Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA over Welzijnsnota Werken aan Sociale Kwaliteit

Datum nieuwsfeit: 11-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Welzijnsnota Werken aan Sociale Kwaliteit (101199)

Welzijnsnota Werken aan Sociale Kwaliteit (101199)

De CDA-fractie is van mening dat doelgroepen in de welzijnsnota onvoldoende aan bod komen. Niet doelgroepen van mensen (ouderen, gehandicapten, vrijwilligers, allochtonen etz.) staan centraal, maar structuren en managersoverleg tussen (clusters van) organisaties. Het CDA vindt dat in het welzijnswerk aangesloten moet worden bij de belevingswereld van mensen in plaats van bij de overweging hoe alles het gemakkelijkst geregeld kan worden door de overheid. Niet de mensen aanpassen aan de structuur, maar de structuur aan de mensen.

Den Haag, 10 november 1999

Inbreng

Tijdens begroting al aangegeven dat CDA-fractie vindt dat de doelgroepen wat buiten beeld raken: er zou geen integrale notitie over het vrijwilligerswerk komen, geen over het ouderenbeleid, geen over het gehandicaptenbeleid. Er zou één brede welzijnsnota komen, waarin alles zou worden opgenomen. Verwachtingen waren daarom hoog gespannen, en misschien ligt het daaraan dat wij bij lezing van Werken aan Sociale Kwaliteit teleurgesteld waren.

Als ik zicht probeer te krijgen op de doelgroepen binnen de nota raak ik de draad kwijt. Niet doelgroepen van mensen zelf lijken centraal te staan maar structuren en allerlei managersoverleg tussen (clusters van) organisaties.
Waar zeker in het welzijnswerk moet worden aangesloten bij de belevingswereld van de mensen om wie het gaat komt de aanpak tegenstrijdig over.
Onze verwachting was dat op grond van de maatschappelijke analyse:
1. Hoofdlijnen van beleid zouden worden weergegeven inzake mensen met een handicap, ouderen, vrijwilligers- en verenigingsleven, allochtonen, etc.

2. Hoe een integrale aanpak vanuit betrokken disciplines er uit zou moeten zien, waarbij vervolgens zou worden aangegeven:
a. wat wordt verwacht van mensen zelf of van hun (zelf)organisaties.
b. wat wordt verwacht van professionele instellingen.
c. wat de rolverdeling tussen de departementen en overheidslagen zal zijn;

Nu lijkt het omgekeerde aan de orde: Wij bouwen een integrale structuur (BANS: Bestuursakkoord Nieuwe Stijl) tussen de overheidslagen, en de rest van de wereld moet zich daaraan aanpassen. Topdown, niet vanuit de mensen. Op deze manier passen de structuren zich niet aan aan de mensen, maar omgekeerd.
Je zou verwachten dat het landelijk geld tenminste voor een groot deel zou worden besteed aan ondersteuning van een beperkte infrastructuur van samenwerkend initiatief van mensen zelf (lotgenoten), maar is dat zo?

1. Worden zelforganisaties van allochtonen nog gesubsidieerd straks?
2. Hoe gaat U verder met facilitering van de ouderenbonden? Ergens staat een zinsnede dat er veel goede dingen gebeuren, maar dat het wel moet passen binnen de programmastructuur. Is dit een inleiding tot bezuiniging of intrekken van subsidies. Over wie heeft U het dan? Kunt U voorbeelden noemen?
CDA-fractie wenst zich niet gebonden te achten aan deze nota als basis voor wijzigend subsidiebeleid, daarvoor is hij veel te weinig concreet, en is in onze ogen de verkeerde aanpak gekozen via het interoverhedenoverleg.

(vb. moedercentra (PvdA, pag. 11, verslag): lokaal niveau bepalen of dit past binnen de programmering inzake het voorkomen van sociale uitsluiting; dat terwijl de moedercentra zelf juist behoefte hebben aan contact met elkaar, om elkaar te stimuleren, verder te helpen en versterken empowerment dus)

Gevolg: doelgroepen buiten beeld; teloorgang pluriformiteit; in verdrukking raken vrijwilligersorganisaties (lotgenoten, zelforganisaties) en verenigingsleven. Ik hoop dat ik het verkeerd heb, en vraag de staatssecretaris om mij duidelijk te maken dat ik de gevolgen van deze aanpak verkeerd inschat, en waarom.

In de analyse wordt oppervlakkig langs een aantal zaken gewandeld, waar veel meer bij op te merken valt, met andere conclusies voor de aanpak. Twee voorbeelden ter adstructie:

1. Betrouwbaarheid macrogegevens en beleving microniveau: U geeft terecht een sprekend voorbeeld over het verschil tussen objectieve gegevens en de meer subjectieve belevingswereld over mensen uit een wijk, die zich niet arm voelen.

a. Wassenaar als gemeente met veel arme inwoners leverde vaak veel gegniffel vanwege het grote aantal villas aldaar.
b. In mijn woonplaats Helmond hielden de vrouwenorganisaties een uitgebreid onderzoek naar onveilige plekken voor voetgangers en fietsers. Maar er kwam een reactie uit het apparaat dat dit niet strookte met de objectieve criminaliteits-cijfers. Niet werd daarbij opgemerkt dat vrouwen op die onveilige plekken niet kwamen.
c. Vorige week overleg verdeelsleutel gelden maatschappelijke opvang, etc. gaf de Raad voor financiële verhoudingen (Rvf) aan dat weinig meetbare objectieve gegevens bekend waren om als kostenveroorzakende factoren gewogen te worden.
In gewoon Nederlands: moeten wij als politiek niet veel meer af durven gaan op dat meer subjectieve belevingsgevoel dat van alle kanten naar ons toe komt vanuit de doelgroepen, zoals bv. Samenwerkingsverband van Mensen zonder Betaalde Baan, of de zelforganisaties van allochtonen, of Gehandicaptenraad?


2. Arbeidsproductiviteit/welvaart/tweedeling: de hoge arbeidsproductiviteit in ons land heeft niet alleen samenhang met de technologische vernieuwing maar ook met de veel geringere arbeidsparticipatie in vergelijking met omringende landen. Dat geldt mensen met een handicap, ouderen, allochtonen. Vaak gevolg van bestaande vooroordelen over de productiviteit van deze mensen. Maar wij hebben zelf in de tijd van de verzorgingsstaat als overheid meegewerkt aan het betaald niet-actief zijn op de betaalde arbeidsmarkt, waardoor mensen snel in een of andere regeling kwamen wanneer ze geen topprestaties konden leveren.

Als vervolgens de speerpunten komen, vertaald in programmalijnen, zoals bevorderen participatie en/of voorkomen van sociale uitsluiting, zou je toch verwachten dat vanuit het perspectief en de perceptie van de doelgroepen van welzijnsbeleid een aanzet tot programma wordt gemaakt, Maar in de programmalijn participatie wordt bestaand overheidsinstrumentarium opgesomd dat op zichzelf nog altijd aan het mankement lijdt dat de doelgroepen zelf niet worden betrokken bij de aanpak van de problemen van bijvoorbeeld hardnekkige langdurige werkloosheid. (MKB werf bij de Moskee!)
Doelstellingen, dus programmalijnen, wel erg kort om de bocht:
1. Bevordering van participatie en toegankelijkheid: vooral toegang tot voorzieningen en diensten. Is dat zo? Welke voorzieningen? Bij de programmalijn zelf: algemene doelstellingen van emancipatiebeleid en tegengaan van discriminatie, faciliteren van organisaties van burgers en het betrekken van maatschappelijke organisaties. En dan worden wat doelgroepen genoemd: derde opvoedingsmilieu voor jeugdigen via goede sociale en pedagogische voorzieningen buiten gezins- en schoolverband (kinderopvang, buitenschoolse opvang, actieprogramma jeugdparticipatie)

2. Voorkomen sociale uitsluiting: tegengaan discriminatie. Programmalijn: opstap naar arbeidstoeleiding, ondersteuning in leefomgeving.

3. Via lokaal sociaal beleid (Grote Steden, platteland) is het 4e speerpunt:

4. Professionaliteit en kwaliteit van voorzieningen: je zou verwachten dat dit vooral een verantwoordelijkheid zou zijn van (koepels van) die instellingen zelf.

5. Onderzoek, monitoring en informatievoorziening vinden wij een logische, ook al moeten we hierbij de relativering in de gaten houden van het verschil in zgn. objectieve gegevens en subjectieve beleving op microniveau.

Aansturing is volstrekt topdown:
Het lijkt wel of het samenspel tussen de drie overheidslagen tot doel van deze nota is verheven, in plaats van een samenspel om de doelstellingen van het welzijnsbeleid te bevorderen. Juist hier missen wij de input van zowel de professionele sectoren, of dit nu verslavingsdeskundigen zijn, kennis van mogelijkheden van mensen met een verstandelijke handicap, ouderenbonden, mensen uit vrouwenopvang, etc..
Dat vonden wij ook al van de nota breedtesport, kinderopvang, etc. Hier tekent zich een lijn af die ons absoluut niet bevalt. Door eerst alle overheidsneuzen dezelfde kant op te zetten qua prioriteiten en werk-methode (weg regionale en lokale verschillen en beleidsvrijheden), en vervolgens de burgers en hun organisaties nog slechts uitvoerders te maken demotiveert U het vrijwilligerswerk eerder dan dat U het stimuleert.
Welke input kunnen relevante maatschappelijke organisaties leveren, althans ik neem aan dat U hiermee ook de door mij genoemde zelforganisaties van doelgroepen bedoeld, zoals ouderenbonden, organisaties van allochtonen, landelijk samenwerkingsverband achterstandsgebieden (LSA), actie Nederland bekent Kleur, enzovoorts, enzovoorts? Ook in de vroege fase van het kiezen van prioriteiten en werkwijze? Nergens in de nota vinden we hier iets over terug. Wordt hiermee niet gewerkt aan het bereiken van een eenvormigheid en afstand van wat mensen beweegt dat het lijkt alsof we naar staatsverzorging gaan als opvolger van de verzorgingsstaat?

Vrijwilligerswerk:
In het begin warme woorden over vrijwilligerswerk als belangrijke pijler van onze samenleving, met groot economisch nut. Maar in de rest van de nota komen we alleen nog maar bestuurders, ambtenaren en professionals tegen. Niet de mensen als klant van de instellingen, maar de overheid. En dan kom ik weer terug op mijn eerdere conclusie: teloorgang pluriformiteit en het in verdrukking raken van vrijwilligerswerk en verenigingsleven.
Die spontane eigen organisaties (sport, amateurkunst, natuur, hobbyclubs) zouden als eerste in staat gesteld moeten worden om te overleven in de nieuwe tijd, aan het nieuwe profiel van vrijwilligers: minder institutioneel meer informeel; vrijwilligers die zeer bewust, maar vaak ook zeer tijdelijk bepaalde werkzaamheden willen verrichten.

Tijdens het begrotingsdebat zij de staatssecretaris dat de fiscale behandeling van het verenigingsleven was geregeld. Toch kreeg mijn collega Stroeken op diezelfde dag (do 28 oktober jl.) een mail over een koor in Noord Limburg, naar aanleiding van een visite bij de belastingdienst: als voorbeeld

zangers ingeleend bij ander koor (tekort tenoren) voor 3 repetities en 1 uitvoering. 4 tenoren in een auto, 130 km. per keer. Autokosten vergoed tegen vriendenprijs van fl. 25,-- per keer. (normaal fiscaal toegestaan tarief zou 60,- per keer zijn)

Dat was dus helemaal fout:

a. de repetities mochten wel tegen autokostenvergoeding, maar dan moest dat per keer per auto aangetoond worden via een kwitantie of ander bewijs;

b. de uitvoering moet dit bedrag per persoon op een voor iedere persoon aparte loonstaat, want al zijn het amateurs, in een concert ben je artiest, en zijn de reiskosten in beginsel belastbaar, dus moet die 25,- worden opgesplitst over die 4 zangers

c. hetzelfde geldt een reiskostenvergoeding aan bv. een organist, wanneer deze meewerkt aan het zingen tijdens een uitvaart. Ook hier geldt: repeteren tegen vergoeding van de onkosten mag, mits met bewijzen onderlegd, maar H. Mis is een uitvoering, dus moet de artiestenregeling worden gevolgd.
Dit soort zaken bedoelen wij nu, voorzitter. Hoe wil je nu mensen stimuleren om sociaal-maatschappelijk en betrokken actief te zijn (dus bv. alleen de reiskosten te vragen voor bepaalde diensten), als de overheid dit soort regelgeving oplegt.(alleen accountants en fiscalisten gevraagd als penningmeester?)

Dan heb ik het maar over één departement (financiën), en nog niet over de regels van bijvoorbeeld VROM vanwege het milieu, diploma sociale hygiëne in verband met het alcoholbeleid, en zo zijn er meer beleidsterreinen te noemen.
Vandaar dat wij onze motie over de vrijwilligerstoets hebben ingediend, en wij zijn daarin alleen nog maar gesterkt door dit soort impressies op microniveau.

Sociaal zwakke groepen:
Nu is een koor wellicht nog een activiteit die grotendeels drijft op vrijwilligers die aan de kant staan van wat U in de inleiding noemt het gaat goed in Nederland. Maar als het voor hen al zo moeilijk is of wordt gemaakt, wat denkt U dan van de mensen die doelgroep van beleid zijn omdat zij in een uitermate zwakke positie verkeren?

Is vanuit het welzijnsbeleid niet juist van belang om te zorgen voor versterking van de kracht van henzelf via een infrastructuur van lotgenoten? Uit zoveel projecten is al gebleken dat goede resultaten worden bereikt als mensen zelf ook initiatief kunnen nemen en dit zelfstandig oppakken. Good Practice blijkt vooral in eigen kring: zie het voorbeeld van de moedercentra of de zwarte migrantenvrouwen. Succesvolle voorbeelden uit eigen kring zijn veel stimulerender dan een aantal gesprekken met de vaste consulent arbeidsintegratie, of dit nu door GAK, SUWI of Gemeente is.

Het liefst zagen wij een aparte programmalijn stimulering van kleinschalige initiatief van burgers in de samenleving. Want het blijft van groot belang voor de ontwikkeling van werkmethodes, dat hier ervaringen mee worden opgedaan.
Wat vindt de staatssecretaris van deze suggestie. Is zij bereid daar naar te kijken, en dit alsnog toe te voegen? Of kan het op zijn minst onderdeel zijn van enkele grotere programmalijnen, zoals bevorderen maatschappelijke activering of tegengaan van sociale uitsluiting.

CONCLUSIE: Deze nota is niet rijp als beleidsnota voor het welzijnsbeleid voor de rest van de kabinetsperiode. Wij vinden dat eerst een vervolg moet komen waarin meer helderheid tot stand wordt gebracht rondom de mensen om wie het gaat.

Kamerlid: Nancy Dankers

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie