Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Besluit Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Datum nieuwsfeit: 15-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Vragen en antwoorden inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz). Besluit van 15 november 1999, nr. DB1999/3363M.



Vragen en antwoorden inzake de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz).

Besluit van 15 november 1999, nr. DB1999/3363M.

De plv. Directeur-Generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

INLEIDING

In de afgelopen tijd is een groot aantal vragen voorgelegd over de verzekeringsplicht en premieheffing voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz). In overleg en in samenwerking met de Belastingdienst/Directie Particulieren te Utrecht en de Kennisgroep Premieheffing is besloten de voorgelegde vragen en antwoorden daarop in een overzicht samen te vatten.

Bij de beantwoording van de gestelde vragen is uitgegaan van de tekst van de Waz, de Regeling premieheffing Waz, het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz, de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, alsmede percentages en bedragen zoals deze voor 1998 gelden. De relevante wetsartikelen en regelingen zijn als bijlagen toegevoegd.

In het hierna opgenomen overzicht komen de volgende onderwerpen aan de orde:

Algemeen
Voor wie geldt de Waz ?
Premieheffing Waz


1. Algemeen

Op 1 januari 1998 zijn ingrijpende wijzigingen van kracht geworden in de sociale wet- en regelgeving rond ziekte en arbeidsongeschiktheid. De maatregelen hebben tot doel mensen die ziek of arbeidsongeschikt zijn zoveel en zo snel mogelijk (weer) aan het werk te helpen, doch ook om de kosten van de wettelijke verzekeringen inzake arbeidsongeschiktheid terug te dringen.

Werkgevers worden gestimuleerd tot het voeren van een effectief preventie- en reïntegratiebeleid. Vanwege dit laatste is de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) per 1 januari 1998 in werking getreden.

Van het zogenaamde Pemba-complex maken ook deel uit de Waz en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Beide wetten, die eveneens per 1 januari 1998 in werking zijn getreden, vervangen de AAW. Om die reden is de AAW per 1 januari 1998 ingetrokken.

De Waz is, net als de AAW, een wettelijke verzekering tegen de geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op minimumniveau. De verzekerden voor de Waz brengen in principe zelf de uitkeringslasten op door het betalen van een premie die wordt geheven en geïnd door de Belastingdienst. Een Waz-uitkering wordt betaald door een uitvoeringsinstelling (GAK, GUO, Cadans, SFB of Uszo).

De overgang van de AAW naar de Waz diende zo veel mogelijk inkomensneutraal te geschieden. Dit heeft naast de algemene maatregelen in het kader van het gehele Pemba-complex geleid tot het treffen van een pakket van aanvullende maatregelen voor bepaalde categorieën personen.


2. Voor wie geldt de Waz ?

De Waz geldt voor zelfstandigen, hun meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers die arbeid verrichten waaruit zij inkomen verwerven. Deze laatste categorie wordt in de Waz aangeduid met de benaming beroepsbeoefenaar (hieronder vallen bijvoorbeeld directeur-grootaandeelhouders; hierna: dga's). De wet verstaat onder deze groepen:

Zelfstandigen en hun meewerkende echtgenoten

De zelfstandig ondernemer, jonger dan 65 jaar, die feitelijk arbeid in zijn onderneming verricht, is vanaf 1 januari 1998 verplicht verzekerd voor de Waz. Werkt de echtgenoot mee in het bedrijf zonder daarvoor een arbeidsbeloning te ontvangen, dan is hij of zij ook verzekerd. In het algemeen zal dan sprake zijn van een fiscale meewerkaftrek, die door de zelfstandige wordt genoten vanwege het meewerken in de onderneming door zijn partner. Wanneer de meewerkende echtgenoot voor het meewerken in de onderneming een zelfstandige arbeidsbeloning ontvangt is hij of zij ook verzekerd voor de Waz, maar valt dan onder de categorie beroepsbeoefenaar. Onder meewerkende echtgenoot wordt hier ook de geregistreerde partner verstaan. De Waz geldt tevens wanneer de zelfstandige in Nederland werkt, maar in het buitenland woont.

Er is één uitzondering: wanneer men fiscaal als ondernemer wordt aangemerkt maar als winstgenieter geen arbeid verricht. Hierbij kan gedacht worden aan de stille vennoot-geldschieter in een commanditaire vennootschap of de genieter van uitgestelde of nagekomen winstbaten. In die gevallen is men niet verzekerd voor de Waz.

Beroepsbeoefenaren

Heeft men - jonger dan 65 jaar- inkomen uit arbeid, maar is men geen werknemer in de zin van de WAO en ook geen zelfstandig ondernemer, dan behoort men tot de groep "beroepsbeoefenaren". Onder die noemer vallen personen die inkomen uit tegenwoordige arbeid genieten in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB), zoals alphahulpen, geestelijken, auteurs, freelancers, etc. en personen met nevenwerkzaamheden. Houders van een aanmerkelijk belang in een NV/BV, die in die vennootschap arbeid verrichten en waarbij geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de WAO, zijn eveneens verplicht verzekerd voor de Waz. Dit zal voor het merendeel van de dga's gelden.

Per 1 januari 1998 is een besluit1 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, getroffen in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, van kracht geworden waarin de jurisprudentie geformaliseerd is omtrent de vraag of de dga voor de werknemersverzekeringen een dienstbetrekking heeft. Het gaat daarbij om de gezagsverhouding. Beslissend is of de dga al dan niet tezamen met zijn echtgenoot een zodanig aantal aandelen houdt dat tenminste de helft van de stemmen in de aandeelhoudersvergadering wordt vertegenwoordigd ofwel dat hij, als dga, niet tegen zijn zin ontslagen of geschorst kan worden. Ook in de situatie van nevengeschiktheid van bestuurders, bijvoorbeeld 4 bestuurders die elk 25% van de aandelen houden, is geen sprake van ondergeschiktheid. Voor de situatie van een "familie-BV is de richtsnoer gegeven dat geen sprake is van een gezagsverhouding als tenminste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door familieleden van de dga tot en met de derde graad.

Indien een echtgenoot van een dga arbeid in de BV/NV verricht is deze in principe als werknemer verzekerd voor de WAO. Is echter geen sprake van een dienstbetrekking in de zin van de WAO dan is die echtgenoot verzekerd voor de Waz. Dat is bijvoorbeeld het geval als de uitvoeringsinstelling vaststelt dat geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de WAO wegens het ontbreken van een normale gezagsverhouding.


3. Premieheffing Waz

Algemeen

De heffing en inning van premies van de Waz-verzekerden is opgedragen aan de Belastingdienst en geschiedt aan de hand van de aangiften voor de inkomstenbelasting (hierna: IB). De heffing geschiedt via een afzonderlijke aanslag Waz. Indien een aangifte IB aan een Waz-verzekerde is uitgereikt wordt steeds een aanslag premie Waz opgelegd ook al is de Waz-aanslag nihil. Ook wordt steeds een aanslag premie Waz opgelegd indien aan loonbelasting onderworpen inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden genoten, andere dan uit dienstbetrekking in de zin van de WAO. Voor het overige gelden voor de Waz met betrekking tot de heffing en inning van premies onverkort dezelfde regels als voor de Wet IB.

Voor alle Waz-verzekerden geldt een gelijk premiepercentage van 7,9% (1999: 8,42%). De premies worden gestort in een afzonderlijk Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat wordt beheerd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Waz-premies zijn als persoonlijke verplichting aftrekbaar.

Berekening premie-inkomen Waz

Het premie-inkomen is de optelsom van de in een kalenderjaar genoten:


-winst uit onderneming


-winst uit binnenlandse onderneming


-zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid

waarvan maximaal 84.000 (zowel voor 1998 als voor 1999) in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de Waz-premie.

De gehanteerde begrippen zijn ontleend aan de Wet IB, behalve het begrip dienstbetrekking. Dat heeft voor de Waz de inhoud en betekenis die het in de WAO heeft.

De grondslag voor de heffing bij winst uit onderneming wordt gevormd door de vastgestelde winst waarbij de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de toe- of afnemingen van de oudedagsreserve niet in aanmerking worden genomen.

Voor de berekening van het premie-inkomen Waz wordt een negatief bedrag aan winst uit onderneming verrekend met andere tot het premie-inkomen Waz behorende bronnen van inkomen. Een negatief bedrag aan winst uit onderneming kan echter niet in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het premie-inkomen Waz van een ander belastingjaar. Er is dus geen regeling voor verliesverrekening over de jaren. Bij verliessituaties kan mogelijk wel de apart voor de Waz geldende middelingsregeling enig soelaas bieden. Dan wordt het gemiddelde premie-inkomen over drie jaar berekend voor welke berekening echter een verliesjaar op nihil wordt gesteld.

Het inkomen dat fiscaal als winst wordt aangemerkt maar waarvoor feitelijk geen arbeid wordt verricht zoals de winst van een stille vennoot-geldschieter in een commanditaire vennootschap (CV) wordt niet tot het premie-inkomen gerekend.

Onder de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte arbeid moeten worden verstaan andere dan uit dienstbetrekking (in de zin van de WAO) genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Om tot de zuivere inkomsten te komen mogen dus alle aftrekbare kosten in mindering worden gebracht. Zou bijvoorbeeld ook nog sprake zijn van een normale dienstbetrekking dan mag het daarvoor toegepaste arbeids- en/of reiskostenforfait of de toegepaste werkelijke kostenaftrek bij de bepaling van het premie-inkomen ook volledig afgetrokken worden van de Waz-inkomsten.

Bij buiten dienstbetrekking verrichte arbeid gaat het in de eerste plaats om andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, Wet IB.

Voorts behoren hiertoe de inkomsten van de aanmerkelijk belang houder (hierna ab-houder) inzake de arbeid die hij verricht in zijn vennootschap waarvoor hij niet als WAO-verzekerde wordt aangemerkt. In artikel 72, lid 3 van de Waz is de regeling fictief premie-inkomen opgenomen. Eenzelfde regeling is in 1997 in de loonbelasting ingevoerd als gebruikelijk-loonregeling. Uitgangspunt bij die regelingen is een bedrag aan genoten loon dat gelijk is aan het maximum premie-inkomen Waz van 84.000 .

In de LB valt onder het loonbegrip niet de bijtelling met betrekking tot een ter beschikking gestelde personenauto. In de IB behoort de bijtelling terzake van het voordeel van de ter beschikking gestelde auto echter wel tot het loon. De Waz schrijft voor dat inkomsten uit tegenwoordige arbeid moeten worden opgevat in de zin van de Wet IB. Daarom moet de bijtelling inzake een ter beschikking gestelde auto, die voortvloeit uit een niet WAO-dienstbetrekking, in voorkomende gevallen tot het premie-inkomen Waz worden gerekend.

Berekening franchise Waz

Van het premie-inkomen is in de vorm van een franchise een bedrag vrijgesteld van premieheffing Waz. Deze franchise bedraagt minimaal 29.000 (zowel voor 1998, 1999 als 2000).

Het bedrag van de franchise kan verhoogd worden als de verzekerde ook nog inkomsten uit in dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid2 heeft en/of uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de ZW, de WAO, de WW en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria. Tot de WAO-uitkeringen uit hoofde van verplichte verzekering op grond van de WAO behoren ook de bedragen die de werkgever als eigen risicodrager op grond van die wet namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan zijn (gewezen) werknemer uitkeert. Als het gezamenlijke bruto bedrag van deze inkomsten hoger is dan het franchise-bedrag van 29.000 dan komt dit hogere bedrag in de plaats van het vaste franchise-bedrag. Maximaal mag de aldus te verhogen franchise echter slechts 78.561 bedragen ( bedrag 1998 maximum jaarpremieloon Coördinatiewet Sociale Verzekering).

Bij de inkomsten voor de berekening van een hogere franchise is enkel sprake van bruto inkomsten, niet van de zuivere inkomsten. De aftrekbare kosten behoeven niet in aftrek te worden gebracht.

Het premie-inkomen Waz wordt dus met de aftrekbare kosten verlaagd, de franchise niet.

Voor een eventuele verhoging van de franchise mag evenwel niet worden meegenomen de bijtelling op grond van artikel 42 lid 3 Wet IB inzake het voordeel van het ter beschikking stellen van een personenauto.

Het in een kalenderjaar geldende franchise-bedrag ondergaat geen herrekening indien een verzoek om middeling wordt gedaan. Alleen het premie-inkomen wordt herrekend. Op de herrekende premie-inkomens van het middelingstijdvak worden de geldende franchises van de verschillende jaren in mindering gebracht.

Berekening aanslag Waz

De premie Waz wordt berekend over het saldo van premie-inkomen en franchise volgens onderstaande schematische opbouw die ook op de aanslag wordt afgedrukt.

Berekening

Vastgesteld premie-inkomen Waz x

Franchise af y


--------

Heffingsgrondslag Waz (x-y)

Premie Waz 1998

7,9% van (x-y) = z.

(1999: 8,42 %)

Te betalen

Premie Waz

zie linkerkolom z

Eerder opgelegde

voorlopige aanslagen af v


------

Te betalen (z-v)

In gevallen waarin het premie-inkomen Waz boven het maximum komt wordt op de aanslag apart het maximum premie-inkomen Waz weergegeven zodat de berekening van de heffingsgrondslag te volgen is. De aanslag premie Waz is herkenbaar aan de letter "W" in het aanslagnummer.

Inhoud vragen en antwoorden Waz


1. Kring verzekerden Waz.


1.1. Feitelijk voor eigen rekening drijven onderneming.


1.2. Arbeid verrichten door een commanditair vennoot.


1.3. Echtgenoot die vanwege meer dan gebruikelijke bijstand arbeidsbeloning geniet.


1.4. Echtgenoot voor wie meewerkaftrek wordt genoten.


1.5. Waz en vrijwillige verzekering WAO.


1.6. Waz en andere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.


1.7. Staking onderneming in de loop van het kalenderjaar.


1.8. Interimmanagers.


1.9. Onderzoeksresultaat Uitvoeringsinstelling.


2. Premie-inkomen Waz.


2.1. Ondernemer in maatschap met theoretisch te onderscheiden winstbaten.


2.2. Belgisch kindergeld en premie-inkomen Waz.


2.3. Negatief premie-inkomen Waz.


2.4. Premie-inkomen Waz bij overlijden.


2.5. Premie-inkomen Waz en verplichte bijdragen beroepspensioenfonds.


2.6. Aftrekbare kosten inzake privé gebruik ter beschikking gestelde personenauto.


2.7. Aftrekbare kosten en regelmatig inkomen (artikel 6 Regeling premieheffing Waz).


3. Franchise Waz.


3.1. Loon internationale organisatie en franchise.


3.2. AAW- of Waz-uitkering.


3.3. Uitkering uit vervroegd pensioen


3.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte directeur-grootaandeelhouder.


3.5. Ontslaguitkering uit Belgische dienstbetrekking.


4. Aanslag Waz.


4.1. Wanneer moet een aanslag Waz worden opgelegd.


4.2. Ten onrechte opgelegde voorlopige aanslag Waz.


4.3. Aanslag Waz aan een 64-jarige.


4.4. Aanslag Waz ten onrechte achterwege gelaten.


4.5 Bezwaarschrift tegen vaststelling premie-inkomen Waz boven maximum


4.6 Samenloop binnenlandse- en buitenlandse belastingplicht in hetzelfde jaar (arrest Terhoeve)


5. Premie Waz persoonlijke verplichting.


5.1. Veiligstellen aftrek.


5.2. Betalingskorting bij voorlopige aanslag.


5.3. Aftrekbaarheid bij erfgenamen.


5.4. Teruggaaf Waz-premies, waarvan de aftrek niet tot belastingbesparing heeft geleid.


6. Diversen.


6.1. Waz-aanslag en Voorlopige Teruggaaf.


6.2. Bezwaarschrift aanslag IB/PH en geen bezwaarschrift aanslag Waz.


6.3. Vennootschap heeft Waz-aanslag directeur-grootaandeelhouder betaald.

Bijlagen:


1. Artikelen 1, 3 t/m 6 en 71 t/m 75 Waz.


2. Regeling Premieheffing Waz.


3. Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz.


4. Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.


1. KRING VERZEKERDEN WAZ


1.1. Feitelijk voor eigen rekening drijven onderneming

Vraag Uit artikel 4 van de Waz blijkt dat iemand Waz-verzekerd is als hij winst uit onderneming geniet en de onderneming feitelijk voor eigen rekening drijft. Wat moet in dit verband precies onder het feitelijk voor eigen rekening drijven van de onderneming worden verstaan?

Antwoord Iemand kwalificeert voor de Waz pas als zelfstandige en is Waz-verzekerde als hij in de zin van de Wet IB winst uit onderneming geniet én feitelijk voor eigen rekening de onderneming drijft. Onder dit laatste kan worden verstaan het verrichten van arbeid in de onderneming mits de vergoeding die men voor het verrichten van de arbeid ontvangt op grond van artikel 6 van de Wet IB wordt aangemerkt als winst uit onderneming. Dit is doorgaans niet het geval bij de commanditaire vennoot die werkzaamheden binnen de CV verricht. De vergoeding die hij voor het verrichten van werkzaamheden ontvangt, is in de regel belast als andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Dit leidt eveneens tot Waz-verzekering, maar dan op grond van artikel 5 van de Waz.


1.2. Arbeid verrichten door een commanditair vennoot

Vraag Stel dat een commanditaire vennoot in een CV geen beheersdaden verricht, maar wel volledig meewerkt, doch dat de beloning is gerelateerd aan het ingebracht kapitaal en niet aan de verrichte arbeid. (Deze figuur komt in de agrarische wereld nogal eens voor bij het overgaan van het bedrijf op de volgende generatie: de ouder brengt zijn gehele bedrijf in als kapitaal van de commanditaire vennoot, het kind wordt beherend vennoot). Is deze commanditaire vennoot Waz-verzekerd?

Antwoord a. de vergoeding is voor een deel gerelateerd aan de verrichte arbeid.

Indien een duidelijk te onderkennen beloning voor de arbeid wordt genoten dan kwalificeert dat als andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Dat leidt tot Waz-verzekering omdat de commanditaire vennoot dan is aan te merken als beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 5 van de Waz.

Antwoord b. de vergoeding is enkel gerelateerd aan het ingebrachte kapitaal.

Het verrichten van arbeid betekent nog niet dat aan de feitelijke bedrijfsuitoefening wordt deelgenomen. De vergoeding voor ingebracht kapitaal kwalificeert als winst uit onderneming mits de commanditaire vennoot is gerechtigd tot (een deel van) het liquidatie-overschot.

Een en ander leidt echter niet tot Waz-verzekering.

(zie ook het antwoord van de Staatssecretaris van Financiën, gepubliceerd in V-N 1998/3.14, blz. 379 aan de Eerste Kamer bij de aanpassing van de FOR en de zelfstandigenaftrek).


1.3. Echtgenoot die vanwege meer dan gebruikelijke bijstand arbeidsinkomsten geniet

Vraag Een echtgenote verleent meer dan de gebruikelijke bijstand aan haar in dienstbetrekking werkzame echtgenoot en geniet een reële arbeidsbeloning, in de zin van artikel 5, lid 7, van de Wet IB. Is zij Waz-verzekerd?

Antwoord Ja, zij geniet andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB en voldoet daarmee aan de kwalificatie van beroepsbeoefenaar in artikel 5 van de Waz.


1.4. Echtgenoot voor wie meewerkaftrek wordt genoten

Vraag Valt een echtgenoot, voor wie een ondernemer de meewerkaftrek geniet, onder de Waz?

Antwoord Ja, artikel 6 van de Waz moet gelezen worden als:... "anders dan in dienstbetrekking, anders dan als zelfstandige of anders dan als beroepsbeoefenaar meewerkt in de onderneming van zijn echtgenoot".

Dit blijkt uit de parlementaire behandeling. De meewerkende echtgenoot zoals bedoeld in artikel 6 van de Waz is dus wel verzekerd, maar niet premieplichtig voor de Waz. Voor het recht op uitkering Waz worden, anders dan voor de meewerkaftrek, evenwel geen minimumeisen gesteld aan het aantal uren dat wordt meegewerkt. Het is dus mogelijk dat in de IB geen recht bestaat op meewerkaftrek omdat niet voldaan wordt aan het urencriterium, terwijl de meewerkende echtgenoot wel Waz-verzekerd is.


1.5. Waz en vrijwillige verzekering WAO

Vraag Is iemand niet Waz-verzekerd als hij zich vrijwillig verzekert voor de WAO ?

Antwoord Iemand kan Waz-verzekerd zijn en daarnaast vrijwillig verzekerd voor de WAO. Hierbij kan worden gedacht aan een persoon wiens verplichte WAO-verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen. Deze persoon heeft, als ex verplicht verzekerde, de mogelijkheid om zich vrijwillig voor de WAO te verzekeren. Mits aan de voorwaarden voor die vrijwillige verzekering wordt voldaan, moet de uitvoeringsinstelling zon persoon zonder voorafgaande medische keuring tot de vrijwillige WAO-verzekering toelaten. Daarnaast is die persoon als zelfstandige verzekerd voor de Waz. Een uitkering op grond van zowel de Waz als op grond van de vrijwillige WAO-verzekering worden ongekort naast elkaar uitbetaald.


1.6. Waz en andere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

Vraag Directeur-grootaandeelhouders en geestelijken hebben soms reeds op andere wijze voorzien in een arbeidsongeschiktheidsverzekering en maken om die reden bezwaar tegen de Waz-aanslag. Kan zon bezwaar slagen?

Antwoord Neen. Het wordt als een nadrukkelijke overheidstaak gezien een wettelijke bescherming te bieden op minimumniveau tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen en overige niet-werknemers die inkomensvormende arbeid verrichten. Deze wettelijke bescherming heeft, na intrekking van de AAW, vorm gekregen in de Waz. De Waz bouwt in belangrijke mate voort op de toenmalige AAW. Evenals de AAW voorziet de Waz in een wettelijk verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op minimumniveau.

Dat men reeds op andere wijze in verzekering tegen de risico's van arbeidsongeschiktheid heeft voorzien, doet niet ter zake.


1.7. Staking onderneming in de loop van het kalenderjaar

Vraag Als een ondernemer in de loop van het jaar zijn onderneming staakt, eindigt op dat tijdstip dan ook de premieplicht Waz?

Antwoord Er is geen speciale regeling getroffen voor de berekening van het premie-inkomen in de situatie dat de Waz-verzekering in de loop van het jaar eindigt (of aanvangt) om andere redenen dan het bereiken van de 65-jarige leeftijd of vertrek naar het buitenland. Men is het hele jaar premieplichtig voor de Waz en tot het premie-inkomen behoren alle daartoe aangewezen inkomensbronnen.


1.8. Interimmanagers

Vraag Een bedrijf bemiddelt bij het inzetten van interimmanagers en incasseert de vergoeding van de bedrijven daarvoor. De vergoeding wordt, na aftrek van een kostenpercentage, doorgegeven aan de management-BV van de betrokken manager. De Uitvoeringsinstelling heft WAO-premies over de doorgesluisde vergoedingen. Is de interimmanager voor dat inkomen Waz-verzekerd?

Antwoord In dergelijke situaties wordt in principe het standpunt van de betrokken Uitvoeringsinstelling gevolgd omdat die bepaalt of iemand voor een bepaalde activiteit als verzekerde voor de WAO wordt aangemerkt. In dit geval wordt de interimmanager voor de betreffende activiteit niet als Waz-verzekerde aangemerkt.

Als directeur-grootaandeelhouder van de management-BV kwalificeert de interimmanager wel als Waz-verzekerde en zijn salaris vormt premie-inkomen voor de Waz. De vergoeding waarover WAO is geheven wordt vervolgens wel in aanmerking genomen voor het bepalen van de hoogte van de franchise (artikel 73, lid 1, van de Waz juncto artikel 5 van de Regeling premieheffing Waz)

Bij besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nr SV/WV/98/2920 (Stcrt. 1998, nr. 161, pag. 7; zie V-N 1998/42. 25, blz. 3645) wordt vanaf 1 september 1998 evenwel de persoon die door tussenkomst ten behoeve van een derde arbeid verricht en deze arbeid in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep verricht, uitgesloten van WAO-verzekering. Bij Besluit van 30 september 1998 (Stcrt. 1998, nr. 193; zie V-N 1998/48.19, blz. 4140) heeft het Lisv het begrip zelfstandigheid van interimmanagers nader ingevuld. In dit besluit worden de criteria opgesomd waaraan dient te worden getoetst bij de beoordeling of er sprake is van zelfstandigheid voor de (branche van) interimmanagers. Als aan de criteria wordt voldaan is er sprake van zelfstandigheid. Dit laat echter onverlet de mogelijkheid dat er sprake is van een dienstbetrekking (gezag, arbeid en loon) en de verzekeringsplicht op basis daarvan. Vanaf 1 september 1998 wordt betrokkene voor dergelijke activiteiten -die door tussenkomst worden verricht- niet meer als WAO-verzekerde aangemerkt: de daaraan toe te rekenen vergoeding wordt derhalve niet meer meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de franchise.


1.9. Onderzoekresultaat Uitvoeringsinstelling

Vraag Moet de Belastingdienst de uitkomst van een onderzoek door een Uitvoeringsinstelling voor de Waz altijd volgen?

Antwoord Indien een Uitvoeringsinstelling onderzoek heeft gedaan naar de kwalificatie ten behoeve van de werknemersverzekeringen dient de Belastingdienst dat standpunt te volgen. Bij verschil van inzicht wordt aanbevolen via de aangewezen contactpersonen overleg met de betrokken Uitvoeringsinstelling te plegen en eventueel de Kennisgroep Premieheffing in te schakelen.


2. PREMIE-INKOMEN WAZ


2.1. Ondernemer in maatschap met theoretisch te onderscheiden winstbaten

Vraag Een ondernemer ontvangt als maat in een maatschap op grond van de maatschapsovereenkomst bij de winstverdeling eerst een vergoeding voor het aan de maatschap ter beschikking gestelde pand, dan een vergoeding over het ingebrachte kapitaal, en daarna een bepaald percentage van het restant.

Antwoord Omdat de ondernemer arbeid en beheersdaden verricht in die onderneming, wordt er geen onderscheid gemaakt in de samenstelling van de winst uit die onderneming en behoren alle uit die onderneming theoretisch te onderscheiden baten tot de winst en daarmee tot het premie-inkomen Waz. Pas wanneer op grond van de Wet IB onderscheid wordt gemaakt in verschillende bronnen van inkomen kan dit ook voor het bepalen van het premie-inkomen Waz gelden.


2.2. Belgisch kindergeld en premie-inkomen Waz

Vraag De echtgenote van een Nederlandse grensarbeider in België ontvangt Belgisch kindergeld. Dit inkomen wordt aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Behoort dit Belgisch kindergeld daarmee tot het premie-inkomen Waz?

Antwoord Neen, de echtgenote verricht zelf geen arbeid ter zake van deze inkomsten. Het is inkomen dat voortvloeit uit een met de WAO vergelijkbare dienstbetrekking van een ander.


2.3. Negatief premie-inkomen Waz

Vraag Kan een gering bedrag aan neven-inkomsten met daarnaast loon uit dienstbetrekking door het in aanmerking nemen van alle aftrekbare kosten tot een negatief premie-inkomen leiden?

Antwoord Het premie-inkomen wordt in dat geval op nihil gesteld en ook zo op de aanslag afgedrukt. Een negatief premie-inkomen Waz kan niet met andere jaren verrekend worden en bij een mogelijke toekomstige middeling wordt het in aanmerking te nemen premie-inkomen ook op nihil gesteld.


2.4. Premie-inkomen Waz bij overlijden

Vraag Behoort vóór overlijden genoten stakingswinst tot premie-inkomen Waz?

Antwoord Als het inkomen nog geacht wordt genoten te zijn door de overledene en ook als zodanig wordt aangegeven voor de IB, behoort dit ook tot het premie-inkomen Waz. Dit zelfde geldt voor overlijdenswinst.


2.5. Premie-inkomen Waz en verplichte bijdragen beroepspensioenfonds

Vraag Als een beroepsbeoefenaar verplicht deelneemt aan een pensioenfonds, kunnen dan de verplicht betaalde premies pensioen/VUT in mindering worden gebracht op de inkomsten voor de vaststelling van het premie-inkomen Waz ?

Antwoord De premies kunnen alleen in mindering worden gebracht als zij voor de IB zijn aan te merken als aftrekbare beroepskosten. Zijn de premies voor de IB aftrekbaar als persoonlijke verplichting dan hebben zij geen invloed op het premie-inkomen Waz.


2.6. Aftrekbare kosten inzake privé gebruik ter beschikking gestelde personenauto

Vraag Een BV heeft aan zijn directeur-grootaandeelhouder een auto ter beschikking gesteld. Behoort de bijtelling voor het privé gebruik auto tot het premie-inkomen Waz? Hoe moet in dat geval omgegaan worden met de aftrekbare kosten ter zake van het privé gebruik?

Antwoord Op grond van artikel 72, lid 1, van de Waz behoort in deze situatie de bijtelling voor privé gebruik auto tot het premie-inkomen Waz. Voor de vaststelling van het premie-inkomen Waz wordt uitgegaan van de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Voor zover de kosten die op het privé gebruik auto betrekking hebben aftrekbaar zijn voor de IB, worden deze dus ook voor de vaststelling van het premie-inkomen Waz ook in aanmerking genomen.


2.7. Aftrekbare kosten en regelmatig inkomen (artikel 6 Regeling premieheffing Waz)

Vraag Hoe moet met de aftrekbare kosten worden omgegaan bij toepassing van het regelmatig inkomen in artikel 6 Regeling premieheffing Waz?

Antwoord Bij de bepaling van het premie-inkomen Waz zijn de aftrekbare kosten al meegenomen. Het regelmatig inkomen is het premie-inkomen Waz minus de bijzondere baten. De aftrekbare kosten hebben dus geen invloed op de berekening van artikel 6 Regeling premieheffing Waz.


3. FRANCHISE WAZ


3.1. Loon internationale organisatie en franchise

Vraag Waarom wordt het loon van een internationale organisatie voor de berekening van een hogere franchise niet meegenomen?

Antwoord In artikel 73, lid 1, van de Waz wordt de hoofdregel geformuleerd dat een hogere franchise slechts kan worden verkregen door inkomsten uit een dienstbetrekking. Het begrip dienstbetrekking moet opgevat worden in de zin van de WAO. De hoofdregel is dus dat een hogere franchise slechts kan worden verkregen door inkomsten waarvoor men onder de WAO-verzekering valt. In artikel 5 van de Regeling premieheffing Waz wordt deze hoofdregel verduidelijkt.

Op grond van art 5, lid 1, onderdeel b, 2º, van de Regeling premieheffing Waz wordt de franchise niet verhoogd door inkomsten als bedoeld in artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 3 of artikel 8, lid 2, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Hiermee worden de inkomsten aangeduid van internationale functionarissen: zij vallen voor hun functie geheel buiten de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.

Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog aangetekend dat functionarissen van internationale organisaties ingevolge artikel 3 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz niet verzekerd zijn voor de Waz; het als zodanig genoten loon behoort niet tot de grondslag voor de premieheffing Waz.


3.2. AAW- of Waz-uitkering

Vraag Het merendeel van de lopende AAW-uitkeringen is per 1 januari 1998 overgeheveld naar de Waz. Zijn dat dan uitkeringen als bedoeld in artikel 5, b, lid 1, onderdeel e, van de Regeling premieheffing Waz?

Antwoord Neen. In hoofdstuk 3 van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet van 24 april 1997, Stb 178) is het overgangsrecht AAW - Waz geregeld. Artikel XIII van die wet regelt het van toepassing blijven van een relevant aantal AAW-bepalingen op de groep personen die zijn overgegaan van de AAW naar de Waz. Het vijfde lid van artikel XIII voorziet in reeds voor 1 januari 1998 op grond van de AAW afgegeven beschikkingen. Een eerder op basis van de AAW gegeven beschikking tot toekenning van een AAW-uitkering of een AAW-voorziening wordt vanaf 1 januari 1998 beschouwd als toekenning van een uitkering of voorziening op grond van de Waz, die ten laste komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Met toekenning van die uitkering of voorziening wordt een betrokkene op grond van artikel 3, tweede lid, van de Waz aangemerkt als Waz-verzekerde. Dat artikel bepaalt dat de persoon die een Waz-uitkering ontvangt verzekerd is op grond van de Waz. Niet alleen beschikkingen, inhoudende een toekenning van uitkering maar ook AAW-beschikkingen inhoudende een intrekking van een uitkering, voorziening, toelage of vergoeding, vallen onder de werking van genoemd vijfde lid. Het gaat dan uitsluitend om beschikkingen, inhoudende intrekking of niet-toekenning van een uitkering die in een later stadium kan worden heropend of alsnog kan worden toegekend (gedoeld wordt op een situatie bedoeld in artikel XIII, eerste lid, onderdeel d). Ook beschikkingen die na 1 januari 1998 ten aanzien van personen worden genomen met toepassing van AAW-bepalingen worden als Waz-beschikkingen aangemerkt, welke beschikkingen voor zover deze financiële gevolgen hebben, ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds worden gebracht. Een en ander betekent dus concreet dat er vanaf 1 januari 1998 geen enkele AAW-uitkering meer wordt verstrekt.


3.3. Uitkering uit vervroegd pensioen

Vraag Verhoogt een uitkering uit een vervroegd pensioen de franchise voor de Waz?

Antwoord Neen, het zijn geen inkomsten uit een dienstbetrekking waarvoor men WAO verzekerd is (hoofdregel artikel 73, lid 1, van de Waz). De verduidelijking van de hoofdregel in artikel 5 van de Regeling premieheffing Waz geeft evenmin aan dat een uitkering uit een (vervroegd) pensioen tot een hogere franchise kan leiden, wederom omdat men ter zake van het vervroegde pensioen niet WAO verzekerd is.


3.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte directeur-grootaandeelhouder

Vraag Een dga is voor 40% arbeidsongeschikt en zijn Waz-uitkering ad ¦ 17.500 loopt via de BV. Hij verricht nog werkzaamheden voor de BV. Vóór zijn arbeidsongeschiktheid had de dga een salaris van ¦ 130.000. Nu ontvangt hij nog 60% daarvan als salaris en naast de doorbetaalde Waz-uitkering nog een aanvulling daarop van ¦ 34.500, zodat hij bruto nog steeds ¦ 130.000 ontvangt. Wat is de heffingsgrondslag Waz?

Antwoord Het resterende echte salaris van ¦ 78.000 (60% van ¦ 130.000) is inkomen uit tegenwoordige arbeid terzake waarvan hij als beroepsbeoefenaar Waz-verzekerd en premieplichtig is. Dit maakt deel uit van het premie-inkomen. De Waz-uitkering en de aanvulling zijn inkomsten uit vroegere arbeid en behoren niet tot het premie-inkomen Waz, maar geven evenmin aanleiding tot een hogere franchise. Deze inkomsten worden niet genoemd in artikel 5 van de Regeling premieheffing Waz en terzake bestaat ook geen verplichte WAO-verzekering.

In de praktijk blijkt het voor te komen dat ook WAO-uitkeringen via de BV aan de dga worden uitbetaald. Het kan daarbij gaan om een WAO-uitkering die stamt uit de tijd dat de dga nog als verplicht verzekerd voor de WAO werd aangemerkt. Een dergelijke uitkering verhoogt niet het premie-inkomen Waz maar kan wel aanleiding geven tot een hogere franchise Waz. Dergelijke uitkeringen kunnen worden onderkend doordat ze door de uitvoeringsinstelling aan de BV worden overgemaakt onder inhouding van premies sociale verzekeringen. Dit is zichtbaar op de afrekening die de BV van de uitvoeringsinstelling ontvangt.

Vindt overmaking aan de BV plaats zonder inhouding van premies sociale verzekeringen door de uitvoeringsinstelling, dan is sprake van een uitkering uit een vrijwillige WAO-verzekering. Vele dgas hebben een dergelijke vrijwillige verzekering gesloten toen hun verplichte WAO-verzekering beëindigd werd. Het karakter van een dergelijke uitkering is niet wezenlijk anders dan die van een uitkering uit een bij een commerciële verzekeringsmaatschappij afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een dergelijke uitkering verhoogt het premie-inkomen Waz niet en heeft ook geen invloed op de franchise Waz.


3.5. Ontslaguitkering uit Belgische dienstbetrekking

Vraag Een inwoner van Nederland wordt per 1 februari 1998 ontslagen uit zijn dienstbetrekking in België. Voor deze dienstbetrekking wordt hij aangemerkt als grensarbeider in de zin van artikel 15 van het belastingverdrag met België zodat belastingheffing over het looninkomen in Nederland plaats vindt. Behalve het maandsalaris van januari ad f 10.000 ontvangt hij een ontslaguitkering van 13 maandsalarissen, beiden onderworpen aan de heffing van Belgische RSZ-premies. De ontslaguitkering, na aftrek van de RSZ-premies ad f 78.000, wordt gestort bij een notaris. Het bedrag wordt vervolgens doorgestort naar een Nederlandse verzekeringsmaatschappij waar hij voor dat bedrag een stamrecht heeft bedongen dat voldoet aan de vereisten van artikel 11, onderdeel e, van de wet LB. Na zijn ontslag richt hij in Nederland een BV op welke met terugwerkende kracht tot 1 februari 1998 perfect wordt. Van de BV ontvangt hij in 1998 een salaris van f 80.000. Verhogen het Belgische salaris en de ontslaguitkering de franchise Waz?

Antwoord Het Belgische salaris wordt als franchise in aanmerking genomen, maar dit is te laag om tot een hogere franchise dan de wettelijk vastgestelde f 29.000 te komen.

De ontslaguitkering is omgezet in een stamrecht en wordt daarom niet tot het loon gerekend. Het bedrag van de ontslaguitkering is niet begrepen in het belastbaar inkomen 1998. Omdat het in 1998 niet als inkomensbestanddeel voor de IB in zijn aangifte verschijnt, kan het ook niet worden meegenomen voor de bepaling van de hoogte van de franchise Waz. Hij heeft dus recht op de wettelijk vastgestelde franchise Waz van f 29.000. Omdat hij pas vanaf 1 februari 1998 Waz-verzekerde is wordt het premie-inkomen berekend op basis van artikel 7, van de Regeling premieheffing Waz. Dit betekent een tijdsevenredige herrekening van het premie-inkomen Waz. Dat is het salaris van de BV na kostenaftrek vermenigvuldigd met de breuk 330/360.


4. AANSLAG WAZ


4.1. Wanneer moet een aanslag Waz worden opgelegd

Vraag Wanneer moet een aanslag Waz worden opgelegd?

Antwoord Als een Waz-verzekerde een aangifte heeft ontvangen, zal steeds een Waz-aanslag moeten volgen. Als in de IB sprake is van een nihil-aanslag, moet toch een Waz-aanslag worden opgelegd. Al zou dat betekenen dat de Waz-aanslag eveneens een nihil-aanslag wordt. Uitsluitend als voor de IB een beschikking al bedoeld in artikel 12 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt uitgereikt, behoeft er geen Waz-aanslag te worden opgelegd.

N.B. Aan degene die inkomsten geniet uit een dienstbetrekking waarvoor men niet verplicht verzekerd is ingevolge de WAO (bijv. de dga) dient altijd een Waz-aanslag te worden opgelegd (artikel 75, lid 4, Waz). Wanneer in zon geval geen aangiftebiljet IB is uitgereikt, moet dit alsnog gebeuren.


4.2. Ten onrechte opgelegde voorlopige aanslag Waz

Vraag Er is een voorlopige aanslag Waz opgelegd en betaald terwijl bij de vaststelling van de definitieve aanslag wordt geconstateerd dat geen sprake is van Waz-verzekering. Hoe moet dan gehandeld worden met de voorlopige Waz-aanslag?

Antwoord De voorlopige aanslag Waz dient dan vernietigd te worden zoals geschiedt met elke ten onrechte opgelegde voorlopige aanslag.


4.3. Aanslag Waz aan een 64-jarige

Vraag Kan aan een 64-jarige een aanslag premie Waz worden opgelegd, nu hij door de wachttijd van 52 weken nimmer een Waz-uitkering zal kunnen genieten?

Antwoord Artikel 71, lid 2, van de Waz bepaalt dat de premieplicht Waz eerst eindigt op de eerste dag van de maand waarin iemand 65 jaar wordt. Bedacht dient te worden dat het bij de Waz niet om een gewone verzekering gaat zoals bijvoorbeeld een levensverzekering, waarbij door middel van premiebetaling een garantie wordt geboden op een vast uit te keren bedrag. De Waz is een verplichte sociale verzekering op grond waarvan een uitkering wordt verstrekt als aan de in die wet gestelde voorwaarden is voldaan. Bij de Waz is een belangrijke plaats ingeruimd voor solidariteitselementen. Dit betreft met name de solidariteit tussen zelfstandigen c.s. onderling. Zij dienen via een uniforme inkomensafhankelijke omslagpremie bij te dragen aan de financiering van de Waz. Er bestaat geen directe relatie tussen de betaalde premie en de uitkering.


4.4. Aanslag Waz ten onrechte achterwege gelaten

Vraag Hoe te handelen als ten onrechte een aanslag Waz achterwege is gebleven ?

Antwoord Voor de heffing en inning van de Waz-premie gelden dezelfde regels als voor de IB. Binnen de termijn van 3 jaar kan een normale aanslag opgelegd worden en voor jaar 4 en 5 een navorderingsaanslag, waarbij ook aan de voorwaarden moet zijn voldaan die behoren bij het opleggen van een navorderingsaanslag IB/premie volksverzekeringen.


4.5. Bezwaarschrift tegen vaststelling premie-inkomen Waz boven maximum

Vraag Is een bezwaar tegen de aanslag Waz ongegrond, waarbij enkel in geschil wordt gebracht een deel van het premie-inkomen boven het maximum van fl. 84.000 ?

Antwoord Een dergelijk bezwaarschrift is wel ontvankelijk. Het bezwaar is echter vanwege het ontbreken van een belang ongegrond en dus wordt de aanslag gehandhaafd. Zie ook aantekening 6b op artikel 23 AWR, Vakstudie AWR.
Samenloop binnenlandse- en buitenlandse belastingplicht in hetzelfde jaar (arrest Terhoeve)

Vraag Hoe verloopt de premieheffing Waz bij samenloop van binnenlandse en buitenlandse belastingplicht binnen hetzelfde jaar na het arrest van het Hof van Justitie te Luxemburg van 26 januari 1999 (arrest Terhoeve)?

Antwoord In het arrest heeft het Hof van Justitie beslist dat bij samenloop van binnenlandse en buitenlandse belastingplicht in hetzelfde jaar de totale premieheffing niet meer mag bedragen dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn indien men het hele jaar inwoner van Nederland zou zijn geweest (dus: eenmaal het jaarmaximum). In het besluit van 26 april 1999 (Infobulletin 99/383) heb ik aangegeven wat de gevolgen van het arrest zijn voor nog op te leggen aanslagen IB/PH over de jaren 1990 t/m 1998.

Voor het belastingjaar 1998 kan toepassing van dit arrest ook aan de orde komen bij het opleggen van aanslagen Waz. In de meeste gevallen pakt toepassing van het nationale wettelijke systeem voor de Waz voor de belastingplichtige echter gunstiger uit dan het arrest. Daarom heeft het besluit van 28 april 1999 alleen betrekking op de premieheffing volksverzekeringen en niet op de Waz. Voor de premie Waz blijft dus het wettelijke systeem als uitgangspunt gelden. Indien over de te onderscheiden periodes van belastingplicht aparte aanslagen IB worden opgelegd, worden aan Waz-verzekerden ook separate aanslagen premie Waz opgelegd. Voor het geval dat het totaal van deze aanslagen meer bedraagt dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn indien men het gehele jaar inwoner van Nederland zou zijn geweest, wordt op verzoek van belastingplichtige de aanslag over de laatste periode zodanig verminderd dat in totaal niet meer verschuldigd is dan bij één aanslag Waz over het totaal van de binnenlandse en de buitenlandse periode verschuldigd zou zijn.

Vanaf het belastingjaar 1999 doet zich dit probleem overigens niet meer voor. Door de wijziging van het wettelijk systeem per 1 januari 1999 wordt bij samenloop van binnenlandse en buitenlandse

belastingplicht in hetzelfde jaar één aanslag IB/premie volksverzekeringen en één aanslag Waz opgelegd over zowel de binnenlandse als buitenlandse periode.

5. PREMIE WAZ PERSOONLIJKE VERPLICHTING


5.1. Veiligstellen aftrek

Vraag Er is in 1998 geen voorlopige aanslag Waz opgelegd. Belanghebbende heeft de inspecteur ook niet om het opleggen van een voorlopige aanslag Waz gevraagd. Eind 1998 is het vermoedelijke bedrag van de Waz-aanslag als depotstorting op rekening van de ontvanger overgemaakt. Kan belanghebbende het in 1998 in depot gestorte bedrag aftrekken als persoonlijke verplichting?

Antwoord Ja, uiteraard slechts tot het materieel verschuldigde bedrag aan Waz-premie over 1998. Voor het jaar 1998 geldt dat degenen die geen voorlopige aanslag Waz-premie hebben ontvangen de aftrek als persoonlijke verplichting veilig konden stellen door een depotstorting te doen bij de ontvanger. Met ingang van het jaar 1999 kunnen Waz-verzekerden die geen voorlopige aanslag hebben ontvangen hun aftrek premie Waz veiligstellen door tijdig een verzoek om een voorlopige aanslag premie Waz in te dienen. Dit beleid is gepubliceerd in het besluit van 23 september 1999, nr. DB1999/3031M (Infobulletin 99/713) en is overigens van overeenkomstige toepassing op voorlopige aanslagen Waz-premie vervangende inkomstenbelasting voor gemoedsbezwaarden.


5.2. Betalingskorting bij voorlopige aanslag

Vraag Op de voorlopige aanslag Waz is de regeling betalingskorting van toepassing. Indien van die regeling gebruik is gemaakt welk bedrag kan dan voor de IB in aftrek worden gebracht?

Antwoord Het gehele aanslagbedrag is aftrekbaar omdat men geacht wordt de hele aanslag betaald te hebben als het gehele bedrag minus de betalingskorting tijdig is voldaan. De gehele voorlopige aanslag wordt ook verrekend met de definitieve. De korting in de betalingssfeer heeft geen invloed op de aftrek.


5.3. Aftrekbaarheid bij erfgenamen

Vraag Kunnen erfgenamen na het overlijden van de Waz-verzekerde de betaalde Waz-aanslag naar rato gerechtigdheid aftrekken?

Antwoord Ja. Ook hierbij gelden de normale regels en het beleid voor de IB


5.4. Teruggaaf Waz-premie, waarvan de aftrek niet tot belastingbesparing heeft geleid

Vraag Een voorlopige aanslag Waz is in 1998 opgelegd en betaald. Het belastbaar inkomen en het belastingvrije bedrag zijn echter in 1998 zodanig dat de aftrek als persoonlijke verplichting van de betaalde Waz-premie niet leidt tot een belastingbesparing. Voorts wordt bij de aanslagregeling 1998, die in 1999 plaats vindt, geconstateerd dat de Waz-aanslag nihil bedraagt waardoor eind 1999 teruggave volgt van de gehele voorlopige aanslag Waz. Moet de in 1999 terugontvangen premie Waz ook in deze situatie als negatieve persoonlijke verplichting in dat jaar worden bijgeteld?

Antwoord Ja. Een teruggaaf premie Waz kwalificeert op grond van artikel 45c, lid 1, van de Wet IB als negatieve persoonlijke verplichting. Deze wordt ingevolge artikel 3, lid 3, onderdeel d, van de Wet IB tot het inkomen, respectievelijk op grond van artikel 48, lid 3, onderdeel c, van de Wet IB tot het binnenlands inkomen gerekend. Het is daarbij niet relevant of de in eerste instantie als persoonlijke verplichting afgetrokken premie Waz tot enig belastingvoordeel heeft geleid.


6. DIVERSEN


6.1. Waz-aanslag en Voorlopige Teruggaaf

Vraag Kan een directeur-grootaandeelhouder voor de te verwachten aanslag premie Waz een voorlopige teruggaaf IB krijgen ?

Antwoord Ja, op basis van artikel 63a, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB omdat de premie Waz een persoonlijke verplichting is.


6.2. Bezwaarschrift IB/PH en geen bezwaarschrift aanslag Waz

Vraag Hoe moet er omgegaan worden met een bezwaarschrift tegen een aanslag IB, terwijl er geen bezwaar is gemaakt tegen de aanslag Waz? Door het bezwaar IB wijzigen er elementen die van invloed zijn op de feitelijke hoogte van de Waz-aanslag.

Antwoord Uitgangspunt is dat tegen elke aanslag afzonderlijk bezwaar moet worden gemaakt. Wanneer er bezwaar gemaakt is tegen een aanslag IB en er is geen bezwaar gemaakt tegen de aanslag Waz, terwijl er wel een belang voor de Waz is, wordt aanbevolen hierover in overleg te treden met belastingplichtige/gemachtigde.


6.3. Vennootschap heeft Waz-aanslag directeur-grootaandeelhouder betaald

Vraag De BV betaalt de Waz-aanslag van de
directeur-grootaandeelhouder. Krijgt de dga desondanks aftrek als persoonlijke verplichtingen?

Antwoord De Waz-aanslag is een persoonlijke schuld van de dga. Als deze schuld door de BV wordt voldaan, zal de betaling veelal met de dga worden verrekend in rekening-courant en op die manier toch ten laste van de dga persoonlijk komen. Indien verrekening achterwege blijft, zal de betaling door de BV kwalificeren als loon of als uitdeling (dividend) aan de dga en als zodanig in het inkomen van de dga worden begrepen.

In al deze gevallen geldt dat de betaalde Waz-aanslag voor de dga aftrekbaar is als persoonlijke verplichting.

Bijlage 1. Artikelen 1, 3 t/m 6 en 71 t/m 75 Waz.

artikel 1. Algemene begrippen.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:


a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;


b. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;


c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;


d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;


e. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 78;


f. verzekerde: de persoon, bedoel in artikel 3;


g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;


h. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;


i. winst uit onderneming: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

j. winst uit binnenlandse onderneming: winst uit binnenlandse onderneming als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 48, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

k. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

l. inkomsten uit tegenwoordige arbeid: inkomsten uit tegenwoordige arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

m. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet.


2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:


a. echtgenoot: geregistreerde partner;


b. echtgenoten: geregistreerde partners;


c. gehuwd: als partner geregistreerd.


3. In deze wet en daarop berustende bepalingen wordt:


a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;


b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is;


4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:


a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;


b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander;


c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of


d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.


6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.


7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3. De verzekerde


1. Verzekerd op grond van deze wet is:


a. de zelfstandige;


b. de beroepsbeoefenaar; en


c. de meewerkende echtgenoot.


2. Tevens is verzekerd de persoon:


a. die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch uitsluitend omdat de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, op hem van toepassing is, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft;


b. die na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak;


c. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;


d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, doch met toepassing van artikel 20 of 21 in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;


e. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, en met toepassing van artikel 20 in aanmerking komt voor toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering;


f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op grond van deze wet;


g. die recht heeft op een toelage als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.


3. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.


4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en derde lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden.


5. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:


a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;


b.vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden als bedoeld in artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben gevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 3a.

Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:


a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;


b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Artikel 4. Zelfstandige

Zelfstandige is de persoon, jonger dan 65 jaar:


a. die in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;


b. die niet in Nederland woont en die winst uit binnenlandse onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft.

Artikel 5. Beroepsbeoefenaar

Beroepsbeoefenaar is de persoon, jonger dan 65 jaar, die:


a. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet;


b. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.

Artikel 6. Meewerkende echtgenoot

Meewerkende echtgenoot is de persoon jonger dan 65 jaar die anders dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar, meewerkt in de onderneming van zijn echtgenoot.

Artikel 71. Premieplicht


1. De verzekerde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, is premie verschuldigd over zijn premie-inkomen.


2. De premieplicht eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de premieplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 72. Maatstaf voor premieheffing


1. Het premie-inkomen is het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Voor de toepassing van dit artikel worden onder zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte arbeid verstaan andere dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.


2. Het premie-inkomen wordt voor de premieheffing tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag.


3. Ten aanzien van de verzekerde die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, worden de in een kalenderjaar genoten zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid uit die arbeidsverhouding voor de toepassing van dit artikel ten minste gesteld op het in het tweede lid bedoelde premie-inkomen dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen, dan wel, indien hij aannemelijk maakt dat ter zake van soortgelijke arbeidsverhoudingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lagere beloning gebruikelijk is, gesteld op die lagere beloning verminderd met de in het eerste lid bedoelde aftrekbare kosten.

Artikel 72a. Middeling van premie-inkomen over 3 jaar


1. Op aanvraag wordt aan de verzekerde die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren, hierna te noemen het middelingstijdvak, premieplichtig is geweest op grond van deze wet een teruggaaf van premie, hierna te noemen middelingsteruggaaf, verleend. Het kalenderjaar waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt wordt niet in een middelingstijdvak betrokken. Een kalenderjaar behorende tot een tijdvak waarover een middelingsteruggaaf is verleend, wordt niet in een ander middelingstijdvak betrokken.


2. De teruggaaf van betaalde premie bedraagt het verschil van de premie die over het middelingstijdvak is geheven en de premie die verschuldigd zou zijn indien het premie-inkomen in elk van die jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de premie-inkomens in die jaren, voor zover dit verschil groter is dan 1200 . Voor de toepassing van de eerste zin wordt een premie-inkomen in een kalenderjaar ten minste op nihil gesteld.


3. De aanvraag wordt gedaan bij de inspecteur van de rijksbelastingdienst binnen twaalf maanden nadat de op de jaren van het middelingstijdvak betrekking hebbende aanslagen inzake premie onherroepelijk zijn geworden. Ingeval over een jaar van het middelingstijdvak wordt nagevorderd of bij beschikking een aanslag wordt verminderd, terwijl op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de navorderingsaanslag of de beschikking de in de eerste zin bedoelde termijn van twaalf maanden voor meer dan tien maanden is verstreken, kan een aanvraag van teruggaaf tevens worden gedaan binnen twee maanden na dat tijdstip.


4. De inspecteur van de rijksbelastingdienst beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 73. Franchise en tarief


1. De premie voor de verzekering wordt vastgesteld op een percentage van het in aanmerking te nemen premie-inkomen verminderd met een door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag dan wel met het bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking indien dit hoger is.


2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, het premiepercentage vast, alsmede het tijdvak waarvoor dat percentage geldt, voor de verzekering op grond van deze wet.


3. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde percentage of aan het tijdvak, waarvoor dat premiepercentage is vastgesteld, stelt hij het percentage of het tijdvak vast.

Artikel 74. Gemiddeld premiepercentage

Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang van 1 januari, wordt bij ministeriële regeling, in overeenstemming met de Minister van Financiën, een gemiddeld premiepercentage vastgesteld voor door Onze Minister aan te wijzen tijdvakken.

Artikel 75. Heffing en invordering van premie


1. De op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premie wordt geheven en ingevorderd overeenkomstig de voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting geldende regels, met dien verstande dat de artikelen 64, 65 en 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing blijven.


2. De premie wordt geheven en ingevorderd door de rijksbelastingdienst.


3. De aanslag premie en de aanslag inkomstenbelasting kunnen op een aanslagbiljet worden verenigd. In dat geval worden de bedragen van de aanslagen afzonderlijk vermeld.


4. Indien geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, wordt evenmin een aanslag premie vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing ingeval aan loonbelasting onderworpen inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden genoten, andere dan uit dienstbetrekking.

Bijlage 2 Regeling premieheffing Waz

Regeling premieheffing Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Artikel 1. Algemeen


1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 71, 72, 73 en 77 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.


2. In deze regeling wordt verstaan onder:


a. de wet: de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;


b. de verzekerde: de verzekerde in de zin van de wet;


c. het heffingspercentage: het percentage dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het premiepercentage en op honderdsten naar beneden wordt afgerond;


d. bijzondere baten: inkomensbestanddelen waarop artikel 57 of 57b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is;


e. het regelmatig inkomen: het premie-inkomen verminderd met de bijzondere baten;


f. het maximum premie-inkomen: het premie-inkomen bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de wet;


g. het basis-premie-inkomen: het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen indien de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht;


h. inkomensbestanddelen: de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming alsmede de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid als bedoeld in artikel 72, eerste lid van de wet.

Artikel 2. Maximum premie-inkomen

Het maximum premie-inkomen wordt gesteld op 84.000 .

Artikel 3. Samenstelling premie-inkomen


1. Voor de premieheffing behoren niet tot het premie-inkomen:


a. winst uit een onderneming of binnenlandse onderneming die niet voor eigen rekening feitelijk wordt gedreven;


b. winst genoten uit hoofde van een dienstbetrekking;


c. uitkeringen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid op grond van de sociale verzekeringswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van die andere mogendheid inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid;


d. ten aanzien van de verzekerde die tevens inkomensbestanddelen geniet als bedoeld in artikel 4 of 5 van de wet uit hoofde waarvan hij niet is verzekerd: de inkomensbestanddelen uit hoofde waarvan hij niet verzekerd is.


2. Bij de aangifte wordt een verklaring ingeleverd of toegezonden omtrent de voor de toepassing van het eerste lid van belang zijnde gegevens.

Artikel 4. Hoogte basisfranchise

Het bedrag, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet wordt gesteld op 29.000 .

Artikel 5. Samenstelling franchise


1. De inkomsten uit dienstbetrekking bedoeld in artikel 73, eerste lid , van de wet worden gevormd door:


a. inkomsten uit in dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid;


b. inkomsten uit tegenwoordige arbeid van de persoon die op grond van artikel 3 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de daarop berustende bepalingen niet als werknemer wordt beschouwd, behoudens:

1º. inkomensbestanddelen uit hoofde waarvan hij verzekerd is;

2º. inkomsten als bedoeld in artikel 6, vierde lid, artikel 7, derde lid, of artikel 8, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990;


c. winst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;


d. uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;


e. uitkeringen uit hoofde van wettelijke regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de in onderdeel d genoemde uitkeringen; en


f. uitkeringen van een volkenrechtelijke organisatie of op grond van de wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba, of een andere mogendheid, die naar aard en strekking overeenkomen met de in onderdeel d genoemde uitkeringen;

doch ten hoogste het bedrag aan inkomsten, gelijk aan het loonbedrag waarnaar in een kalenderjaar op grond van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering ten hoogste premie wordt geheven.


2. Tot de inkomsten uit dienstbetrekking bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet behoort niet het bedrag dat tot de inkomsten uit arbeid wordt gerekend, bedoeld in artikel 42, derde en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.


3. Bij de aangifte wordt een verklaring ingeleverd of toegezonden omtrent de voor de toepassing van het eerste lid van belang zijnde gegevens.

Artikel 6. 65-jarige leeftijd


1. Ingeval de premieplicht eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt van hem de premie geheven naar het heffingspercentage.


2. Ingeval het premie-inkomen geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijzondere baten en het regelmatige inkomen minder beloopt dan het maximum premie-inkomen wordt, ingeval zulks tot een lager heffingspercentage leidt, het in het eerste lid bedoelde tijdsevenredige deel van het premiepercentage op verzoek van de verzekerde vervangen door een inkomensevenredig deel van het premiepercentage. Dit inkomensevenredig deel wordt bepaald door:


a. het regelmatige inkomen naar tijdsevenredigheid toe te rekenen aan de verschillende tijdvakken, en


b. de bijzondere baten toe te rekenen aan de tijdvakken waarin zij zijn genoten, dan wel, ingeval het premie-inkomen het maximum premie-inkomen te boven gaat, het verschil van het maximum premie-inkomen en het regelmatige inkomen naar evenredigheid van de bijzondere baten toe te rekenen aan de tijdvakken waarin deze zijn genoten.


3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt gedaan door middel van een verklaring bij de aangifte met vermelding daarin van de bijzondere baten en de tijdstippen waarop deze zijn genoten.

Artikel 7. Wijziging in de premieplicht


1. Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch wel belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting en op wie artikel 6 niet van toepassing is, wordt voor de premieheffing het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het basis-premie-inkomen.


2. Indien het basis-premie-inkomen geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijzondere baten wordt, ingeval zulks tot een lager premie-inkomen leidt, de in het eerste lid bedoelde tijdsevenredige afleiding op verzoek van de verzekerde vervangen door een inkomensevenredige afleiding. De inkomensevenredige afleiding vindt plaats door het basis-premie-inkomen verminderd met de daarin begrepen bijzondere baten naar tijdsevenredigheid toe te rekenen aan de verschillende tijdvakken en die bijzondere baten toe te rekenen aan de tijdvakken waarin zij zijn genoten.


3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan de inkomensbestanddelen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een andere mogendheid inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.


4. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt gedaan door middel van een verklaring bij de aangifte die wordt ingeleverd of toegezonden met vermelding daarin van de bijzondere baten en de tijdstippen waarop deze zijn genoten. Bij de aangifte wordt een verklaring ingeleverd of toegezonden omtrent de voor de toepassing van het derde lid van belang zijnde gegevens inzake onderworpenheid aan de premieheffing krachtens een aldaar bedoelde wettelijke regeling.

Artikel 8. Rekenregels

Ingeval het heffingspercentage of het premie-inkomen moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:


a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;


b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;


c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;


d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.

Artikel 9. Fictieve premieplicht

Voor de toepassing van artikel 72 van de wet wordt degene die verzekerd is uit hoofde van werkzaamheden waarvan de opbrengst niet aan de inkomstenbelasting is onderworpen, geacht ook voor die opbrengst daaraan te zijn onderworpen. In dat geval wordt tot het premie-inkomen gerekend het bedrag aan winst dan wel aan inkomsten uit de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij verzekerd is.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling premieheffing Waz.

(Staatscourant 1997, nr. 248)

Bijlage 3 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden Waz

Koninklijk besluit van 24 december 1997, Stb. 797

Wij Beatrix, enz.

Gelet op artikel 3, derde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering

zelfstandigen;

Gezien, enz.

Hebben goedgevonden en verstaan.

§ 1 Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling

In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet

arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

§ 2 Beperking van de kring van verzekerden

Artikel 2. Personen die uitsluitend buiten Nederland werken


1. Niet verzekerd is de persoon, bedoeld in artikel 4, 5 of 6 van de wet, die

gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend

buiten Nederland arbeid verricht.


2. Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde periode van drie

maanden worden perioden, gedurende welke de in het eerste lid bedoelde arbeid

buiten Nederland wordt onderbroken wegens ziekte, gebreken, zwangerschap,

bevalling of werkloosheid, beschouwd als perioden waarin uitsluitend buiten

Nederland arbeid wordt verricht, tenzij tijdens deze perioden arbeid in

Nederland wordt verricht.


3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder arbeid buiten Nederland

niet verstaan arbeid verricht op het buiten de territoriale zee onder de

Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het

Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht ten

behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen

soevereine rechten mag uitoefenen, mits deze arbeid plaatsvindt op installaties

en andere inrichtingen die in, op of boven dat gebied aanwezig zijn ten behoeve

van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen van dat gebied.

Artikel 3. Niet-werknemer in de zin van artikel 3 WAO

Niet verzekerd is de persoon die op grond van artikel 3 van de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering en de daarop berustende bepalingen niet als

werknemer wordt beschouwd, behoudens ter zake van arbeid als bedoeld in artikel

4, 5 of 6 van de wet, die hij daarnaast verricht.

Artikel 4. Arbeid, zowel Waz- als WAO gekwalificeerd

Niet verzekerd is de persoon ter zake van door hem verrichte arbeid uit hoofde

waarvan hij zowel zelfstandige is als bedoeld in artikel 4 van de wet, als

werknemer in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.

§ 3 Bijzondere bepalingen

Artikel 5. Hardheidsclausule


1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de

Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, kan artikelen van dit besluit buiten

toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van deze

artikelen, gelet op het belang van de uitbreiding en beperking van de kring van

verzekerden op grond van de wet, zal leiden tot een onbillijkheid van

overwegende aard, die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de

uitsluiting daarvan op grond van dit besluit.


2. Van een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond

van het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 7. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitbreiding en beperking kring

verzekerden Waz.

(met toelichting opgenomen in VN 1998/13.17).

Bijlage 4 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder

Regeling houdende regels omtrent hetgeen wordt verstaan onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet

19 december 1997/nr. SV/WV/97/5347

Directie Sociale Verzekeringen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikel 6, vierde lid, van de Ziektewet, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, vierde lid, van de Werkloosheidswet;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:


a. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;


b. vennootschap: een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in de Titels 4 en 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;


c. bestuurder: de statutair bestuurder van een vennootschap;


d. echtgenoot: de persoon die met de bestuurder gehuwd is of die daarmee een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Artikel 2


1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, wordt verstaan:


a. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;


b. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;


c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; of


d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.


2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die zeggenschap heeft in de algemene vergadering van de vennootschap door tussenkomst van een rechtspersoon.

Artikel 3

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap.

Artikel 4

Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal die niet naar Nederlands recht is opgericht.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de artikelen XXXII, XXXIV, onderdeel A en XXXV, onderdeel A, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen in werking treden.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

s-Gravenhage, 19 december 1997.

De Staatssecretaris voornoemd,

F.H.G. de Grave.

Toelichting

Algemeen

In het kader van de wetgeving met betrekking tot het Pemba-complex is bepaald dat de arbeidsverhouding van

de directeur-grootaandeelhouder (dga) niet als dienstbetrekking voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

(WAO) wordt beschouwd. Directeuren-grootaandeelhouders zijn derhalve niet verzekerd op grond van de WAO. Zij zijn echter wel verzekerd voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz). Een dga die niet in dienstbetrekking in de zin van de WAO werkzaam is valt immers onder de categorie beroepsbeoefenaren, genoemd in artikel 5 van de Waz en is uit dien hoofde Waz-verzekerd. Voorts is in het kader van het Pemba-complex bepaald dat nadere regels worden gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder moet worden verstaan. Deze bepalingen zijn vormgegeven in een wijziging van de WAO (artikel XXXII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen). In verband met de gewenste coördinatie tussen de verschillende werknemersverzekeringswetten zijn in de Ziektewet en de Werkloosheidswet gelijkluidende bepalingen opgenomen (artikelen XXXIV en XXXV van genoemde Invoeringswet).

De onderhavige regeling beoogt te voorzien in de nadere regels met betrekking tot de omschrijving van het begrip
directeur-grootaandeelhouder. Het stellen van deze nadere regels is wenselijk met het oog op (vergroting van) de kenbaarheid ervan. Daarbij wordt zo dicht mogelijk aangesloten.

( Staatscourant 1997, nr. 248 / pag. 15 1)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie