector voortzetten, waarbij het bijdragen aan de oplossing van knelpunten in het onderwijs tussen Macedonische meerderheid en Albanese minderheid centraal zal staan. Ook de ondersteuning van de belangrijkste groeisector, de landbouw, zal voortgezet worden. Er zal voldoende ruimte binnen het landenprogramma zijn voor activiteiten op het gebeid van mensenrechten, goed bestuur, democratisering en milieu. Aan de positie van de Roma-bevolking zal in dit kader bijzondere aandacht geschonken worden.

Ter ondersteuning van de ontwikkeling van de private sector zal ook in Macedonië het PSO-programma aanzienlijk kunnen stijgen tot een committeringsniveau van NLG 15 miljoen in 2000.

In de eerste helft van 2000 zal Macedonië co-voorzitter en gastheer zijn van de economische werktafel van het Stabiliteitspact. In overleg met het kantoor van de coòrdinator van het Stabiliteitspact zal bezien worden op welke wijze Nederland Macedonië kan ondersteunen bij een invulling van deze taak, in lijn met de door Nederland voorgestane werkwijze van deze werktafel.

Moldavië.

Moldavië is in de afgelopen jaren getroffen door zowel de Russische roebelcrisis als de Kosovo-crisis. Het economisch hervormingsprogramma, dat begin van dit jaar vertraging opliep als gevolg van een regeringscrisis, wordt door de IFI's thans als verantwoord en redelijk succesvol beschouwd. De nieuwe regering heeft zich gecommitteerd aan versnelling van de hervormingen, met name van het privatiseringsproces dat mede door gebrek aan belangstelling van buitenlandse investeerders vertragingen heeft opgelopen. Recentelijk heeft Nederland USD 10 miljoen begrotingssteun aangeboden ter ondersteuning van het met WB en IMF overeengekomen hervormingsprogramma. Voorts is aan Moldavië en de WBvoorgesteld om de eerstvolgende consultatieve groep van de WB voor Moldavië in Nederland te organiseren, teneinde de internationale belangstelling te vergroten voor dit land, dat tot de armste landen van Europa behoort. De macro-economische steun zal in 2000 voortgezet worden.

Voorts zullen lastens de Balkanmiddelen middelen beschikbaar gesteld worden voor activiteiten op het gebied van maatschappelijke versterking, goed bestuur en mensenrechten. Waar mogelijk zullen deze fondsen via ambassade Kiev beschikbaar gesteld worden. Bij voldoende belangstelling van het Nederlands bedrijfsleven zal het PSO-programma in Moldavië in 2000 kunnen stijgen tot een committeringsniveau van NLG
8 miljoen.

Moldavië zal nog dit jaar toetreden tot de WTO. Voorts heeft men een Partnerschaps- en Samenwerkingsaccoord met de EU en kan er derhalve in dit kader op termijn een Vrijhandelsakkoord gesloten worden.


3.2.3 De niet-DAC landen Bulgarije, Roemenië en Kroatië.

Ondanks Nederlandse initiatieven in het recente verleden staan landen als Bulgarije en Roemenië, elk met een inkomen per hoofd van de bevolking van minder dan USD 2.000, niet op de DAC-1-lijst en komen derhalve helaas niet in aanmerking voor aanwending van ODA-middelen. Als gevolg van het beslag van de vredesoperaties op de non-ODA-middelen zal hulpverlening aan beide landen vooralsnog noodgedwongen beperkt blijven. Door herschikking van de PSO-middelen (zie 3.1) is getracht voor deze landen enige extra ruimte te scheppen, voorts zijn er mogelijkheden via de HGIS-betalingsbalansfaciliteit en via het MATRA-programma.

Bulgarije.

De Bulgaarse economie is vooral getroffen door het wegvallen van de transportroutes via de FRJ. Voor de crisis werd de helft van de Bulgaarse export via de FRJ vervoerd. Het wegvallen van deze mogelijkheden betekent hogere kosten en verlies aan marktaandeel binnen de EU. Internationale financiële steun heeft de aldus opgelopen schade in 1999 grotendeels gecompenseerd, ook Nederland heeft uit non-ODA-middelen (HGIS Betalingsbalansfaciliteit voor Kiesgroeplanden) hieraan bijgedragen (NLG 5 miljoen). Toerisme en buitenlandse investeringen lijken overigens niet noemenswaaardig door de crisis aangetast te zijn.

Concrete samenwerkingsmogelijkheden bieden het MATRA-programma (ca NLG 12 miljoen in 1999) en het PSO-programma. Door het eerdergenoemde vrijkomen van aanvankelijk voor de DAC-landen in de regio bestemde middelen zal het PSO-programma in Bulgarije in 2000 een committeringsniveau van NLG 16 miljoen kunnen bereiken.

Om hierboven reeds genoemde reden zal macro-economische steun aanBulgarije beperkt van omvang zijn. Daarnaast zal bezien worden of steun kan worden geboden aan Bulgarije en Roemenië, bijvoorbeeld via de Donaucommissie, ten behoeve van het weer bevaarbaar maken van de Donau. Vooralsnog stuit dit op tegenwerking van de FRJ zelf, die reconstructie van de Donaubruggen in Servië als voorwaarde stelt. De Algemene Raad heeft op 11 oktober jl. reeds het vitale belang onderstreept van vrije doorvaart. In de Algemene Raad van 15 november a.s. zal steun van de EU, bijvoorbeeld via de Donaucommissie, wederom besproken worden. Tweede ondergetekende zal een "creatieve" reactie van de EU bepleiten, zoals al eerder aan Uw Kamer werd medegedeeld. Voorts zet Nederland zich in internationaal verband in voor een preferentiële behandeling van met name Bulgarije en Roemenië bij internationale tenders in het kader van de hulpverlening aan Zuidoost-Europa.

Roemenië.

De financieel-economische problemen in Roemenië zijn overwegend structureel van aard en bestonden reeds voor het uitbreken van de crisis. Ook Roemenië lijdt echter onder het wegvallen van de transportmogelijkheden via de FRJ en zou geholpen zijn met een snelle oplossing van de Donauproblemen (zie hierboven). Bezien wordt of in
1999 Roemenië macro-economische steun kan worden verleend vanuit de HGIS-betalingsbalansfaciliteit voor Kiesgroeplanden.

Steun aan maatschappelijke transitie via het MATRA-programma wordt in 2000 voortgezet (ca 10 miljoen in 1999), terwijl nieuwe committeringen onder het PSO-programma in 2000 tot NLG 18 miljoen kunnen stijgen door het eerdergenoemde vrijkomen van middelen voor DAC-landen in de regio.

Kroatië.

Kroatië heeft zeer geleden onder de Kosovo-crisis, met name door het grotendeels wegvallen van het toerisme. Gezien de inkomstenderving in het transitoverkeer zou Kroatië zeer gediend zijn met het weer bevaarbaar maken van de Donau (zie 3.3) Buitenlandse investeringen blijven grotendeels uit. Dit dient echter vooral toegeschreven te worden aan het gebrek aan interne democratie en het uitblijven van een verantwoord structureel hervormingsbeleid, met name op het gebied van de privatisering.

Op korte termijn zal Nederland slechts ondersteuning van maatschappelijke hervormingen via particuliere kanalen overwegen lastens het MATRA-programma en ondersteuning van het lokaal bedrijfsleven via het PSO-programma.

DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN


Bijlage 1

Additionele ODA-bijdragen aan Zuidoost-Europa in 1999 (in NLG)

Sector Voorziene uitgaven 1999 toelichting
Humanitaire hulp Kosovo

* bijdragen aan internationale organisaties 65,4 miljoen UNHCR, WFP, UNICEF, FAO, OCHA, UNDP, UNMACC, ICMPD, ICRC
* Bijdrage Ned. NGO's 7,4 miljoen Inclusief bijdrage Rode Kruis en DRA

* Traumazorg 0,8 miljoen Intercare

* Gevangeniswezen 3,0 miljoen UNMIK

* Energievoorziening 6,0 miljoen UNOPS
* Hulpgoederentransport 0,5 miljoen Defensie
* Hulp via geniehulpbataljon 1,0 miljoen Defensie
* Ontmijning 1,4 miljoen Halotrust

* Diversen 1,0 miljoen
Humanitaire hulp Macedonië 0,5 miljoen hulp aan gastgezinnen Humanitaire hulp Albanië 1,1 miljoen SNV en Watertanks Subtotaal 88,1 miljoen
Wederopbouwhulp Kosovo

* Bijdrage UNMIK 11,0 miljoen


32,0 miljoen

1e tranche Kosovo


2e tranche Kosovo

* Kredietfaciliteit Kosovo 1,6 miljoen FMO Macrosteun in de regio

* Macedonië 20,0 miljoen via NIO

* Bosnië 8,8 miljoen via Wereldbank

* Montenegro 2,2 miljoen via NIO

* Moldavië 22,0 miljoen via Wereldbank Subtotaal 97,6 miljoen
Bijdrage aan de MFO's

* ICCO 11,3 miljoen Verhoging Medefinancieringsprogramma
* NOVIB 6,9 miljoen

* HIVOS 2,3 miljoen

* BILANCE 11,5 miljoen
Subtotaal 32,0 miljoen
Vredesopbouw en democratisering

* Ondersteuning media 0,6 miljoen Press now (FRJ) OVSE

* Verplichte bijdrage PM maximaal 2,0 miljoen
* Uitzenden van waarnemers 0,5 miljoen Kosovo Personeel en materieel 2,1 miljoen
Subtotaal diversen 3,2 miljoen + PM
Nog toe te wijzen 14,6 miljoen
TOTAAL BESCHIKBAAR 237,5 miljoen


Bijlage 2 Lijst van afkortingen

DAC 'Development Assistence Committee' van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Stelt lijst van officiële ontwikkelingslanden op volgens haar criteria

EBRD European Bank for Reconstruction and Development

EC Europese Commissie

EIB Europese Investeringsbank

EU Europese Unie

EZ Ministerie van Economische Zaken

FMO Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V.

FRJ Federale Republiek Joegoslavië

HGIS Homogene Groep Internationale Samenwerking

HLSG High Level Steering Group

IBTA Investeringsbevordering en Technische Assistentie

IFC International Finance Cooperation

IFI's International Financial Institutions

IMF International Monetary Fund

KFOR Kosovo Force

LNV Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

MATRA Programma voor Maatschappelijke Transformatie

MFO Medefinancieringsorganisatie

MKB Midden en Klein Bedrijf

NGO Niet-gouvernementele organisatie

ODA Official Development Assistence

OS Ontwikkelingssamenwerking

OBNOVA Ondersteuningsprogramma van de Europese Unie t.b.v. Bosnië-Herzegovina, Kroatië, FRJ en Macedonië

PHARE: Ondersteuningsprogramma van de Europese Unie t.b.v. Albanië, Bulgarije, Estland, Macedonië, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en de Tsjechische Republiek

PKP Programma Kleine Projecten

PRP Priority Reconstruction Programme

PSO Programma Samenwerking Oost-Europa

SENO Stichting Exportkredietverzekering Nederland/Oost-Europa

SFOR Stabilisation Force (Bosnië-Herzegovina)

SNV Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie

UNHCR United Nations High Commissioner for Refugees

UNIPTF United Nations International Police Task Force (Bosnië-Herzegovina)

UNMIBH United Nations Mission in Bosnia-Herzegovina

UNMIK United Nations Interim Administration Mission in Kosovo

UNOPS United Nations Office for Project Services

VN Verenigde Naties

VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten

VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat

WB Wereldbank

WTO World Trade Organisation

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie