Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord vragen over jaarverslag belastingdienst

Datum nieuwsfeit: 12-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: beantwoording vragen Vaste Commissie van Financiën

Directie Planning Financiën en Control

de Voorzitter van de

Vaste Commissie van Financiën

Postbus 20018

2500 EA 's-GRAVENHAGE

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

PFC99 / 1072

12 november 1999

Onderwerp

beantwoording vragen Vaste Commissie van Financiën

Geachte heer Van Gijzel,

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op de vragen die gesteld zijn naar aanleiding van het Beheersverslag 1998, het Jaarverslag 1998 en de Fiscale Monitor 1998 van de Belastingdienst.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

W.A. Vermeend
Jaarverslag Belastingdienst

Vraag 1

Op welke wijze wil de regering het proces van drempelverlaging naar de Belastingdienst in de toekomst verder stimuleren? (blz. 5).

De Belastingdienst beschikt op dit moment over diverse middelen om belastingplichtigen te ondersteunen bij het voldoen aan hun fiscale verplichtingen: persoonlijk, telefonisch, schriftelijk en elektronisch. Gebleken is dat communicatie via digitale middelen sterk drempelverlagend werkt (zie echter ook het antwoord op vraag 54). Daarom ligt het accent op een verdere ontwikkeling van de internetsite van de Belastingdienst, niet alleen voor informatieoverdracht, maar ook voor transacties. Daarnaast wordt het bestaande taalprogramma gericht op (massale) schriftelijke uitingen verder verbeterd. Helder taalgebruik is immers wezenlijk in de communicatie. In de persoonlijke communicatie krijgt de dienstverlening aan allochtone belastingplichtigen veel aandacht, met name op de specifieke radio- en televisiezenders , maar ook door de medewerkers van de klantendiensten gericht op te leiden.

Vraag 2

Zijn er plannen om het forfaitair systeem af te schaffen?

Welk bedrag loopt het Ministerie van Financiën door onnauwkeurige schattingen op dit moment naar verwachting mis?

In welke mate zullen de administratieve lasten van het (kleinere) bedrijfsleven door afschaffing toenemen? Staat deze toename niet haaks op het streven van dit kabinet de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven juist te verminderen?

Wordt over dit soort ingrijpende maatregelen eerst overlegd met het betreffende bedrijfsleven en belastingadviseurs (blz. 11).

Ondernemers die het kasstelsel toepassen en niet in staat zijn hun verkopen aan de hand van hun bedrijfsadministratie exact over de verschillende BTW-tarieven te splitsen, kunnen de omzetbelasting op grond van artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 op forfaitaire wijze berekenen. Er zijn geen plannen om deze regeling af te schaffen.

De tekst in het Jaarverslag (blz.11) refereert aan vragen vanuit de supermarktsector. Op verzoek van deze sector is een landelijk uniforme overgangsregeling afgesproken voor de supermarkten die niet langer in aanmerking komen voor toepassing van de forfaitaire berekeningswijze, omdat zij beschikken over een geautomatiseerde administratie waarmee de omzetbelasting exact berekend kan worden.

Vraag 3

Welke administratieve lastenverlichtende maatregelen kan het bedrijfsleven op fiscaal gebied nog

tegemoet zien, al dan niet ingegeven door de Commissie - Van Lunteren? (blz. 22).

Bij de aanvraag voor afdrachtsverminderingen loonbelasting en voor investeringsfaciliteiten in de winstsfeer, geldt als eis dat een accountantsverklaring wordt meegezonden. De Commissie Van Lunteren heeft eerder dit jaar ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie Administratieve Lasten aanbevolen te bezien of het mogelijk is deze eis te laten vervallen en de controle op alternatieve wijze vorm te geven. Hiermee kan een administratieve lastenverlichting worden bereikt van circa f 25 miljoen. Momenteel wordt door de Belastingdienst onderzocht onder welke voorwaarden en op welke termijn de accountantsverklaringen kunnen vervallen.

Daarnaast is medio september 1999 het wetsvoorstel Inkomstenbelasting 2001 tezamen met de invoerings-, overgangs- en aanpassingswetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden. Het wetsvoorstel bevat ook voorstellen die een verlichting van de administratieve lasten met zich brengen. Het betreft onder andere het rechtstreeks uitbetalen aan belastingplichtigen van de beoogde bijzondere heffingskortingen in de inkomstenbelasting. Hiermee wordt voortgebouwd op het eerdere voorstel van de Commissie Van Lunteren voor de introductie van één standaardtariefgroep in de loonbelasting. Naar verwachting zal dit voor inhoudingsplichtigen een administratieve lastenverlichting betekenen van circa f 25 miljoen.

Vraag 4

Acht de regering verdere forse verminderingen van de fiscaal-administratieve lasten haalbaar?

En op welke wijze tracht de regering deze tot stand te brengen? (blz. 23).

Voor de toekomst biedt de inzet van informatie- en communicatietechnologie (ICT) verreweg de meeste mogelijkheden. Verschillende toepassingen van ICT op het gebied van informatievoorziening zijn inmiddels gerealiseerd en er lopen experimenten, zoals het doen van aangifte voor de loon- en omzetbelasting via Internet. Een forse reductie vraagt echter om verdergaande concepten. Het is van belang zowel in te zetten op een verdergaande digitalisering van de fiscale transacties, als op het geautomatiseerd ondersteunen van de boekenonderzoeken. Dat laatste betekent dat de Belastingdienst de gegevens die hij wenst in te zien, rechtstreeks aan de bedrijfsadministraties kan ontlenen. Ondernemingen die hiervan gebruik willen maken, kunnen deze informatie via specifieke softwaremodules toegankelijk maken voor de Belastingdienst en afschermen van de overige bedrijfsadministratie.

Een eerste voorbeeld van een dergelijke benadering vormen de applicaties Auditfile en CLAIR die de Belastingdienst inmiddels heeft ontwikkeld ten behoeve van het boekenonderzoek bij ondernemingen.

De auditfile zorgt er voor dat basismutaties zoals die zijn aangemaakt met behulp van een financieel standaardpakket digitaal worden samengevat in een uniform bestandsformaat. CLAIR is een door de Belastingdienst ontwikkelde applicatie die de behandelend ambtenaar vervolgens in staat stelt de auditfile te benaderen en te raadplegen. Het gebruik van deze applicaties kan het werk bij ondernemingen ten behoeve van het boekenonderzoek vereenvoudigen en versnellen. Het bedrijfsleven en de organisaties van fiscale dienstverleners kunnen zich, met enkele kanttekeningen, vinden in deze toepassing. Zo heeft VNO-NCW aangetekend dat uitsluitend gegevens mogen worden opgevraagd die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, dat er geen onnodige extra controles plaatsvinden of meer controles per onderneming dan redelijk is en dat grote zorgvuldigheid nodig is bij de beveiliging van de gegevens.

De implementatie van de applicaties Auditfile en CLAIR is inmiddels gestart en een uitbreiding van deze applicaties is in voorbereiding.

Tevens wordt via het project Elektronische Heerendiensten door de Belastingdienst (in samenwerking met andere uitvoeringsorganen) gewerkt aan de technische infrastructuur voor een dergelijke elektronische gegevensuitwisseling. De besparing die voor het bedrijfsleven met deze totale benadering gemoeid is kan - zoals eerder door de Commissie Van Lunteren is aangegeven - enkele honderden miljoenen guldens bedragen.

Vraag 5

Ontbreken in het overzicht van nieuwe wetgeving in 1998 de aanpassingen ten behoeve van het

functioneren van vrijwilligersorganisaties? Welke zijn dat? En wat waren de resultaten? (blz. 45).

Ik neem aan dat de vraag ziet op de zogeheten vrijwilligersregeling. Deze regeling is door middel van een Besluit aangepast. De vergoedingen die verenigingen en dergelijke onbelast aan vrijwilligers kunnen verstrekken zijn verhoogd. De onbelaste vergoeding voor 1998 bedroeg f 1400 per jaar (f 40 per week). Deze bedragen worden jaarlijks door middel van indexering aangepast.

Vraag 6

Aanloopproblemen met betrekking tot het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 hebben

ertoe geleid dat het aantal toegewezen bezwaarschriften bij de loonbelasting en omzetbelasting fors

hoger lag dan in voorgaande jaren. Welke problemen betreft het en hoe wordt voorkomen dat in de

toekomst nogmaals tien duizenden onterechte correcties worden opgelegd? Hoe worden degenen

die geen bezwaar hebben gemaakt attent gemaakt op het feit dat ook zij mogelijk onterecht zijn

gecorrigeerd? (blz. 50).

De toename van het aantal toegewezen bezwaarschriften voor de loonbelasting en de omzetbelasting heeft te maken met het feit dat de mededelingen bij het eerste verzuim - wegens het niet dan wel niet tijdig doen van aangifte of wegens niet tijdig betalen - zijn verzonden nadat belastingplichtige reeds een tweede verzuim had begaan. Voor een tweede verzuim wordt automatisch een boete opgelegd. In de bedoelde gevallen is daardoor een tweede verzuimboete opgelegd nog voordat de mededeling met betrekking tot het eerste verzuim door belastingplichtige was ontvangen. De bezwaarschriften tegen deze boete voor het tweede verzuim zijn toegewezen. De eenheden van de Belastingdienst hebben in alle relevante gevallen deze boete ongedaan gemaakt. In september 1998 zijn maatregelen getroffen, opdat eenzelfde situatie zich in de toekomst niet meer voordoet.

Vraag 7

Bij 5% van de gecontroleerde voertuigen bij het mobiel toezicht op goederenvervoer werden

onregelmatigheden geconstateerd. Welke goederen betreft dit? Wat was het aandeel van drugs bij

deze illegale invoer? (blz. 51).

Bij het mobiel toezicht goederenvervoer werden onregelmatigheden geconstateerd bij het binnenbrengen van accijnsgoederen (sigaretten, gedistilleerde dranken, bier, wijn, laagbelaste gasolie). Tevens werden onregelmatigheden bevonden op het terrein van milieugevaarlijke stoffen, wapens, nagemaakte en gepirateerde producten (T-shirts, schoenen, CD-ROMs), vuurwerk, verdovende middelen en personenautos. In ongeveer 175 gevallen werden verdovende middelen aangetroffen, dat is ongeveer 8% van het geconstateerde aantal onregelmatigheden.

Vraag 8

Wanneer kunnen ondernemers aangifte doen met behulp van een O-diskette? (blz. 52).

In mijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 24 september 1998 (kenmerk PFC 98/397 U) heb ik de overwegingen uiteengezet rondom de introductie van elektronische aangifte voor ondernemers. Ik heb in deze brief aangegeven dat mijn streven erop gericht is algehele invoering hiervan gestalte te geven. De aanwezigheid van jaarstukken maakt echter dat voor de aangifte door ondernemers minder gemakkelijk een elektronische faciliteit kan worden gecreëerd.

Momenteel wordt met de ondernemingsorganisaties en organisaties van belastingadviseurs overlegd over de toekomstige inrichting van de winstaangifte door ondernemers. In dat kader worden ook de mogelijkheden bezien van elektronische aanlevering van de winstaangiftegegevens. In eerste instantie wordt daarbij gedacht aan de ontwikkeling van speciale modules in financiële softwarepakketten waarmee de vereiste gegevens kunnen worden gegenereerd en vervolgens elektronisch kunnen worden aangeleverd. Tevens wordt bezien of een O-diskette kan worden gecreëerd ten behoeve van ondernemers die op deze wijze aangifte willen doen. In de loop van 2000 zal een beslissing worden genomen of, en zo ja wanneer een O-diskette zal worden geïntroduceerd.

Vraag 9

Welke maatregelen worden genomen teneinde de ontoereikende capaciteit van de Belasting Telefoons

op te voeren? (blz. 52).

Er is in 1998 weer een groter beroep gedaan op de Belasting Telefoons dan het jaar daarvoor. Het aantal afgehandelde gesprekken is gestegen van 1,5 miljoen naar bijna 1,7 miljoen. Bij de verschillende Belasting Telefoons (Particulieren, Ondernemingen en Douane) zijn maatregelen genomen om deze toeloop op te vangen. In de eerste plaats worden er dit jaar bij de verschillende Belasting Telefoons meer medewerkers ingezet en wordt gebruik gemaakt van flexibele arbeidsinzet om pieken op te vangen.

Daarnaast wordt gewerkt aan meerdere technische oplossingen. Met behulp van het Voice Respons Systeem worden de verschillende vragen beter gestructureerd. De meest gestelde vragen worden als eerste keuzemogelijkheid aangeboden, waardoor de bellers snel kunnen worden doorgeschakeld naar de deskundigen. Daarnaast is een toename van de capaciteit gewenst. Per 1 januari 2000 wordt de benodigde uitbreiding van de lijncapaciteit van de Belastingtelefoons gerealiseerd.

Vraag 10

Waarom is het aantal definitieve aanslagen hoger dan het aantal aangiften? Betreft het hier de over 1998 of de in de 1998 opgelegde aanslagen? (blz. 57).

Door een snellere afhandeling is de voorraad aangiften inkomstenbelasting afgenomen en zijn er in 1998 meer aangiften afgedaan dan ontvangen. In 1998 doet dit verschijnsel zich voor bij ondernemers. De cijfers in het Jaarverslag hebben betrekking op de aantallen die in het kalenderjaar 1998 zijn gerealiseerd.

Vraag 11

Is er een verklaring voor de enorme stijging in het gecorrigeerde bedrag voor de VpB? (blz. 58).

De ontvangen bedragen aan vennootschapsbelasting zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen, van 20,3 miljard gulden in 1994 tot 33,7 miljard gulden in 1998. Deze stijging werkt ook door in de hoogte van de gecorrigeerde bedragen; in 1994 werd f 9,9 miljard gecorrigeerd, in 1998 f 12,1 miljard. Verder is de effectiviteit van de selectie van risicovolle aangiften de laatste jaren verbeterd. Ook daardoor neemt het gecorrigeerd bedrag toe. Daarnaast moet bedacht worden dat de cijfers soms mede beïnvloed worden door hoge incidentele correcties, waardoor flinke schommelingen kunnen optreden.

Vraag 12

Kan worden verklaard waardoor het percentage aanslagen dividendbelasting en kansspelbelasting

met verhoging is toegenomen van 29% in 1997 naar 45% in 1998? (blz.58).

Het percentage aanslagen dividend- en kansspelbelasting met verhoging is in 1998 inderdaad toegenomen. Wordt echter gekeken naar het aantal aanslagen met verhoging dan is geen sprake van een noemenswaardige verandering. Zowel in 1997 als in 1998 zijn er circa 500 van dergelijke aanslagen opgelegd.

De daling van het aantal opgelegde aanslagen (van 1.705 naar 1.087) komt voor rekening van de dividendbelasting. Oorzaak is een wetswijziging per 1 januari 1997, waardoor dividenden uit een aanmerkelijk belang niet meer onder de dividendvrijstelling vallen. Dit heeft tot gevolg gehad dat in het belastingjaar 1997 directeuren-grootaandeelhouders in aanzienlijk mindere mate dividend aan zichzelf hebben uitgekeerd.

Vraag 13

Kan worden verklaard waarom het aantal werkgevers dat gebruik maakt van de afdrachtvermindering lage lonen ten opzichte van 1997 met 15000 is gedaald in 1998? (blz. 59).

Voor de berekening van het aantal werkgevers dat gebruik maakt van de afdrachtvermindering lage lonen 1998 is gebruik gemaakt van het op dat moment meest recente cijfermateriaal. Nadien beschikbaar gekomen cijfers geven aan dat de daling minder groot is dan de voorlopige cijfers aangaven, namelijk 6.000 werkgevers. Een oorzaak voor deze daling is zonder diepgaand onderzoek niet aan te geven.

Vraag 14

Het hogere aantal navorderingen voor de omzetbelasting eenmalig? (blz. 59).

De toename van het aantal naheffingen bij de omzetbelasting hangt mede samen met de invoering van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Onder het nieuwe besluit wordt in meer gevallen een naheffing (met verhoging) opgelegd; bijvoorbeeld indien de aangifte niet tijdig wordt ingediend.

Het is nog te vroeg voor een gefundeerd antwoord op de vraag of deze toename al dan niet eenmalig is.

Vraag 15

Hoe wordt gepoogd het enorme aantal onterechte correcties terug te dringen? (blz. 60).

Het beeld dat sprake is van een enorm aantal onterechte correcties, is niet juist. Bij het bezien van de cijfers op pagina 60 moet in het oog worden gehouden dat slechts een deel van de bezwaarschriften gericht is tegen correcties (1998:17%). Andere bezwaarschriften zijn gericht tegen voorlopige aanslagen (vanaf medio 1997), tegen systeemaanslagen LB en OB of betreffen aanvulling of verbetering door belastingplichtige van de eigen aangifte. Het in de tabellen 46 tot en met 54 genoemde percentage geheel toegewezen bezwaarschriften ziet uitsluitend op de categorie bezwaarschriften tegen correctie. Juist de laatste jaren is de Belastingdienst er in geslaagd het aantal correcties dat na bezwaar herziening behoeft terug te dringen, zoals moge blijken uit de onderstaande tabel.

Percentage geheel toegewezen bezwaarschriften (tegen correctie/nav) ten opzichte van het totaal aantal correcties en navorderingen

1995

1996

1997

1998

IB

8 %

6 %

4 %

3 %

VpB

29 %

28 %

15 %

8 %

De oorzaak van deze daling ligt vooral in het beleid om bij een voornemen om te corrigeren eerst contact op te nemen met belastingplichtige. Dit leidt ertoe dat nadere feitelijke informatie, die voorheen vaak pas in de bezwaarfase naar voren kwam, al bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking wordt genomen.

Overigens merk ik op dat een bezwaarschrift betrekking kan hebben op een (klein) deel van de aangebrachte correcties. Het volledig toewijzen van een bezwaar betekent in deze gevallen dat van het oorspronkelijke correctiebedrag een deel blijft gehandhaafd. Het is daarom op basis van het aantal toegewezen bezwaarschriften niet mogelijk om een uitspraak te doen over de mate waarin het bedrag aan correcties wordt gehandhaafd. Uit intern onderzoek van de Belastingdienst inzake de inkomensheffing blijkt voor de belastingjaren 1996 en 1997, dat van het totaal gecorrigeerd bedrag ongeveer 94% gehandhaafd blijft. Gezien het bovenstaande zie ik geen aanleiding om op dit punt nadere maatregelen te overwegen.

Voor zover de vraag is ingegeven door de stijging in het aantal bezwaarschriften tegen voorlopige aanslagen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 16.

Vraag 16

Is de stijging van het aantal bezwaarschriften inkomstenbelasting van particulieren en ondernemers

in 1998 naar 677 000 te verklaren door de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de voorlopige

aanslag? Worden maatregelen genomen om dit aantal te doen afnemen en zo ja welke? (blz.60).

Ja, de stijging van het aantal bezwaarschriften hangt samen met de invoering van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een voorlopige aanslag (zie ook de toelichting in het Beheersverslag op blz. 38, 43 en 44). In onderstaande tabel is de invloed van de bezwaren tegen voorlopige aanslagen (VA) en overige oorzaken weergegeven.

Ontvangen bezwaarschriften

Aantal x 1.000

1997

1998

tegen VA

74

401

overige

270

275

Totaal

344

677

De stijging van het aantal bezwaarschriften is derhalve geheel toe te wijzen juist aan het invoeren van de mogelijkheid van een bezwaarschrift tegen VA. Ik zie daarom geen reden tot het nemen van maatregelen.

Vraag 17

Kan met betrekking het aantal bezwaarschriften worden aangegeven in hoeveel procent van de

gevallen de fiscus in het geheel in het gelijk werd gesteld? (blz. 60
e.v.).

In onderstaande tabel is per belastingmiddel weergegeven in welk deel van de afgedane bezwaarschriften tegen correcties de fiscus de correcties geheel heeft gehandhaafd; dat wil zeggen het bezwaarschrift geheel heeft afgewezen.

Afdoening bezwaarschriften n.a.v. correcties*)

(in % van het aantal afgedane bezwaarschriften)

IB

WAZ

VpB

VB

R&S **)

LB

OB

Overig ***)

HSB

Douane

Geheel afgewezen 1998

35%

25%

14%

31%

22%

6%

7%

28%

37%

25%


*) Inclusief de bezwaarschriften tegen ambtshalve aanslagen


**) Inclusief kansspelbelasting.


***) Recht van successie, recht van schenking, recht van overgang, overdrachtsbel. kapitaalsbel.

Voor de overige soorten bezwaarschriften wordt deze informatie niet bijgehouden. Voor de LB en de OB hangt het incidenteel lage percentage samen met de grote aantallen bezwaarschriften tegen opgelegde boeten. Daarvoor verwijs ik naar de beantwoording van vraag 6.

Bij de cijfers in de tabel plaats ik twee kanttekeningen:
1. de cijfers zijn uitgedrukt in een percentage van de afgedane bezwaarschriften. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat het overgrote deel van de correcties niet leidt tot een bezwaarschrift;

2. een bezwaarschrift kan betrekking hebben op een (klein) deel van de aangebrachte correcties. Conclusies over bedragen kunnen op basis van deze cijfers niet worden getrokken (zie ook vraag 15).

Vraag 18

Kan met betrekking tot het aantal ingetrokken beroepschriften worden aangegeven in hoeveel

gevallen de fiscus alsnog geheel of gedeeltelijk toegaf aan het standpunt van de belastingplichtige?

(blz. 61).

Nee, op basis van de huidige geregistreerde gegevens kan dit niet worden aangegeven. Per belastingmiddel bestaat inzicht in het aantal ontvangen en ingetrokken beroepschriften. De reden waarom een beroepschrift wordt ingetrokken wordt slechts in het individuele dossier vastgelegd.

Vraag 19

Waarom is de achterstand in de invordering van de omzetbelasting opgelopen terwijl deze bij bijna

andere soorten belasting is teruggelopen? (blz. 65).

De achterstand in de invordering omzetbelasting is ten opzichte van 1997 gestegen met f 128 miljoen.

Deze stijging is veroorzaakt door enkele grote naheffingen die samenhangen met de intensivering van de bestrijding van carrouselfraude; in totaal f 179 miljoen (blz. 29 van het Beheersverslag).

Daarnaast hebben voor de omzetbelasting meer belastingplichtigen uitstel van betaling gevraagd. Deze toename hangt samen met een lopende procedure inzake BTW over het privé-gebruik auto. Indien een belastingplichtige bezwaar of beroep aantekent, wordt in het algemeen uitstel van betaling verleend. De bedragen waarvoor dit uitstel is verleend, tellen echter wel mee in de berekening van de achterstand invordering. Daardoor is de achterstand in de invordering met ruim f 80 miljoen opgelopen.

Gecorrigeerd voor deze twee ontwikkelingen zou de achterstand invordering ook bij de omzetbelasting zijn teruggelopen.

Vraag 20

Is de fraude gedaald? Worden alle fraudezaken wel aangemeld? (blz. 66).

Het aantal aanmeldingen van (vermoedelijke) fraude door de eenheden/districten van de Belastingdienst is in 1998 lager dan in voorgaande jaren. Door een verbeterde selectie is het aantal vervolgenswaardige zaken juist gestegen. De stijgingen in het aantal processen verbaal, veroordelingen en opgespoord nadeel lijken niet te wijzen op een afname van fraude. Overigens zijn algemene uitspraken over daling of stijging van fraude niet of nauwelijks te koppelen aan meer of minder opgespoorde fraude. Ik ben dan ook geneigd een zekere prudentie te betrachten waar het om genoemde verbanden gaat

De aanmeldingen van (vermoedelijke) fraudezaken door de eenheden/ districten van de Belastingdienst vinden plaats aan de hand van zogeheten Aanmeldingsrichtlijnen. Deze zijn in overleg met het Openbaar Ministerie tot stand gekomen. Bewaking van de naleving hiervan is ingebed in het binnen de Belastingdienst gehanteerde systeem van interne controles.

Vraag 21

Ondanks het gedaalde aantal fraudemeldingen is het fiscaal en strafrechterlijk nadeel behoorlijk

gestegen. Waardoor wordt dit veroorzaakt? (blz. 66).

Door een betere afstemming tussen de FIOD en de eenheden en door een betere selectie is het opgespoord nadeel gestegen. Daarnaast heeft de FIOD meer convenantszaken afgedaan. Voorts zijn twee grote fraudezaken afgerond, met een opgespoord strafrechtelijk nadeel van f 124 miljoen.

Overigens kan de omvang van het opgespoorde fiscaal- en strafrechtelijk nadeel jaarlijks fluctueren.

Vraag 22

Er is sprake van een stijging van het aantal processen-verbaal, maar een afname van het aantal

veroordelingen. Is hier sprake van een kwaliteitsprobleem, of van een capaciteitsprobleem bij het

Openbaar Ministerie? (blz. 66.)

Dat het aantal processen-verbaal sterker is gestegen dan het aantal veroordelingen behoeft geen indicatie te zijn voor kwaliteits- en/of capaciteitsproblemen. Processen-verbaal leiden immers veelal pas in een volgend jaar tot een (mogelijk) veroordeling. Dit neemt overigens niet weg dat de beschikbare capaciteit bij het Openbaar Ministerie ( en de rechtbanken) wel een knelpunt is.

De zogenoemde clustervorming bij het OM ( concentratie van kennis over een bepaald type delict per arrondissement) kan bijdragen aan het oplossen hiervan

Vraag 23

De internationaal door Nederland verstrekte gegevens zijn in 1998 gedaald terwijl de ontvangen

gegevens op peil bleven. Ligt hier een beleidswijziging aan ten grondslag? (blz. 69).

Het aantal gegevens, dat Nederland in 1997 aan het buitenland heeft verstrekt ten behoeve van de belastingheffing, bedroeg 51.761. In 1998 zijn 33.910 gegevens verstrekt. Dit verschil kan worden verklaard uit het feit, dat in 1997 een versnelling heeft plaatsgevonden. Daardoor zijn éénmalig over twee jaren (1996 en 1997) inlichtingen verstrekt. (zie Beheersverslag Belastingdienst 1998, blz. 17). Voor een toelichting wordt overigens verwezen naar het Jaarverslag 1998 Belastingdienst, tabel 126 op blz. 69, noot 5. Van een beleidswijziging is geen sprake.

Vraag 24

Kan de regering een toelichting geven op de groei van het personeelsbestand van de Belastingdienst? Is dit bewust beleid? (blz. 69).

De groei van het personeelsbestand van de Belastingdienst is het gevolg van een aantal ontwikkelingen. De uitbreiding van het personeelsbestand met ongeveer 2.000 arbeidsplaatsen heeft zich hoofdzakelijk voorgedaan tussen 1996 en 1997. De belangrijkste factoren hiervan waren:

* herbezetting in verband met de invoering van de 36-urige werkweek (circa 700 plaatsen);

* capaciteitsuitbreiding uit hoofde van de Fraudenota 1996 (circa 500 plaatsen);

* capaciteitsuitbreiding in verband met het in werking treden van wetgevende maatregelen en nieuwe taken, zoals de vermogenstoets individuele huursubsidie en maatregelen in de sfeer van loon- en vermogensinkomsten (circa 600 plaatsen).

Vraag 25

De uitgaven van de Belastingdienst zijn met 10% gestegen tot 4 miljard. De kosten van de Belas-tingdienst per medewerker bedragen daarmee gemiddeld f. 132.000. Hoe staat dit in relatie tot

andere ambtenaren? (blz. 75).

Ten opzichte van 1997 zijn de apparaatsuitgaven van de Belastingdienst met circa 374 miljoen gestegen. Deze stijging is voornamelijk het gevolg van extra automatiseringskosten in verband met de eeuwwisseling en de invoering van de euro (circa 207 miljoen), loon- en prijsbijstellingen ( 78 miljoen) en extra uitvoeringskosten in verband met nieuwe (fiscale) wetgeving ( 89 miljoen).

Bovenstaande kosten vormen al een illustratie dat de apparaatsuitgaven afhankelijk zijn van allerlei organisatie-specifieke factoren. Een vergelijking van de gemiddelde totale apparaatskosten per medewerker van de Belastingdienst met die van andere ambtenaren acht ik daarom weinig zinvol. De Belastingdienst is moeilijk te vergelijken met andere ambtelijke organisaties, zowel qua takenpakket en benodigd personeel als qua werkprocessen.

Vraag 26

Waarom gebruikt de Belastingdienst het Jaarverslag niet om bijvoorbeeld ten aanzien van de

fraudenota 1996-2000 verantwoording af te leggen?

In het Beheersverslag 1998 wordt uitgebreid en specifiek ingegaan op de (internationale) gegevensuitwisseling, de rechtshandhaving inclusief het beleid ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en de ontwikkelingen en resultaten bij de opsporing.

De verantwoording van de fraudebestrijding is daarnaast ook afzonderlijk in de jaarlijkse voortgangsrapportage inzake bestrijding financieel-economische criminaliteit opgenomen. Deze gezamenlijke rapportage van alle betrokken departementen is laatstelijk per brief van de minister van Justitie (27 mei 1999, nr. 766444/599/PV) aan de Tweede Kamer aangeboden.

.

Vraag 27

Er wordt, afgezien van het vermelden van cijfers, weinig aandacht besteed aan de internationale

samenwerking. Gezien het feit dat in Nederland een aantal instanties binnen de Belastingdienst

betrokken zijn bij de internationale gegevensuitwisseling en enige harmonisatie op dit terrein

wenselijk lijkt, zou hier meer aandacht aan kunnen worden geschonken. Kan de regering enige

richting voor de toekomst aangeven?

De internationale samenwerking in de vorm van inlichtingenuitwisseling en internationale wederzijdse bijstand vormt een wezenlijk onderdeel van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid. Een nadere toelichting op dit onderdeel van het Nederlandse beleid is vervat in hoofdstuk 3.5. van de Notitie Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht (Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4).

Binnen de Belastingdienst zijn vier centrale instanties aangewezen als bevoegde autoriteit voor de onderscheiden soorten van wederzijdse bijstand: de FIOD, de centrale eenheid Intracommunautaire transacties, het Douane Informatiecentrum en het Douanedistrict Arnhem. Deze instanties werken in nauw overleg met de directie Algemene Fiscale Zaken op steeds meer terreinen samen.

Ik noem een paar voorbeelden:

* De FIOD/Informatie en de Centrale eenheid Intracommunautaire Transacties werkten in 1998 nauw samen op het gebied van de omzetbelasting. Voorbeelden zijn de multilaterale controles in Europees verband (gelijktijdig onderzoeken in meer dan twee landen bij internationaal opererende ondernemingen) en de aanpak van de BTW-carrouselfraude.

* Op basis van het koppelen van kennis, ervaring en gegevens is in het Centraal Punt Carrouselfraude succesvol samengewerkt tussen de eenheden van de Belastingdienst en de FIOD/Opsporing (Beheersverslag Belastingdienst 1998, blz. 17/18 en blz. 29).
* Deze vorm van samenwerking wordt ook toegepast bij de aanpak van de accijnsfraude binnen het Centraal Punt Accijnzen in 1999. Hieraan neemt ook het Douane Informatiecentrum deel.

Vraag 28 en 51

Kan worden aangegeven welke stappen zijn gezet en wat de stand van zaken is met de voorbereiding van de Belastingdienst op de invoering van rekeningrijden. Hoeveel ftes zijn hiervoor uitgetrokken.

Hoe kan de implementatie van rekening rijden het beste vorm krijgen binnen de Belastingdienst?

Hoe de implementatie van rekeningrijden in de Belastingdienst het beste vorm kan krijgen hangt mede af van de uitkomsten van de lopende behandeling van het wetsvoorstel rekeningrijden in uw Kamer.

Aan de hand van het voorliggende voorstel wordt op dit moment door verschillende onderdelen van de Belastingdienst aan rekeningrijden gewerkt.

Intussen wordt binnen de Belastingdienst door verschillende onderdelen aan de voorbereiding van rekeningrijden gewerkt. Het Automatiseringscentrum ontwikkelt de heffings- en ondersteunende systemen. Hier ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden. Het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting is verantwoordelijk voor de uitvoering van de heffing. Hier wordt de helpdesk geplaatst. Daarnaast participeert de Centrale Betalingsadministratie bij het opzetten van processen voor het afhandelen van financiële transacties en het opstellen van de financiële verantwoording.

In de afgelopen periode zijn vrijwel alle processen van het rekeningrijden geanalyseerd. Een wezenlijk onderdeel daarbij was de proef die onder meer op de A12 is gehouden met het uitlezen en verwerken van videobeelden van kentekens. De voorbereidingen geschieden in nauw overleg met het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Rijksdienst voor het Wegverkeer. De voorbereidingen worden binnen de Belastingdienst gecoördineerd door een projectgroep. In totaal zijn voor de voorbereidingen thans 50 ftes ingezet.

Beheersverslag Belastingdienst 1998

Vraag 29

Wordt een fusie van Ondernemingen Noord en Ondernemingen overwogen, gezien zij reeds

geruime tijd dezelfde directeur hebben? (blz. III).

Een formele fusie wordt niet overwogen tussen de twee divisies ondernemingen. Er bestaan geen redenen voor een dergelijke fusie. De huidige besturing functioneert naar tevredenheid. Bovendien is de gedachte eerst de ontwikkelingen en veranderingen van de Belastingdienst Strax -zie ook vraag 31 en 32- te volgen alvorens tot eventuele formele stappen zoals samenvoegingen van onderdelen van de Belastingdienst over te gaan. Zo vindt bijvoorbeeld op 1 januari 2000 de inrichting plaats van een Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling (B/Cpp). In dat centrum komen ook taken -en medewerkers- van de huidige doelgroepdirecties. Om de effectiviteit van beide divisies ondernemingen verder te versterken vindt overigens wel een herverdeling van de taken tussen de stafafdelingen van beide doelgroepdirecties plaats. Een fusie is daarvoor echter niet nodig.

Vraag 30

Kan de toelichting bij productkwaliteit worden verduidelijkt? (blz. 8).

Dit kengetal heeft betrekking op de kwaliteit van aanslagen of beschikkingen. Die kwaliteit wordt gemeten door in het vervolgtraject na de correctie (de bezwaar- en beroepfase) te kijken in hoeverre het oorspronkelijke standpunt van de Belastingdienst blijft gehandhaafd. Meer precies is de index bepaald op basis van:

* het percentage gecorrigeerde aangiften/naheffingen waarop geen bezwaar is gevolgd;

* het percentage beroeps-en cassatiezaken waarin de inspecteur in het gelijk is gesteld ten opzichte van het totaal aantal correcties/naheffingen.

Met ingang van 1996 heeft het kengetal betrekking op een aantal verschillende middelen: de inkomsten-, vennootschaps-, loon- en omzetbelasting en Douane.

Vraag 31

Kan de regering aangeven wat feitelijk de bedoeling van Strax is en in welk licht deze gezien moet

worden ten opzichte van de vorige reorganisaties?

Waar gaat het beleid gemaakt worden? Kan de Kamer uiterlijk eind 1999 beschikken over te toegezegde notitie hierover? (blz.10).

Anders dan in het verleden kiest de Belastingdienst voor de toekomst voor een model van geleidelijke, organische verandering. Niet het veranderen van de organisatiestructuur staat voorop, maar de verbetering en stroomlijning van de werkprocessen (procesoriëntatie). Aan die visie op organisatiekenmerken en veranderingsstrategie is het motto Belastingdienst Strax meegegeven.

Van tijd tot tijd zal de verbetering en de stroomlijning van de werkprocessen wel leiden tot een aanpassing van de structuur van de organisatie (zie ook mijn antwoorden op vraag 29 en 32). Een voorbeeld van een dergelijke aanpassing in de structuur is de inrichting van een eenheid Centrale Invoer per 1 januari 2000. Zie hiervoor mijn brief van 19 oktober 1999 (POB 99-1436) aan de Voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën van uw Kamer.

Een herordening van de stafdirecties van het Directoraat-Generaal der Belastingen op het ministerie maakt eveneens deel uit van het Strax-traject. Deze moet er toe leiden dat de stafdirecties zich bijna uitsluitend gaan concentreren op de beleidsvoorbereiding en de control van de Belastingdienst en de advisering van de politieke en ambtelijke leiding van de dienst. Het gevolg daarvan zal zijn dat werkzaamheden met een uitvoerend of met een facilitair karakter op termijn niet meer binnen de stafdirecties op het departement zullen worden verricht maar elders binnen de Belastingdienst.

Ofschoon ik bij mijn weten aan de Kamer over dit onderwerp geen toezegging heb gedaan, ben ik vanzelfsprekend bereid de Kamer geregeld op de hoogte te houden van de organisatorische ontwikkelingen. Ik neem mij voor een eerste notitie eind 1999 aan uw Kamer te zenden.

Vraag 32

Hoe zit de concentratie in Utrecht er uit? Hoe moeten de kennisgroepen binnen deze reorganisatie

gezien worden? Is het juist dat deze reorganisatie een voorbode is voor een soort agentschap van

de Belastingdienst? (blz.10).

De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het ontwerpen en inrichten van de bedrijfsprocessen van de Belastingdienst (ook wel aangeduid als portefeuilles) en de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering (ook wel aangeduid als bedrijfsvoering) liggen nu nog in één hand bij de directeuren van de doelgroepdivisies. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het ontwerpen en inrichten van de bedrijfsprocessen wordt ondergebracht in het Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling (B/Cpp), met vestigingsplaats Utrecht en een nevenvestiging op het departement in Den Haag. Hierdoor kan meer bestuurlijke aandacht worden gegeven aan de kwaliteit van de uitvoering van de belastingwetgeving en aan innovatie en kwaliteitsverbetering van de bedrijfsprocessen. Het nieuwe centrum moet bewerkstelligen dat het ontwerpen en (op)nieuw inrichten van processen aantoonbaar effectiever en efficiënter verloopt.

Het behoort tot de huidige taken van de doelgroepdirecteuren om als portefeuillehouders de kennisgroepen aan te sturen. De kennisgroepen
-netwerken van deskundigen van eenheden, directies en departement- ondersteunen thans de portefeuillehouders bij hun beleidsvoorbereidende taak. Door de vormgeving van het nieuwe dienstonderdeel te Utrecht treedt er op zichzelf geen wijziging op in de kennisgroepen. Wel verschuift de aansturing van deze kennisgroepen naar het hoofd van het nieuwe centrum.

Overigens is deze reorganisatie -noch het ontwikkelingsproces van de Belastingdienst Strax in brede zin- op geen enkele wijze bedoeld als een opmaat naar een soort agentschap of enige andere vorm van bestuurlijke verzelfstandiging.

Vraag 33

Wat zijn de consequenties van de verminderde telefonische bereikbaarheid? Komt daarmee de

dienstverlening, zeker nu het aantal belastingkantoren steeds minder wordt, in de knel?

Wanneer zal deze dienstverlening op een aanvaardbaar niveau zijn gebracht? (blz. 12).

Telefonisch bereikbaar zijn is voor de Belastingdienst een permanent aandachtspunt. Als deze vorm van dienstverlening niet toereikend is, leidt dat bij de belastingplichtigen tot ergernis. Om dit zoveel mogelijk te vermijden wordt geprobeerd de telefonische bereikbaarheid van zowel de Belasting Telefoons als van de Belastingkantoren te verbeteren.

In het antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven welke maatregelen worden genomen om verbeteringen aan te brengen bij de Belasting Telefoons. Vergelijkbare maatregelen op personeelsgebied en op het technische vlak zijn genomen om de bereikbaarheid van de Belastingkantoren te vergroten.

De eerste prioriteit voor de Belastingdienst is nu het opvangen van de toename van het aantal telefoontjes. De komende jaren blijft dit aantal naar verwachting groeien, onder andere omdat de introductie van de belastingherziening 2001 tot de nodige vragen zal leiden.

Vraag 34

Welke mogelijkheden ziet de regering, gezien de behoefte aan informatie bij belastingplichtigen,

gezien de verminderde telefonische bereikbaarheid van de Belastingdienst en gezien de maat-

schappelijke IT-ontwikkelingen, om naast de mogelijkheid om vragen per e-mail voor te leggen, de

belastingplichtige ook per e-mail te beantwoorden? (blz. 12).

De mogelijkheid om per e-mail vragen voor te leggen aan de Belastingdienst en via hetzelfde medium antwoord te krijgen, is binnen de Belastingdienst nog geen vaste praktijk. Eind november 1999 start een proef op vijf eenheden van de Belastingdienst om ervaring op te doen met afhandeling van vragen per e-mail en om de organisatorische, bestuurlijke en technische consequenties in beeld te krijgen. Op basis van de ervaringen wordt beoordeeld in hoeverre toepassing binnen de hele Belastingdienst vorm en inhoud kan krijgen.

Vraag 35

Hoeveel klachten zijn ontvangen waaruit een verschil blijkt tussen de informatie zoals die door de

Belastingtelefoon is verstrekt en de behandeling van een aangifte? Waarom worden onder meer via

postbus 51 belastingplichtigen opgeroepen gebruik te maken van de BelastingTelefoon als de belastingplichtigen daar in rechte geen vertrouwen aan kunnen ontlenen?

Welke maatregelen worden genomen om dit probleem te voorkomen? (blz. 12).

De Belasting Telefoons zijn in het leven geroepen om laagdrempelig, algemene fiscale informatie te verstrekken. Over de beantwoording van vragen door de Belastingtelefoons (Particulieren, Ondernemingen en Douane) zijn slechts enkele klachten ontvangen. De kwaliteit van de antwoorden die medewerkers verstrekken wordt systematisch bewaakt met behulp van zogenoemde belchecks en meeluisteren. Daarbij wordt naast het beoordelen van de inhoudelijke juistheid ook aandacht besteed aan de vraag of de houding van de medewerker tegenover de vragensteller correct was.

Een standpuntbepaling of een beoordeling van de aangifte van de belastingplichtige kan slechts plaatsvinden op de belastingeenheden. Alleen daar heeft de behandelend ambtenaar de beschikking over alle relevante feiten en omstandigheden. De Belasting Telefoon richt zich uitsluitend op algemene informatieverstrekking en heeft als opdracht om naar de competente eenheid te verwijzen waar de vraagstelling complexer wordt of specifieker ingaat op persoonlijke omstandigheden (zie ook mijn brief aan de voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën van 14 oktober 1999, nummer PFC99/910).

Vraag 36

Kan de regering nader ingaan op de gevolgen van de aanwezigheid van buitenlandse ambtenaren

in Nederland en hun bevoegdheden? Wat mogen buitenlandse ambtenaren met in Nederland ver-

kregen gegevens doen en kunnen hierdoor belangrijke (financiële) gegevens van Nederlandse

bedrijven naar buitenlandse concurrenten gaan? (blz. 18).

De aanwezigheid van belastingambtenaren van het ene land op het grondgebied van een ander land (ten behoeve van onderzoek in het kader van inlichtingenuitwisseling) vloeit voort uit Europese Richtlijnen of Verordeningen, de Belastingregeling voor het Koninkrijk en uit andere vergelijkbare verplichtingen van internationaal recht. Deze internationale rechtsgrondslagen zijn in Nederland onder andere uitgewerkt in de Wet op de Internationale Bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (de WIB). Bij wijziging van de WIB in verband met de binding van het Koninkrijk aan het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken, zijn de uitgangspunten voor het beleid inzake de aanwezigheid van ambtenaren aan de hand van de ervaringen van Nederland weergegeven (Kamerstukken II 1995/96, 24 453, nr. 3).

Bij de aanwezigheid van buitenlandse belastingambtenaren in Nederland worden, in overleg met het verzoekende land, voorwaarden gesteld. Zo moet het verzoekende land in de omgekeerde situatie ook Nederlandse ambtenaren toe laten (wederkerigheid). Het onderzoek in Nederland wordt uitgevoerd door en onder leiding van Nederlandse belastingambtenaren; buitenlandse ambtenaren mogen aanwezig zijn bij het onderzoek of delen van het onderzoek, voorzover dat van belang is voor het verzoekende land. Verder hebben zij geen bevoegdheden. De buitenlandse ambtenaren mogen de tijdens het onderzoek verkregen informatie pas gebruiken, als deze informatie door de bevoegde Nederlandse autoriteit is verstrekt. Tenslotte moet de geheimhouding van de verstrekte informatie zijn gewaarborgd. Deze uitgangspunten zijn ook opgenomen in de afspraken die op dit terrein met buitenlandse fiscale autoriteiten zijn of worden gemaakt en die in de Staatscourant worden gepubliceerd. Verwezen wordt naar de afspraken in Koninkrijksverband (1995) en de afspraken met Canada (1997), België (1998) en Denemarken (1999). De verdragsrechtelijk gewaarborgde geheimhouding voorkomt dat (financiële) gegevens van Nederlandse bedrijven naar buitenlandse concurrenten gaan.

Vraag 37

Is bij de concentratie van het Rulingteam in één eenheid te Rotterdam het risico aanwezig dat dit

proces meer tijd dan noodzakelijk is beslag neemt? Hoe wordt daaraan het hoofd geboden?

(blz. 22).

Concentratie van de behandeling van verzoeken is er juist op gericht om - rekening houdend met de eis van rechtsgelijkheid - een snelle behandeling te waarborgen. Overigens is in 1997 de formatie van het rulingteam nog uitgebreid.

Vraag 38

In het Beheersverslag staat gemeld dat het katvangersbestand is afgenomen van 50.000 naar

30.000 kentekens. Dat zou een succes zijn, ware het niet dat in de evaluatie van de Wet op de

motorrijtuigenbelasting genoteerd staat dat 35.000 kentekens op naam van een katvanger stonden

gemeld en geen 50.000, in dat geval is het succes minder. Welke cijfer is juist? (blz. 32).

Na een omvangrijke schoningsoperatie van het kentekenregister, is het bestand aan kentekens op naam van katvangers geregistreerde kentekens teruggelopen van circa 50.000 naar een aantal dat fluctueert tussen 30.000 en 35.000. Beide getallen zijn dus juist.

Vraag 39 en 40

In bepaalde regios blijkt de situatie met betrekking tot katvangers ernstig te zijn. Worden er nieuwe

instrumenten in overweging genomen om aan deze situatie, waarbij met name sociaal zwakken

zoals drugsverslaafden gedupeerd worden, het hoofd te bieden? Welke instrumenten zijn dat?

(blz. 32).

In de evaluatie van Wet op de motorrijtuigenbelasting staat dat met betrekking tot het katvanger-

probleem een interdepartementale werkgroep (ministeries van Financiën en van Justitie en de

verzekeringsmaatschappijen) een advies heeft opgesteld waarin maatregelen worden voorgesteld.

In het Beheersverslag wordt nergens gerapporteerd over het resultaat daarvan. Wat zij de resul-

taten dienaangaande? (blz. 32).

De aanpak van het katvangersprobleem is in eerste instantie een zaak voor de RDW die verantwoordelijk is voor de kentekenregistratie en met name de instroom in het kentekenregister moet beheersen. De genoemde werkgroep heeft voorstellen gedaan om de instroom in het kentekenregister van katvangers te voorkomen door middel van een systeem van signaleringen in het register. De voorstellen hiertoe zijn op dit moment in studie.

Om ten aanzien van de fiscale gevolgen van katvangers alvast resultaten te kunnen boeken is in het belastingplan voor 2000 een voorstel opgenomen tot het instellen van een bijzonder verhaalsrecht voor de Belastingdienst ten aanzien van voertuigen die op naam staan van een katvanger. Daarbij krijgt de Belastingdienst een verhaalsrecht op elke auto die op naam staat van de katvanger. Bovendien geldt de verhaalsmogelijkheid niet uitsluitend de naheffingsaanslag op het in beslag genomen voertuig, maar ook naheffingsaanslagen voor alle andere op naam van de katvanger gestelde voertuigen waarvoor geen belasting is betaald. De verwachting is dat met deze regeling het gebruik van de katvangerconstructie op korte termijn effectief kan worden tegengegaan.

Vraag 41

Waarom wordt in het Beheersverslag, daar waar gesproken wordt over de niet-fiscale

douanetaken, niet gerefereerd aan de bevindingen in het rapport Douane en Douanita van de

Algemene Rekenkamer (18 maart 1999)? Hoe kan het dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat er geen structurele verbeteringen mogelijk zijn en dat het Beheersverslag zegt dat de doelstellingen ruimschoots zijn gerealiseerd? Welke maatregelen zijn of worden genomen om tot verbeteringen te komen? (blz. 15, 30, 52 en 60).

Het Beheersverslag spoort met de conclusies van de Rekenkamer. Het gaat in dit Beheersverslag om de doelstellingen voor 1998. De Algemene Rekenkamer concludeert in haar rapport: In vergelijking met de stand van zaken in 1994/1995 is bij de Douane zelf wel een aantal verbeteringen te constateren. Dit is temeer van belang in het licht van de volumegroei aan regelgeving. Er is duidelijk meer aandacht voor niet-fiscale douanetaken, wat tot uiting komt in de projectmatige aanpak daarvan en het formaliseren van informele samenwerkingsverbanden met andere handhavingsdiensten in convenants. De intensivering van de aandacht voor niet-fiscale douanetaken heeft ook geleid tot een toename van het aantal controles. (blz. 8 en 9).

Volgens de Rekenkamer (blz. 9) zullen de bij de Douane tot stand gebrachte verbeteringen en nog aan te brengen verbeteringen altijd een ad hoc-karakter blijven dragen en nooit tot structurele verbeteringen kunnen leiden, zolang de regelgevende ministeries hun volledige verantwoordelijkheid voor de handhaving van door hen uitgevaardigde, gestaag groeiende regelgeving niet nemen. Ik heb de Rekenkamer toegezegd mijn coördinerende rol voort te zetten om te komen tot afstemming tussen alle betrokken ministeries. Dit heeft reeds geleid tot een convenant tussen het Ministerie van Financiën (de Belastingdienst) en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat waarin, naar de aanbevelingen van de Rekenkamer, afspraken zijn neergelegd omtrent de eisen die V&W stelt aan de inhoud van de douanecontroles en aan de terugkoppeling door de Douane van de controleresultaten.

In mijn reactie gegeven aan de Algemene Rekenkamer op het rapport Douane & Douanita heb ik toezeggingen gedaan tot verbeteringen in lijn met de aanbevelingen van de Rekenkamer. In het rapport van de Rekenkamer is mijn reactie in het kort weergegeven.

Vraag 42

Wat zijn de huidige opsporingsbevoegdheden van de Douane om smokkel van kinderporno te

bestrijden? Is dit probleem besproken met andere ministeries die betrokken zijn bij een

integrale bestrijding van kinderpornografie? Waarom en in welke zin zouden de bevoegdheden

moeten worden aangepast. Op welke termijn kan de Kamer voorstellen dienaangaande ver-

wachten? (blz. 33).

Met het Ministerie van Justitie, het CRI en de Politie vindt regelmatig overleg plaats over de bestrijdingswijze van kinderpornografie. Daarnaast heeft Nederland deelgenomen aan een internationaal project, geïnitieerd door de G-8, gericht op verbetering van de samenwerking tussen de verschillende douane-diensten op dit terrein. In dat kader is aan de Douane volledige opsporingsbevoegdheid verleend om de smokkel van kinderpornografie te bestrijden op basis van het (bij Besluit van 31 oktober 1996 aangepaste) Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/Douane 1995. Inmiddels is besloten om de verleende bevoegdheid te handhaven, waarmee de aanbeveling naar aanleiding van de operatie is overgenomen.

Vraag 43

Waarom bestond in die gevallen waarin niet tijdig een negatieve voorlopige aanslag kon worden

opgelegd wel de gelegenheid een voorschot aan te bieden? (blz. 36-38).

Het bleek medio 1998 voor een beperkt aantal belastingplichtigen niet mogelijk om tijdig via het geautomatiseerde systeem een negatieve voorlopige aanslag op te leggen. Omdat wel tijdig een voorschot kon worden aangeboden door middel van een handmatige procedure, is van deze tussenoplossing gebruik gemaakt.

Vraag 44

Wat is het beleid indien uit het aangiftebiljet blijkt dat een te hoge voorlopige aanslag is opgelegd?

(blz. 36-38).

Blijkt uit een aangifte dat een te hoge voorlopige aanslag is opgelegd, dan legt de Belastingdienst een nadere voorlopige of definitieve aanslag op met het terug te geven bedrag. Over het terug te geven bedrag ontvangt de belastingplichtige heffingsrente. De heffingsrente wordt berekend over de periode liggend tussen het einde van het belastingjaar en de dagtekening aanslagbiljet.

Vraag 45

Welke maatregelen zijn er getroffen om het responsepercentage bij de belastingtelefoon particu-

lieren te verhogen? Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met andere maatregelen ter verbete-

ring van de telefonische bereikbaarheid van het CBM? (blz. 40).

Voor het antwoord op de eerste vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 9. De inzet van extra mensen heeft een positieve invloed op het responspercentage.

De maatregelen die zijn genomen om de telefonische bereikbaarheid van het CBM te verbeteren, hebben zich gericht op de inzet van extra personeel en op administratieve en logistieke aanpassingen naar aanleiding van de ervaringen in 1998. Zo is een brochure uitgegeven met daarin de meest gestelde vragen aan het CBM. Een andere actie is het gebruikmaken van de medewerking van de Rijksdienst voor het Wegverkeer waar het gaat om het toezenden van brochures en instructie over automatisch betalen. Daarnaast zal in 1999 het aantal vragen waarschijnlijk verminderen. Vorig jaar is namelijk het automatisch betalen geïntroduceerd, waarover veel vragen zijn gesteld.

Vraag 46

Is er een verband tussen het oplopende ziekteverzuim en de reorganisatie (Strax)? Hoe verdraagt

het ziekteverzuim van 6,6% zich met de opmerking in het Beheersverslag dat de Belastingdienst er

in slaagt een aantrekkelijke werkgever te zijn (blz. 65).

Het spreekt voor zichzelf dat de Belastingdienst er naar streeft een aantrekkelijke werkgever te zijn, zowel voor het zittend personeel als in de richting van de externe arbeidsmarkt. In dat licht is de omvang van het ziekteverzuim een punt van zorg. Het percentage van 6,6 ligt iets onder het niveau van het verzuim bij vergelijkbare organisaties en instellingen, zowel bezien naar personeelsomvang als naar werkterrein. Voor de rijksoverheid als geheel bedroeg het ziekteverzuim in 1998 6,8%.

Gelet op tot nu toe beschikbare cijfers voor het jaar 1999 lijkt het ziekteverzuim zich te stabiliseren, zij het dat het percentage nog steeds boven het streefcijfer van 5% ligt. Afgezien van de in het Beheersverslag als mogelijke oorzaak genoemde wijziging van het WAO-regime, is nog geen afdoende verklaring voor de toename gevonden. Noch uit de ingestelde Personeelsmonitor noch uit andere bronnen of signalen is gebleken dat de Strax-ontwikkelingen hier enige invloed op hebben.

Vraag 47

Kan worden aangegeven op welke punten aanpassing van het beveiligingsbeleid nodig is? Vormt de recente onrust over misbruik van belastinggegevens door belastinginspecteurs aanleiding tot

nieuwe (extra) controle op de uitvoering van het informatiebeveiligingsbeleid (blz. 69)?

De aangegeven aanpassingen van het beveiligingsbeleid betreffen de inbraakdetectie en het actualiseren van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de eenheden en de facilitaire diensten op het terrein van informatiebeveiliging. Het misbruik van belastinggegevens door enkele deurwaarders is voor mij aanleiding geweest tot extra aandacht voor het beleid en uitvoering van de toegangsbeveiliging van informatiesystemen. Ik heb de Algemene Rekenkamer om onderzoek en advies gevraagd. Dit rapport zal mogelijk leiden tot een verdere aanscherping van het beleid.

Vraag 48

Van het Rekenkamer rapport M&O beleid vennootschapsbelasting wordt gezegd dat de Staats-

secretaris het op hoofdlijnen aanvaardt, terwijl er geen reactie wordt gegeven op het rapport Belastingen als beleidsinstrument. Komt er een reactie bij het Beheersverslag 1999? (blz. 74-75).

Op 24 juni heeft er een Algemeen Overleg met de Vaste Commissie van Financiën plaatsgevonden over het rapport Belastingen als beleidsinstrument. Toegezegd is dat Financiën in overleg met de Algemene Rekenkamer een toetsingskader voor belastinguitgaven zal ontwikkelen. Hierover wordt binnenkort gerapporteerd. Het lijkt mij daarom niet noodzakelijk om in het Beheersverslag 1999 op dit rapport nog verder in te gaan.

Vraag 49

Kan de negatieve opbrengst van de accijns alcoholvrije dranken in de begrotingsontvangsten

realisatie 1998 worden verklaard? (blz. 10, financiële verantwoording 1998 Belastingdienst).

De accijns alcoholvrije dranken (begrotingsartikel 04.19) is vanaf 1-1-1993 omgezet in een verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken (artikel 04.26).

De opbrengst, zoals die nu nog over 1998 op het accijns-artikel wordt verantwoord, betreft de afhandeling van enkele vorderingen en teruggaven daterend uit de periode vóór 1993. In 1998 was deze opbrengst negatief, omdat per saldo meer is teruggegeven dan ontvangen.

Met ingang van het begrotingsjaar 1999 is dit begrotingsartikel komen te vervallen. Eventuele resterende afhandelingen worden dan verantwoord als Overige belastingontvangsten (artikel 04.24).

Vraag 50

Het productieverslag van de Belastingdienst ontbeert nog steeds een vermelding van het financiële

belang van de uitkomsten van bezwaarschriften en beroepschriften. Is de Belastingdienst efficiënt

bij bezwaar en beroep ter zake van de aanslagregeling?

De gevraagde informatie maakt geen deel uit van de reguliere bestuurlijke informatie. Wel is binnen de Belastingdienst informatie beschikbaar over de mate waarin opgelegde correcties inkomstenbelasting gehandhaafd blijven. Uit intern onderzoek blijkt voor de belastingjaren 1996 en 1997, dat van het totaal gecorrigeerd bedrag inkomensheffing ongeveer 94% gehandhaafd blijft.

Fiscale Monitor 1998

Vraag 52

Hoe is te verklaren dat men van jaar tot jaar vindt dat de Belastingdienst strenger worden,

ondanks de doelstelling klantgerichter te opereren? (blz. iii).

Klantgericht werken betekent enerzijds dat de belastingplichtige zich door de Belastingdienst voldoende ondersteund voelt bij het nakomen van zijn of haar verplichtingen. Klantgerichtheid houdt echter ook in dat burgers die hun verplichtingen correct nakomen, er op mogen rekenen dat de Belastingdienst er alles aan doet om belastingplichtigen die dat niet doen óf te ondersteunen óf te corrigeren. Streng optreden kan dus zeer wel klantgericht optreden zijn.

Vraag 53

Zijn er plannen tot verdere verduidelijking van het belastingformulier? (blz. iv).

In het kader van de belastingherziening 2001 wijzigt het aangiftebiljet inkomstenbelasting ingrijpend. Daarbij wordt bijzondere aandacht worden besteed aan het invulgemak voor de belastingplichtige.

Het aangiftebiljet 1999 wijzigt in zoverre dat het geschikt wordt gemaakt voor het lezen door de computer (OCR: Optical Character Reading). Die wijziging geldt ook voor andere aangiftebiljetten.

Vraag 54

De telefonische bereikbaarheid van de juiste persoon bij de Belastingdienst is afgenomen.

Hoe verklaart de regering dat? (blz. v).

De afgelopen jaren is het aanbod van telefonische vragen bij de Belastingdienst sterk gegroeid. Deze toename is een weerspiegeling van de maatschappelijke trend dat de burger steeds meer behoefte aan informatie heeft en dat hij/zij daarvoor steeds vaker van de telefoon gebruik maakt. Op zichzelf beschouwd zie ik dat als een positieve trend, omdat daar uit blijkt dat de burger geen hoge drempel ervaart om de Belastingdienst te benaderen. In de antwoorden op vraag 9 en 33 ben ik nader ingegaan op de maatregelen die genomen zijn om de telefonische bereikbaarheid te verbeteren.

Vraag 55

Het merendeel van de particulieren kan de aangifte of niet geheel (20%) of geheel niet (45%) zelf

verrichten. Ziet de regering mogelijkheden hier de komende jaren verbetering in aan te brengen?

(blz. vi).

Het bevorderen van het zelf invullen van de aangifte is een aandachtspunt bij de Hulp Bij Aangifte (HUBA). Verder wordt bij het samenstellen van de aangifte waarin de gevolgen van de belastingherziening 2001 worden verwerkt, bijzondere aandacht besteed aan het invulgemak.

Tenslotte merk ik op dat bovenstaande cijfers een wat vertekend beeld kunnen geven. Veel belastingplichtigen kiezen er bewust voor om zich te laten bijstaan bij het doen van aangifte. Deze worden geregistreerd in de groep van niet-zelfinvullers.

Vraag 56

Minder dan de helft van de fiscale adviseurs is tevreden over het tempo van beantwoording van vragen aan de Belastingdienst. Kan de regering hiervoor een verklaring geven? (blz. vii).

Uit de Fiscale Monitor zelf valt hiervoor geen verklaring te vinden. Een mogelijke verklaring kan liggen in de aard van de vragen die fiscale adviseurs plegen te stellen. Deze vragen vergen in veel gevallen meer beantwoordingstijd dan de vragen van de gemiddelde belastingplichtige.

Vraag 57

Hoe verhoudt zich het plan om voortaan slechts eens in de twee jaar een uitgebreid Fiscale Monitor onderzoek te houden, tot de wijzigingen in de belastingheffing die voor 2001 op het programma staan? (blz. 1).

Afwisselend wordt het ene jaar een uitgebreid Fiscale Monitor onderzoek gehouden en het andere jaar een minder breed onderzoek, dat wordt aangevuld met verdiepingsonderzoeken. Ook het minder brede onderzoek is zo ingericht dat het voldoende informatie biedt over het oordeel van de belastingplichtige.

Doel is en blijft om het oordeel over de wijze waarop de Belastingdienst de fiscale wet- en regelgeving uitvoert goed in beeld te brengen en mogelijke trendbreuken te signaleren. Dit betreft ook de effecten van de belastingherziening 2001.

Vraag 58

Is (bij benadering) bekend waarom eenderde van de particulieren en fiscaal dienstverleners niet tevreden is over het gebruik van de Belasting Telefoon? (blz. 38).

Een van de oorzaken dat particulieren en fiscale dienstverleners niet altijd tevreden zijn is dat de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon te wensen overliet. Inmiddels zijn maatregelen genomen om de telefonische bereikbaarheid uiterlijk per 1 januari 2000 te verbeteren (zie het antwoord op vraag 9).

Een andere oorzaak is gelegen in het feit dat particulieren en fiscale dienstverleners soms meer verwachten van de dienstverlening door de Belastingtelefoon dan de Belastingdienst als doelstelling heeft. Men verwacht dat de Belastingtelefoon informatie kan geven over recent gewijzigde wetgeving en over onderhanden wetgeving. Tevens verwacht men dat de medewerker van de Belastingtelefoon ook in staat is snel en adequaat te antwoorden op meer complexe fiscale situaties en daarbij zonodig doorvraagt.

Aan dit verschil in verwachtingspatroon zal ik bij het verder ontwikkelen van het dienstverleningsconcept van de Belastingdienst nadrukkelijk aandacht besteden (zie ook mijn brief aan de voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën van 14 oktober 1999, nummer PFC99/910).

Vraag 59

Bestaat er een verschil in afhandelingssnelheid tussen aangifte per biljet, diskette of modem?

Zo nee, is het niet te verwachten dat elektronische aangifte sneller gaat? Wat voor activiteiten

onderneemt de Belastingdienst om elektronische aangifte te bevorderen? (blz. 48-50).

Het verschil in afhandelingstijd betreft vooral de interne administratieve en logistieke verwerking binnen de Belastingdienst. De toetsing en controle van de aangifte verschillen niet. Uit een oogpunt van gelijke behandeling is het niet wenselijk dat bijvoorbeeld de elektronische aangifte met voorrang worden afgehandeld. De werkwijze binnen de Belastingdienst is hierop afgestemd. Hierdoor zullen belastingplichtigen in de praktijk geen verschillen ervaren in de afhandelingstermijn.

Het voordeel van de aangiften per diskette en per modem is vooral gelegen in het invulgemak voor de belastingplichtige en de foutloze instroom van gegevens aan de kant van de Belastingdienst. De activiteiten om de elektronische aangifte te bevorderen zijn vooral gelegen in de publiciteit in de aangifteperiode en het steeds verder verbeteren van het gebruikersgemak.

Vraag 60

Is de regering bereid om voor de toekomstige fiscale monitors ook onderzoek uit te voeren en

verslag te doen van opvattingen en gedragingen per bedrijfssector en per leeftijdsgroepen voor particulieren?

Een Fiscale Monitor naar bedrijfssectoren en voor verschillende leeftijdsgroepen zou zeer omvangrijk en kostbaar worden en hoge administratieve lasten op de bevraagde leggen. Naar mijn mening weegt de extra inspanning van een nadere uitsplitsing niet op tegen de veronderstelde meerwaarde.


- o -

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie