Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Besluit Economisch Eigendom

Datum nieuwsfeit: 15-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Economisch Eigendom



Besluit van 15 november 1999, nr. DB 99/ 3659 M

De plaatsvervangend directeur-generaal der Belastingen heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Bij arrest van 3 november 1999, nr. 34 494, heeft de Hoge Raad een beslissing gegeven over de vraag of het een belastingplichtige voor de toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is toegestaan alleen de zogenoemde economische eigendom in te brengen van een aantal onroerende zaken die in volle eigendom tot zijn (gedeeltelijk buitenvennootschappelijk) ondernemingsvermogen behoren.

De Hoge Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord door te beslissen dat de eis dat zowel de economische als de juridische eigendom wordt ingebracht, niet op grond van artikel 18 mag worden gesteld. Hij verwijst voor de motivering van zijn oordeel naar de conclusie van de advocaat-generaal. Deze merkt in de onderdelen 7.5 en 7.6 van zijn conclusie het volgende op:


7.5. De wetgever heeft de inbrenger de mogelijkheid willen bieden de "etikettering van de vermogensbestanddelen te herzien. Wat tot het zogenaamde "verplichte ondernemingsvermogen" behoort moet echter worden ingebracht, maar aan die verplichting kan naar mijn mening worden voldaan door inbreng van de economische eigendom van bepaalde zaken, aannemend dat die economische eigendom het recht inhoudt die zaken naar eigen inzicht te gebruiken.


7.6. Het Hof heeft dat miskend. Het heeft ook miskend dat de Staatssecretaris bij het stellen van voorwaarden niet mag treden buiten de in art. 18, lid 2 Wet IB 1964 gestelde grenzen. De voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en invordering van de inkomsten- en vennootschapsbelasting die zou zijn verschuldigd ingeval art. 18 buiten toepassing zou blijven. De in de toelichting op de voorwaarden opgenomen eis, dat steeds de volle eigendom van de bedrijfsmiddelen moet worden ingebracht kan niet dienen tot zekerstelling van de heffing van die belastingen (). Wel wordt hierdoor de positie van de fiscus op het gebied van de invordering veiliggesteld, maar op dat stuk is de maatregel disproportioneel en daarom onverbindend ().

Ik merk op dat de Hoge Raad in het arrest geen oordeel geeft over de vraag of de wetgever, zoals de advocaat-generaal meent, de inbrenger de mogelijkheid heeft willen bieden de etikettering van vermogensbestanddelen te herzien.

Vooruitlopend op een wijziging van mijn besluit van 24 september 1997, nr. DB 97/2950, BNB 1997/365, trek ik die passages in de op de standaardvoorwaarden gegeven toelichting in die strijdig zijn met het hierboven weergegeven oordeel van de Hoge Raad. Dit besluit leidt er niet toe dat op het moment van het wijzen van het arrest onherroepelijk vaststaande aanslagen worden herzien.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie