Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng PvdA in debat over pensioenen en gelijke behandeling

Datum nieuwsfeit: 11-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Partij van de Arbeid

Den Haag, 11 november 1999

INBRENG PVDA-FRACTIE T.B.V. HET VERSLAG WETSVOORSTEL WIJZIGING VAN DE PENSIOEN- EN SPAARFONDSENWET EN ENIGE ANDERE WETTEN (RECHT VAN KEUZE VOOR OUDERDOMSPENSIOEN IN PLAATS VAN NABESTAANDENPENSIOEN EN GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN)(26 711)

Woordvoerder: Jan van Zijl

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij kunnen instemmen met de bedoeling van dit wetsvoorstel, namelijk het bieden van de keuze voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen in plaats van een nabestaandenpensioen daar waar geen behoefte bestaat aan een nabestaandenpensioen. Het streven naar een gelijke behandeling ongeacht de burgerlijke staat of leefsituatie en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de uitkeringen van ouderdomspensioenen kunnen deze leden onderschrijven. Het wetsvoorstel geeft aan op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven. Naar aanleiding van de voorstellen hebben de leden van de PvdA fractie de volgende vragen.

Begrijpen deze leden het goed dat er meerdere keuzemomenten kunnen zijn? Indien in de opbouwfase al de keuze gemaakt wordt om voor een bepaald soort pensioen geheel of gedeeltelijk een ander soort pensioen op te bouwen, waarbij indien de keuze is gemaakt voor een nabestaandenpensioen, kan dan aan het eind van de opbouwperiode alsnog een keuze worden gemaakt voor uitruil van het nabestaandenpensioen voor een beter ouderdomspensioen? Kan de gemaakte keuze gedurende de opbouwfase een of meerdere keren gewijzigd worden?

Omdat het keuzerecht uitsluitend van toepassing is op opgebouwde aanspraken na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, zal er een splitsing gemaakt moeten worden in de aanspraken voor de inwerkingtreding en aanspraken na de inwerkingtreding. Kan worden aangegeven hoe deze splitsing wordt uitgevoerd? Moet er ook een splitsing gemaakt worden ten aanzien van onvoorwaardelijk toegezegde, meeverzekerde indexeringen? Het wetsvoorstel kent dus geen terugwerkende kracht. Zou het niet reëel zijn het wetsvoorstel te laten werken vanaf 1 januari 2000 nu dit de oorspronkelijke ingangsdatum was?

Fiscaal bedraagt de opbouw van ouderdomspensioen maximaal 2% per jaar. Kan een nadere uitleg worden gegeven over de vaststelling van een opbouwkeuzevoet in samenhang met het reeds in de pensioenregeling vastgelegde opbouwpercentage van het ouderdomspensioen? Blijft er een mogelijkheid te kiezen voor een hoger ouderdomspensioen indien reeds het maximale opbouwpercentage van 2% wordt gehanteerd?

Uitgaande van ten minste de collectieve actuariële gelijkwaardigheid bij de uitruilkeuzemogelijkheden mag door de pensioenuitvoerder bij het bepalen van de ruilvoet rekening gehouden worden met het risico van anti-selectie en het risico van (ongunstige) wijziging in de man/vrouw-samenstelling van het deelnemersbestand. Leidt dit ertoe dat bij de keuzemogelijkheden voor het bepalen van de ruilvoet van de voor de deelnemers meest ongunstige situatie zal worden uitgegaan (bijv. die groep waar zich de meeste alleenstaande vrouwen of vrouwen met een werkende partner in bevinden)? Wat houdt anti-selectie precies in en op welke wijze kan met dit risico rekening worden gehouden? Kan anti-selectie ook het gevolg hebben dat sommige verzekerden voor vrijwillige voorzieningen eerder een keuze zullen maken voor de particuliere markt (3e peiler) waardoor de kosten nog verder zullen stijgen voor binnen een pensioenregeling aangeboden keuzemodules, waardoor meer mensen de derde peiler zullen opzoeken? Is dit een beoogd effect?

De looptijd van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet kan in bijzondere situaties tot ongewenste problemen leiden, zo staat in de brief van de staatssecretaris van 21 oktober 1999. Om welke situaties kan dit gaan (behalve het geval van een fusie)? Om welke ongewenste problemen gaat het in deze? Voor wie zijn zij ongewenst?

Bij het vaststellen van de ruilvoet of de opbouwkeuzevoet dient tenminste uitgegaan te worden van het gehele deelnemersbestand van de betreffende pensioenregeling, d.w.z. alle actieve deelnemers en slapers. Het is de leden van de PvdA fractie niet duidelijk waarom ook bij het vaststellen van de opbouwkeuzevoet de slapers in de berekening moeten worden meegenomen? Slapers kunnen toch geen keuze meer maken voor een ander soort pensioen tijdens de opbouwperiode?

De uitruilvoorschriften gelden ook indien vrijwillige voorzieningen (waar de werkgever niet aan bijdraagt) mogen worden uitgeruild volgens het wetsvoorstel. In aan de vaste commissie toegezonden commentaren wordt gesteld dat de staatssecretaris ten onrechte van mening is dat vrijwillige voorzieningen die geheel voor rekening van de werknemers komen, onder de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen vallen. Dit omdat er bij genoemde vrijwillige voorzieningen geen sprake is van een beloning. Zou de staatssecretaris hierop willen reageren?

In het kader van beschikbare premieregelingen brengt dit wetsvoorstel een wijziging in die zin mee, zo begrijpen de leden van de fractie van de PvdA, dat in plaats van een recht op gelijke premies voor mannen en vrouwen er een recht op gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen ontstaat? Dit zal naar men zegt tot veel hogere kosten leiden voor vrouwen? Kan de staatssecretaris hier een reactie op geven? Welke gevolgen verwacht u van een dergelijke kostenstijging?

Het hanteren van sekseneutrale actuariële factoren zal in het algemeen tot hogere kosten leiden. Kan worden aangegeven in welke orde van grote deze kostenstijging zich zal voordoen? Hoe verhoudt zich deze kostenstijging tot het streven de kosten voor pensioenen in de hand te houden, zoals afgesproken in het pensioenconvenant van december 1997? Zal dit niet leiden tot reacties bij werkgevers om naar goedkopere mogelijkheden te zoeken? Is een nabestaandenpensioen op risicobasis een van die mogelijkheden? Zou het massaal overgaan tot een dergelijke risicoverzekering er toe leiden dat artikel 2b en 2c uiteindelijk tot een dode letter zullen worden? Betekent dat dat de van de beoogde compensatie voor alleenstaanden niet tot stand komt? Welke maatschappelijke belangen zijn er gemoeid met een nabestaandenverzekering op risicobasis?

Wordt de ruilvoet vastgesteld onafhankelijk van leeftijdsverschillen tussen partners? Leidt dit tot een lagere waarde van het om te ruilen nabestaandenpensioen voor alleenstaanden en vele gehuwden? Kan de staatssecretaris hierop ingaan, zo vragen de leden van de PvdA?

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of het mogelijk is uitruil toe te passen bij een nabestaandenvoorziening waarvoor een premievrijstelling geldt wegens arbeidsongeschiktheid? Wie draagt de hogere kosten in verband met de keuzemogelijkheid tot uitruil?

Kan worden aangegeven of dit wetsvoorstel consequenties heeft voor de waardering van pensioenrechten bij boedelscheiding of verevening bij echtscheiding? Zo ja, dan willen de leden van de PvdA fractie graag weten welke dit zijn?

Bij beschikbare premieregelingen en kapitaalverzekeringen (met pensioenclausule) is het gebruikelijke dat een deelnemer naar keuze een pensioen kan inkopen bij de verzekeraar die hem of haar het beste aanbod doet ten aanzien van de hoogte van de uitkeringen. Blijft dit mogelijk na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel?

In de commentaren wordt gewezen op het feit dat bij waardeoverdracht op basis van artikel 32ba PSW in geval van wijziging van de pensioenregeling het gevolg zou kunnen zijn dat aantasting van de reeds opgebouwde aanspraken voor de deelnemers kan optreden? Zou de staatssecretaris hier nader op in kunnen gaan, zo vragen de leden van de PvdA fractie?

Er zijn pensioenregelingen die een aanvullend alleenstaanden pensioen kennen ter overbrugging van het AOW-verschil voor alleenstaanden en paren. Heeft de wijziging van artikel 5 lid 6 AWGB gevolgen voor dergelijke pensioenen, zo vragen de leden van deze fractie?

Tenslotte vragen de leden van de fractie van de PvdA aandacht voor het punt van de kenbaarheid van de mogelijkheden die dit wetsvoorstel biedt voor de deelnemers aan pensioenregelingen. Goede voorlichting zal onontbeerlijk zijn voor het maken van een verantwoorde keuze. Ook dienen de rechten van mensen die eens grotendeels afhankelijk zullen zijn van een nabestaandenpensioen te worden beschermd. Dit zal nu grotendeels gaan om de groep oudere vrouwen die geen eigen aanvullende pensioenvoorziening hebben.

Kan de staatssecretaris aangeven hoe in de optiek van de regering deze onmisbare voorlichting vorm moet krijgen? Wie is verantwoordelijk voor die voorlichting? Kan het verschaffen van goede voorlichting op een of andere wijze verplicht worden gesteld?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie