Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Herfkens: Toegang tot essentiele geneesmiddelen moet beter

Datum nieuwsfeit: 25-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Ontwikkelingssamenwerking

Onderwerp: toespraak

Datum: 25 november 1999

Nummer: 21

Toegang tot essentiële geneesmiddelen moet beter

Toegang tot essentiële geneesmiddelen moet beter

Medicijnen voor veel armen te duur of niet beschikbaar

Speech van minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) over strategieën voor verbetering van toegang tot essentiele geneesmiddelen, uitgesproken door plaatsvervangend directeur-generaal Internationale Samenwerking Joan Boer op 25 november 1999 tijdens een congres in Amsterdam, georganiseerd door Health Action International, Artsen zonder Grenzen en Consumer Project on Technology (CPT).

De minister pleit ondermeer voor het recht van landen om dwanglicenties op te leggen aan patenthouders voor de lokale produktie van geneesmiddelen. Belangrijk vindt de minister verder dat ontwikkelingslanden zelf een goed gezondheidsbeleid voeren en dat mondiaal de publieke -en private sector samenwerken bij het zoeken naar effectieve medicijnen tegen ziektes als malaria en aids.

Geachte aanwezigen,

Gelijke kansen op een gezond leven.

Is dat niet een van de hoekstenen van een humane samenleving?

Een goede gezondheid kan niemand waarborgen of afdwingen.

Ziekte treft de een wel en de ander niet.

Een goede gezondheidszorg is een ander verhaal.

Ook dat is geen afdwingbaar recht.

Sommige behandelingen zijn ontstellend duur.

Sommige geneesmiddelen ook.

Een overheid kan en moet daarom zekere grenzen stellen.

Maar binnen die grenzen moet gelden: Gelijke kansen voor iedereen. Gezondheid voor allen.

Binnen landen wordt dit lang niet overal en altijd waargemaakt.

Mondiaal lijken we er lichtjaren vandaan.

Dertig procent van de wereldbevolking heeft niet eens goede toegang tot de paar honderd meest essentiële geneesmiddelen.

Dan hebben we het niet over viagra. Nee, dan gaat het om een moeder die haar kind geen middel tegen longontsteking kan bieden.

Dat is onacceptabel. Dat moet anders.

Daarvoor zijn heldere analyses en doortimmerde strategieën nodig.

En vooral: commitment van alle betrokkenen: regeringen in arme en rijke landen, internationale instellingen, de farmaceutische industrie en de civiele samenleving.

Ik reken erop dat deze conferentie zal bijdragen aan diestrategieën én aan die commitment

Mijn diagnose van het probleem en de bijbehorende medicijnen wil ik u aan het begin van deze conferentie graag voorleggen.

Mondiale contrasten

Het recht op medicijnen is ook in een rijk land als Nederland een voortdurend onderwerp van politiek debat. Vaak ook een emotioneel geladen debat. Verzekeringen staan onder druk om alle denkbare medicijnen te vergoeden. Pogingen van de regering om de uitgaven aan geneesmiddelen aan banden te leggen, stuiten steeds op heftig ver zet. Toen sommige middelen tegen migraine werden uitgesloten van vergoeding, stak een storm van protest op.

Veel Nederlanders hebben er geen flauw idee van hoe duur medicijnen zijn. Ze betalen een eigen bijdrage, de rest betaalt de verzekering. Per jaar geeft Nederland 8,2 miljard gulden uit aan medicijnen die buiten ziekenhuizen via de apotheek op recept worden verstrekt. Dat is zo'n 500 gulden per burger. In een aantal Europese landen ligt dat bedrag nog beduidend hoger.

Vergoed krijgen van geneesmiddelen - en zeker niet alleen de meest essentiële - beschouwt de Nederlander als een duur verworven recht. En de welvaartsstaat kan daar heel ver in meegaan.

Het contrast met de situatie in ontwikkelingslanden is groot. Het grootste deel van de ziektelast van de arme bevolkingsgroepen daar is te voorkomen, te verlichten of zelfs geheel te verhelpen met eenvoudige farmaceutische producten, zoals vaccins en medicijnen. Maar volgens schattingen van de WHO is de bittere realiteit dat in veel landen meer dan de helft van de bevolking geen toegang heeft tot die eenvoudige producten. Wat verstaan we eigenlijk onder 'toegang'? Dat is duidelijk meer dan dat de benodigde medicijnen om de hoek, in een winkel of apotheek of op de markt, te krijgen zijn. Onder 'toegang hebben' valt ook dat de patiënt het juiste medicijn krijgt voorgeschreven in de juiste hoeveelheid en met instructies voor correct gebruik. En tenslotte moet het medicijn niet alleen verkrijgbaar, maar ook nog betaalbaar zijn.

Op alle drie de fronten faalt de toegang. Bezoek aan een dokter is vaak te duur, of er is geen opgeleide arts in de buurt. Medicijnen worden vaak zo over de toonbank verkocht, zonder enig recept. Patiënten slikken vaak onnodige of verkeerde medicijnen, met een verkeerde dosering. Er is een schromelijk gebrek aan betrouwbare, onafhankelijke informatie. Meestal is er in die landen ook geen stelsel van sociale verzekeringen. Gebruikers moeten dus alles uit eigen zak betalen. Ook arme groepen hebben er veel voor over om beter te worden. Daarin verschillen armen niet van rijken. Veel gezinnen in ontwikkelingslanden zijn jaarlijks relatief veel geld kwijt aan medicijnen. Medicijnen die vaak zelfs duurder zijn dan hetzelfde middel in de rijke landen. Zo jaagt de gebrekkige toegang juist de armste groepen op kosten!

Soms sluiten mensen ten einde raad leningen om een waardeloze, belachelijk dure mix van placebo's en vitaminepreparaten te kunnen kopen.

Er is nog een ander, minder zichtbaar contrast tussen rijke en arme landen. Zonet had ik het over de reeds beschikbare medicijnen. Het tweede contrast betreft de medicijnen die er nog niet zijn, maar waar wel driftig naar gezocht wordt. Medisch onderzoek richt zich vooral op de koopkrachtige vraag. Op ziekten waar vooral rijkere mensen aan lijden. Ik wil geen kwaad woord zeggen over de speurtocht naar betere middelen tegen ziektes als bijvoorbeeld Alzheimer en Parkinson. Maar in ontwikkelingslanden sterven heel veel meer mensen aan bijvoorbeeld malaria en tuberculose. Malaria eiste vorig jaar ruim één miljoen slachtoffers, tuberculose anderhalf miljoen. Het aantal nieuwe gevallen van beide ziektes stijgt sterk. Mede door onoordeelkundig gebruik neemt de resistentie tegen de meest gebruikte medicijnen toe. Nieuwe middelen zijn er nog niet of ze zijn duur. Intussen blijft onderzoek ver achter bij de enorme behoefte. Malaria is goed voor drie procent van de 'wereldziekte', terwijl er maar 0,1 procent van het onderzoeksgeld naar toe gaat. Driehonderd miljoen moeilijk bereikbare, armlastige malarialijders bieden blijkbaar onvoldoende zicht op rendement. De WHO schat dat jaarlijks 56 miljard dollar omgaat in het onderzoek naar geneesmiddelen. Minder dan tien procent daarvan is bedoeld voor ziekten die meer dan negentig procent van de wereldbevolking treffen.

Voor HIV/Aids ligt het iets anders. Al vallen verreweg de meeste slachtoffers in de arme landen, de rijke landen voelen het ook als hun probleem. Veel schieten ontwikkelingslanden daar niet mee op. De tot dusver gevonden middelen zijn voor hen nauwelijks toepasbaar.

De diagnose

Eerst een goede diagnose, dan kun je pas recepten uitschrijven. Wat verklaart nu precies die gebrekkige toegang tot essentiële geneesmiddelen? Ik zie drie belangrijke hindernissen.

De eerste hindernis is al scherp naar voren gekomen: armoede. Of in economische termen: gebrek aan koopkrachtige vraag. Arme mensen hebben weinig geld om medicijnen te kopen en ze vormen geen interessante afzetmarkt voor nieuw te ontwikkelen medicijnen. Ze hebben ook gebrek aan kennis en empowerment. Daardoor vallen ze gemakkelijk ten prooi aan slecht voorschrijgefdrag van artsen en marketinstrategieën van de industrie.

De tweede hindernis is dat die arme groepen vaak in arme landen wonen. Armoede van een land gaat meestal gepaard met te weinig en slecht opgeleide artsen. Er is doorgaans een schrijnend gebrek aan informatie, aan infrastructuur, aan organisatie. Daar komt bij dat veel regeringen niet bepaald een gezond gezondheidsbeleid voeren. In sommige landen steken ze vooral geld in ziekenhuizen en schiet de gezondheidszorg aan de basis er bij in. Zo'n prioriteitsstelling bevordert de toegang tot essentiële geneesmiddelen niet.

Een derde hindernis is dat geneesmiddelen duur kunnen zijn. De WHO heeft een lijst opgesteld van 306 geneesmiddelen, die gezamenlijk 95 procent van de ziekten min of meer de baasmoeten kunnen. Op naar schatting negentig procent van die medicijnen rust geen patent meer. Het is al verlopen. Die medicijnen hoeven niet duur te zijn. Zodra er een patent om de hoek komt kijken, ligt dat anders. De prijs kan dan omhoog schieten. De aidsremmer AZT bijvoorbeeld kost met patent vijftienduizend dollar per patiënt per jaar. Een ongepatenteerd medicijn met dezelfde werking kost drieduizend dollar. De vrees luidt dat de prijzen de komende jaren verder zullen stijgen. De reden daarvan is de ondertekening in 1994 van het zogeheten akkoord over Trade Related Intellectual Property rights (TRIPs). Dat akkoord verplicht alle ondertekenaars minimumnormen op het gebied van intellectuele eigendomsrechten te rerspecteren.

De uitdaging

Na deze schets zal de uitdaging duidelijk zijn.


- Ook armere bevolkingsgroepen moeten toegang krijgen tot betaalbare essentiële geneesmiddelen.


- Er is meer onderzoek nodig naar de ziekten van de armen.


- De geneesmiddelen die dat oplevert moeten ook daadwerkelijk beschikbaar zijn voor die mensen die ze zo hard nodig hebben.

Deze uitdaging waarmaken betekent voor vele miljoenen mannen, vrouwen en kinderen letterlijk een verschil van leven en dood. Concrete resultaten boeken op het terrein van verbeterde gezondheid hoort een hoeksteen te zijn van elk geloofwaardig ontwikkelingsbeleid.

Een investering in gezondheid brengt zijn geld dubbel en dwars op. Niet alleen voor het individu. Ook voor de samenleving als geheel. Gezonde mensen kunnen beter concurreren op de wereldmarkt.

Gelukkig hoeven we niet alleen maar te somberen. Er zijn voorbeelden van een geslaagde aanpak. Vorige maand was ik in Mali. Tot voor kort leefden de Malinezen met de vloek van de rivierblindheid. Een op de vijftien mensen was geïnfecteerd. Velen werden blind, vaak al op jeugdige leeftijd. Trouw jong, dan kun je je vrouw tenminste nog zien, zei men in Mali.

Het al te bekende beeld van zo veel blinde mensen op straat of in de bus, begeleid door hun zoontje of neefje, is binnenkort voltooid verleden tijd. Het programma, uitgevoerd door de WHO en de Wereldbank, is een schoolvoorbeeld van goede samenwerking tussen de publieke en de private sector. De fabrikant heeft het cruciale medicijn gratis ter beschikking gesteld.

Nederland is jarenlang een belangrijk donor geweest van het programma en legt nu nog eenmaal tien miljoen gulden op tafel om ook de laatste brandhaarden uit te roeien.

We mochten willen dat het altijd zo geweldig ging. Waarom is het al wel gelukt bij rivierblindheid? Welk medicijn past het best bij de diagnose die ik heb gegeven? Welke aanpak moeten we volgen?

Daarbij staan effectiviteit en efficiëntie voorop. In het verleden ontaardden discussies vaak in oeverloze ideologische debatten, waarin links en rechts elkaar verketterden. Datlevert weinig op. Farmaceutische multinationals zijn niet per definitie slecht. De vrije markt is niet per definitie goed. Waar het om gaat is het juiste medicijn tegen de beste prijs bij de juiste mensen te krijgen. Linksom of rechtsom. Dat maakt me niet uit. We moeten geen ideologische oogkleppen opzetten. We moeten maatregelen en strategieën beoordelen op hun merites. Dat betekent soms dat je de vrije markt de ruimte moet bieden. Vaak ook dat je bereid moet zijn in te grijpen en bij te sturen als het marktmechanisme faalt. Gebruikers hebben recht op goede informatie. Ook hun stem moet gehoord worden. En de farmaceutische industrie is een onmisbare partner, maar geen partner die je een vrijbrief moet geven. Noem het de Gandhi-toets. Gandhi vond dat je een nieuwe technologie moet beoordelen op grond van het effect op de armste groepen. Dat geldt ook voor strategieën rond geneesmiddelen.

Ik zie drie sporen waarlangs we moeten werken om toegang tot essentiële geneesmiddelen te verbeteren. Ze vloeien regelrecht voort uit de diagnose.


1. Een krachtige samenwerking tussen de publieke en de private sector in onderzoek naar en distributie van medicijnen en vaccins, zoals in het voorbeeld van de rivierblindheid;


2. Steun voor verbetering van de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden;


3. Internationale handelsafspraken op hun merites beoordelen en waar nodig versoepelen of aanscherpen.

Over elk van deze drie sporen wil ik graag wat meer zeggen.


1) Publiek/private samenwerking

Voor de private sector zijn investeringen in onderzoek naar de ziekten van de armsten te riskant. Ze zijn bang dat ze er onvoldoende rendement uit halen. Hier faalt de markt: maatschappelijk gewenst onderzoek komt niet van de grond. Er zijn de afgelopen tijd diverse ideeën gelanceerd om vanuit publieke middelen het particulier initiatief een duw in de goede richting te geven. Als de markt het rendement niet kan garanderen, als de risico's te groot zijn, kan dan de publieke sector niet een deel van het risico op zich nemen door bijvoorbeeld een bepaalde afzet van vaccins te garanderen? Dergelijk samenspel vind ik zeer veelbelovend, als de taken tenminste onderling goed verdeeld worden. Onderzoek opzetten vanuit publieke middelen geheel los van de particuliere sector is meestal te marginaal en weinig effectief in het licht van de enorme onderzoeksbudgetten bij de grote bedrijven.

De Global Alliance for Vaccines and Immunisation (GAVI) lijkt een voortvarende start te zullen maken. De aanzet tot het initiatief is vorig jaar gegeven door de Wereldbank.

Het nieuwe fonds zal de industrie een afzetgarantie bieden voor vaccins die vooral van belang zijn voor ontwikkelingslanden. Het moet als een incentive dienen voor de industrie. Naast internationale organisaties en bilaterale donoren doen ook fondsen als de Gates Foundation en de Rockefeller Foundation mee. Inmiddels zou in totaal reeds een miljard dollar aan het fonds zijn toegezegd. Eeninternationaal fonds voor kindervaccins maakt deel uit van het GAVI.

Naast het GAVI noem ik bijvoorbeeld het Special Programma for Research & Training in Tropical Diseases (TDR) en de Medecines for Malaria Venture (MMV). In deze drie initiatieven steekt Nederland dit jaar en volgend jaar substantiële bedragen..


2) Verbetering gezondheidszorg

In twaalf landen werkt Nederland mee aan versterking van de gezondheidssector. Dat gaat steeds minder via losstaande projecten en steeds meer via een benadering van de hele gezondheidssector. De basis vormt het gezondheidsbeleid van de ontvangende overheid.

Essential drugs programma's vormen een integraal onderdeel van het gezondheidsbeleid. En een belangrijk onderdeel. Want in de praktijk blijkt dat de beschikbaarheid van deze middelen van grote invloed is op het gebruik van de gezondheidszorgvoorzieningen. Drie begrippen staan centraal in de sectorbenadering: ownership, donorcoòrdinatie en coherentie. Om landen in staat te stellen hun gezondheidsbeleid succesvol uit te voeren is capaciteitsopbouw in de meeste gevallen cruciaal. Dat geldt ook voor de capaciteit om een beleid uit te voeren ter verbetering van de toegang tot geneesmiddelen.

Belangrijke taken van de overheid hierin zijn:


- het opstellen van een lijst geneesmiddelen, die overeenkomt met het heersende ziektepatroon en die financieel op te brengen is door het land;


- garanderen van inkoop en distributie van deze geneesmiddelen


- bevordering van een rationeel gebruik door gezondheidswerkers en door patienten


- controle op de kwaliteit van de verstrekte geneesmiddelen.

Gelukkig staat Nederland niet alleen in deze benadering. Steeds meer donoren en ook internationale organisaties scharen zich achter deze aanpak. Belangrijk is daarbij uit te gaan van de lacunes die de overheden zelf identificeren. Gespecialiseerde VN-organisaties kunnen op specifieke thema's ondersteuning geven. Op het gebied van essential drugs is de WHO voor veel overheden een belangrijke partner. Vaccins verdienen speciale aandacht. Investeringen in vaccins zijn de meest renderende gezondheidsinvesteringen die je kunt verzinnen. Iedere dollar besteed aan effectieve vaccinatie spaart zestien dollar in ziektekosten. Toch stabiliseert de vaccinatie coverage de laatste jaren of neemt zelfs af. Nieuwe vaccins tegen bijvoorbeeld hepatitits B zijn schandalig genoeg nog bijna nergens in programma's opgenomen.


3) Internationale regels en afspraken

De derde lijn betreft de afspraken over intellectueel eigendom die in
1994 zijn gemaakt: de TRIPs. Het akkoord valt onder de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Begin december zal in het Amerikaanse Seattle gesproken worden over de implementatie van het hele pakket maatregelen dat in 1994 is overeengekomen. Datpakket omvat veel meer dan TRIPs alleen. Maar voor het debat over de toegang tot geneesmiddelen zijn vooral de TRIPs van belang.

Er is één sterk argument voor bescherming van intellectueel eigendom. Van onderzoek naar medicijnen is bekend dat naar schatting tachtig procent van de probeersels geen medicijn oplevert. De nieuwe middelen die de eindstreep wel bereiken moeten eerst door een kostbare en jarenlange testfase. Niet het maken van het medicijn is de grote financiële slokop, maar het uitdenken en uittesten ervan. Die kosten moeten terugverdiend worden. En patenten bieden fabrikanten die mogelijkheid. Onder de TRIPs krijgt de patenthouder twintig jaar het alleenrecht op zijn vinding. Een deugdelijk patentrecht kan onderzoeksresultaten belonen en zo aanzet geven om verder te zoeken naar nieuwe en effectieve geneesmiddelen. Aan dat voordeel hangt wel een prijskaartje. Patenten kunnen de prijzen van nieuwe medicijnen opdrijven. De houder van het patent heeft immers een feitelijk monopolie en kan - binnen zekere grenzen - vragen wat hij wil. Rijke landen kunnen zich die uitgaven wel permitteren. Voor arme landen ligt dat een slag anders.

Er is een goede balans nodig tussen bescherming van intellectueel eigendom enerzijds en het algemeen gezondheidsbelang anderzijds. Een balans dus tussen belangen van producenten en die van consumenten. Het mag niet zo zijn dat een aidspatiënt twintig jaar moet wachten op een medicijn, omdat dan pas het patent is verlopen. Als dat de uitkomst is, dan zitten we op de verkeerde weg. Ontwikkelingslanden zien weinig voordelen van de TRIPs. Het overgrote deel van alle patenten ter wereld, 97 procent, is in handen van bewoners van de industrielanden. De hogere prijs die ze moeten betalen vanwege de patenten lijkt dus vooral een inkomensoverdracht te worden van arm naar rijk. Daarbij komt dat opstelling van compleet nieuwe wetgeving voor die landen een kostbare en tijdrovende kwestie is.

Het tegenargument luidt dat invoering van patentrecht op termijn ook voor arme landen grote voordelen kan hebben. Het stimuleert de eigen farmaceutische industrie om meer onderzoek te doen naar in die landen belangrijke ziektes. Bovendien zou een stelsel van patenten en licenties de technologie-overdracht stimuleren, evenals de bereidheid om te investeren in ontwikkelingslanden. Van die voordelen is tot dusver weinig te merken geweest, terwijl de nadelen zich nu al doen voelen.

Naar mijn mening moet het TRIPs akkoord daarom op een aantal punten goed tegen het licht worden gehouden. Het eerste is een duidelijk ja tegen het recht om zogeheten dwanglicenties op te leggen. Dat houdt in dat een regering nationale producenten een licentie kan geven zonder toestemming van de patenthouder. Dat kan leiden tot prijsdalingen van
75 procent.

Zuid-Afrika heeft een wet aangenomen die deze dwanglicenties mogelijk maakt. Het kwam vervolgens zwaar in de vuurlinie te liggen van een aantal rijke landen. Gelukkig heeft Zuid-Afrika die eerste slag gewonnen. Lokale productie van aidsmedicijnen ligt nu open.

Het gaat niet aan om in bilaterale onderonsjes landen onder druk te zetten bepaalde wetten wel of niet in te voeren. Zo heeft de Verenigde Staten bilaterale verdragen gesloten met Albanie en Sri Llanka, die het opleggen van dwanglicenties aan banden leggen. Nederland hecht aan een open, transparant en multilateraal stelsel. Dat geldt ook voor de TRIPs.

Het tweede punt is het toestaan van parallelle import. De prijzen van geneesmiddelen kunnen sterk variëren van het ene land tot het andere. Het is het goed recht van landen om de wereld af te struinen naar de goedkoopste aanbieder van een bepaald medicijn. De industrie wil dergelijke import liefst verboden zien. Dat is verdere afscherming van het eigen belang. Ik ben daar niet voor.

Een derde punt is verlenging van de termijn waarbinnen ontwikkelingslanden moeten voldoen aan de TRIPs. De nu gestelde termijnen zijn onrealistisch en onevenwichtig. Ontwikkelingslanden moeten de kans krijgen om een systeem op te zetten dat bij hun eigen ontwikkelingsproces past. Een ander voorstel waar ik voor pleit is de om afspraken binnen de TRIPs over de overdracht van technologie naar ontwikkelingslanden wat harder te maken.

Er liggen nog tal van andere voorstellen voor aanscherping of juist versoepeling van de TRIPs. In hun open brief sommen de organisatoren van deze dag er een hele rij op. Ik noem hier bijvoorbeeld het idee om essentiële geneesmiddelen vrij te stellen van patenten.

Het lijkt me nog te vroeg om over al deze meer en minder uitgewerkte ideeen een definitief oordeel uit te spreken. Er zijn verrassend weinig harde gegevens over de effecten van octrooien op prijzen, op bestedingen aan onderzoek en ontwikkeling en op het aantrekken van buitenlandse investeringen. Dit voorjaar heeft de WHO in de 'Revised Drugs Strategy' het mandaat gekregen van haar Assemblee om de gevolgen van internationale handelsakkoorden voor de gezondheidszorg te monitoren. Met dat besluit ben ik erg ingenomen. In samenspraak met de WTO en de Wereldbank moet de WHO een onderzoeksagenda opstellen. Onderzoeken en monitoren zijn van niet te onderschatten belang. Samen met mijn collega's van handel en gezondheidszorg wil ik ervoor zorgen dat de Nederlandse regering zich inzet voor oplossing van de problemen rond de TRIPs.

Conclusie

De gebrekkige toegang tot essentiële geneesmiddelen is in mijn ogen zo'n complexe maatschappelijke ziekte, dat er geen eenvoudig medicijn tegen is. Grofweg bestaat mijn cocktail van wekzame ingredienten uit:


- Verbetering van de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden.


- Publiek/private samenwerking bij ontwikkeling en verspreiding van medicijnen.


- Internationaal afgesproken wetgeving die een betere balans vindt tussen particuliere en maatschappelijke belangen.

Hoe de samenstelling van die cocktail er exact uit moet zien verdient nadere discussie en onderzoek. Als we daarbij maar steeds voor ogen houden: wat betekent dit voor iemand die nog geen dollar per dag te besteden heeft?

Ik hoop dat uw conferentie aan die gedachtenvorming een zinnige bijdrage zal leveren.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie