Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Doelstellingen van het ORET- en Milieuprogramma

Datum nieuwsfeit: 29-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Staten-Generaal

Plein 2

Den Haag

Directie Ontwikkelingssamenwerking en Bedrijfsleven

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 29 november 1999
Kenmerk DOB 99-1488
Blad /5
Bijlage(n) -
Betreft ORET/Miliev review 1994-1999

Mede namens de Minister van Economische Zaken bericht ik u als volgt.

In de motie Dijksma (1997-1998, 25 600 V nr 35) vroeg uw Kamer om een evaluatie van het ORET- en Milievprogramma om haar inzicht te geven hoe deze programma's bijdragen aan het scheppen van duurzame werkgelegenheid in ontwikkelingslanden en hoe dit effect kan worden vergroot, met name in de Minst Ontwikkelde Landen. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie heeft recent rapport uitgebracht van haar onderzoek van het ORET- en Milievprogramma in de afgelopen vijf jaar. In deze periode zijn de programma-eisen een paar maal bijgesteld. De laatste bijstelling vond plaats in 1998, nadat de behandeling van aanvragen een tijd lang was opgeschort. Bij die gelegenheid werden de twee programma's samengevoegd.

De doelstelling van het ORET/Miliev-programma is tweeledig: het ondersteunen van de Nederlandse export van kapitaalgoederen, werken en diensten ten behoeve van projecten in ontwikkelingslanden, in het belang van de werkgelegenheid, of - in het geval van Miliev - het milieu. Het rapport van IOB toont aan dat het programma aan deze doelstelling voldoet. Samenvattend acht IOB het effect op de Nederlandse economie, gemeten in werkgelegenheidscreatie, relatief beperkt. Over het ontwikkelingsresultaat oordeelt IOB positief.

Het ondersteunen van de Nederlandse export naar verre markten dient er toe Nederlandse bedrijven een "level playing field" te verschaffen in de concurrentie met buitenlandse bedrijven die soortgelijke steun van hun overheden krijgen. Zonderdie steun, is de veronderstelling, zouden exportkansen wegvallen met uiteindelijk gevolgen voor de werkgelegenheid in Nederland. Om een steunwedloop te vermijden hebben de OESO-leden afspraken gemaakt (de Consensus). Deze leiden er toe dat het merendeel van de steun besteed wordt aan projecten die niet (volledig) door de markt gefinancierd kunnen worden, meestal infrastructurele werken. Of ORET/Miliev-steun goed genoeg is om de buitenlandse concurrentie het hoofd te bieden is door IOB niet onderzocht. IOB oordeelt dat het programma de gestelde exportdoelstellingen heeft gehaald. Anderzijds stelt IOB dat de export-relevantie niet moet worden overdreven omdat in feite vaak minder dan 60% uit Nederland komt. De NLG 329 miljoen ORET/Miliev-steun die gegeven werd aan de 30 projecten die IOB onderzocht in haar veldstudie leverden 1770 arbeidsjaren op. Een belangrijke doelstelling van het programma is een versterking van duurzame economische betrekkingen tussen Nederlandse bedrijven en bedrijven in ontwikkelingslanden. IOB constateert dat afnemers zeer tevreden zijn over het geleverde: de kwaliteit wordt als excellent beschouwd. Driekwart van de betrokken exporteurs verwacht daarom meer transacties te realiseren. Daarbij wordt aangetekend dat sommigen die verwachting baseren op voortdurende beschikbaarheid van ORET/Miliev-fondsen.

De bevindingen van IOB aangaande de ontwikkelingsrelevantie van het programma zijn positief. De projecten hebben bijgedragen aan het verbeteren van - de structuur voor - werkgelegenheid in ontwikkelingslanden, met in veel gevallen verwachtbare positieve effecten op de positie van de armen en voor het milieu. Ook is vastgesteld dat de projecten de prioriteiten volgden die de overheid van het ontwikkelingsland had gesteld. Volgens de evaluatoren is dat met name te danken aan de sinds 1991 geïntroduceerde strikte toetsingsprocedures, die door Nederlandse bedrijven worden omschreven als omslachtig en tijdrovend. Het rapport waarschuwt om vooral niet op de toetsing te beknibbelen en dat zal ik, met het oog op de bereikte resultaten, dan ook niet doen. Uiteraard zal ik blijven streven naar het bekorten van de procedure waar dat met behoud van kwaliteit mogelijk is.

Het gaat in het ORET/Miliev-programma om gebonden hulp, hulp die de ontvanger verplicht het geld te gebruiken voor aankopen in het land van de gever. Daaraan kleven in het algemeen vier mogelijke nadelen: (1) het ontwikkelingsland kan niet altijd dat kopen (merk, kwaliteit, technologisch niveau), dat men het liefst zou hebben, (2) het belemmert het ontwikkelingsland om een scherpe prijs te krijgen, bij een beperkte concurrentie (3) het binden van hulp ondermijnt de prioriteitsstelling door het ontvangende land, (4) de hulp die donorlanden afzonderlijk wensen in te zetten voor hetzelfde project wordt niet per se in totaal ter beschikking van het ontwikkelingsland gesteld. Dit geldt overigens voor alle vormen van projecthulp die additioneel aan de reguliere landenallocatie wordt gegeven. Dankzij de in het ORET/Miliev-programma doorgevoerde zorgvuldige toetsing zijn deze nadelen gemitigeerd. Er zijn scherpe prijscontroles en er wordt gewaakt tegen het leverenvan technologie waarop de organisatie van de afnemer niet is berekend. Uit het onderzoek is dan ook tevredenheid gebleken over het niveau van het geleverde. Andere nadelen zijn inherent aan gebonden hulp en zullen pas verdwijnen als het fenomeen zelf verdwijnt. Zoals u bekend heb ik daartoe initiatieven genomen. Nederland zal blijven streven naar het totstandkomen van voldoende kritische massa voor ontbinding, maar niet eenzijdig tot ontbinding overgaan.

De review van IOB resulteert in een aantal suggesties om de ontwikkelingswaarde te vergroten. Deze suggesties hebben te maken met de volgende punten:

a institutionele zwakte van de afnemer

b onzekerheid over de financiële volhoudbaarheid op termijn

c onvoldoende monitoring door de programmabeheerder

d onderbenutting van het potentieel van ontwikkelingslanden

e het stop and go fenomeen

f onvoldoende rapportage door de subsidie-ontvangers

g oversubsidiëring van commercieel haalbare projecten.

Ad a. Uit de review komt naar voren dat de conditionaliteit van het programma Nederlandse bedrijven aanzet tot selectie van relatief sterke en kredietwaardige instellingen in ontwikkelingslanden, aangezien een groot deel van de transactie door de afnemer c.q. het ontvangende land zelf moet worden gefinancierd. Aan de institutionele zwakte van de afnemer (overigens een algemeen probleem bij ontwikkelingssamenwerking) kan iets worden gedaan na het sluiten van een contract, door bij de levering van goederen en diensten voldoende managementadvies en training van personeel in te sluiten. Het wordt moeilijker de afnemer voordien te helpen, bij het maken van een verantwoorde keuze. De bindende donor en de potentiële leverancier is immers partijdig, de minder goed bij kas zittende afnemer kan zich geen onafhankelijk adviseur permitteren. Ditzelfde geldt voor de overheid die de schenking ontvangt en aan projecten toewijst. In de meer ontwikkelde landen kan het toewijzen van projecten het resultaat zijn van een zorgvuldige eigen afweging, in de minst ontwikkelde landen is dat minder zeker; in de praktijk blijken ontvangende landen zich overigens zeer bewust te zijn van de mogelijkheden die andere verstrekkers van gebonden hulp bieden. Daar komt de vraag bij of in die afweging het aanbod van een schenking voor een - door de donor - bepaald project heeft geleid tot een herschikking van prioriteiten. IOB heeft niet onderzocht in welke mate de keuze van het ontwikkelingsland is beïnvloed door het beschikbaar zijn van een schenking.

Dat het programma zich feitelijk richt op de sterkere organisaties, te vinden in de meer ontwikkelde arme landen is aan de ene kant een geruststelling, omdat het er op wijst dat het beschikbaar zijn van ORET/Miliev-schenkingen niet gebruikt wordt voor het tot koop overhalen van argeloze organisaties. Aan de andere kant is het een teleurstelling, omdat het instrument dus minder wordt gebruikt voor leveringen aande Minst Ontwikkelde Landen. Van de 118 ORET/Miliev-transacties in de onderzochte periode vonden er 25 plaats met MOLs en 63 met andere lage inkomens landen (30 in lage middeninkomens landen). Tot voor kort werd het totstandkomen van transacties met deze landen bemoeilijkt door het ontbreken van de mogelijkheid tot kredietverzekering. Aan de oplossing van dat probleem is gewerkt door de instelling, in 1998, van de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM). De institutionele zwakte zou ten dele kunnen worden verholpen door het ORET/Miliev-programma in een aantal ontwikkelingslanden in te bedden in bilaterale afspraken, waarbij de keuze voor projecten die zich lenen voor minder dan 100% schenkingsfinanciering vooraf wordt gemaakt. In dat geval wordt het bovendien mogelijk leveranties beter te doen aansluiten op andere programma's zodat er over en weer versterkende effecten ontstaan.

Ad b. De projecten dienen zoveel op te brengen dat zij de kosten van investering (verminderd met het bedrag van de schenking) en de lopende kosten kunnen goedmaken. In een aantal gevallen moet de lokale overheid bijspringen, wat niet ongewoon is bij infrastructurele projecten. Dat is op zich verantwoord als de economische waarde van de projecten voldoende is. In de beoordeling van ORET/Miliev-aanvragen worden projecten daarop in elk geval geselecteerd. In deze beoordeling wordt echter niet nagegaan of een geheel andere levering (tenzij leverbaar door dezelfde leverancier), of zelfs een ander project nog zinvoller was geweest. Bovendien is er geen zekerheid dat de verwachte betekenis voor de lokale economie zich ook werkelijk voordoet, dus leidt tot werkgelegenheid en tot groei, dus tot in potentie hogere staatsinkomsten waaruit de lopende kosten kunnen worden voldaan. Omdat dit pas op de lange termijn duidelijk wordt is het alleen van de reeds lang afgesloten ORET/Miliev-projecten vast te stellen.

Ad c Dat veronderstelt dan een betere monitoring van het programma. Deze is thans non-existent. Ik zal mij inzetten voor verbetering. Monitoring kan naar mijn mening alleen door de Ambassade worden gedaan, waar mogelijk met behulp van lokale instellingen en in samenwerking met de lokale overheid. De Ambassades zullen hiervoor wel toegerust moeten zijn.

Ad d De eis dat 60% van de te leveren goederen, diensten of werken uit Nederland moet komen heeft in een aantal gevallen geleid tot een minder ontwikkelingsresultaat dan mogelijk was geweest, als lokale producten of diensten waren gebruikt. Een optimaal gebruik van lokale inputs bevordert de lokale werkgelegenheid, het verlaagt de transactiekosten (goedkopere producten/diensten, minder transport) en het verhoogt de beklijfbaarheid. Het is daarom gerechtvaardigd de Nederlandse oorsprong regel zo bij te stellen dat een deel van de goederen, diensten of werken afkomstig uit het ontwikkelingsland zelf meegerekend kunnen worden als Nederlands aandeel.

Ad e Het budget voor ORET/Miliev dreigde eenmaal zover overschreden te worden dat het raadzaam leek het in behandeling nemen van nieuwe aanvragen op te schorten. Bij heropening van die mogelijkheid in 1998, met verscherpte voorwaarden, ontstond even een (kleine) golf van nieuwe projectvoorstellen. Dit stop-and-go fenomeen lijkt zich niet op korte termijn weer voor te doen. Wel blijkt het elk jaar uiterst moeilijk te voorspellen voor welke projecten welke uitgaven zullen worden gedaan. De belangen van de afnemer, de lokale overheid, de leverancier en de financiers lopen niet altijd parallel. Er wordt aan gewerkt om - nog meer dan voorheen - alle partijen te binden aan de verplichtingen die aan de subsidie-ontvanger (de Nederlandse leverancier) zijn opgelegd.

Ad f De rapportage van de Nederlandse bedrijven die met ORET/Miliev-subsidie worden gesteund laat te wensen over. Daardoor is er te weinig zicht op de projectvoortgang en het eindresultaat (in ontwikkelingstermen); er is ook onvoldoende zicht op de uitgavenstroom. Het voorgeschreven rapportageschema wordt thans verbeterd. Er zijn inmiddels sancties gesteld aan het niet - tijdig - rapporteren. Ook zal de ontvangende overheid worden gebonden aan tijdige rapportage door de leverancier. De lokale overheid zelf wordt sinds kort gevraagd om een eindevaluatie.

Ad g De Consensus laat toe dat schenkingen worden gedaan voor kleine projecten (onder de 2 miljoen SDR) die commercieel haalbaar zijn. De veronderstelling is dat de markt deze projecten, vanwege hun geringe omvang, mogelijk niet interessant vindt, ook al is er uitzicht op voldoende rendement. Het IOB rapport plaatst terecht vraagtekens bij dit over-subsidiëren. In het licht van een verdergaande concentratie op investeringen en duurzame relaties wordt dit onderdeel van het programma heroverwogen.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie