Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Europese Raad: Arbeid en Sociale Zaken

Datum nieuwsfeit: 29-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2226. Raad - ARBEID EN SOCIALE ZAKEN
Go Back INDEX
Press Release: Brussels (29-11-1999) - Press: 382 - Nr: 13457/99
_________________________________________________________________

13457/99 (Presse 382)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2226e zitting van de Raad


- ARBEID EN SOCIALE ZAKEN -

Brussel, 29 november 1999

Voorzitters :

mevrouw Sinikka MÖNKÄRE

Minister van Arbeid

mevrouw Maija PERHO

Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

van de Republiek Finland

INHOUD

DEELNEMERS

*

BESPROKEN PUNTEN

WERKGELEGENHEIDSPAKKET 4

COMITE VOOR DE WERKEGELEGENHEID 5

DE WERKGELEGENHEIDS- EN SOCIALE DIMENSIE VAN DE INFORMATIEMAATSCHAPPIJ 6

RICHTLIJN BETREFFENDE DE ROL VAN DE WERKNEMERS IN DE EUROPESE VENNOOTSCHAP 9

UITBREIDING VAN DE SOCIALE-ZEKERHEIDSREGELINGEN TOT ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN 10

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALE-ZEKERHEIDSSTELSELS 11

SAMENWERKING VOOR DE MODERNISERING VAN DE SOCIALE BESCHERMING 12

RICHTLIJN BETREFFENDE DE MINIMUMVOORSCHRIFTEN INZAKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID (TRILLINGEN) 13

VOORSTELLEN VAN DE COMMISSIE UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 13 VAN HET VERDRAG 14

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN I

EXTERNE BETREKKINGEN I


- Gemengde Commissie EG-EVA I

VISSERIJ I


- Overeenkomst met Angola


_________________

Voor meer informatie: tel. 285.62.19 of 285.63.19

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:

België :

mevrouw Laurette ONKELINX

Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid

de heer Frank VANDENBROUCKE

Minister van Sociale Zaken en Pensioenen

Denemarken
:

mevrouw Karen JESPERSEN

Minister van Sociale Zaken

Duitsland:
:

de heer Walter RIESTER

Minister van Arbeid en Sociale Zaken

de heer Gerd ANDRES

Parlementair staatssecretaris van Arbeid en Sociale Zaken

Griekenland
:

de heer Miltiadis PAPAÏOANNOU

Minister van Arbeid en Sociale Zekerheid

Spanje
:

de heer Manuel PIMENTEL SILES

Minister van Arbeid en Sociale Zaken

Frankrijk
:

mevrouw Nicole PERY

Staatssecretaris voor de Rechten van de vrouw en de Beroepsopleiding

Ierland
:

de heer James BRENNAN

Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger

Italië
:

de heer Cesare SALVI

Minister van Arbeid en Sociale Zekerheid

Luxemburg
:

de heer François BILTGEN

Minister van Arbeid en Werkgelegenheid

de heer Carlo WAGNER

Minister van Volksgezondheid en van Sociale Zekerheid

Nederland
:

de heer Jan de JONG

Plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger

Oostenrijk
:

mevrouw Eleonora HOSTASCH

Minister van Arbeid, Volksgezondheid en Sociale Zaken

Portugal
:

de heer Eduardo FERRO RODRIGUES

Minister van Arbeid en Solidariteit

de heer José António VIEIRA DA SILVA

Staatssecretaris van Sociale Zekerheid

Finland
:

mevrouw Sinikka MÖNKÄRE

mevrouw Maija PERHO

Minister van Arbeid

Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Zweden
:

de heer Björn ROSENGREN

Minister van Industrie

mevrouw Ingela THALÉN

Minister, bij het Ministerie van Sociale Zekerheid, belast met Sociale Zekerheid

mevrouw Anna EKSTRÖM

Staatssecretaris bij het Ministerie van Industrie

Verenigd Koninkrijk
:

mevrouw Tessa JOWELL

Onderminister van Onderwijs en Werkgelegenheid, belast met Werkgelegenheid, Werk voor Uitkeringstrekkers en Gelijke Kansen


* * *

Commissie
:

mevrouw Anna DIAMANTOPOULOU

Lid


* * *

Overige deelnemers
:

de heer Séamus O'MÓRÁIN

Voorzitter van het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt

WERKGELEGENHEIDSPAKKET

Ter voorbereiding van de gecombineerde Raad ECOFIN/Arbeid en Sociale zaken (voor meer details, zie persbericht 13458/99 Presse 383) bereikte de Raad een akkoord over de tekst van de ontwerp-richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2000, over het ontwerp voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 1999 en over de tekst van de ontwerpen voor Aanbevelingen van de Raad inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Het akkoord moet dezelfde dag door de gecombineerde Raad ECOFIN/Arbeid en Sociale zaken worden bekrachtigd.

Het akkoord vloeit voort uit het intensieve voorbereidende werk van het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt (CWAM), van het Comité voor economische politiek, alsmede van de in totaal vier Raden ECOFIN en Arbeid en Sociale Zaken.

COMITE VOOR DE WERKGELEGENHEID

De Raad bereikte een politiek akkoord over de tekst van het besluit van de Raad tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid, op basis van de compromisvoorstellen voor de laatste nog onopgeloste problemen die betrekking hadden op de aard van het Comité en de relatie tussen werkgelegenheidsbeleid en economische politiek. Zodra het besluit in een volgende Raadszitting formeel is aangenomen, na bijwerking van de tekst door de juristen/vertalers, treedt het Comité voor de werkgelegenheid in de plaats van het bestaande Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt.

De Commissie en de voorzitter van de Raad beklemtoonden beiden het belang van de oprichting van dit Comité, waarin het Verdrag voorziet (als onderdeel van de bij het Verdrag van Amsterdam ingevoerde titel inzake werkgelegenheid).

Zoals bekend, voorziet het besluit in de voortzetting van tal van de ten aanzien van het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt geldende regelingen. Het nieuwe Comité zal de rol hebben van een adviesorgaan, dat met name tot taak heeft:


- toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en de Gemeenschap;
- de uitwisseling van informatie en ervaring te bevorderen;


- deel te nemen aan de macro-economische dialoog;


- hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, adviezen uit te brengen en bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad.

Iedere lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het Comité. Het Comité wordt geacht nauw samen te werken met de sociale partners, met name die welke in het Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken vertegenwoordigd zijn.

DE WERKGELEGENHEIDS- EN SOCIALE DIMENSIE VAN DE INFORMATIE-MAATSCHAPPIJ

De Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, bereikten overeenstemming over een gemengde Resolutie over de werkgelegenheids- en sociale dimensie van de informatiemaatschappij.

"De Raad van de Europese Unie en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen,

1) Memorerend dat het één van de taken van de Gemeenschap is een hoog niveau van werkgelegenheid te bevorderen;
2) Memorerend dat de Europese Raad tijdens zijn buitengewone bijeenkomst over werkgelegenheid van 20 en 21 november 1997, waar het proces van Luxemburg op gang is gebracht, de Commissie heeft verzocht hem voor eind 1998 verslag uit te brengen over de bereikte resultaten en de vooruitzichten op het gebied van elektronische handel, ontwikkeling van open netwerken en gebruik van multimediale hulpmiddelen voor onderwijs en opleiding; 3) Memorerend dat de Europese Raad van Wenen van 11 en 12 december 1998 bijzondere aandacht heeft geschonken aan de volledige benutting van de mogelijkheden van de dienstensector en de sector zakelijke dienstverlening, inzonderheid de informatietechnologie en de milieusector;
4) Memorerend dat de Europese Raad van Keulen van 3 en 4 juni 1999 erop heeft gewezen dat innovaties en de informatiemaatschappij de arbeidsplaatsen van morgen scheppen, dat Europa een leidinggevende rol moet spelen in de informatiemaatschappij en dat met name alle scholen zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot het Internet; 5) Memorerend dat de mededeling van de Commissie "Werkgelegenheid in de informatiemaatschappij" (COM(98) 590 def.) heeft opgeroepen tot een gezamenlijke actie op alle niveaus om deze uitdaging aan te gaan en een tijdschema heeft gegeven voor monitoring en benchmarking van de geboekte vooruitgang, teneinde ervoor te zorgen dat de EU de mogelijkheden van het informatietijdperk volledig benut en een forum in het leven heeft geroepen van vertegenwoordigers van de lidstaten op hoog niveau; 6) Erkennend dat deze vertegenwoordigers nationale strategieën voor de informatiemaatschappij hebben uitgewisseld binnen het forum, en van de sociale partners, de informatie-industrie en het gehandicaptenforum bijdragen hebben ontvangen die de basis hebben gelegd voor een vruchtbare dialoog waarbij duidelijk is geworden wat de belangrijke acties zijn die tijdig moeten worden ondernomen;
7) Memorerend tevens dat de lidstaten bij de opstelling van hun nationale actieplannen inzake werkgelegenheid voor 1999 verwezen hebben naar het benutten van de nieuwe mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologieën voor het scheppen van banen, inzetbaarheid, flexibeler en beter aan te passen vormen van arbeidsorganisatie en vooruitgang inzake gelijke kansen; 8) Overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van de onderwijsstelsels;
9) Erkennend dat economisch concurrentievermogen stoelt op een innoverend gebruik van de menselijke vaardigheden en op een vanuit milieuoogpunt en sociaal gezien duurzame ontwikkeling en dat de technologie hierbij een uitstekend instrument kan zijn; 10) Oordelend dat om werkgelegenheid en economische groei te genereren technologische innovatie gepaard moet gaan met organisatorische verandering en nieuwe vormen van arbeidsorganisatie en dat kennis een zeer belangrijke factor is voor prestaties,

ROEPT DE LIDSTATEN OP OM:

I. Het potentieel van de informatiemaatschappij voor het creëren van banen optimaal te benutten, in het bijzonder door:

a) Leren en onderzoek in de informatiemaatschappij


1. Het "leren leren" met technologie en informatie te bevorderen, communicatie en vernieuwing aan te moedigen door de toegang van studenten tot Internet tegen eind 2002 te bevorderen en wanneer dit aansluit bij nationale belangen en praktijken:


1.1. leraren in de gelegenheid stellen om inzicht te verwerven in de nieuwe manieren van werken en leren die door de informatietechnologie worden geschapen en

1.2. de integratie van informatietechnologieën in onderwijsleerplannen te verbreden.


2. Op het gebied van onderwijs, opleiding en onderzoek de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten, en de verbindingen tussen deze en de wereld van het werk, sociale partners en de regering te intensiveren.


3. Het potentieel van de informatietechnologie optimaal te benutten via de bevordering van het levenslang leren op de werkplek met inbegrip van "leren doen" door samen met de sociale partners het ontstaan van "lerende organisaties" waarbinnen het menselijk potentieel wordt ontplooid, te bevorderen.

b) Werken in de informatiemaatschappij

Zich samen met de sociale partners in te spannen om:


4. Een nieuw beleid voor het menselijk potentieel, met inbegrip van het nodige onderzoek te ontwikkelen, dat de huidige en toekomstige werknemers en het management beter voorbereidt op de uitdagingen van de informatiemaatschappij zodat werkgelegenheid wordt gegarandeerd en geschapen en waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologieën om gehandicapten in staat te stellen optimaal aan het beroepsleven deel te nemen.

5. Voor zoveel mogelijk mensen (werkenden en werklozen) de basiskennis beschikbaar te stellen inzake informatie- en telecommunicatietechnologie, zoals het kunnen omgaan met computers; en opleiding en kwalificaties te updaten om in de bestaande vaardigheidstekorten te voorzien en aldus te profiteren van nieuwe mogelijkheden voor banen in de informatiemaatschappij.
6. Binnen een passend kader dat rechten en plichten voor werknemers en werkgevers behelst, aangepaste nieuwe, flexibele arbeidsregelingen voor de informatiemaatschappij te ontwikkelen, die innovatie en productiviteit bevorderen met behoud van werkgelegenheid en een hoog niveau van sociale bescherming.
7. Organisaties en hun werknemers, in het bijzonder micro- en kleine ondernemingen die ingrijpende veranderingen in hun ondernemingsklimaat moeten doormaken, te helpen deelnemen aan de informatiemaatschappij, met inbegrip van de economische handel, en maximaal en op een sociaal aanvaardbare wijze te laten profiteren van de technologie die in de informatiemaatschappij beschikbaar is.

c) De overheidsdiensten in de informatiemaatschappij


8. Het gebruik van de instrumenten van de informatiemaatschappij te ontwikkelen in de dagelijkse omgang met de burgers, teneinde de efficiëntie en de kwaliteit van de overheids-diensten te verbeteren. Overheidsinformatie en -diensten te verschaffen wanneer en waar burgers daar behoefte aan hebben en onverwijld publieksvriendelijke Internetpagina's met duidelijke over-zichten te creëren die informatie verschaffen over aanspraken, arbeids-voorziening, sociale en culturele diensten, en met verwijzingen naar de desbetreffende overheidsdiensten.
9. Ondernemerschap en het scheppen van werkgelegenheid te steunen door een doel-treffende administratie en goede procedures, waarin gebruik wordt gemaakt van informatie- en communicatietechnologieën en prioriteit te geven aan de toegankelijk-heid van overheidsinformatie, on-line transacties en betalingen met overheden, en digitale aanbestedingsprocedures, met inachtneming van de noodzakelijke gegevens-bescherming.
10. Waar mogelijk, alle overheidsdiensten elektronisch beschikbaar te stellen en tegelijker-tijd de interactie met de burgers te versterken en openbare toegangspunten tot Internet beschikbaar te stellen die ter plaatse worden ondersteund door initiatiecursussen over de informatie-maatschappij in alle lokale gemeenschappen.

d) Duurzame ontwikkeling in de informatiemaatschappij

11. Profijt te trekken van de informatietechnologie door productie- en consumptiemethodes te ontwikkelen die het milieu beschermen, een duurzame ecologische ontwikkeling te versterken en daaraan gerelateerde diensten en werkgelegenheid te creëren.

II. De sociale samenhang in de informatiemaatschappij te consolideren en verder te versterken, in het bijzonder om:

12. Alle burgers op gelijke wijze te laten profiteren van de mogelijkheden die de informatiemaatschappij biedt, de bewustwording en de vaardigheden van alle groepen in de samenleving te verhogen, met name van langdurig werklozen, laaggeschoolde werknemers, analfabeten, ouderen, gehandicapten, kwetsbare minderheden en andere achtergestelde groepen. 13. Een gelijkekansenbeleid met een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen te bevorderen door het gebruik van instrumenten van de informatiemaatschappij in scholen en op alle niveaus van opleiding en onderwijs.
14. Naast de profitsector, met name de micro-ondernemingen en het MKB, ook de non-profitsector en vrijwilligersorganisaties te helpen profijt te trekken van de informatiemaatschappij door tevens de modernisering van de arbeidsorganisatie te verbeteren, teneinde de mogelijkheden voor de werkgelegenheid en de kwaliteit van het arbeidsleven maximaal te benutten.
15. Het innoverend vermogen in Europa tot ontplooiing te laten komen door middel van onderwijs, ondernemerschap en een uit economisch en milieuoogpunt duurzame ontwikkeling en door middel van de bevordering van creatieve vaardigheden, in het bijzonder in de perifere en minder begunstigde regio's. Het innoverend vermogen van de mens tot ontplooiing laten komen is van fundamenteel belang voor het scheppen van werkgelegenheid en vormt een basis voor sociale samenhang.

VERZOEKT DE COMMISSIE:

o Bij alle prioriteiten van het Europees Sociaal Fonds welwillende aandacht te schenken aan de sociale en arbeidsmarktdimensie van de informatiemaatschappij;
o Gebruik te maken van informatie- en communicatietechnologieën om de transparantie in diensten als EURES en de informatie op Europees niveau te verbeteren;
o Via het vijfde kaderprogramma voor communautaire acties op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie de vernieuwing te ondersteunen, vooral door nieuwe technologieën en innoverende vormen van arbeidsorganisatie te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten, en aldus nieuwe banen te scheppen;
o In samenwerking met het forum van vertegenwoordigers van de lidstaten op hoog niveau en in overleg met de sociale partners, de informatie-industrie en andere groeperingen, verslag uit te brengen over strategieën voor een maximale werkgelegenheid in de informatiemaatschappij, voorafgaand aan de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad in Lissabon, die zich hierop zal concentreren door de doelstelling "Werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang - voor een Europa van innovatie en kennis" hoog op de Europese agenda te plaatsen; o Aan de Raad verslag uit te brengen over het overleg met de sociale partners op Europees niveau betreffende telewerk.

RICHTLIJN BETREFFENDE DE ROL VAN DE WERKNEMERS IN DE EUROPESE VENNOOTSCHAP

De Raad luisterde naar een verslag van het voorzitterschap over de vooruitgang inzake de richtlijn betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap. Het voorzitterschap bracht verslag uit over de onderhandelingen die onder Fins voorzitterschap werden gevoerd
- met inbegrip van een vergadering op hoog niveau van 26 november - om een voor alle lidstaten aanvaardbare oplossing te vinden en om de bezwaren van de delegatie die moeite heeft met het voorstel, weg te nemen. Het voorzitterschap blijft hopen dat het nog steeds mogelijk zal zijn om onder Fins voorzitterschap een oplossing te vinden.

UITBREIDING VAN DE SOCIALE-ZEKERHEIDSREGELINGEN TOT ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN

De Raad luisterde naar een verslag van het voorzitterschap over de vooruitgang terzake van de uitbreiding tot onderdanen van derde landen van Verordening nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

De Raad hield een discussie over de toepasselijke rechtsgrondslag. Het inhoudelijke debat - d.w.z. over de uitbreiding van de huidige verordening tot onderdanen van derde landen - werd gevoerd onder het volgende punt, over de herziening van de verordening betreffende de coördinatie van de sociale-zekerheidsstelsels.

Tijdens de discussie herhaalden de lidstaten hun standpunten met betrekking tot de rechtsgrondslag. Een meerderheid van delegaties steunde de Commissie, die artikel 42 juncto artikel 308 als rechtsgrondslag had voorgesteld. Sommige delegaties waren evenwel voorstander van artikel 63, lid 4. De voorzitter concludeerde dat er over de toepasselijke rechtsgrondslag verschil van mening blijft bestaan en dat de Raad de kwestie later opnieuw zal moeten behandelen.

Zoals bekend beoogt het voorstel de coördinatie van de sociale zekerheid voor onderdanen van derde landen die onder de sociale-zekerheidswetgeving van één lidstaat vallen of vielen en zich naar een andere lidstaat verplaatsen.

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALE-ZEKERHEIDSSTELSELS

De Raad nam nota van een voortgangsverslag van het voorzitterschap over het Commissievoorstel voor een grondige herziening van Verordening nr. 1408/71 betreffende de coördinatie van de sociale-zekerheidsstelsels van personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

Zoals bekend, is de thans van kracht zijnde verordening 20 jaar oud en steeds ingewikkelder geworden, aangezien zij inmiddels meer dan twintig keer is gewijzigd. Toen de Commissie in december 1998 haar voorstel indiende, wilde zij de bestaande verordening moderniseren en vereenvoudigen. Bovendien bevat deze tekst enkele voorstellen ter uitbreiding van zowel de personele als de materiële werkingssfeer van de verordening.

De Raad hield een politiek debat op basis van twee door het voorzitterschap ter overweging voorgelegde vragen, de eerste over de uitbreiding van de werkingssfeer van de huidige verordening tot nieuwe categorieën personen (onderdanen van derde landen en niet-actieve personen), de tweede over de uitbreiding van de werkingssfeer tot nieuwe sociale-zekerheidsvoordelen en nieuwe terreinen van de sociale zekerheid.

Alle delegaties steunden de inspanningen van de Commissie ter vereenvoudiging van de thans van kracht zijnde verordening. Een meerderheid van de lidstaten was voorstander van de uitbreiding van zowel de personele als de materiële werkingssfeer, hoewel sommige delegaties vonden dat de sociale-zekerheidsvoordelen en de in de verordening op te nemen nieuwe terreinen duidelijker gedefinieerd dienen te worden. Een delegatie verklaarde dat zij geen uitbreiding van de werkingssfeer van de verordening in het licht van dit herzieningsproces kon aanvaarden. Het voorzitterschap concludeerde dat in het debat nuttige informatie was verstrekt en dat de werkzaamheden met betrekking tot de herziening van de huidige verordening zullen worden voortgezet onder de komende voorzitterschappen.

SAMENWERKING VOOR DE MODERNISERING VAN DE SOCIALE BESCHERMING

De Raad keurde de conclusies goed betreffende de versterking van de samenwerking voor de modernisering en verbetering van de sociale bescherming.

"De Raad,


1. Neemt met tevredenheid kennis van de ideeën die de Commissie uiteenzet in haar mededeling "Een gemeenschappelijke strategie voor de modernisering van de sociale bescherming" (COM(99) 347 def.) en beschouwt deze mededeling als een goed uitgangspunt voor verdere besprekingen over de Europese sociale bescherming.
2. Benadrukt dat de Europese Unie ernaar moet streven een verband tussen de economische en sociale ontwikkeling te waarborgen, brengt in herinnering dat de organisatie en financiering van de sociale bescherming een bevoegdheid is van de lidstaten en onderstreept dat beslissingen inzake aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoren een aanvulling dienen te vormen op de voorwaarden waaronder het nationale sociale beleid wordt gevoerd en dat zij niet mogen leiden tot een aantasting van die voorwaarden.

3. Onderstreept de noodzaak van samenwerking bij de modernisering van de sociale bescherming op basis van een gestructureerde en permanente dialoog, follow-up en uitwisseling van gegevens, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot de sociale bescherming, aangezien de lidstaten bij de ontwikkeling van de sociale bescherming met soortgelijke uitdagingen worden geconfronteerd. De Raad erkent de noodzaak van een discussie over de toekomst van de sociale bescherming op Europees niveau in de nieuwe context zoals geschetst in de mededeling van de Commissie. Deze vorm van samenwerking zal alle vormen van sociale bescherming moeten bestrijken en de lidstaten, waar nodig, van nut dienen te zijn bij het verbeteren en versterken van hun systemen voor sociale bescherming, in overeenstemming met hun nationale prioriteiten.
4. Acht het vooral van belang dat deze nieuwe samenwerking ten behoeve van de verbetering en modernisering van de sociale bescherming een coherent geheel van maatregelen vormt, parallel aan en in interactie met de Europese werkgelegenheidsstrategie en de macro-economische dialoog.

5. Wijst op de rol van de sociale partners bij de modernisering van het proces van de sociale bescherming.

6. Onderschrijft de onderstaande vier door de Commissie vastgestelde algemene doelstellingen:

- het lonend maken van werk en het bieden van een vast inkomen;
- het veiligstellen van pensioenen en het betaalbaar maken van de pensioenstelsels;

- het bevorderen van sociale integratie;
- het garanderen van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg, en
is ingenomen met de door de Commissie opgestelde analyse van elk van deze doelstellingen als basis voor door een nieuwe groep op hoog niveau te verrichten verdere werkzaamheden. Problemen op het gebied van de volksgezondheid dienen afzonderlijk te worden behandeld in de geëigende Raadsinstanties.

7. Wijst erop dat sociale bescherming die alle burgers een aangepast vangnet biedt, eveneens een investering betekent in een evenwichtige economische ontwikkeling en een belangrijke competitieve troef in een steeds mondialere economie.
8. Naast de vier door de Commissie vastgestelde algemene doelstellingen voor de ontwikkeling van sociale beschermingsregelingen, benadrukt de Raad tevens dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in aanmerking genomen dient te worden bij alle activiteiten ter verwezenlijking van de vier doelstellingen. Dit houdt in dat in alle fasen van planning, besluitvorming en follow-up van deze activiteiten de gevolgen voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen dienen te worden beoordeeld.

De Raad, in aanvulling hierop,

9. Benadrukt dat de Gemeenschap bijzondere aandacht dient te besteden aan een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in het kader van het proces ter uitbreiding van de Europese Unie.
10. Onderstreept dat nieuwe technologieën, en in het bijzonder de nieuwe informatietechnologieën, bij de ontwikkeling van het sociaal welzijn ten volle dienen te worden benut. Op Gemeenschapsniveau dient bijzondere aandacht uit te gaan naar activiteiten waarbij het gebruik van geavanceerde informatietechnologieën voor het bereiken van welzijnsdoelstellingen wordt gestimuleerd. Deze technologieën moeten de ontwikkeling van gezondheids- en sociale diensten alsmede de sociale participatie van alle bevolkingsgroepen ten goede komen.
De Raad, teneinde de doelstellingen van deze samenwerking ter verbetering en modernisering van de sociale bescherming te verwezenlijken,
11. Steunt het voorstel van de Commissie om een mechanisme in te stellen voor een betere samenwerking op basis van de werkzaamheden van een groep van ambtenaren op hoog niveau met het oog op de uitvoering van dit geheel van maatregelen. Onverminderd artikel 207 VEG bespreekt de groep van ambtenaren op hoog niveau de in de mededeling van de Commissie en in deze conclusies aan de orde gestelde problemen en stelt zij met name een verslag op dat aan de Raad zal worden voorgelegd.
12. Wijst erop dat deze groep zo snel mogelijk dient te worden ingesteld en verzoekt de lidstaten en de Commissie om in afwachting hiervan zo spoedig mogelijk, voor een interimperiode, hoge ambtenaren aan te wijzen die het bovengenoemde debat moeten entameren. De werkzaamheden dienen onverwijld aan te vangen en er dient een voortgangsverslag te worden opgesteld ten behoeve van de Europese Raad van juni 2000.
De Raad, tenslotte,
13. Steunt de Commissie in haar voornemen het Europese Parlement bij dit proces te betrekken; steunt de Commissie ook in haar wens het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's bij deze samenwerking te betrekken; is ingenomen met de bijdrage van de sociale partners en de instellingen op het gebied van de sociale bescherming aan dit proces.".

RICHTLIJN BETREFFENDE DE MINIMUMVOORSCHRIFTEN INZAKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID (TRILLINGEN)

De Raad maakte de balans op van de vorderingen met betrekking tot het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen).

Zoals bekend, diende de Commissie haar oorspronkelijke voorstel in in 1993, en vervolgens een gewijzigd voorstel in 1994. Het voornaamste kenmerk van het voorstel was dat het in één instrument vier soorten fysische agentia (lawaai, mechanische trillingen, optische straling en elektrische en magnetische velden en golven) behandelde, zij het dat voor elke soort wel een aparte bijlage was beoogd. Het voorstel is 6 jaar in de ijskast gebleven, waarna het Duitse voorzitterschap in januari 1999 de werkzaamheden heeft hervat op basis van een tekst waarin slechts één van de in het oorspronkelijke Commissievoorstel genoemde fysische agentia aan bod kwam, namelijk trillingen. Nadat alle delegaties en de Commissie ermee hadden ingestemd hun werkzaamheden op deze basis voort te zetten, is de tekst onder het Finse voorzitterschap verder uitgewerkt en verfijnd. Naar verhoopt, zal het gemeenschappelijk standpunt onder het Portugese voorzitterschap worden aangenomen.

VOORSTELLEN VAN DE COMMISSIE UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 13 VAN HET VERDRAG

De Raad luisterde naar een presentatie door de Commissie van de voorstellen die zij onlangs heeft aangenomen met betrekking tot de implementatie van het bij het Verdrag van Amsterdam ingevoerde artikel betreffende niet-discriminatie (artikel 13).

De Commissie doet een reeks voorstellen die de volgende vier instrumenten omvatten:


- een mededeling;


- een richtlijn waarbij discriminatie op het werk verboden wordt;


- een richtlijn waarbij discriminatie op grond van ras of etnische afstamming verboden wordt in ruimer verband, zoals op het gebied van arbeid, onderwijs, goederen en diensten, alsmede sociale bescherming;

- een actieprogramma ter ondersteuning en aanvulling van de uitvoering van de richtlijnen, door informatie en ervaring uit te wisselen en door de beste praktijken, zowel op wetgevend als op niet-wetgevend vlak, te verspreiden.

De voorgestelde maatregelen vloeien voort uit overleg gedurende 2 jaar met de lidstaten, de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties. Zij zijn bestemd om voort te bouwen op de bestaande nationale bepalingen en om de tijdens het overleg aan het licht gebrachte leemtes aan te vullen. De bedoeling is voor de eerste maal te voorzien in een geïntegreerde aanpak van discriminatiebestrijding op het niveau van de Gemeenschap.

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

EXTERNE BETREKKINGEN

Gemengde Commissie EG-EVA

De Raad keurde namens de Gemeenschap het ontwerp-besluit van de Gemengde Commissie EG-EVA "Gemeenschappelijk Douanevervoer" van 2 december 1999 goed tot verlenging, voor een nieuwe periode van 12 maanden vanaf 1 januari 2000, van het bij de Besluiten nr. 1/96 en nr. 2/96 van de Gemengde Commissie ingestelde verbod op het gebruik van de doorlopende zekerheid, bij het vervoer van sigaretten van post 2402.20 van het geharmoniseerd systeem en enkele andere gevoelige goederen die een uitzonderlijk frauderisico opleveren.

VISSERIJ

Overeenkomst met Angola

In aansluiting op het besluit inzake de voorlopige toepassing van het Protocol tot vaststelling, voor de periode van 3 mei 1999 t/m 2 mei 2000, van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie, als bedoeld in de op 22 november gesloten Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Angola, nam de Raad heden de verordening aan betreffende de sluiting van bovengenoemd Protocol (zie het persbericht van 22 november 1999, nr. 13148/99 (Presse 359-G)).


________________________


_________________________________________________________________

nl/lsa/13457.NL9.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie