Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

"Pensioenregelingen mogen arbeidsdeelname niet beletten"

Datum nieuwsfeit: 11-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE SZW

www.minszw.nl

SZW: Toespraak Hoogervorst

Nr. 99/202
11 november 1999

Embargo:
11 november 1999 tot
11.00 uur

Hoogervorst: pensioenregelingen mogen arbeidsdeelname niet frustreren

Vergroting van de arbeidsdeelname van ouderen is ook in het belang van de pensioenfondsen. Vanuit dat belang zouden pensioenfondsen nog eens kritisch moeten kijken naar hun pensioenregelingen. De omzetting van vut-regelingen naar flexibel pré-pensioen is nog lang niet overal geregeld. Nog niet alle pensioenfondsen kennen knipbepalingen die het mogelijk maken dat oudere werknemers tegen een lager loon blijven doorwerken zonder dat ze daarvoor worden gestraft met een lager pensioen. En ook de manier waarop de premievrije pensioenopbouw van mensen in de WAO is geregeld verdient kritische aandacht. Dit zegt staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een bijeenkomst van de Stichting Ondernemingspensioenfondsen op 11 november 1999 in Scheveningen. De staatssecretaris noemde het verder positief dat de totale pensioenlasten vorig jaar beheerst zijn gebleven.

Toespraak door staatssecretaris J.F. Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het jaarcongres van de Stichting Ondernemingspensioenfondsen op 11 november 1999 in Scheveningen.

Hartelijk dank voor de uitnodiging om u hier vandaag toe te spreken op uw laatste jaarvergadering van deze eeuw. Ik denk dat het nauwelijks overdreven is te stellen dat het de pensioenfondsen beter gaat dan ooit. De economie is sterk, de beleggingsrendementen ontwikkelen zich ook dit jaar behoorlijk en de structurele vooruitzichten voor de komende jaren lijken zeker niet ongunstig.

Geen millenniumproblemen dus in pensioenland. Ik kan me voorstellen dat u er vandaag ontspannen bij zit. Dat maakt het er voor mij niet gemakkelijker op. Want mijn doel voor vandaag is juist om een gevoel van urgentie over te brengen. Ik wil het vandaag nu eens niet hebben over thema.s die het afgelopen jaar het politieke pensioendebat hebben bepaald - de taakafbakening, PSW 2B of bijvoorbeeld medezeggenschap. Ik wil het hebben over onderwerpen die ten onrechte wel eens onder dreigen te sneeuwen. Het gaat dan om het pensioenconvenant, het ouderenbeleid in het algemeen en om de rol van de pensioenfondsen daarbij in het bijzonder.

Ik begin met het pensioenconvenant. Zoals u weet is bij het afsluiten van het convenant in 1997 tussen de Stichting van de Arbeid en mijn ambtsvoorganger een werkgroep ingesteld die tot taak heeft bij te houden in hoeverre de afspraken worden nageleefd. Doel van het convenant is om de pensioenregelingen te moderniseren onder de randvoorwaarde dat dit niet leidt tot structureel hogere pensioenlasten. Bij modernisering hebben we het dan over aanpassing van eindloonregelingen aan de eisen van deze tijd, over verlaging van de franchise, over de invoering van het keuzerecht tussen nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen en over een meer op maat gesneden nabestaandenpensioen als zodanig.

Inmiddels is de eerste tussenevaluatie van de werkgroep over het jaar 1998 afgerond. De berekeningen zijn voor ons uitgevoerd door de Verzekeringskamer.
Hoe kijk ik tegen de eerste resultaten aan?

Positief is dat de totale kosten van de pensioenregelingen vorig jaar beheerst zijn gebleven. Op macro-niveau zijn de lasten van de 102 onderzochte pensioenfondsen met 0,21%gedaald. Dat is een mooi resultaat. We mogen hieruit afleiden dat de gunstige beleggingsrendementen in 1998 en eerdere jaren de cao-partijen en de pensioenfondsen niet hebben verleid tot het bedenken van extra toeters en bellen aan de toch al vaak mooie regelingen voor de aanvullende oudedagsvoorzieningen. Dat is in het verleden wel eens anders geweest. In die zin beantwoordt het pensioenconvenant dus aan de hooggespannen verwachtingen. Dat is winst.

Toch is er mijns inziens geen reden tot genoegzaamheid. Want de beweging mag dan de goede kant op gaan, er beweegt nog te weinig. Van de 102 onderzochte pensioenfondsen hebben er slechts 13 hun regelingen in de geest van het convenant aangepast. Daarbij ging het om niet meer dan een kwart van de werknemers met een aanvullende pensioenregeling. Bovendien ging bij 4 van deze 13 onderzochte fondsen aanpassing van de regeling gepaard met een stijging van het lastenniveau.

Misschien is deze tussenstand niet maatgevend voor de eindstand. Tenslotte had de meting betrekking op de periode tot 1 januari van dit jaar. Misschien zijn de afgelopen maanden bij veel fondsen nog veranderingen op stapel gezet die pas straks in de metingen tot uiting komen.
Ik hoop het, maar ik ben er niet zeker van. Ik zie dan ook voldoende aanleiding de pensioenfondsen aan te sporen om alsnog de afgesproken modernisering krachtdadig ter hand te nemen. We zijn minder dan anderhalf jaar verwijderd van 1 maart 2001. Meer dan de helft van de looptijd van het convenant is al verstreken. De tijd begint dus te dringen.

Ik zeg dat met name ook omdat het convenant van groot belang is voor de premiebetalers. Alleenstaanden en tweeverdieneners mogen er op rekenen dat hun pensioen beter wordt afgestemd op de eigen leefsituatie. Nog steeds vindt bij ruim een derde deel van de werknemers in de marktsector pas pensioenopbouw plaats vanaf het niveau van de AOW van een echtpaar. Maar Nederland is allang niet meer het land van de kostwinners. Het gevolg is dat veel alleenstaanden en tweeverdieners geconfronteerd worden met een pensioengat. Het inkomen na pensionering kan hierdoor onder het niveau van 50% van het laatst verdiende loon uitkomen.
Ik weet: dit soort knelpunten kunnen niet van de ene op de andere dag worden weggenomen. Maar we kunnen wel stapsgewijs naar een oplossing toewerken. En dat vraagt om structurele verlaging van de franchise, die gefinancierd wordt door versoberingen elders in de pensioenregelingen.

Tot zover het convenant. Ik kom nu toe aan het ouderenbeleid en de rol daarbij van de pensioenfondsen. Zoals u weet is vergroting van de arbeidsdeelname van ouderen één van de speerpunten van het kabinet. En daar is alle reden voor. In Nederland ligt de gemiddelde uittredingsleeftijd voor mannen onder de 59 jaar en voor vrouwen op 55 jaar. Van alle mensen tussen de 55 en de 65 jaar werkt in Nederland ongeveer één op de vier. Nergens in de industrielanden zijn die cijfers zo laag.
Sinds 1993 tekent zich gelukkig een herstel af in de arbeidsdeelname van ouderen. Zo is de arbeidsdeelname van mannen tussen de 55 en de 59 jaar in vier jaar tijd gestegen van 55,3% naar 63,4%. Dat is bemoedigend. Verwacht mag worden dat dit herstel ook doorzet onder invloed van de krapte op de arbeidsmarkt. Niettemin is er alle aanleiding om die ontwikkeling op alle mogelijke manieren krachtig te bevorderen. Want we weten nu al dat in de komende tien jaar het aantal mensen in de leeftijdsgroep tussen de 55 en de 65 jaar fors zal toenemen. Momenteel is één op de zeven mensen van onze beroepsbevolking 55-plusser. Over tien jaar zal dat één op de vijf mensen zijn.

Zonder nader beleid zal de verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal - al dan niet vervroegd - gepensioneerden scheefgroeien.

Die dreiging moet worden afgewend. Dat vraagt in de eerste plaats om een cultuuromslag. Om een omslag naar een mentaliteit waarin ouderen niet voortijdig worden afgeschreven en waarin ouderen het zelf weer de normaalste zaak van de wereld vinden dat ze tot hun vijfenzestigste blijven doorwerken. Je hoort nog steeds dat mensen al op hun vijfenveertigste op verjaardagspartijtjes aan elkaar vragen: hoe lang moet jij nog? En ik ben bang dat er dan niet veel mensen zijn die zeggen: ik ben nu net op de helft van mijn actieve loopbaan. Het lijkt me nu een mooi moment om ergens anders aan een hele nieuwe carrière te beginnen.

Toch is zo.n omslag in mentaliteit heel belangrijk. Maar we moeten ook vaststellen dat de massale uittocht van oudere werknemers van onze arbeidsmarkt erg in de hand is gewerkt door de regelingen die kabinet en sociale partners in het verleden met elkaar bedacht hebben. Dan heb ik het niet alleen over het gebruik van WW en WAO als uittreedroutes, maar ook over de vormgeving van de vut- en de pensioenregelingen.

Op deze punten wordt uitvoerig ingegaan in de adviesaanvraag die het kabinet nu precies een half jaar geleden heeft doen uitgaan naar de Sociaal-Economische Raad. De SER is daar, naar ik begrepen heb, nog steeds druk mee bezig. Ik hoop dat de tijd die de SER zichzelf gunt zich zal vertalen in een advies van hoge kwaliteit, waarmee het kabinet zijn voordeel kan doen.

De bal ligt dus nog even bij de SER. Dat ontslaat andere partijen uiteraard niet van de plicht om ondertussen zelf ook verder te denken. En met die .andere partijen. bedoel ik niet alleen mijzelf en het kabinet, maar ook u, de pensioensector. Want in de adviesaanvraag in de SER worden ook een aantal kwesties aangeroerd die direct betrekking hebben op de aanvullende oudedagsvoorziening. Ik wil enkele van die punten graag met u doornemen.

De belangrijkste en wat mij betreft ook de meest urgente kwestie is de omzetting van VUT-regelingen in flexibele pré-pensioenregelingen. Er kan geen twijfel over bestaan dat de klassieke vut-regelingen uiteindelijk geheel dienen te verdwijnen. Vut-regelingen kosten handen vol geld, zijn ondeugdelijk gefinancierd en prikkelen de mensen tot ophouden met werken in plaats van doorwerken. De vut is een anachronisme in de hedendaagse krappe arbeidsmarkt. Daarover is iedereen het wel eens. Vandaar ook dat de Stichting van de Arbeid twee jaar geleden al met klem adviseerde aan cao-partijen om daar waar de vut nog bestaat, zo snel mogelijk te beginnen met de omzetting van de vut in flexibele pensioenregelingen.

Dat is duidelijke taal. Toch wijst onderzoek van de Arbeidsinspectie uit dat nog lang niet overal de daad bij het woord gevoegd is. In de helft van de cao.s is inmiddels sprake van een combinatie van vut en flexpensioen. Echter, bij 34 cao.s, waaronder ruim 900.000 werknemers vallen, zijn er nog steeds in het geheel geen afspraken gemaakt over flexibele pensioenregelingen en is nog steeds sprake van alleen een vut-regeling.

Duidelijk is dat het afbouwen van vut-regelingen en de vervanging daarvan door flexibele pensioenregelingen voortgang verdient.
En het lijkt mij ook duidelijk dat de pensioenfondsen daarbij zelf een actieve rol dienen te spelen in de richting van hun opdrachtgevers, de cao-partijen.
Want een grotere arbeidsdeelname van ouderen is ook in het belang van een breed draagvlak voor de aanvullende pensioenvoorziening. U weet net als ik dat de zekerheid van de oudedagsvoorziening niet alleen wordt bepaald door kapitaaldekking maar uiteindelijk ook door het economisch draagvlak.

De ervaring leert dat afspraken over omzetting van de vut in flexibel pensioen effectief zijn. In de bedrijfstakken waar dergelijke afspraken zijn gemaakt blijkt dat tot nu toe de uittredingsleeftijd gemiddeld 1,3 jaar hoger is komen te liggen en het uitkeringspercentage 2,2% lager is geworden ten opzichte van die in vut-regelingen. Dat zijn belangrijke resultaten, die brede navolging verdienen. Want kostenbeheersing, grotere arbeidsparticipatie en meer zekerheid voor de deelnemers gaat dan in één hand.

De omzetting van de vut naar flexibele pensioenregelingen staat niet op zichzelf. Het past in een trend die we al langer zien in pensioenland. Die trend is dat pensioenfondsen steeds meer integraal betrokken raken bij het arbeidsvoorwaardenoverleg. De taak van de pensioenfondsen wordt breder. Pensioenfondsen verzekeren niet alleen meer het inkomen in het traject boven de 65 jaar, maar ook daaronder. Pensioenfondsen verzorgen niet alleen een nabestaandenpensioen, maar verzekeren ook .WAO-gaten., ANW- en andere hiaten. De nieuwe wetgeving rond de taakafbakening biedt daarvoor - binnen bepaalde voorwaarden - ook de nodige ruimte.

Mijn punt is dat die bredere taken ook bredere verantwoordelijkheden met zich meebrengen. Om een voorbeeld te geven: op het moment dat pensioenfondsen aanvullende verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid aanbieden worden ze mede-belanghebbende in het beleid gericht op preventie en reïntegratie van arbeidsongeschiktheid. Net zoals een brandverzekeraar eisen stelt aan de brandwerendheid van woningen, is het niet meer dan logisch dat pensioenregelingen op zijn minst de arbeidsdeelname niet frustreren.

In dit verband lijkt mij een kritische blik op bepaalde elementen in de pensioenregelingen gerechtvaardigd. Wat te denken bijvoorbeeld van de pensioenopbouw van mensen die in de WAO zitten? Meestal is sprake van volledig premievrije voortgezette pensioenopbouw.

Is het verstandig dat iemand die op zijn 30e jaar overspannen wordt en in de WAO belandt vervolgens 35 jaar premievrij pensioen opbouwt?
Ligt het dan niet meer in de rede om een leeftijdsgrens in te bouwen, zoals dat ook gebeurt bij de pensioenopbouw van werklozen via het Fonds Voorheffing Pensioenen (FVP)? Nu kan het zelfs voorkomen dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die weer aan het werk gaat er qua pensioenopbouw op achteruitgaat. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat dit type regelingen herintrede tot de arbeidsmarkt ontmoedigt.

Soortgelijke kanttekeningen zijn te plaatsen bij de zogenoemde knipbepalingen. Het kan nog steeds voorkomen dat ouderen die korter willen werken of die in een lagere functie tegen een lager loon willen doorwerken daarvoor de rest van hun leven worden gestraft met een pensioen op basis van dat lagere laatstverdiende salaris. Op die manier worden deze mensen aangemoedigd om dan maar helemaal te stoppen met werken en te kiezen voor een riante vut-regeling. Nog niet alle pensioenfondsen kennen knipbepalingen die dit soort perverse effecten op de werkgelegenheid voorkomen.

Kortom, het lijkt mij een goede zaak dat pensioenfondsen naar dit soort zaken kijken en voorstellen doen voor het cao-overleg of dit zelf ter hand nemen. Want u weet net als ik dat ook pensioenfondsen een toenemend belang krijgen bij grotere arbeidsdeelname van ouderen. Activerende pensioenfondsen. Het lijkt mij een wenkend perspectief voor de volgende eeuw.


- LET OP EMBARGO -

11 nov 99 11:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie