Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief over gevolgen van landenkeuze voor bilaterale hulp

Datum nieuwsfeit: 11-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE BZ/OS

www.os.minbuza.nl

MINOS: Brief aan de Tweede Kamer over gevolgen van landenkeuze

Brief aan de Tweede Kamer over gevolgen van landenkeuze voor bilaterale hulp

Op 28 juni dit jaar overlegde minister Herfkens met de Tweede Kamer over het landenbeleid. Zij beloofde de Kamer in november meer informatie over de uitvoering van dat beleid en over de gevolgen voor de begroting. In bijgaande brief van 10 november komt minister Herfkens deze belofte na. De zogenaamde '17 + 3', de themalanden en de landen waarin het
ontwikkelingssamenwerkingprogramma wordt afgebouwd komen aan de orde. Ook de financiële en de personele consequenties worden beschreven. In de bijlagen (niet bijgevoegd) bij de brief wordt per land ingegaan op de gevolgen van het nieuwe beleid.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal

Datum 10 november 1999
Kenmerk BSG/PL/125/99
Betreft Uitvoering bilaterale hulpbeleid


1. Inleiding

Tijdens het overleg met de Commissie voor Buitenlandse Zaken over het landenbeleid van 28 juni 1999 heb ik toegezegd vóór de eerstvolgende begrotingsbehandeling de Kamer een overzicht te zenden van de invulling van het bilaterale beleid in de betrokken landen. Het gaat daarbij per land om de sectorkeuze, de meerjarige financiële allocatie en de eventueel noodzakelijke exitstrategie.

Sedert de definitieve vaststelling van de landenkeuze in juni is hard gewerkt aan de uitwerking van de principes van een sectorale benadering en de toepassing daarvan in de geselecteerde landen. Aan de Posten in de betrokken landen is gevraagd om breed overleg te voeren over de nieuwe invulling van het programma en de wijze waarop bestaande activiteiten worden voortgezet dan wel afgebouwd. Het resultaat daarvan heeft zijn weerslag gevonden in de jaarplannen van de ambassades voor het jaar 2000, die de basis vormen voor de in de bijlage bij deze brief opgenomen landenoverzichten. De definitieve vaststelling van die jaarplannen zal voor het einde van dit jaar plaatsvinden.

De beschouwingen per land betreffen niet alleen de 17 + 3 landen waarmee een structurele bilaterale relatie zal worden aangegaan, maar ook de landen op een themalijst en de landen waar een exitstrategie van toepassing is. Daarbij zij opgemerkt dat voor landen die uitsluitend in aanmerking komen voor steun uit het bedrijfslevenprogramma geen informatie vooraf kan worden geboden over het verwachte
bestedingspatroon. De allocatie van deze vorm van steun is immers de resultante van het verloop van daadwerkelijk gerealiseerde transacties van het bedrijfsleven. In de aan de Kamer toegezegde notitie 'Economie en Ontwikkeling' zal nader op de invulling van het bedrijfslevenprogramma worden ingegaan.

Bij de in deze brief genoemde bedragen gaat het uitdrukkelijk om begrotingstoewijzingen, waarbij het land een meerjarenperspectief wordt geboden. De daadwerkelijke besteding is uiteraard afhankelijk van de kwaliteit en de voortgang van de voorgenomen activiteiten. Meer dan in het verleden is de besteding van de landenallocaties een vraaggestuurd proces waarin ruimte moet worden geboden voor bijstellingen. Ook de macro-georienteerde programmahulp is verwerkt in het meerjarenperspectief. De goedkeuring en allocatie van deze hulp voor de 17+3 landen en de vijf in de brief van 26 februari genoemde voormalige communistische landen wordt daartoe geïntegreerd in de jaarplancyclus. Voor non-sectorale programmahulp en schuldverlichting geldt overigens in het bijzonder dat reserveringen kunnen worden bijgesteld in het licht van recente beleidsontwikkelingen in de betrokken landen. Over de toekomstige inrichting van de macro-georienteerde programmahulp, mede in het licht van het rapport van de Algemene Rekenkamer, gaat U een separate notitie toe.

Tesamen levert de informatie over de verschillende landenprogramma's een beeld van de algemene verschuiving van projecthulp naar programmahulp en de gewijzigde sectorale verdeling van de bilaterale hulp. Daarnaast wordt een indruk verkregen van de omvang van vrijvallende fondsen. Deze fondsen zullen zoals toegezegd op 28 juni de komende jaren beschikbaar blijven voor het bilaterale hulpprogramma. Aan het einde van deze brief zal ik kort ingaan op de inzet van de vrijkomende middelen in de komende jaren.


2. Uitwerking landenbeleid en sectorale benadering

In april en mei van dit jaar zijn voor de posten van de 17+3 landen driedaagse workshops georganiseerd. Hier is met de OS- medewerkers gesproken over het ingezette beleid, de sectorale benadering, de mogelijke vormgeving daarvan in elk van deze landen en de specifieke vragen waarvoor de posten zich gesteld zagen. Deze serie workshops is afgesloten met een afrondende bijeenkomst eind juni, waar ik op onderdelen beleidsmatige verduidelijking heb verschaft op vragen die in de workshops opgekomen waren.

In deze periode werd aan de posten in de 17+3 landen verzocht de eerste stappen te zetten tot doorvoering van dit beleid in de programma's in deze landen. De posten werd verzocht om een beleidsdialoog aan te gaan met de ontvangende overheid, met de civil society in het land en met collega-donoren. Daarin is de Nederlandse wens aan de orde gesteld om te komen tot concentratie in een beperkt aantal sectoren in het samenwerkingsprogramma en tot een aanpak in het programma volgens de uitgangspunten van sectorale benadering: ownership van beleid en uitvoering bij de ontvanger, maximale donorcoördinatie, sectorale begrotingssteun waar mogelijk, aangevuld met projecthulp waar nodig, bijvoorbeeld ter versterking van de capaciteit aan ontvangerskant.

In een aantal landen bleek het traject om te komen tot een sectorale benadering relatief eenvoudig, omdat bijvoorbeeld reeds vergevorderde vormen van donorcoördinatie zijn doorgevoerd, de overheid zelf de uitgangspunten van de sectorale benadering reeds hanteert in de samenwerking met donoren, of over sectorale concentratie op hoofdpunten reeds overeenstemming bestaat. In andere landen bleek meer tijd nodig en werd door de Post in eerste instantie een 'stappenplan' opgesteld om te komen tot de gevraagde sectorkeuze door het ontvangende land.

In juli werd de Aanschrijving Jaarplan 2000 aan de betrokken posten verzonden. Hierin werd hen gevraagd om per half oktober een jaarplan in te dienen op basis van de voorstellen voor sectorale concentratie, waar nodig na afwikkeling van het genoemde 'stappenplan'. Voorts werd aan de Posten gevraagd om het jaarplan 2000 in een meerjarig, voortrollend perspectief te plaatsen, en een vooruitblik voor de komende drie jaar te geven van de ontwikkeling van het programma volgens de sectorale benadering. Onderdeel daarvan is immers ook een afbouw van aktiviteiten in niet-geselecteerde sectoren, en simultaan een opbouw van de programma's in de wel geselecteerde sectoren. Hierbij werd vooralsnog aan de posten als financieel kader meegegeven, dat het totaal aan beschikbare gedelegeerde bilaterale middelen voor het land op het niveau van de in 1999 toegekende budgetten zal liggen.

Ook in de landen waar de themaspecifieke instrumenten voor milieu, mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur zullen worden ingezet is een aanvang gemaakt met de uitvoering van het toegespitste beleid. In de Aanschrijving Jaarplan 2000 is voor beide thema's zowel een algemeen als een landenspecifiek beleidskader aan de posten toegegaan.

Al eerder was aan de posten verzocht een zogenaamde exitstrategie voor activiteiten in de niet-geselecteerde landen en sectoren op te stellen. De essentie daarvan was dat een correcte afbouw dan wel overdracht van de projecten plaatsvindt, waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Het streven was om behoudens aantoonbare noodzaak in de exit-landen en - sectoren geen nieuwe committeringen aan te gaan en de Nederlandse betrokkenheid binnen drie jaar af te bouwen. Deze meerjarige exitstrategieën zijn vervolgens vastgesteld en hebben mede als uitgangspunt gediend voor de jaarplannen voor het jaar 2000.


3. Samenvatting landenoverzichten

De per half oktober ingediende jaarplannen zijn in zeer korte tijd beoordeeld. Een korte samenvatting van de resultaten daarvan per land wordt in de bijlage gegeven. Voor de thema- en exit-landen is in de tabellen in de bijlage een voorlopig meerjarig financieel beeld t/m 2002 geschetst. Zoals gezegd zijn voor het bedrijfslevenprogramma geen gegevens opgenomen. Voor de 17+3 landen is de allocatie voor 2001 en 2002 vooralsnog gelijk aan die van 2000 gehouden (zie par. 5). Het financiële kader voor de landen in de Balkan-regio is afzonderlijk behandeld in de Balkan-notitie en is dan ook niet in de bijlage vermeld.


3.1 Structurele samenwerkingslanden

Voor de 17+3 landen zijn de volgende hoofdlijnen voor het ingezette programma zichtbaar. In 18 van de 20 landen is de beleidsdialoog over de sectorkeuze gevoerd. In 14 daarvan is het keuzeproces inmiddels afgerond. Gezien de politieke situatie in Ethiopië en Eritrea heb ik de dialoog daar stilgelegd. In de komende maanden zullen de ontwikkelingen terzake worden afgewacht; indien rond de zomer 2000 geen wezenlijke verbeteringen zijn opgetreden, zal ik de hulprelatie met beide landen heroverwegen. In de overige 4 landen, India, Sri Lanka, Bangladesh en Mali, is het proces nog niet voor alle sectoren afgerond en is meer tijd nodig om tot een zorgvuldige afweging en definitieve beslissing te kunnen komen.

De ambassades hebben de beleidsdialoog gevoerd met de overheid, vooral op nationaal niveau, met maatschappelijke organisaties en met andere donoren. In het algemeen wordt het gewaardeerd dat Nederland, vaak als eerste donor, de verantwoordelijkheid voor de keuze van sectoren bij het land zelf legt. Toch was het niet in alle gevallen een gemakkelijk proces. Juist vanwege het nieuwe karakter, waarbij vraaggerichtheid en 'ownership' voorop stonden, liep de dialoog soms wat onwennig en is in enkele gevallen de keuze uiteindelijk op verzoek van het ontvangende land een gezamenlijke beslissing geworden. In het algemeen ben ik echter van mening dat voldoende dialoog plaatsvond om tot keuzes van sectoren te kunnen komen en dat de gekozen sectorale benadering voortgezet kan worden.

Voor de landen waar het keuzeproces is afgerond, kan gesteld worden dat het totaal aantal sectoren waarin de posten werkzaam waren met bijna 40% is afgenomen. In het algemeen kan gezegd worden dat voor het ontvangende land de bestaande Nederlandse betrokkenheid in een of meer sectoren mede een factor is geweest bij de keuze van die sectoren. Dat is zeker het geval voor die landen waar de sectorale benadering in verschillende sectoren al een eind gevorderd is. Het voorlopige totaalbeeld van de sectorkeuze wijkt in zijn samenstelling in beperkte mate af van de huidige programma's. Gezondheid, onderwijs en plattelandsontwikkeling blijven in deze landenprogramma's belangrijke sectoren, evenals de sector water. De milieu-sector is relatief minder vaak vertegenwoordigd in de selectie door de 14 landen waar een definitief voorstel op tafel ligt. Op de effecten die dit binnen het bilaterale programma heeft voor de realisatie van de milieudoelstelling kom ik in de loop van 2000 terug.

Het werken volgens een Sectorale Benadering wordt door de overheden toegejuicht. Men heeft er in een aantal landen in sectoren als onderwijs en gezondheidszorg al vaak jaren ervaring mee opgedaan. De fase waarin de sectorale benadering verkeert loopt echter sterk uiteen: in sommige landen staan we aan het begin, in andere is de sectorale benadering al redelijk verankerd.
De implementatie van de sectorale benadering blijkt in de praktijk een proces van lange adem, niet in de laatste plaats door de vaak zwakke institutionele capaciteit in de landen. Versterking van die capaciteit, binnen de geselecteerde sectoren en in een aantal landen ook op andere vitale onderdelen van de overheid (zoals de nationale rekenkamer), vormt in veel van de 17+3 landen onderdeel van de overeengekomen samenwerking. De komende jaren is nauwlettende aandacht nodig voor de sector-doorsnijdende en -overstijgende thema's als milieu en vrouwen en ontwikkeling.

In de betrokken landen is in 2000 een verschuiving waarneembaar van projecthulp naar sectorale en macro- georiënteerde programmahulp, en in meerjarig perspectief wordt deze verandering verder doorgezet. Om dit proces te stimuleren is een aantal maatregelen genomen. Ten aanzien van de schuifvrijheden binnen de gedecentraliseerde budgetten is bepaald dat kan worden geschoven van projecthulp naar programmahulp, maar niet andersom. Voorts kan er van gedecentraliseerde budgetten worden geschoven naar non- sectorale programmahulp en schuldverlichting, onder voorbehoud van een beoordeling van het gevoerde beleid, welke vooralsnog in Den Haag zal worden uitgevoerd. Daarbij zal, zoals ook is aangegeven in het rapport van de Algemene Rekenkamer over programmahulp, nauwgezet worden toegezien op het hanteren van de criteria die van toepassing zijn op macro-georienteerde programmahulp.

De verschuiving richting programmahulp kent beheersmatige risico's die voortvloeien uit een mogelijk onvoldoende beheerscapaciteit van overheden in ontwikkelingslanden. De ambassades proberen deze risico's in een zo vroeg mogelijk stadium in kaart te brengen en waar nodig flankerende maatregelen te treffen. Een voorbeeld daarvan is het ondersteunen van de capaciteit van lokale accountants en rekenkamers.


3.2 Themalanden


3.2.1 Milieu

De jaarplannen van de landen die in aanmerking komen voor het milieuprogramma sluiten aan bij de eerdergenoemde landenspecifieke beleidskaders. Die wijzen zowel op mogelijkheden van ondersteuning van de ontwikkelingslanden bij de implementatie van de internationale milieuconventies als op de mogelijkheid voort te bouwen op aandachtsvelden die in het betrokken land reeds onderdeel waren van de
samenwerkingsrelatie.

Het realiseren van een volledige sectorale benadering op milieugebied blijkt niet eenvoudig. Het milieubeleid is nog zelden ingebed in een integrale institutionele structuur en de bij onderdelen van het milieubeleid betrokken instituties zijn veelal nog zwak geëquipeerd.

De aanpak per land loopt derhalve uiteen. Soms zoekt men naar versterking van de institutionele capaciteit via een sectoranalyse die vooral ingaat op institutionele en beheersmatige aspecten, soms speelt men in op het politieke proces en de gevolgen daarvan op de plaatsbepaling van milieu in het overheidsbeleid. Over het algemeen is het streven er op korte termijn op gericht om per land een samenhangend en consistent milieupakket te realiseren en daarbij inhoud te geven aan ownership in de sector.
Activiteiten in het kader van 'Activities Implemented Jointly' die een beslag leggen op de personele capaciteit van de ambassades krijgen voor het eerst aandacht in de jaarplannen. Maar ook institutionele versterking en milieuwetgeving komen in vergelijking met voorgaande jaren meer aan bod. De kanalen waarlangs milieuondersteuning wordt uitgevoerd lopen zeer uiteen en zijn afhankelijk van de gevraagde expertise: regelmatig wordt gebruik gemaakt van multilaterale kanalen (bijvoorbeeld FAO voor bos), en ngo-kanalen (bijvoorbeeld IUCN voor biodiversiteit en wetlands).

Donorcoördinatie op het terrein van het milieubeleid vindt met name plaats in de context van de mondiale milieuverdragen. Hoewel er in individuele landen vooruitgang is geboekt, staat de donorcoördinatie op dit gebied vaak nog in de kinderschoenen en is ze nog weinig op resultaten gericht.

In de landen waarmee een Duurzaam Ontwikkelingsverdrag is gesloten, Benin, Bhutan en Costa Rica, zullen de activiteiten vooralsnog via in dat kader bestaande institutionele partners worden gekanaliseerd, in afwachting van de resultaten van de evaluatie van DOV eind 2000.


3.2.2 Mensenrechten, vredesopbouw, goed bestuur

Met ingang van het jaar 2000 krijgt het programma mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur een ander karakter. De twee directies waarin deze thematiek tot nu toe werd behandeld, worden samengevoegd tot de Directie Mensenrechten en Vredesopbouw: DMV. Het
mensenrechtenactiviteitenprogramma dat tot nu toe centraal werd beheerd, wordt met ingang van januari grotendeels gedelegeerd naar de posten, waaronder die op de DMV-lijst. Ook vredesopbouwactiviteiten zullen zo veel mogelijk worden gedelegeerd.

De afgelopen jaren hebben de posten op het gebied van goed bestuur voornamelijk gewerkt met jaarlijkse allocaties gebaseerd op kortlopende activiteiten. De komende jaren zal dit worden uitgebouwd tot een met mensenrechten en wederopbouw geïntegreerd programma. Het jaar 2000 is daartoe een overgangsjaar, waarin de posten in met name de DMV-landen gestalte geven aan een meerjarenplanning. Consequentie van deze meer geïntegreerde benadering van de DMV-thematiek is dat ook budgetten zijn samengevoegd en verhoogd.

Op mensenrechtengebied is er sprake van een grote mate van continuiteit, dat wil zeggen een beleid gericht op betere bescherming van het individu en de totstandkoming en versterking van nationale en regionale
mensenrechtenstructuren.
In de landen van de DMV-lijst waar recent conflicten werden beeindigd (b.v. Kambodja) zal in het kader van de vredesopbouw de nadruk liggen op de wederopbouw van structuren die als gevolg van het conflict werden vernietigd.

In de DMV-landen waar de nadruk ligt op goed bestuur concentreert het programma zich van oudsher op rechtmatigheid van bestuur en deelname van de bevolking aan het bestuur. Rechtmatigheid en participatie blijven ook in de toekomst kernbegrippen van het Nederlandse beleid op het gebied van goed bestuur. Daarnaast wordt de laatste jaren meer aandacht geschonken aan de transparantie en effectiviteit van het bestuur. Met transparantiebevordering komt nadrukkelijk ook corruptiebestrijding in beeld. In het kader van de effectiviteit van bestuur wordt o.a. aandacht gegeven aan capaciteitsversterking van de overheid en versterking van het maatschappelijk middenveld.


3.3 Exit-landen

In de exit-landen blijkt het in het algemeen mogelijk de bestaande projecten en programma's binnen een periode van 2 tot 3 jaar af te ronden of over te dragen, zonder dat dit leidt tot kapitaalvernietiging. Slechts in enkele specifieke gevallen moest van deze termijn worden afgeweken. In de bijlage zijn gegevens opgenomen van exit-landen die tot nu toe hulp van aanmerkelijke omvang van Nederland ontvingen.


4. Resulterende financiële beeld

Het nieuwe landenbeleid heeft gevolgen voor de begroting (Hoofdstuk V) voor het jaar 2000. Dit leidt tot de volgende wijzingen op de delegeerbare programma's in 2000:

Stand ontwerp Nieuwe Mutatie Begrotingsartikel (x NLG 1000) begroting 2000 stand

09.03 vredesopbouw, goed bestuur & mr 67.000 185.619 118.619 12.01.01 landenprogramma milieu 313.460 349.970 36.510 13.08 landenprogramma sociale
ontwikkeling 360.600 382.069 21.469
14.08 landenprogramma onderwijs en
cultuur 219.500 200.980-/- 18.520
15.05 Suriname 90.000 41.200 -/- 48.800 18.01 landenprogramma econ. ontwikkeling496.100 420.446-/- 75.654

Totaal delegeerbare begrotingsartikelen 1.546.660
1.580.284 33.624

De stijging van het artikel 09.03 Vredesopbouw, Goed Bestuur en Mensenrechten is grotendeels het gevolg van een grondslagverbreding van het artikel. Activiteiten op het terrein van vredesopbouw, die voorheen gefinancierd werden uit het noodhulpbuget, worden m.i.v. 2000 ondergebracht bij het artikel 09.03 Vredesopbouw, Goed Bestuur en Mensenrechten (voorheen Mensenrechten, Conflictbeheersing, Democratisering en Mensenrechten). In dit verband wordt het budget beschikbaar voor noodhulp verlaagd met NLG 75 mln. Daarnaast wordt in het kader van het nieuwe landenbeleid een aanzienlijk groter bedrag beschikbaar gesteld voor activiteiten op het gebied van goed bestuur.

Vanwege de voortdurende committeringsstop voor Suriname wordt het bedrag voor verdragsmiddelen Suriname verlaagd met NLG 48,8 mln.

De overige artikelen vertonen naar verhouding kleinere verschuivingen die een som zijn van intensiveringen in landen waar de betreffende sector in overleg met de overheid is gekozen en extensiveringen in landen waar de bewuste sector of het gehele programma wordt afgebouwd.

De stijging op het totaal van de delegeerbare begrotingsartikelen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2000 bedraagt NLG 33,6 mln. Deze stijging wordt gecompenseerd door een verlaging van het budget voor noodhulp. De mutaties zal ik in hun totaliteit presenteren in een Nota van Wijziging die u op korte termijn zal toegaan. Deze Nota van Wijziging zal eveneens inzicht verschaffen in de meerjarige effecten en de wijzigingen op verplichtingenniveau.


5. Inzet vrijkomende middelen

De afbouw in de exitsectoren in landen die niet tot de 17 + 3 behoren levert in 2000 al ca. NLG 65 mln aan vrijkomende middelen op t.o.v. 1999. In latere jaren is de opbrengst van de afbouw een veelvoud daarvan: ten opzichte van 1999 ca. NLG 150 mln in 2001 en NLG 250 mln in 2002.

De vrijkomende middelen als gevolg van toespitsing van de bilaterale hulp op een beperkter aantal landen en sectoren worden in 2000 geheel ingezet in sectoren en landen waar de samenwerking wordt voortgezet, conform de voorstellen in de bijlagen.

Over de inzet van vrijkomende middelen in 2001 en latere jaren kan ik u op dit moment nog geen precies beeld geven. Het huidige verdelingspatroon van de bilaterale hulp heeft een sterk historisch bepaald karakter. Ik ben daarom voornemens criteria te ontwikkelen om de omvang van deze bedragen te toetsen aan objectieve gegevens over de omvang van de hulp per hoofd van de bevolking en de kwaliteit en effectiviteit van de hulp. De uitkomsten van deze toetsing zullen mede bepalend zijn voor de verdeling van vrijkomende fondsen. Bij de landenallocatie zal conform de wens van de Kamer de nadruk worden gelegd op de armste landen en Sub Sahara Afrika en zal daarnaast de daadwerkelijke performance van landen een belangrijk uitgangspunt vormen. Tenslotte zal rekening moeten worden gehouden met de toewijzing van middelen aan landen die zich nu op de zogenaamde invoegstrook bevinden.


6. Personele consequenties

Het nieuwe bilaterale landenbeleid heeft ook consequenties voor de omvang en invulling van de personele bezetting op de OS-posten. Op basis van de voorstellen voor sectorkeuze in de 17+3 landen wordt een inschatting gemaakt van de benodigde OS- deskundigheid voor alle OS-relevante ambassades. Bij de afweging zijn de 17+3 posten prioritair. Deze krijgen in principe de beschikking over specifieke sectordeskundigheid voor de gekozen sectoren, alsmede deskundigheid op het gebied van vrouwen en ontwikkeling (waar mogelijk in gecombineerde functies of lokaal ingevuld). Tevens is extra aandacht gegeven aan beheersaspecten door in principe alle 17+3 posten uit te rusten met een eigen controller. Ook de themalanden zijn betrokken in de personele afweging en krijgen waar nodig versterking. De ruimte hiervoor wordt in eerste instantie gevonden door reallocatie van personeel uit de afbouwlanden. Mijn streven is de bezetting nu zo snel mogelijk, d.w.z. uiterlijk medio 2000, op de gewenste sterkte te brengen teneinde de posten optimaal in staat te stellen het nieuwe beleid te implementeren.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

11 nov 99 15:31

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie