Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Opzet notitie Emancipatie en participatie GroenLinks

Datum nieuwsfeit: 30-11-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GroenLinks

Nederland Kostwinnersland

Over fiscale emancipatie en participatie

Inleiding

Emancipatie en participatie

Druk, druk, druk. Deze uitdrukking slaat niet alleen op de hoge werkdruk van werknemers, maar heeft vooral betrekking op de combinatie van zorg en arbeid. In onze moderne maatschappij is er een ongelijke verdeling in maatschappelijke participatie tussen verschillende groepen. Participatie moet breed opgevat worden. De zorg voor elkaar, deelname aan betaald werk en vrijwilligerswerk zijn allemaal belangrijke vormen van maatschappelijke participatie. Onze maatschappij vraagt om een nieuw evenwicht tussen deze vormen van participatie. Ouders met - jonge - kinderen hebben steeds meer moeite om werk en zorg te combineren. Nog steeds is het zo dat vooral mannen voltijds werken, en is de deelname aan betaald werk van vrouwen beperkt. Vooral lager opgeleiden staan buiten de arbeidsmarkt. En vrijwilligerswerk komt steeds meer neer op de schouders van ouderen.

Negatieve kenmerken van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn de lage arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en de hoge werkloosheid van laagopgeleiden. Ondanks de hoge werkgelegenheidsgroei van de afgelopen jaren blijft de deelname van betaalde arbeid door mensen met een lage opleiding, internationaal vergeleken, gering. De langdurige werkloosheid in Nederland behoort tot de hoogste ter wereld. Van Wijnbergen, ex-topman van het ministerie van Economische Zaken, heeft geanalyseerd dat meer dan de helft van de langdurige werklozen laag opgeleid is. (1)

Opvallend is verder de beperkte economische zelfstandigheid van vrouwen. De arbeidsparticipatie van vrouwen is in Nederland altijd erg laag geweest en neemt pas sinds een decennium toe. Nederland was en is nog steeds een kostwinnersland, waar vrouwen de zorgtaken verrichten en mannen voltijds werken:

* In 1995 had maar 66% van de vrouwen die betaald werken een inkomen boven 70% van het wettelijk minimumloon. In relatie tot de totale vrouwelijke bevolking (tussen 15 en 64 jaar) daalt dat percentage naar 27,5% (voor mannen is dat 55,2%).


* Van de vrouwen met kinderen is slechts 20% economisch zelfstandig, terwijl van de vrouwen zonder kinderen 64% economisch op eigen benen staat. De beperkte economische zelfstandigheid voor vrouwen is mede te verklaren uit het feit dat vrouwen veel in kleine en laagbetaalde deeltijdbanen werken.


* In 1998 was het wekelijks urenaantal dat werkende vrouwen werken gemiddeld 13,6 uur, terwijl werkende mannen gemiddeld 38,4 uur per week werken.(2)

De ongelijke rolverdeling tussen mannen en vrouwen is mede verklaren uit cultureel-historische ontwikkelingen. Daarbij heeft het overheidsbeleid - vooral de sociale zekerheid en belastingen - altijd in dienst gestaan van het kostwinnersmodel. Daar moeten we van af.

Op het terrein van zorg en arbeid is er eindelijk, na een lange politieke strijd, een wettelijk recht op deeltijdarbeid geregeld. Verder neemt het kabinet initiatieven op dit terrein via regelingen zoals het zorgverlof, zoals aangekondigd in de nota Arbeid en Zorg. Binnenkort zal het wetsvoorstel met de nieuwe fiscale faciliteit voor verlofsparen in de Tweede Kamer belanden. In deze fiscale notitie # 3 zullen wij dergelijke - zeer belangrijke maatregelen - buiten beschouwing laten en ons richten op het fiscale instrument in het kader van het nieuwe belastingplan dat half september aan de Tweede kamer werd aangeboden.

Belastingherziening 2001

Belangrijke doelstellingen van de belastingoperatie van Zalm en Vermeend zijn het bevorderen van de werkgelegenheid alsmede de emancipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen en mannen. Overigens was emancipatie nog geen doelstelling in de Nota Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning. Pas na het advies van de Sociaal-Economische Raad (april 1998) over de Verkenning werd deze doelstelling expliciet in het regeerakkoord (zomer 1998) opgenomen. Dat geldt ook voor de Belastingherziening 2001 - zoals het paarse belastingplan uiteindelijk is genoemd - en de twee daartoe behorende wetten: de Wet Inkomstenbelasting 2001 en de Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001.

De Emancipatie Effect Rapportage (EER), in opdracht van het kabinet gemaakt, is pas na het regeerakkoord voltooid, en heeft geen rol gespeeld bij de totstandkoming van het wetsvoorstel.(3) Het ministerie van Financiën heeft dit rapport zorgvuldig in een bureaulade opgeborgen.

GroenLinks staat in het algemeen kritisch tegenover de Belastingherziening 2001, onder meer omdat het draagkrachtprincipe wordt aangetast, vooral waar het de fiscale behandeling van vermogen betreft.

Echter, op een aantal onderdelen bevat het voorgestelde belastingplan ook verbeteringen. Zo is het positief dat de huidige overdraagbare belastingvrije voet wordt omgezet in een individuele heffingskorting en is het positief dat het arbeidskostenforfait (helaas slechts gedeeltelijk) wordt omgezet in een voor iedereen gelijke arbeidskorting.

Toch vindt GroenLinks dat er vanuit het perspectief van emancipatie en participatie veel meer mogelijk is dan het kabinet voorstelt. Het belastingplan van het kabinet ademt uit dat het een compromis is tussen PvdA en de VVD. Het politieke uitgangspunt van deze coalitie is dat de belastingherziening niet nivellerend mag zijn. GroenLinks zal in deze notitie laten zien dat juist inkomensnivellerende fiscale maatregelen goed zijn voor de werkgelegenheid en emancipatie en participatie bevorderen.

Het belastingplan van paars blijft teveel uitgaan van het kostwinnersdenken. De omzetting van de overdraagbare belastingvrije voet in een individuele heffingskorting neemt een belemmering weg voor partners om zich aan te bieden op de arbeidsmarkt (afschaffing kostwinnersvoordelen voor hogere inkomens). Vanuit de individualiseringsgedachte ligt het voor de hand de korting uit te betalen aan de rechthebbende en niet aan de kostwinner. Maar het moet daar niet bij blijven.

Ook in de behandeling van de aftrekposten komt het kostwinnersdenken van paars tot uitdrukking. Gehuwden en samenwonenden krijgen van het kabinet de keuze aan welk inkomen aftrekposten en vrijstellingen (zoals de hypotheekrente, de lijfrentes en de heffingsvrije voet voor vermogen) worden toegerekend, wat in de praktijk betekent dat aftrekposten tegen het tarief van het hoogste inkomen mogen worden verrekend. Dit doet geen recht aan de individualisering van het belastingsstelsel. In deze notitie gaan wij in op een aantal instrumenten die van belang zijn voor de arbeidsparticipatie in het algemeen en de emancipatie van vrouwen en mannen in het bijzonder.

Reeds bij de schriftelijke behandeling van de Belastingherziening 2001 zijn door andere politieke partijen voorstellen gedaan om het emancipatie perspectief meer plaats geven in het nieuwe belastingstelsel. In paragraaf 4 geven wij een reactie op deze voorstellen.


2. Voorstellen GroenLinks

GroenLinks doet de volgende vier voorstellen:


1. Een inkomensafhankelijke arbeidskorting ter bevordering van laagbetaald en deeltijdwerk. Deze korting bedraagt 200 gulden per maand voor werknemers met een minimumloon (aflopend naar nul bij
150% minimumloon). Het Belastingplan kent deze speciale arbeidskorting, ook wel Earned Income Tax Credit genoemd, niet. De kosten van deze maatregel bedragen 2 miljard gulden jaarlijks en worden gefinancierd uit afschaffing van het arbeidskostenforfait (3,2 miljard inclusief verhoging 2000).

2. De algemene arbeidskorting wordt naar rato ook toegekend aan deeltijdwerkers die minder dan 50% van het minimumloon verdienen. In het Belastingplan krijgen deze deeltijdwerkers geen arbeidskorting. Het belastingnadeel daarvan kan tot ca. 750 gulden per jaar oplopen. De kosten van deze maatregel bedragen naar schatting 580 miljoen gulden jaarlijks en worden gefinancierd uit afschaffing van het arbeidskostenforfait (3,2 miljard inclusief verhoging 2000).

3. De fiscale faciliteit voor kinderopvang wordt meer gericht op werknemers met een laag inkomen (laag uurloon of deeltijdwerk) en werklozen/herintreders die scholing volgen. In de huidige regeling kunnen vanaf 1 januari 2000 kosten van kinderopvang tot 19.050 gulden worden afgetrokken. De minst verdienende of alleenstaande ouder dient minimaal 8381 gulden te verdienen. De kosten worden afgetrokken van het belastbaar inkomen, zodat de hoogste inkomensgroepen het meest van deze faciliteit profiteren. GroenLinks stelt drie veranderingen voor in de huidige regeling:


* de kosten worden tegen een vast percentage vergoed, ongeacht het inkomen (tax credit);

* werkende ouders dienen minimaal 8 uur betaalde arbeid per week te verrichten (in plaats van een inkomenscriterium).
* ook niet-betaald werkzame ouders die een arbeidsmarkt-relevante scholing volgen of vrijwilligerswerk verrichten, komen in aanmerking voor de regeling;

Financiering van deze wijzigingen geschiedt uit het afschaffen van het laatste deel arbeidskostenforfait. Het percentage van de kosten dat vergoed wordt zal ca. 50% bedragen.


4. Er komt een deeltijdkorting van maximaal 150 gulden per maand. Deze maatregel beoogt, samen met het nieuwe wettelijke recht op deeltijdarbeid, de combinatie van zorg en arbeid te vergemakkelijken en vooral mannen ertoe te verleiden minder dan voltijds te gaan werken. De deeltijdkorting is maximaal bij een werkweek van 28 uur. Vanaf 20 uur loopt de korting op; van 28 uur naar 36 uur loop de korting af. Financiering van de deeltijdkorting (geschatte kosten ca.
2 miljard) geschiedt door overeenkomstige verlaging van de algemene arbeidskorting. Deze bedraagt 1536 gulden op jaarbasis en kost 7,4 miljard gulden.

De voorstellen 1 tot en met 3 zijn amendementen op het belastingplan van paars. GroenLinks verwijt paars de herziening van het belastingstelsel niet gebruikt te hebben voor een fundamentele discussie over de vraag hoe fiscale maatregelen gebruikt kunnen worden voor bevordering van emancipatie en participatie. Voorstel 4 geeft een aanvullend voorstel voor de fiscale bevordering van de combinatie van arbeid en zorg.

Zo heeft de emancipatie-effectrapportage het idee voor een zogenaamde combinatiekorting gelanceerd. Over een zogenaamd zorgkostenforfait concludeert het belastingplan in twee zinnen dat die geen recht doet aan het de doelstelling van werkgelegenheidsbevordering.

GroenLinks vindt dat een gemiste kans, en zal in deze notitie zelf enige opties bediscussiëren. Overigens is ook de EER positief over het emancipatie-effect van de inkomensafhankelijke arbeidskorting. In deel
3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van dit fiscale instrument.

De maatregelen 1 tot en met 3 worden gefinancierd uit het afschaffen van het laatste deel arbeidskostenforfait dat het kabinet in het nieuwe stelsel laat bestaan. Maatregel 4 kan worden gefinancierd uit een verlaging van de algemene arbeidskorting.


3. Toelichting op maatregelen


3.1 Een inkomensafhankelijke arbeidskorting

Arbeidskostenforfait en arbeidskorting

In het belastingplan van paars wordt het arbeidskostenforfait gedeeltelijk omgezet in een arbeidskorting. Het arbeidskostenforfait is een aftrekpost voor werkenden die sinds begin jaren `90 regelmatig is opgehoogd om betaald werken aantrekkelijk te maken. Het fiscale voordeel van deze aftrekmogelijkheid is het hoogst voor de inkomens in het tarief van de tweede en derde schijf. Dat is vanuit zowel inkomenspolitieke als arbeidsmarktoverwegingen verkeerd. Juist aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet het verschil tussen betaald werken en niet-betaald werken vergroot worden. Een omzetting van het arbeidskostenforfait in een voor iedereen gelijke arbeidskorting, zoals in de Belastingherziening 2001 wordt voorgesteld, draagt daar toe bij, maar is onvoldoende. Ten eerste laat het kabinet een deel van het oude arbeidskostenforfait bestaan. Bovendien, ten tweede, is de voorgestelde arbeidskorting te laag om de armoedeval op te heffen.

Sweder van Wijnbergen heeft uitgerekend dat de voorgestelde heffingskorting nog steeds betekent dat de meeste mensen die vanuit de bijstand een baan vinden op minimumloonniveau er financieel op achteruit gaan. Bij deze berekening heeft Van Wijnbergen rekening gehouden met allerlei fiscale en inkomensafhankelijke regelingen. (4) Dat betekent dat de arbeidskorting weinig effectief is in het stimuleren van het arbeidsaanbod, zoals een van de doelstellingen van het kabinet luidt. Omdat het lage participatieniveau in Nederland vooral verklaard wordt door het niet deelnemen aan betaald werk van lager opgeleiden en vrouwen (in deeltijd), moet vooral het arbeidsaanbod tegen relatief lage lonen gestimuleerd worden. Bovendien is het niet rechtvaardig dat mensen die werken een lager besteedbaar inkomen hebben, dan mensen die niet werken.

Om de armoedeval effectief te bestrijden is een inkomensvooruitgang op minimumloonniveau nodig van ongeveer 2400 gulden per jaar. Zou deze inkomensvooruitgang bereikt moeten worden via het nu bestaande arbeidskostenforfait, dan is een bedrag van 15,5 miljard gulden (!) nodig. Vooral de hogere inkomens profiteren van een dergelijke verhoging van het forfait. Ook via de arbeidskorting in het nieuwe stelsel blijft het erg duur om effectief het arbeidsaanbod te verhogen. Een verhoging van de arbeidskorting met 2400 gulden kost de schatkist nog steeds zo'n 11,5 miljard gulden. Alle werkenden profiteren van deze maatregel in gelijk mate.

GroenLinks is voor een meer gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Via een arbeidskorting die afloopt naarmate het inkomen stijgt, kan goedkoper de werkgelegenheid gestimuleerd worden. Deze inkomensafhankelijke arbeidskorting (Earned Income Tax Credit: EITC) kost 2 miljard gulden. Hij bedraagt dan 2400 gulden voor werkenden op minimumloonniveau (WML) en loopt af naar nul bij een inkomen van 150% WML. GroenLinks stelt voor om het gereduceerde arbeidskostenforfait dat in het nieuwe belastingstelsel blijft bestaan, om te zetten in een inkomensafhankelijke arbeidskorting. Op deze manier wordt inkomensnivellering gecombineerd met effectief arbeidsmarktbeleid. Ten onrechte is inkomensnivellering een paars taboe.

Effecten op participatie

Bij verschillende gelegenheden heeft het Centraal Planbureau de werkgelegenheidseffecten van de inkomensafhankelijke arbeidskorting uitgerekend, en vergeleken met andere fiscale instrumenten. In een uitgebreid onderzoek constateert het CPB dat een gericht arbeidskorting effectiever is dan het arbeidskostenforfait of een gelijke arbeidskorting voor iedereen. (5)Vooral het werkgelegenheidseffect voor ongeschoold en laaggeschoold personeel is groot. Het stimuleert bovendien mensen om in deeltijd te gaan werken. Dat geldt voor partners die nu nog geen baan hebben. Echter, ook mensen met een laag arbeidsinkomen met nu nog een voltijdbaan, gaan eerder in deeltijd werken. Deze fiscale maatregel sluit zo aan bij de wens van veel (mannelijke) werknemers om korter te gaan werken. (6)Voor - meestal -vrouwen geldt dat deze maatregel het mogelijk maakt om met een deeltijdbaan voldoende inkomen te verwerven (economische zelfstandigheid). Kortom, deze fiscale maatregel is goed voor de werkgelegenheid, maar draagt ook bij aan een herverdeling van arbeid- en zorgtaken. Vanwege deze effecten is ook in de emancipatie-effectrapportage de voorkeur uitgesproken voor de EITC.(7)

In de tegenbegroting van GroenLinks bij de Miljoenennota 2000 is een inkomensafhankelijke arbeidskorting opgenomen. Deze lastenverlichting aan de onderkant maakt een verhoging van het sociaal minimum mogelijk zonder negatieve werkgelegenheidseffecten. Een EITC van 2400 gulden op minimumniveau (maar in combinatie met een verhoging van het sociaal minimum met 2%!) levert volgens het CPB op termijn 55.000 banen op. Deze maatregelen worden gefinancierd uit lastenverzwaringen voor de hogere inkomens (in totaal lastenneutraal). Ter vergelijking, het gehele belastingplan van paars, met een lastenverlichting van 5 miljard gulden, levert 65.000 banen op.(8)

Te hoge marginale wig?

Het belangrijkste - politieke - argument van paars tegen een inkomensafhankelijke arbeidskorting is dat die nivellerend werkt. En nivellering mag niet van de coalitie. Ook vanuit participatie-overwegingen is dat een kortzichtig uitgangspunt. Een inhoudelijk argument is de verhoging van de `marginale wig' in het inkomenstraject waarin de arbeidskorting wordt afgebouwd. Door het laten afnemen van de arbeidskorting houden werknemers van een extra verdiende gulden minder inkomen over. Het kabinet, minister Zalm voorop, tilt zwaar aan het mogelijke negatieve effect op de inspanning van werknemers om een hoger inkomen te verwerven. Dat effect wordt verwacht omdat werknemers minder zouden investeren in scholing of anderszins minder moeite zouden doen om een baan met een hoger inkomen te verwerven. De inkomensafhankelijke arbeidskorting verhoogt inderdaad de marginale lastendruk, maar verlaagt - en dat is belangrijk voor de bestrijding van de armoedeval - de gemiddelde lastendruk.

De marginale wig (lastendruk op de laatst verdiende gulden).

Eerst de feiten. Tabel 1 maakt voor verschillende inkomensgroepen de vergelijking van de marginale wig in zes Europese landen. Uit deze tabel blijkt dat in Nederland de marginale wig voor lagere inkomensgroepen lager is dan die van de inkomens boven modaal. Daarnaast laat deze tabel zien dat voor lagere inkomens de marginale wig in België, Frankrijk en Duitsland hoger is dan in Nederland.

Tabel 1 De marginale wig voor verschillende inkomensgroepen in een aantal Europese landen


67% modaal 100% modaal 1 67% modaal
Nederland 47 (4) 55 (2) 50 (4)
Belgie 55 (1) 56 (1) 61 (1)
Frankrijk 49 (3) 35 (6) 36 (6)
Duitsland 52 (2) 55 (2) 59 (2)
Italie 34 (6) 41 (4) 41 (5)
Zweden 39 (5) 36 (5) 57 (3)

Bron: OESO (1998) Tax benefit position of employees

Het probleem van een hoge marginale wig is dat het werknemers niet uitnodigt om te streven naar een hoger inkomen. Zo zouden werknemers minder geneigd zijn om in scholing te investeren om later een hoger inkomen te verwerven. Een empirisch bewijs van dit verband heeft het CPB nog nooit kunnen leveren. Bovendien veronderstelt het dat werknemers zelf investeren tijdens de loopbaan in scholing. Dat is maar zeer ten dele waar en geldt vooral voor

de hogere inkomens, maar voor de hogere inkomens is de marginale wig juist hoger dan voor de lagere inkomens. Deze werknemers investeren zelf vooral in scholing vanuit een bredere interesse en om geen kennisachterstand op te lopen. Ook voor hen is een hoger inkomen slechts een afgeleide motivatie voor investeringen in scholing. Ten behoeve van het levenslang leren vindt GroenLinks dat de overheid en de sociale partners moeten investeren in opleiding voor lager geschoolde werknemers.

Kortom, de negatieve effecten van een hogere marginale wig zijn zeer beperkt. Voor de lagere inkomens moet vooral gekeken worden naar de gemiddelde wig, want die is bij de bestrijding van de armoedeval het belangrijkste aanknopingspunt voor een betere werking van de arbeidsmarkt.

De gemiddelde wig (gemiddelde lastendruk op het totale inkomen).

Tabel 2 maakt de vergelijking voor de gemiddelde wig (gemiddelde lastendruk op het totale inkomen). In vergelijking met het buitenland kent Nederland een hoge gemiddelde lastendruk aan de onderkant van de arbeidsmarkt, terwijl de hogere inkomensgroepen internationaal een relatief lage gemiddelde belastingdruk kennen. De cijfers laten zien dat het belangrijkste probleem in Nederland de gemiddelde wig is, dat wil zeggen dat in Nederland werknemers met een laag bruto inkomen netto te weinig overhouden.

Tabel 2 De gemiddelde wig voor verschillende inkomensgroepen in een aantal Europese landen


67% modaal 100% modaal 1 67% modaal
Nederland 35 (2) 39 (3) 42 (3)
Belgie 34 (3) 42 (1) 49 (1)
Frankrijk 24 (6) 28 (6) 32 (6)
Duitsland 37 (1) 42 (1) 48 (2)
Italie 25 (5) 29 (5) 34 (5)
Zweden 32 (4) 35 (4) 42 (3)

Bron: OESO (1998) Tax benefit position of employees

Vormgeving

De inkomensafhankelijke arbeidskorting bedraagt maximaal 2400 gulden per jaar. Een belastingplichtige die met een voltijdse werkweek het wettelijk minimumloon verdient krijgt er maandelijks 200 gulden er. De inkomensafhankelijke arbeidskorting is voor deze groepen werkenden dus substantieel hoger dan de arbeidskorting die voor iedere werknemer, ongeacht het inkomen, 1536 gulden bedraagt.(9)Voor een goed begrip: de inkomensafhankelijke arbeidskorting komt bovenop de algemene arbeidskorting.

De inkomensafhankelijke arbeidskorting (EITC) is een belastingkorting die afhankelijk is van het loon per uur. Indien alleen het inkomen maatstaf zou zijn voor toekenning van de EITC zouden kleine deeltijders met een hoog uurloon ook volop profiteren van de EITC. Dat zou niet rechtvaardig zijn. Immers, de werknemer die minder dan 40 uur werkt maar een gelijk loon ontvangen als de minimumloner zou eenzelfde belastingkorting van 2400 gulden ontvangen, terwijl het uurloon hoger is en het aantal gewerkte uren lager.

Werknemers die meer dan het WML-uurloon ontvangen een lagere EITC. Bij een uurloon van 150% WML is de inkomensafhankelijke arbeidskorting tot nul gereduceerd. Werknemers die in deeltijd werken op basis van het WML-uurloon, ontvangen dezelfde inkomensafhankelijke arbeidskorting per uur als een voltijder op WML-niveau.

Met deze systematiek sluit GroenLinks zoveel mogelijk aan bij de gangbare registratie van gewerkte uren zoals deze in loonadministraties wordt gehanteerd. Tevens verwijzen we naar de urensystematiek die ook in de sociale zekerheid wordt gehanteerd alsmede in enkele regelingen van de belastingwetgeving.

Met het oog op de fraudegevoeligheid is de EITC in eerste instantie alleen van toepassing op situaties waar sprake is van een dienstbetrekking en verzekeringsplicht voor WW en WAO. Overwogen moet worden voor kleine zelfstandigen een soortgelijke regeling te ontwerpen.


3.2 Arbeidskorting vanaf de eerste verdiende gulden

In het Regeerakkoord is opgenomen dat de arbeidskorting pas in zou gaan als werknemers meer verdienden dan 70% van het minimumloon. Daarmee zou een groot aantal kleine deeltijders (meestal vrouwen) zijn uitgezonderd van de arbeidskorting, wat een remmende werking heeft op de betaalde arbeid van vrouwen in de laagste inkomenscategorieën. Vanuit emancipatie-perspectief is het een duidelijke verbetering dat bij de definitieve plannen de keuze is gemaakt om de grens van 70% naar 50% te verlagen. Blijft echter de vraag waarom de arbeidskorting niet voor alle werkenden zou moeten gelden, en dus de vraag waarom er sowieso een drempel is ingevoerd. Vanuit economische zelfstandigheid geredeneerd wellicht een logische keuze. Vanuit inkomenspolitieke en vanuit emancipatoire overwegingen een vreemde keuze en ook niet in overeenstemming met het principe dat deeltijdwerkers gelijk behandeld dienen te worden. GroenLinks is er dan ook voor om de arbeidskorting in te laten gaan vanaf de eerst verdiende gulden en op te bouwen naar een maximum bij 100% WML.

Om deze maatregel effectief te doen zijn, zijn twee veranderingen nodig ten opzichte van de huidige voorstellen:


1. De arbeidskorting bedraagt in de voorstellen van het kabinet 1536 gulden vanaf 100% van het wettelijk minimumloon bij een volledige werkweek. Wie minder verdient dan het WML ontvangt deze arbeidskorting naar rato van het inkomen. Hierdoor krijgen kleine deeltijders met een hoog uur-inkomen dezelfde arbeidskorting als grote deeltijders met een laag uur-inkomen. Omwille van rechtvaardigheid stelt GroenLinks voor de arbeidskorting toe te kennen op uurbasis.

2. Voorgaande maakt het mogelijk kleine deeltijders met een laag uurinkomen een arbeidskorting te geven. Deze arbeidskorting heeft het karakter van een arbeidstoeslag als de af te dragen loonbelasting te laag of reeds nihil is (na verrekening algemene heffingskorting).

Met deze systematiek sluit GroenLinks zoveel mogelijk aan bij de gangbare registratie van gewerkte uren zoals deze in loonadministraties wordt gehanteerd. Tevens verwijzen we naar de urensystematiek die ook in de sociale zekerheid wordt gehanteerd alsmede in enkele regelingen van de belastingwetgeving.

Met het oog op de fraudegevoeligheid is deze aanpassing voor de arbeidskorting in eerste instantie alleen van toepassing op situaties waar sprake is van een dienstbetrekking en verzekeringsplicht voor WW en WAO.


3.3 Fiscale faciliteit kinderopvang

In de voorstellen van het kabinet wordt het vooral voor de hogere inkomens aantrekkelijk gemaakt om gebruik te maken van kinderopvang. Het probleem voor lagere inkomensgroepen is een te hoge drempel. Daarnaast hebben hogere inkomens een voordeel, omdat de aftrek gebeurt tegen de progressieve tarievenstructuur.

Het kabinet stelt - naar de mening van GroenLinks terecht - dat de kosten voor kinderopvang niet gezien moet worden als buitengewone lasten (zoals in het huidige stelsel), maar dat de kinderopvangregeling een stimuleringsregel is die tot doel heeft de belemmeringen voor arbeidsmarktparticipatie te verminderen. Het kabinet ziet in dat de kinderopvang via de fiscaliteit gestimuleerd moet worden, maar laat na deze gedachte in het belastingplan uit te werken. Vanuit arbeidsmarktoverwegingen zou een fiscale faciliteit juist gericht moeten zijn op de lagere inkomens. Het is dan niet logisch om voor de kinderopvang een aftrekpost te handhaven met progressieve belastingtarieven.

Het onderzoeksinstituut Nyfer heeft onderzoek verricht naar de kosten van kinderopvang voor verschillende inkomensgroepen. In tabel 3 wordt een aantal onderzoeksresultaten van Nyfer samengevat. (10) Het onderzoek is gericht op de kosten van kinderopvang in relatie tot het extra inkomen dat een tweede ouder (naast de hoofdverdiener) overhoudt bij aanvaarding van betaald werk.

Tabel 3 Het percentage van het extra verdiende gezinsinkomen dat besteed moet worden aan kinderopvang


2 dagen werken 4 dagen werken

1 kind 2 kinderen 1 kind 2 kinderen
Ongesubsidieerde kinderopvang
minimumloon 65 126 77 148
modaal 70 132 84 157
twee keer modaal 89 153 98 172
Gesubsidieerde kinderopvang
minimumloon 24 31 35 45
modaal 41 54 53 70
twee keer modaal 73 95 68 89

Bron: Nyfer, 1999

Het tekort aan het aantal plaatsen voor kinderopvang en de kosten die met kinderopvang gemoeid zijn, zijn belangrijke belemmeringen voor de arbeidsparticipatie van vrouwen. Opvallend aan de cijfers in tabel 3 is dat voor alle partners die gaan werken op minimumloonniveau de kinderopvang een zeer groot gedeelte van het extra verdiende gezinsinkomen kost. Vooral voor gezinnen met twee kinderen is deze vorm van de armoedeval groot. (11)Verder valt het verschil op tussen de kosten van gesubsidieerde en ongesubsidieerde kinderopvang.

Het is vanzelfsprekend voor GroenLinks dat het aantal kinderopvangplaatsen snel en fors uitgebreid moet worden. Gemeenten hebben daarin een belangrijke rol, zowel in het stichten van nieuwe kinderopvangcentra als het bewaken van de kwaliteit van alle initiatieven die in de maatschappij en rondom bedrijven ontstaan. Kwaliteit en toegankelijkheid staan voorop.

Een ruime fiscale faciliteit voor kinderopvang is, naast het collectief en via CAO's financieren van toegankelijke kinderopvang, nodig om de inkomensgevolgen op te vangen voor ouders die de eigen bijdragen voor kinderopvang dienen te betalen.(12)

In de huidige loon- en inkomstenbelasting bestaat er een aftrekpost voor kinderopvang. Dezelfde aftrekpost blijft in het nieuwe stelsel bestaan. De kosten van de kinderopvang die uitgaan boven de eigen bijdrage, mag verrekend worden met de te betalen belasting. (13) Omdat deze aftrekpost wordt afgerekend tegen het progressieve tarief, hebben inkomens in de hogere schijven een tariefsvoordeel. In plaats van een aftrekpost stelt GroenLinks een tax-credit voor. Hierdoor heeft iedereen een gelijk voordeel van deze fiscale faciliteit. Verder is er voor verschillende inkomensgroepen een drempel ingesteld (de eigen bijdrage). Voor de lagere inkomens moet de drempel kinderopvang afgeschaft worden, zodat de volledige kosten aftrekbaar zijn. Voor de hogere inkomens zou de drempel juist verhoogd moeten worden.

Aan de door paars voorgestelde aftrekpost is het criterium verbonden dat het inkomen van de minst verdiende of alleenstaande ouder ten minste 8381 gulden per jaar bedraagt. Dat is een merkwaardig criterium dat vooral nadelig is voor werknemers die in deeltijd tegen een laag uurloon werken. GroenLinks stelt een urencriterium voor in plaats van een inkomenscriterium. Recht op de tax credit hebben die belastingplichtigen die ten minste 8 uur per week betaalde arbeid verrichten.

Momenteel staat de fiscale faciliteit alleen open voor ouders die allebei betaald werken. Dit moet veranderd worden, zodat ook ouders die een arbeidsmarkt-relevante scholing volgen of vrijwilligerswerk doen, maar geen betaald werk verrichten, recht krijgen op een belastingkorting voor kosten van kinderopvang.


3.4 Deeltijdkorting

Combinatiekorting volgens de EER

In de emancipatie-effectrapportage over het belastingplan (EER) wordt een pleidooi gehouden voor een combinatiekorting, naast de individuele heffingskorting en de arbeidskorting. Er wordt gesteld dat lastenverlichting in de vorm van een arbeidskorting gegeven de verschillen in arbeids- en inkomenspositie meer bij mannen dan bij vrouwen terechtkomt. De combinatiekorting wordt in de plannen van de EER toegekend aan de minst verdienende partner, waardoor zij werkt als een fiscale stimulans voor het hebben en verhogen van een `tweede' inkomen. Deze korting wordt beargumenteerd vanuit het idee dat hiermee een faciliteit wordt geschapen voor de combinatie arbeid en zorg waarbij de traditionele toedeling van zorgverantwoordelijkheid voor kinderen als uitgangspunt dient. De zorgverantwoordelijkheid van de minst-verdienende partner - meestal de vrouw - heeft volgens de EER niet alleen op het moment dat er daadwerkelijk voor kinderen wordt gezorgd, maar op verschillende momenten in de levenscyclus een effect op de mogelijkheid om economische zelfstandigheid te verwerven.

Combinatiekorting voor werkenden met kinderen

GroenLinks deelt de analyse van de EER, maar vindt de gekozen oplossing van de EER teveel uitgaan van het traditionele patroon, waarbij de vrouw gelijk gesteld wordt aan de minst-verdienende partner. Volgens GroenLinks moet het fiscale stelsel gericht zijn op het stimuleren van arbeidsparticipatie en een gelijke verdeling van arbeid en zorg tussen man en vrouw.

Eén mogelijkheid is een combinatiekorting (fiscale faciliteit voor de combinatie van arbeid en zorg) die uitgekeerd wordt op het moment dat er kinderen in het huishouden zijn. Bovendien zou de combinatiekorting gekoppeld moeten zijn aan het aantal uren betaald werk. Voor de hand ligt om daarbij uit te gaan van het ideale combinatie-scenario, waarbij beide partners een driekwart baan hebben. Dat wil zeggen dat beide partners, in een gezinssituatie met kinderen, de combinatiekorting krijgen als zij niet meer dan 32 uur per week werken. Ook zou er een minimum aantal uren gewerkt moeten worden voor het recht op deze belastingkorting om juist de economische zelfstandigheid te stimuleren, bijvoorbeeld ten minste 20 uur per week.

Met deze combinatiekorting wordt een tweeledig effect bereikt. Enerzijds wordt de minst-verdienende partner gestimuleerd om een baan te nemen dan wel het aantal arbeidsuren te verhogen. Anderzijds is het een fiscale stimulans voor de voltijdwerker om minder te gaan werken. Hiermee worden niet alleen vrouwen gestimuleerd om te gaan werken, maar worden ook mannen financieel gestimuleerd om korter te gaan werken, waardoor er ruimte ontstaat om zorgtaken te vervullen. Uit veel onderzoek blijkt dat het Nederlandse emancipatiebeleid juist op dit laatste punt tekort schiet.(14)

Een ander positief punt is dat de maatregel niet discriminerend uitwerkt voor alleenstaanden met zorgtaken. Ook zij ontvangen de combinatiekorting wanneer zij minder dan 32 uur betaalde arbeid verrichten.

Deeltijdkorting

De combinatiekorting voor werkenden met kinderen geeft evenwel een beperkte opvatting van maatschappelijke participatie en zorgtaken. Werken moet ook gecombineerd kunnen worden met zorg en aandacht voor anderen dan alleen de kinderen. Ook activiteiten als vrijwilligerswerk, scholing en vrijetijdsbesteding vat GroenLinks op als zinvolle deelname aan de maatschappij die naast een betaalde baan gedaan moet kunnen worden. Naast de werkende ouders met kinderen heeft met name de sterk groeiende groep alleenstaanden moeite met de combinatie van leven, liefde en werken.

In plaats van de bovenstaande combinatiekorting voor alleen ouders met kinderen is een generieke maatregel denkbaar die deeltijdwerk voor iedereen stimuleert. In het verkiezingsprogramma van 1994 en 1998 gebruikte GroenLinks het fiscale instrument om deeltijdwerk te bevorderen. Dit instrument was gericht op de werkgevers. Voor banen van meer dan 32 uur moest meer belasting betaald worden dan voor banen beneden de 32 uur.(15) Met de invoering van een wettelijk recht op deeltijd is het niet logisch om werkgevers nog te stimuleren om deeltijdwerk te creëren. De keuze voor de arbeidsduur ligt steeds meer bij de werknemer zelf.(16) Om deeltijdwerk aantrekkelijk te maken is daarom een fiscale prikkel voor werknemers te overwegen. Lagere belastingen voor werknemers - ongeacht de gezinssituatie - voor een grote deeltijdbaan, maakt het ook voor de lagere inkomens mogelijk om korter te gaan werken.

Vormgeving

De deeltijdkorting bedraagt maximaal 150 gulden bij een werkweek van
28 uur. Werknemers die meer dan 20 uur maar korter dan 36 uur werken kunnen aanspraak maken op de deeltijdkorting. Financiering van de deeltijdkorting (geschatte kosten ca. 2 miljard gulden) geschiedt door overeenkomstige verlaging van de algemene arbeidskorting. Deze bedraagt 1536 gulden op jaarbasis en kost 7,4 miljard gulden.

Met deze systematiek sluit GroenLinks zoveel mogelijk aan bij de gangbare registratie van gewerkte uren zoals deze in loonadministraties wordt gehanteerd. Tevens verwijzen we naar de urensystematiek die ook in de sociale zekerheid wordt gehanteerd alsmede in enkele regelingen van de belastingwetgeving.

Met het oog op de fraudegevoeligheid is de deeltijdkorting in eerste instantie alleen van toepassing op situaties waar sprake is van een dienstbetrekking en verzekeringsplicht voor WW en WAO.


3.5 Slotopmerkingen

Deze notitie bevat voorstellen die GroenLinks inbrengt in het publieke en politieke debat rond de Belastingherziening 2001. De voorstellen zijn voorzien van dekkende financiering. De economische effecten zijn bij andere gelegenheden (herhaaldelijk) doorgerekend door het Centraal Planbureau op verzoek van GroenLinks. Bekeken wordt of een integrale doorrekening van de tegenvoorstellen van GroenLinks door het Centraal Planbureau mogelijk is. In januari 2000 wordt hierover meer bekend.


4. Andere fiscale voorstellen

Reeds bij de schriftelijke behandeling van de Belastingherziening 2001 zijn door andere politieke partijen voorstellen gedaan om het emancipatie perspectief meer plaats geven in het nieuwe belastingstelsel. Hier geven wij een reactie op deze voorstellen. Op het voorstel voor een combinatiekorting van de EER werd reeds in hoofdstuk 3 ingegaan.


1. Afschaffen heffingkorting niet-werkende partner

Sommige partijen (VVD, D66) spelen met de gedachte om de heffingskorting voor de niet-betaalde werkende partner af te schaffen. Immers, ze is ontsproten uit de oude regeling voor een overdraagbare belastingvrije voet, die was bedoeld om huishoudens met slechts één inkomen een extra fiscale tegemoetkoming te geven. De draagkrachtgedachte speelde hierin een belangrijke rol. Met economische zelfstandigheid, participatiebevordering en een gelijke behandeling van alleenstaanden en overige huishoudens als uitgangspunten zou de heffingskorting eigenlijk niet uitbetaald moeten worden aan partners zonder arbeidsinkomen.

Reactie: Dit is een krachtig argument. Echter, het is niet correct het draagkrachtprincipe geheel los te laten waar het de alleenverdieners betreft: vooral vanwege omvangrijke koopkrachtgevolgen (de algemene heffingskorting bedraagt 3321 gulden per jaar) accepteert GroenLinks het uitbetalen van de individuele heffingskorting aan niet-werkende partners. Op termijn lijkt een aanpassing echter voor de hand te liggen, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij de zogenaamde `1990-generatie'.


2. Zorgkorting of zorgkostenforfait

Het verdwijnen van de heffingkorting voor de niet-werkende partner zou gecompenseerd kunnen worden voor niet betaald werkende partners die de zorg voor (kleine) kinderen hebben. Dit is onder meer gesuggereerd door D66. Een enigszins vergelijkbare regeling bestaat er voor alleenstaande ouders (alleenstaande-ouderaftrek). De werkingssfeer van een dergelijke zorgkorting of zorgkostenforfait zou uitgebreid kunnen worden tot een algemene zorgkorting (voor zorg voor familie en vrienden) die ook benut zou kunnen worden door werkende alleenstaanden ingeval zorg wordt verleend.

Reactie: GroenLinks is een voorstander van het maken van ruimte voor het vervullen van zorgtaken. Aangrijpingspunt voor GroenLinks is en blijft daarbij het stimuleren van deeltijdarbeid, zodat het beter mogelijk wordt om zorgzelfstandigheid te realiseren. GroenLinks is geen voorstander van het uitbestedings-scenario waarin alle zorgtaken worden ingekocht op de markt. Betaalde zorgarbeid zal bovendien nooit kunnen voorzien in de zorgbehoefte. Mensen dienen over de mogelijkheid te beschikken om zelf in noodzakelijke vormen van zorg te voorzien. GroenLinks stelt daarom de deeltijdkorting voor.


3. Kinderkorting

In de schriftelijke behandeling heeft het CDA voorstellen gedaan voor een kinderkorting.

Reactie: welbeschouwd betreft het hier een verhoging van de kinderbijslag, tenminste voorzover het een tax-credit betreft. GroenLinks is geen voorstander van een verdere verhoging van de algemene kinderbijslag. Beter ware het gerichte inkomensondersteuning te bieden aan gezinnen met lage inkomens bijvoorbeeld via een inkomensafhankelijke kinderbijslag.


4. Algemene heffingskorting als een gedeeltelijk basisinkomen?

In het verkiezingsprogramma van GroenLinks is een negatieve inkomstenbelasting (voetinkomen) opgenomen. Deze NIB is welbeschouwd een vorm van basisinkomen dat aan alle ingezetenen vanaf 18 jaar wordt uitbetaald. De eerste stap op weg naar een dergelijk basisinkomen betreft de omzetting van de huidige basisaftrek in een algemene heffingskorting. In de Nota naar aanleiding van het Verslag van de Belastingherziening 2001 merken de bewindslieden van Financiën op dat de algemene heffingskorting niet moet worden beschouwd als een stap op weg naar het basisinkomen. De heffingskorting wordt immers slechts uitgekeerd voor zover daartegenover afgedragen inkomstenbelasting staat. Dat geldt ook voor de niet-betaald-werkende partner: de hoogte van `zijn/haar' heffingskorting blijkt afhankelijk van de belasting die door de partner is afgedragen.

Reactie: Het is jammer dat het kabinet niet een stap zet naar een meer geïndividualiseerd stelsel. Een werkelijk individuele heffingskorting zou niet hebben misstaan.

GROENLINKS Tweede-Kamerfractie

Fiscale Notitie # 3

Ineke van Gent, Bart Snels,Mathilde Streefkerk,Kees Vendrik


29 november 1999


1)S. van Wijnbergen (1998), Fiscaliteit, onderwijs en inactiviteit, Jaarboek 1997-1998, Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.

(2)Zie voor de cijfers J.R. Dierx, Y.K. Grift en J.J. Schippers (1999), Fiscale emancipatie, ESB, 15 oktober 1999, 748-752.

(3)J.R. Dierx, Y.K. Grift en J.J. Schippers (1999), Emancipatie-effectrapportage verkenning belastingstelsel van de 21e eeuw, Rapport voor het Ministerie van financiën.

(4)S. van Wijnbergen (1998), Fiscaliteit, onderwijs en inactiviteit, Jaarboek 1997-1998, Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.

(5)J.J. Graafland en R.A. de Mooij (1998), Analyzing Fiscal Policy in the Netherlands, Research Memorandum no. 140, Centraal Planbureau, Den Haag.

(6)Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25902, nr. 1, Wet bevordering deeltijdarbeid en differentiatie arbeidsduur.

(7)Zie J.R. Dierx, Y.K. Grift en J.J. Schippers (1999), Fiscale emancipatie, ESB, 15 oktober 1999, 748-752.

(8)CPB (1999), Economische effecten wijzigingsvoorstellen Miljoenennota 2000 GroenLinks-fractie, notitie 99/47, september, Den Haag; CPB (1999), Economische gevolgen van de Belastingherziening
2001, werkdocument no. 115, Den Haag.

(9)De arbeidskorting van 1536 gulden zal met ruim 400 gulden dalen als gevolg van de financiering van de deeltijdkorting.

(10) Koopmans en M.M.J. Stavenuiter (1999), Er is meer dan zorgverlof, ESB, 29 oktober 1999, 794- 796.

(11)In lang niet alle CAO's bestaan er afspraken over kinderopvang. De betreffende werknemers zijn dan meestal aangewezen op de ongesubsidieerde kinderopvang. De armoedeval is voor die werknemers het grootst.

(12)Ook de richtinggevende tabel van het ministerie van VWS over de eigen bijdragen moet aangepast worden. De eigen bijdragen waar het kabinet vanuit gaat zijn gebaseerd op het huishoudinkomen, terwijl het voor de emancipatie effectiever is om het inkomen van de minst-verdienende partner als uitgangspunt te nemen. Op termijn moet het systeem van eigen bijdragen geïntegreerd worden in het fiscale stelsel. Een regime van eigen bijdragen volgens een regime van VWS, naast een apart regime voor fiscale aftrek, maakt de subsidiering van kinderopvang ondoorzichtig. Tevens speelt de afdrachtvermindering loonbelasting een rol die de werkgever kan benutten wanneer deze kinderopvang bekostigt ten gunste van zijn werknemers. Wij beperken ons hier tot de fiscale faciliteit.

(13)Op aandringen van de Tweede kamer heeft het kabinet de drempelwaarden in de aftreksystematiek al enigszins aangepast. De nieuwe drempelwaarden wijken vanaf 2000 af van de VWS-adviestabel. Lagere inkomens krijgen eerder recht op de belastingaftrek. De verlaging van de drempelwaarden voor lagere inkomens gaat nog lang niet ver genoeg, terwijl voor hogere inkomens de drempelwaarden juist verhoogd zouden moeten worden.

(14)J.R. Dierx, Y.K. Grift en J.J. Schippers (1999), Emancipatie-effectrapportage verkenning belastingstelsel van de 21e eeuw, Rapport voor het Ministerie van financiën. Ook het SCP heeft veel onderzoek verricht waaruit blijkt dat mannen weinig zorgtaken op zich nemen als de vrouw meer gaat werken.

(15)Deze maatregel levert volgens het CPB ongeveer 25.000 banen op; zie CPB (1998), Keuzes in kaart, economische effecten van vijf verkiezingsprogramma's, Den Haag.

(16)Overigens geldt de keuze voor de arbeidsduur niet in bedrijven met minder dan 10 werknemers. De deeltijdwet moet nog door de Eerste Kamer worden aanvaard.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie