Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

GPV en RPF over begroting Vrom

Datum nieuwsfeit: 16-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

26 800 XI Begroting VROM
Bijdrage E. van Middelkoop (GPV)
mede namens RPF-fractie
16 november 1999

Algemeen

MdV! De politieke verhouding tussen de vakdepartementen van het rijksbestuur is een weerspiegeling van het type vraagstukken dat zich in onze maatschappij aandient en van de waarde en betekenis die we daaraan toekennen. Zo zijn we gewend geraakt de minister van VROM te zien als een defensieve, soms zelfs beklagenswaardige figuur tegenover zijn machtige tegenvoeters van EZ, V&W en LNV.

Het is de vraag of dit logisch noodzakelijk en onvermijdelijk moet worden geacht of als een meer relatieve, historische stand van zaken. Ik meen dat het laatste het geval is. De eerder geschetste figuur vloeit voort uit het heersende waardenpatroon met zijn topwaarden van produceren en consumeren, materieel genot en hoge mobiliteit. Zetten we derhalve ons hart en onze zinnen minder op deze topwaarden, dan verandert onze visie op de maatschappij en na verloop van tijd ook onze maatschappij zelf. En dan ook de politieke verhouding tussen vakministers en hun ambtelijke legertroepen.

In de christelijke maatschappij- en mensvisie wordt gepoogd recht te doen aan economische waarden in strikte zin en andere maatschappelijke waarden. Eigenlijk is dit een valse tegenstelling. Immers, de oorspronkelijke betekenis van het begrip economie, oftewel oikonomos is de zorg voor het huishouden. Daaronder valt natuurlijk ook de zorg voor het levensonderhoud, maar evenzeer een goed voorraadbeheer, een duurzame ontwikkeling, zorg voor de zwakkere enz..

In deze visie staan idealiter ministers niet tegenover elkaar, maar aanvaarden zij een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de nationale huishouding. Een begin van besef hiervan is de erkenning van de betekenis van het groene poldermodel, het eind is de erkenning van onze afhankelijkheid in alles, particulier en publiek, van God, de Schepper van hemel en aarde.

Wat betekent dit nu op operationeel niveau voor de rol en taak van de overheid, de minister van VROM in het bijzonder? De taak van de laatste is o.m. te vinden in artikel 21 van de Grondwet, te weten de zorg voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Deze taakvervulling gaat de laatste twee decennia de goede kant op voor de parameters energie, grondstoffen en emissies, al blijft er voorlopig nog een ernstig CO2-beleidstekort.

Het grootste probleem is evenwel de inrichting van onze ruimte. Het zgn. milieudebat gaat dan ook steeds meer over ruimte en ruimtegebruik. Dat is een kwaliteitsdiscussie. In de Startnota noemt de minister als primaire overheidstaak de zorg voor de onderlinge afstemming en coördinatie van het ruimtegebruik. Daarin herkennen we de overheid als makelaar. Wij vinden dat een te beperkte taakopvatting.

De overheid heeft ook een zelfstandige ontwikkelingstaak, een beschermingstaak en de plicht het behoud van schaars geworden, belangrijke waarden en goederen te waarborgen. Anders dan in de Startnota klonk deze zienswijze door in een interview in Trouw van deze minister, toen hij opmerkte: Ruimtelijke ordening mag geen ruimtelijke aanpassing aan de markt worden. Dat was goede taal! De overheid heeft in onze opvatting een eigen taak om de publieke ruimte te beschermen tegen een verabsolutering van mobiliteit. Zoals zij die in de 19de eeuw had toen de eigendom werd verabsoluteerd. Het is derhalve onmogelijk om geheel zonder ideologische veren, paars-programmatisch, de belangrijke VROM-portefeuille te beheren. Denk aan de discussies over de Hoeksche Waard en de Waddenzee. Het was de Kamer die grenzen stelde. Laat het de minister prikkelen wanneer hij verder nadenkt over de 5de Nota RO.

Als we de taak van de overheid op deze manier opnieuw willen bevestigen ik hoop dat de minister en staatssecretaris daarin willen meegaan - heeft dat consequenties voor de verhouding tussen ministeries onderling, en tussen de overheid en particulieren. Misschien dat de minister en staatssecretaris daar eens nader op in willen gaan. Ik zal mijn vraagstelling specificeren, aan de hand van de drie beleidspoten van VROM.

Eerst het milieubeleid. In navolging van het regeerakkoord bevat het milieuprogramma (blz.29) een opmerking over de consequenties van een eventuele hogere economische groei voor de milieu-uitgaven. Ook dat is goede taal, maar we weten natuurlijk allemaal dat deze woorden pas werkelijkheid worden als binnen het kabinet voldoende ruimte wordt geboden om tegenover de milieuconsequenties van een sterkere economische groei hogere milieu-uitgaven te zetten. We zouden bijna gaan pleiten voor een Pronk-snip voor duurzame aankopen, in plaats van een zalmsnip die ook weer tot extra milieuvervuiling leidt. Is de minister bereid om in het voorjaar inzicht te geven in de mate waarin het beleidstekort als gevolg van een eventueel hogere economische groei kan worden gecompenseerd met milieu-investeringen? Wat gebeurt er overigens als pas later in het jaar 2000 de economische groei groter blijkt dan was voorspeld? Kunnen we dan extra investeringen verwachten ter aanvulling van de uitgaven in 2000 of wordt dan weer dezelfde rituele dans opgevoerd voor de begroting van 2001, zodat we achter de feiten blijven aanlopen?

Dan het ruimtelijk beleid. Tijdens het notaoverleg over de Startnota is terecht al aandacht gevraagd voor de positie van de minister van ruimtelijke ordening. Gisteren zei de minister dat hij de regie heeft bij het stellen van de vragen als het om de ordening van onze ruimte gaat. De afgelopen jaren kenmerkten zich door een toenemende bemoeienis van andere ministeries met het ruimtelijk beleid. In een tijd waarin de grote verhalen niet meer worden verteld, vertelt ieder ministerie zijn eigen verhaal. Versta mij goed, het is een verbetering dat in het ruimtelijk beleid meer aandacht wordt besteed aan zaken als mobiliteit, water, natuur en milieu. Maar wat opvalt in de discussie, is dat een integrerend kader ontbreekt. De VROM-raad merkte over de scenariostudie Nederland 2030 scherpzinnig op dat het erop lijkt dat ieder ministerie zijn eigen scenario krijgt toebedeeld. Stedenland voor VROM, Stromenland voor EZ en V&W en Parklandschap voor LNV. En ook na de Startnota moeten de echte keuzen nog worden gemaakt.

Het is ons niet ontgaan dat de minister zich behalve als milieuminister vooral ook als minister van ruimtelijke ordening profileert. Welke mogelijkheden ziet de minister om het integrale karakter van het ruimtelijk beleid én de uitvoering daarvan te versterken?

Hoofdstuk 5 van het Milieuprogramma gaat over de externe integratie van het milieubeleid. Is dit hoofdstuk behalve op de milieuminister ook volledig van toepassing op de minister van ruimtelijke ordening? Dezelfde vraag zou ik ook willen stellen voor het waterbeleid. Ik heb de indruk dat de organisatiestructuur van het waterbeleid nog teveel het stempel draagt van het waterbeleid als technische beheersopgave, terwijl de laatste tijd terecht veel meer aandacht bestaat voor de ruimtelijke-, milieu- en natuuraspecten van het waterbeleid.

Volkshuisvesting

En dan het volkshuisvestingsbeleid, of het woonbeleid zoals dat tegenwoordig heet. Komend jaar kunnen we de Nota Wonen tegemoet zien. Natuurlijk moeten we de staatssecretaris tot dan toe het voordeel van de twijfel geven, maar die twijfel is bij mij in ieder geval aanwezig. Als je De Agenda leest - de discussienotitie voor de nieuwe woonnota - valt op dat keuzevrijheid dé centrale waarde lijkt te zijn. Draagt deze agenda, met een zeer liberale toonzetting, niet teveel het stempel van de blinkende welvaart waarin we momenteel leven? En is de belangrijkste taak van de overheid voor de doelgroep van de volkshuisvesting werkelijk het waarborgen van de keuzevrijheid? Natuurlijk besteedt de staatssecretaris ook aandacht aan de betaalbaarheid van het wonen en collectieve waarden als zuinig ruimtegebruik en sterke steden, maar ik heb stellig de indruk dat die waarden in ieder geval niet de invalshoek van zijn woonbeleid zijn. Ik vind dit een wat modieuze en elitaire benadering. Natuurlijk begrijp ik best dat het vergroten van de keuzevrijheid mooie dingen kan opleveren, maar keuzevrijheid moet niet tot hoofddoel worden verheven, terwijl andere, collectieve waarden daar op afstand achteraan komen.

Waar dat toe kan leiden blijkt mijns inziens uit het door het kabinet gesteunde Initiatiefvoorstel Bevordering Eigen Woningbezit dat wij binnenkort behandelen. De toelichting bij het voorstel staat vol van mooie woorden over een sociale koopsector, woningonderhoud enzovoort, maar in de voorgestelde wetstekst wordt alleen de keuzevrijheid van de woonconsument gewaarborgd; tenminste, dat is de bedoeling. Dit zou moeten worden ondersteund door grootschalige verkoop van woningen van woningcorporaties, liefst onder de marktprijs. Wordt het dan geen tijd eerst ten principale de verhouding overheid - corporaties te bespreken? Wie beslist tenslotte over de meest doelmatige inzet van het maatschappelijk vermogen van de bedrijfstak als geheel? De plannen voor de eigenwoningbijdrage komen bovendien uitgerekend op het moment dat hausse op de huizenmarkt op zijn toppunt lijkt te komen, en het zachtjes aan eens tijd wordt om in het beleid vooruit te lopen op de situatie waarin vele kopers in de problemen raken.

Wat volgens mij in discussies over de huursubsidie en alternatieven daarvoor ook vaak wordt vergeten, is dat de huursubsidie niet slechts een inkomensinstrument is, maar ook wordt ingezet voor een goede woonruimteverdeling, met het oog op een evenwichtige wijkopbouw. Wordt dat aspect ook meegenomen bij de ontwikkeling van woonbonnen, of vouchers zoals de staatssecretaris dat noemt?

We hebben het nog altijd over een doelgroep van 2,5 miljoen huishoudens, een aanzienlijke opgave van stedelijke vernieuwing en het voorkomen van sociale uitsluiting, en ik moet nog maar zien dat daar veel verandering in komt. Het woonbeleid moet een sterke basis houden, ook voor de tijden waarin het economisch eens wat minder gaat of de kosten van het wonen nog verder stijgen.

Kortom, wil de staatssecretaris eens nader uiteenzetten waar voor hem de spits ligt in het woonbeleid van de overheid? De staatssecretaris zei eerder dat in de agenda het sociale aspect niet zozeer aan de orde kwam, omdat hij dat aspect zo vanzelfsprekend vindt. Wil hij dan toch eens toelichten hoe hij dat aspect wil waarborgen?

Kwaliteit VINEX-locaties

Over de kwaliteit van VINEX-locaties is al veel gesproken en ik heb niet de illusie om nog mooier te kunnen zeggen hoe slecht het allemaal is gesteld met die locaties. Sterker nog, ik wíl dat niet, want de discussie hierover begint te irriteren, ook omdat dit de aandacht onnodig afleidt van de bouwstroom búiten de VINEX-locaties, die we maar niet binnen de perken kunnen houden.

Gelukkig heeft de staatssecretaris herhaaldelijk benadrukt dat hij geen voeding wil geven aan het idee van een onbetrouwbare overheid; hij richt zich daarom terecht op regionaal overleg. Laat hij zich daartoe ook beperken, want gehoord de discussie van de afgelopen tijd kan de indruk ontstaan dat in Den Haag wethouder Remkes en de gemeenteraad van 150 leden in deze zaal niet kunnen nalaten zich met iedere gevel, dakgoot en tuintje in nieuwbouwwijken te bemoeien. We moeten niet uit het oog verliezen dat we hier te maken hebben met de zelfstandige positie van gemeenten. Bovendien zijn de VINEX-contracten vaak gevolgd door langjarige ontwikkelingscontracten tussen gemeenten en private partijen.

Deze discussie moet trouwens ook niet te lang meer duren, want het lijkt erop dat we elkaar op deze manier de put inpraten, waarbij iedere burger die op een VINEX-locatie gaat wonen de term VINEX-locatie op verjaardagvisites angstvallig gaat vermijden. Ik hoop dat het een overbodige opmerking is, als ik deze staatssecretaris oproep zich op zijn kerntaken te concentreren.

MILIEUBELEID

MdV! De voorbereidingen voor het NMP4 zijn in volle gang en iedere fractie heeft zo zijn wensen voor de inhoud van dat plan. De fracties van GPV en RPF hebben vooral deze wens: het NMP4 moet de helft minder bladzijden bevatten dan het NMP3 dat alleen scheelt al een forse milieubelasting en de helft meer uitvoeringsgericht beleid. Ik haal enkele onderwerpen voor het voetlicht, die momenteel in de milieudiscussie spelen.

Er is al veel gezegd over de ecologische voetafdruk en de relatie met het vraagstuk van dematerialisatie. Het lijkt ook mij een goede zaak als dematerialisatie een eigen plaats krijgt in het NMP4. Zuinig grondstoffengebruik is bij uitstek een concrete invulling van het rentmeesterschap. In dit kader denk ik dat het goed is wanneer het instrument van milieuverslaglegging regelmatig wordt verbeterd op grond van nieuwe inzichten over de milieubelasting van productieprocessen. Ziet de minister het als een reële optie om de doelstelling van dematerialisatie, als verbreding van het productbeleid, een plaats te geven in het beleid voor de milieuverslaglegging?

Hoe wil de minister overigens de ecologische voetafdruk als communicatie-instrument uitbuiten? Ziet hij er bijvoorbeeld iets in om iedere burger de mogelijkheid te bieden om via internet zijn eigen voetafdruk te meten?

In het kader van het NMP4 wordt ook de beleidsfilosofie dat economie en milieu goed kunnen samengaan heroverwogen, zo maak ik uit het milieuprogramma op. Waar milieu en economie duidelijk blijven botsen wil het kabinet een duidelijke keuze maken. Ik heb de indruk dat hier nadrukkelijk een nieuw accent wordt gelegd en dat is een goede zaak, want deze beleidsfilosofie kent zijn grenzen. Waar mogen we de minister die staat voor soberheid - straks op afrekenen? Kunnen we voor de knelpunten in het milieubeleid, namelijk CO2, mest & ammoniak, NOx en verkeerslawaai heldere beleidskeuzen verwachten in het NMP4, doelstellingen die verder gaan dan het factor 4-denken?

Als één ding er wel uitspringt in de Milieubalans van dit jaar, dan is het wel de milieulast van het consumeren. In de afgelopen 40 jaar is het energiegebruik per Nederlander verdrievoudigd, alle efficiencyverbeteringen ten spijt. Ook in verhouding met het mondiale gemiddelde is het gebruik in Nederland sterk gestegen. En wat doet de minister? Hij start een aantal domeinverkenningen, op het gebied van duurzaam consumeren. Verkenningen prima, maar in een Milieuprogramma verwacht ik beleid. Laten we de consument de consument en de markt de markt, of gaan we een stapje verder? Als het gaat om de veiligheid van speelgoed, roept iedereen direct om overheidsingrijpen.

Het beleid dient zich in ieder geval te richten op de informatievoorziening aan de consument. Er is veel informatie beschikbaar via allerlei instanties, maar het probleem is dat maar weinig burgers daar gebruik van maken. Eén van de doelstellingen die het ministerie van VROM zich volgens mij moet stellen, is een groter bereik van dergelijke informatiebronnen. De televisie lijkt daarvoor een geschikt medium. Natuurlijk kennen wij de kritiek van de minister op het gebrek aan soberheid, maar die kennis haal je uit de bladen van de milieubeweging en die lezen veel Nederlanders niet.

Wat verder noodzakelijk is, is dat de klant in de winkel veel meer moet worden geprikkeld tot een verantwoorde productkeuze. Mijn ervaringen in de winkel, en navraag bij de Stichting Milieukeur leren mij dat voor lang niet alle producten die daarvoor in aanmerking komen een milieukeur wordt aangevraagd. Vooral de bedrijven en merken met naam blijken er niet echt voor te porren om het milieukeurmerk toe te passen. De bekende merknaam zou voldoende moeten zijn. Wat vindt de minister ervan dat het al dan niet aanvragen van het milieukeurmerk kennelijk vooral wordt ingegeven door bedrijfseconomische motieven? Zou verantwoord ondernemen niet iets meer mogen inhouden? Het ministerie evalueert in 2000 het Nederlandse milieukeurmerksysteem. Kan in dat kader inzicht worden gegeven in de mate waarin het milieukeurmerk wordt ingezet en is de minister bereid om de reikwijdte van milieukeurmerken te vergroten?

De consument laat de laatste tijd ook steeds meer zijn sporen door veelvuldig te reizen, over lange afstanden. Nog niet zo lang geleden werd op een vakantiebeurs een brochure uitgedeeld over de milieueffecten van reizen. Dat is prachtig, maar zon brochure heeft natuurlijk een beperkt effect. Zou het niet mogelijk zijn om burgers in het reisbureau informatie te geven over de milieu-aspecten van verschillende reizen, bijvoorbeeld door een soort milieulabel? Ziet de minister mogelijkheden om hierover met de reiswereld in overleg te treden en tot afspraken te komen?

Dat brengt mij ook op een ander punt. In het tijdschrift Internationale Samenwerking van 15 november las ik van de dreigende teloorgang van de Stichting Face, een stichting die bedrijven en particulieren de mogelijkheid wil bieden om via bijvoorbeeld een vrijwillige toeslag op vliegtickets bij te dragen aan bosaanleg ter reductie van de CO2-problematiek. Kan en wil de minister bemiddelen bij het vinden van een overlevingsstrategie van deze activiteit?

De resultaten van het Verpakkingenconvenant II zijn tot nu toe ronduit teleurstellend, terwijl er toch voldoende mogelijkheden bestaan om de hoeveelheid verpakkingsafval terug te dringen. Als consument heb ik weinig gemerkt van het terugbrengen van de hoeveelheid verpakkingsmateriaal. Integendeel. Een dagelijkse bron van ergernis is het toenemend aantal bladen en tijdschriften dat in plastic verpakt op mijn bureau komt. Tot zelfs de Staatscourant toe. Je post doorwerken wordt zo steeds meer tot een dagelijks terugkerend, zinloos ritueel van afvalscheiding. Want hoe onbenulliger een periodiek, hoe groter de kans op een plastic verpakking. Een premie op een sobere levensstijl van consumenten is deze spilziekte in elk geval niet. Ook voor bijvoorbeeld statiegeldsystemen is het onderste nog lang niet uit de kan gehaald! Is de minister bereid het bedrijfsleven een helder ultimatum te stellen, en ter voorbereiding daarop verplichtende maatregelen te ontwikkelen?! Hoe lang krijgt het bedrijfsleven nog?

Ik krijg graag opheldering over de rol van de minister en de Milieuraad van de EU in de discussies over de vraag of ODA-middelen kunnen worden ingezet voor het verkrijgen van credits via het Clean Development Mechanism. Wat is hierover in de Milieuraad na Kyoto afgesproken? Wat zegt het Kyoto-protocol hierover? Hier wreekt zich dat we nog altijd geen goedkeuringswetsvoorstel voor het Kyoto-protocol van de regering hebben ontvangen.

Ik heb nog één concrete vraag onder het kopje milieubeleid, namelijk over de komende wijzigingen in het milieuplanstelsel. Op bladzijde 34 van het milieuprogramma wordt in dat kader met name aandacht gevraagd voor het provinciale milieubeleidsplan en milieuprogramma. Er wordt niet ingegaan op de positie van het nátionale milieuprogramma. Ik mag toch aannemen dat dit programma als beleidsreactie op de jaarlijkse milieubalans blijft bestaan?

Windenergie op land

MdV! Ik wil tot slot twee zaken aanstippen op het snijvlak van ruimtelijke ordening en milieubeleid, namelijk de plaatsingsproblematiek van windmolens en de Tweede Maasvlakte.

Het wordt echt eens tijd dat de prachtige doelstellingen voor windenergie ook daadwerkelijk gestalte krijgen in de plaatsing van windmolens. Het wachten is op een nieuw plaatsingsconvenant, en de minister heeft aangekondigd desnoods dwang te zullen uitoefenen als gemeenten hun taak verzaken. We hopen hier snel de resultaten van te zien, want het is toch te gek voor woorden dat we in ons land alleen maar kunnen klagen over de wind, terwijl landen als Denemarken en Duitsland grootschalig gebruik maken van deze prachtige energiebron die de schepping ons biedt. Waar ik hier speciaal aandacht voor wil vragen is de mogelijkheid voor grootschalige windmolenlocaties. Wat let de minister om daar in de Vijfde nota een concrete taakstelling voor op te nemen, inclusief kaartbeeld, om daar vervolgens door middel van de rijksprojectenprocedure uitvoering aan te geven? Graag een duidelijke reactie op dit punt!

Tweede maasvlakte

MdV! Dan mijn laatste punt, de Tweede Maasvlakte. In het begin van mijn bijdrage heb ik mij positief uitgelaten over de gedachte van het groene poldermodel, maar als het gaat over de Tweede Maasvlakte, kan ik niet met die positieve opmerking volstaan.

Onze fracties hebben al eerder vraagtekens gesteld bij de eigen dynamiek van grote infrastructurele projecten, waarbij de integrale afweging van voors en tegens soms een wassen neus lijkt. Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam lijkt wat dat betreft ook averij op te lopen. Eerder lieten milieuorganisaties al blijken weinig vertrouwen te hebben in het proces, in de afgelopen week bleek dat ook drie wetenschappelijke referenten van niet het geringste kaliber het bijltje er bij neer gooien. Als belangrijkste reden daarvoor voerden zij aan dat de alternatieve oplossingsrichtingen onvoldoende met elkaar zijn vergeleken. Deze gang van zaken voedt onze twijfel over de vraag of de bij de oplossing van het ruimtetekort in de Rotterdamse havens wel een voldoende open benadering wordt gekozen. Is het Project Mainportontwikkeling Rotterdam een nauwelijks bij te sturen mammoettanker met de Rotterdamse havenlobby aan het roer, of is er nog ruimte voor navigatie op basis van voldoende onderzoeksgegevens. Voor wat betreft het intensiever ruimtegebruik in het bestaande havengebied en de optie Zuidwest-Nederland moet het onderste uit de kan worden gehaald, vóórdat over de noodzaak en grootte van een Tweede Maasvlakte kan worden gesproken. Wanneer dit achterwege blijft, loopt het kabinet het risico het draagvlak voor het project te ondergraven, zowel in de maatschappij als in de Kamer. Hoe denkt de minister het beleidsproces weer vlot te trekken, zodat weer sprake is van een geloofwaardig beleidsproces? Is het kabinet bereid nader onderzoek te laten verrichten naar de genoemde alternatieven?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie